CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 OKTOBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De verzoekers in de gevoegde ambtenarenzaken waarin ik heden heb te concluderen zijn sinds 1977 respectievelijk 1978 als „operateur vertolkingsinstallaties” in dienst bij de Commissie. Aanvankelijk waren zij tijdelijk of hulpfunctionaris, maar nadat zij met succes hadden deelgenomen aan de examens van het intern vergelijkend onderzoek COM/C/4/78 voor de vorming van een aanwervingsreserve voor hulpbeambten van de loopbaan C 4/C 5 werden zij per 1 maart 1980 benoemd tot ambtenaren in vaste dienst. Parlante, Brocean en Lattanzio werden ingedeeld in de rang C 5, Micheli en Labate in de rang C 4.
Reeds tijdens hun proeftijd hadden zij in november 1977 een klacht ingediend als bedoeld in artikel 90 van het Statuut, waarin zij stelden dat alleen de rang van beambte overeenkwam met de door hen verrichte werkzaamheden. Deze klacht werd door het tot aanstelling bevoegde gezag afgewezen, op grond dat het vergelijkend onderzoek waaraan zij hadden deelgenomen, bedoeld was geweest voor de aanwerving van hulpbeambten van de loopbaan C 5/C 4 en niet van beambten van de loopbaan C 3/C 2. Deze afwijzende besluiten zijn onaantastbaar, omdat verzoekers er niet tijdig beroep tegen hebben ingesteld.
Los daarvan vroegen verzoekers op 25 april 1980 krachtens artikel 90, lid 1, om toekenning van de in artikel 7, lid 2, van het Statuut bedoelde aanvullende toelage. Nadat ook deze verzoeken deels uitdrukkelijk, deels stilzwijgend waren afgewezen, dienden de betrokkenen hiertegen een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut. Ook deze klachten werden tenslotte uitdrukkelijk afgewezen bij brief van 8 april 1981 van het lid van de Commissie belast met personeelszaken.
De betrokken ambtenaren hebben daarop op 3 juli 1981 beroep ingesteld. Zij vorderen nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 8 april 1981 en veroordeling van verweerster om hun vanaf de dag van hun indiensttreding bij de Commissie of althans vanaf de dag van hun aanstelling als ambtenaar, een aanvullende toelage of compensatie te betalen, gelijk aan het verschil tussen het ontvangen salaris en het salaris dat zij hadden moeten ontvangen wegens het verrichten van de werkzaamheden van operateur vertolkingsinstallaties, vermeerderd met interessen.
Alvorens in te gaan op de gegrondheid van deze vorderingen, wil ik opmerken dat men zich zou kunnen afvragen, of het beroep niet al aanstonds niet ontvankelijk is, omdat hier een poging wordt gedaan om langs de weg van aanvullende toelage bedoeld in artikel 7, lid 2, van het Statuut in feite te komen tot herziening van de onaantastbaar geworden indeling van verzoekers. Daar verweerster deze exceptie echter niet opwerpt en — althans de jure — een ander resultaat wordt nagestreefd dan met de oorspronkelijke administratieve procedure, wil ik op de zaak zelf ingaan.
1. De vordering tot nietigverklaring van het besluit van 8 april 1981
a)
Tot staving van hun beroep voeren verzoekers aan, dat de Commissie inbreuk maakt op artikel 5, lid 3, van het Statuut en op het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid, daar het salaris van verzoekers lager is dan dat van andere ambtenaren bij dezelfde instelling of bij andere instellingen, die vergelijkbare werkzaamheden verrichten.
Al heeft de Commissie in zoverre gelijk, dat de aangehaalde bepaling, volgens welke „voor de ambtenaren die tot een zelfde categorie of groep behoren onderscheidenlijk dezelfde bepalingen gelden met betrekking tot aanwerving en loopbaan”, niet een gelijke salariëring wil garanderen aan ambtenaren die vergelijkbare werkzaamheden verrichten, toch valt principieel niet te betwisten dat dit beginsel van gelijke behandeling ook in het ambtenarenrecht van de Gemeenschappen moet worden gerespecteerd. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft overwogen — onder meer in de zaak-Boursin (arrest van 17 december 1964, zaak 102/63, Jurispr. 1964, blz. 1419) —, wordt namelijk inzonderheid met het beginsel van overeenstemming tussen de uitgeoefende functie en de rang, dat door artikel 5 van het Statuut wordt gewaarborgd, beoogd te vermijden, dat ambtenaren aan wie op rechtmatige wijze vergelijkbare taken zijn opgedragen, ongelijk worden behandeld.
Van schending van dit discrimineringsverbod kan echter, anders dan verzoekers menen, niet reeds bij iedere ongelijke behandeling sprake zijn. Een inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling is eerst dan aannemelijk, gelijk het Hof steeds duidelijk heeft gesteld, wanneer de differentiatie objectief niet gerechtvaardigd is.
Een verschil in behandeling kan echter, ondanks een gelijke benaming voor bepaalde werkzaamheden, gerechtvaardigd zijn, met name om redenen die met de kwaliteit en de kwantiteit van de werkzaamheden verband houden. Het kan daarom niet op bezwaren stuiten wanneer de operateurs vertolkingsinstallaties, die, zoals het geval is bij de Commissie in Luxemburg, een kleine groep van zes ambtenaren vormen en elkaar in geval van nood dus eventueel moeten vervangen, hoger gesalarieerd worden dan enkele ambtenaren bij de Commissie in Brussel, waar voor overeenkomstige werkzaamheden 22 ambtenaren beschikbaar zijn.
In dit licht moet ook de door verzoekers gemaakte vergelijking met de bij het Parlement werkzame technici worden gezien. Ook hier ligt het voor de hand, dat het verschil in de opgedragen werkzaamheden, vooral in verband met de omvang van de vertolkingsinstallatie, een verschillende behandeling van de technici kan rechtvaardigen. Niet in de laatste plaats komt dat verschil ook tot uiting in de aanstellingsvoorwaarden. Zo vraagt de Commissie in de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek COM/C/4/78 voor de vorming van een aanwervingsreserve voor hulpbeambten enkel kennis van radiotechniek, terwijl het Parlement in een overeenkomstige aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek voor beambten van de rang C 3 (PE 75/C; PB C 249 van 1978, blz. 8) een diploma radio- en elektrotechniek als voorwaarde stelt.
Tenslotte blijkt ook uit de door verzoekers gemaakte vergelijking met ambtenaren van dezelfde dienst in Brussel niet dat de Commissie, door deze hoger in te delen, het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid heeft geschonden. In dit verband kan in het midden blijven, of deze ambtenaren, ondanks dezelfde functieomschrijving, niet toch werkzaamheden verrichten waaraan hogere eisen worden gesteld, omdat een verschil in salariëring in elk geval materieel gerechtvaardigd is door een verschil in anciënniteit en leeftijd en de daarmee samenhangende beroepservaring. Een blik op de door de Commissie voorgelegde lijst van de bij haar als operateurs werkzame functionarissen toont duidelijk aan, dat de Commissie met deze criteria rekening heeft gehouden. Zo bedraagt de anciënniteit van de technici in de rang C 5 gemiddeld vijf jaar, in de rang C 4 zes jaar, in de rang C 2 achttien jaar en in de rang C 1 achttieneneenhalf jaar. Om een verder voorbeeld te noemen: de technici van de rang C 5 zijn jonger dan 30 jaar, terwijl C 1-ambtenaren ouder zijn dan 40 jaar. Zouden tenslotte ambtenaren met een lagere leeftijd en anciënniteit van meet af aan op dezelfde wijze worden ingedeeld als de oudere ambtenaren die hetzelfde doen, dan zou promotie binnen de categorie onmogelijk zijn.
b)
Ter motivering van hun vorderingen betogen verzoekers voorts, dat de onrechtmatigheid van de weigering om hun een aanvullende toelage toe te kennen, ook blijkt uit de door de Commissie krachtens artikel 5, lid 4, van het Statuut opgestelde en in de Personeelskoerier nr. 272 van 4 september 1973 gepubliceerde omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden die aan iedere standaardfunctie zijn verbonden. Volgens deze omschrijving zouden de werkzaamheden van een operateur vertolkingsinstallaties slechts door een beambte van de loopbaan C 2/C 3, doch niet door een hulpbeambte van de loopbaan C 4/C 5 mogen worden verricht.
Dat ook dit argument geen steek houdt, volgt echter reeds uit het feit dat die omschrijving geen limitatieve, doch slechts enumeratieve betekenis heeft; dit blijkt duidelijk uit de woorden „in het bijzonder” boven aan de lijst. Zou de opvatting van verzoekers de juiste zijn, dan zou daar bovendien uit volgen, dat bepaalde werkzaamheden steeds enkel door ambtenaren van dezelfde rang kunnen worden verricht. Een enkele blik op de omschrijving van de werkzaamheden maakt echter duidelijk, dat dezelfde werkzaamheden kunnen worden verricht door ambtenaren van verschillende rang, en dat alleen de aard van de vakdiploma's of de omvang van de beroepservaring bepalend is voor het verschil in indeling.
c)
Tenslotte wordt de Commissie verweten, dat het weigeren van een aanvullende toelage in strijd is met artikel 7, lid 2, van het Statuut, met het billijkheidsbeginsel en met de zorgplicht.
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beslist (onder meer arresten van 12 maart 1975, zaak 23/74, Küster, Jurispr. 1975, blz. 353, en 9 juli 1970, zaak 35/69, Lampe, Jurispr. 1970, blz. 609), is voor de toepassing van deze bepaling echter een uitdrukkelijk besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag nodig, daar zij voor de ambtenaar het recht op bepaalde prestaties van de administratie meebrengt. Afgezien van het feit dat verzoekers, zoals wij zagen, geen moeilijker werkzaamheden verrichten dan van ambtenaren van hun rang kan worden verlangd, ontbreekt in casu in ieder geval een dergelijke uitdrukkelijke „opdracht”. Bovendien blijkt uit het arrest in de zaak-Prelle (arrest van 16 december 1970, zaak 5/70, Jurispr. 1970, blz. 1075), dat de toepassing van deze bepaling onderstelt dat de waargenomen werkzaamheden sterk verschillen van die welke aan het eigen ambt van de betrokkene zijn verbonden. Zo al aan de andere feitelijke voorwaarden zou zijn voldaan, kan dit in casu echter niet worden aangenomen.
Gezien de geschetste feiten, zie ik niet hóe de Commissie door het weigeren van een aanvullende toelage inbreuk kan hebben gemaakt op het billijkheidsbeginsel en op haar zorgplicht.
2. De schadevordering
Naast bovengenoemde middelen voeren verzoekers voorts aan, dat de Commissie bij de inrichting van haar diensten twee dienstfouten heeft begaan en deswege als schadevergoeding de gevraagde aanvullende toelage of compensatie verschuldigd is. In de eerste plaats verwijten zij de Commissie, het feitelijke belang van de hun opgedragen werkzaamheden en de daaraan verbonden verantwoordelijkheid te hebben onderschat, en in de tweede plaats, geen C 3-ambtenaren als operateurs te hebben aangesteld. Dientengevolge zouden verzoekers, die als chef een B 1-ambtenaar hebben, in feite het werk van een beambte hebben moeten doen.
Hiertegen moet worden aangevoerd, dat blijkens vaste rechtspraak van het Hof iedere instelling zelfstandig haar lijst van het aantal ambten opstelt en over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de inrichting van haar diensten. Aangezien verzoekers er niet in geslaagd zijn aan te tonen, dat hun huidige werkzaamheden niet overeenkomen met die van een hulpbeambte van de loopbaan C 4/C 5, kan de Commissie in zoverre geen verkeerd gebruik van bevoegdheid worden verweten.
Zoals reeds gezegd, kunnen dezelfde werkzaamheden bovendien worden verricht door ambtenaren die tot verschillende rangen van een categorie behoren. Het Statuut biedt met name geen steun voor de stelling, dat de indeling in een bepaalde rang afhankelijk is van de vraag, of de naasthogere rang bezet is of niet. Het tegendeel kan in elk geval niet — zoals verzoekers menen — worden afgeleid uit 's Hofs arrest in de zaak-Klaer (arrest van 15 december 1965, zaak 15/65, Jurispr. 1965, blz. 1349), die betrekking had op de vraag of een ambtenaar van de rang Al onder het gezag van een andere ambtenaar van dezelfde rang kon worden geplaatst. Onder verwijzing naar de omschrijving van de werkzaamheden van de Hoge Autoriteit, heeft het Hof in dat verband alleen vastgesteld, dat een ambtenaar in beginsel ondergeschikt is aan een ambtenaar van de naasthogere loopbaan.
Afgezien van deze juridische overwegingen, moet voor het overige nog worden geconstateerd dat, zoals wij vernamen, de Commissie zeven operateurs vertolkingsinstallaties in de rang C 2 in dienst heeft, die alle tot de loopbaan C 2/C 3 (beambte) behoren.
3.
Aangezien hiermee alle vorderingen van verzoekers ongegrond zijn gebleken, concludeer ik tot verwerping van het beroep, kosten rechtens.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy