OPMERKINGEN VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VOORGELEGD OP 22 SEPTEMBER 1983
1. Procedurele aspecten van artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering
Verzoeken tot interpretatie van arresten, in één geval van een beschikking, als thans geregeld in artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering, zijn, afgezien van de onderhavige zaak, slechts in 9 gevallen ingesteld (zaken 5/55, Assider, Jurispr. 1954-1955, blz. 283; 70/63 bis, Collotti, Jurispr. 1965, blz. 346; 110/63 bis, Willame, Jurispr. 1966, blz. 432; 13/67, Kurt Becher, Jurispr. 1968, blz. 278; 17/68, Reinarz, Jurispr. 1970, blz. 1; 24/66 bis, Getreidehandel, Jurispr. 1973, blz. 1599; 41/73, 43/73 en 44/73, SA générale Sucrière, Jurispr. 1977, blz. 445; 40/70, Sirena, Jurispr. 1971, blz. 69 en 9/81, Williams, Jurispr. 1982, blz. 3301). In vijf gevallen werd het interpretatieverzoek, na mondelinge behandeling, afgedaan met een arrest en in drie met een beschikking. In zes gevallen nam de advocaat-generaal een met redenen omklede conclusie, in twee gevallen deelde hij zijn opvatting op andere wijze aan het Hof mede. Artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering bevat met name noch ten aanzien van de vorm van het „partijen in de gelegenheid stellen haar opmerkingen voor te dragen”, noch ten aanzien van de vorm, waarin „de advocaat-generaal gehoord” wordt, dwingende voorschriften. Een dwingend systeem terzake kan ook niet indirect uit de andere bepalingen van de derde titel van het Reglement voor de procesvoering worden afgeleid. In het systeem van het Procesreglement lijkt het echter wel rationeel de twee genoemde vormvragen in onderling verband te beantwoorden. Aan artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering ligt met name de gedachte ten grondslag, dat een formele conclusie van de advocaat-generaal deel uitmaakt van de mondelinge behandeling. Indien partijen, zoals in casu, op andere wijze dan in een mondelinge terechtzitting in de gelegenheid zijn gesteld haar opmerkingen voor te dragen, lijkt het derhalve voor de hand te liggen, dat ook de opvatting van de advocaat-generaal niet in de vorm van een conclusie in een openbare terechtzitting wordt uitgesproken, maar in een andere — al dan niet schriftelijk vastgelegde — vorm ter kennis van het Hof wordt gebracht. In de onderhavige zaak acht ik wegens de procedurele en inhoudelijke complicaties van de zaak schriftelijke vastlegging van mijn opvatting doelmatig.
2. Het arrest, waarvan interpretatie wordt gevraagd
In de zaak 206/81 verzocht de heer Alvarez enerzijds zijn beoordelingsrapport als stagiaire en in verband daarmede het hem betreffende ontslagbesluit van het Europees Parlement te vernietigen. Anderzijds verzocht hij om vergoeding van de schade die hij tengevolge van het ontslagbesluit zou hebben geleden.
In zijn arrest van 6 oktober 1982 verklaarde Uw Hof (Derde kamer) het ten aanzien van verzoeker genomen ontslagbesluit van 26 juni 1981 inderdaad nietig en verwees Uw Hof het Europees Parlement in de kosten van het geding. Over de verzoeken tot vernietiging van het beoordelingsrapport en tot schadevergoeding werd in het dictum geen uitspraak gedaan. Na vaststelling in rechtsoverweging 5, dat niet alle stukken waarop het ontslagbesluit was gebaseerd, aan verzoeker waren medegedeeld en dat daardoor inbreuk was gemaakt op het contradictoire karakter van de procedure van artikel 34, lid 2, Ambtenarenstatuut, werd blijkens rechtsoverweging 6 van genoemd arrest het ontslagbesluit nietig verklaard, „nu verzoeker niet in staat is gesteld, om zijn opmerkingen te maken over alle bezwaren die er tegen hem bestonden en die aanleiding waren voor het ontslagbesluit ... daar het berust op een motivering die na een niet-contradictoire procedure tot stand is gekomen. Deze nietigverklaring dringt zich temeer op, nu het in casu van bijzonder belang was dat de als aanvulling op het beoordelingsrapport geschreven nota's aan verzoeker werden medegedeeld, aangezien het beoordelingsrapport zelf op het punt van de diploma's en het rendement onvolledig en voor het overige zeer lapidair was”.
De schadevordering werd blijkens rechtsoverweging 7 afgewezen „omdat verzoeker geen schade heeft weten aan te tonen die al niet door de nietigverklaring van het ontslagbesluit zou worden vergoed”.
3. De feitelijke ontwikkeling van het arrest
Na het arrest bood het Europees Parlement aan de heer Alvarez alsnog alle bedoelde documenten aan voor commentaar om aldus de door het Hof geconstateerde proceduregebreken te herstellen. De heer Alvarez weigerde echter deze stukken in ontvangst te nemen, aangezien naar zijn oordeel in het arrest was uitgemaakt dat deze niet tegen hem gebruikt zouden mogen worden. Hij was — onder verwijzing naar Uw arrest in de zaken 45 en 49/70, Bode, Jurispr. 1970, blz. 476 — van mening, dat een gebrek in de procedure niet later zou kunnen worden hersteld. Voorts meende hij dat hij na de vernietiging van het ontslagbesluit niet weer als stagiaire in dienst genomen moest worden, maar dat hem een andere functie moest worden aangeboden.
Het Europees Parlement heeft daarop — na verwerping van diens stellingen en het geven van een aanvullende termijn voor het maken van opmerkingen over de voorgelegde stukken — op 6 december 1982 verzoeker opnieuw ontslagen. Tegen dit nieuwe ontslagbesluit is verzoeker op 27 december 1982 bij Uw Hof opnieuw in beroep gegaan (zaak 347/82), met gelijktijdig verzoek tot opschorting van de uitvoering van het nieuwe ontslagbesluit. Op 17 januari 1983 werd laatstgenoemd verzoek om opschorting door de president van Uw kamer in kort geding verworpen, met name op grond van de vaststelling (in rechtsoverwegingen 23 en 24) dat het Parlement aan het arrest van 6 oktober 1982 voldaan heeft door alle relevante stukken aan verzoeker voor commentaar mede te delen.
Na deze uitspraak in kort geding heeft verzoeker op 3 maart 1983 het thans aan de orde zijnde verzoek om interpretatie van het arrest van 6 oktober 1982 ingediend. Na de schriftelijke opmerkingen van het Europees Parlement over dit verzoek te hebben ontvangen heeft Uw kamer nog een hoorzitting georganiseerd, die echter uitsluitend aan de vraag van de ontvankelijkheid van het interpretatieverzoek was gewijd. Met name op dit punt waren de schriftelijke stukken van partijen in het licht van Uw eerdere rechtspraak niet voldoende ingegaan.
4. De gestelde interpretatievragen
De drie interpretatievragen die verzoeker aan U heeft voorgelegd kunnen als volgt worden weergegeven:
a)
heeft verzoeker recht op zijn gehele salaris en overige uitkeringen na de vernietiging van het ontslagbesluit of kunnen elders genoten inkomsten uit arbeid worden afgetrokken?
b)
Was het Parlement op grond van de vernietiging van het ontslagbesluit verplicht verzoeker in een ambt overeenkomend met zijn categorie en rang aan te stellen of kon het volstaan met betaling van zijn salaris en overige uitkeringen over het tijdvak na die vernietiging?
c)
Is verzoeker na de vernietiging van zijn ontslag als stagiaire weer stagiaire geworden of dient hij als ambtenaar te worden beschouwd?
5. De ontvankelijkheidsvraag
5.1.
Het Europees Parlement heeft de ontvankelijkheid van het interpretatieverzoek in twijfel getrokken, omdat dezelfde argumentatie en middelen zouden zijn gebruikt als in de nog aanhangige beroepsprocedure 347/82. Daar het onderhavige verzoek duidelijk een ander voorwerp heeft dan de zaak 347/82, namelijk uitlegging van het arrest inzake het eerste ontslagbesluit, lijkt twijfel over de ontvankelijkheid op deze grond mij niet gerechtvaardigd.
De rechtsgevolgen van een uitlegging van Uw eerdere arrest als door verzoeker gevraagd, zouden ook niet noodzakelijk gelijk zijn aan een gunstige uitspraak over zijn beroep tegen het nieuwe ontslagbesluit, terwijl hij voorts.bij een voor hem gunstige interpretatie van Uw arrest in de zaak 206/81 eerder aan zijn trekken zou komen. Derhalve kan niet gesteld worden, dat verzoeker geen belang zòu hebben bij een interpretatieve uitspraak van Uw Hof.
5.2.
Voor de beantwoording van de vraag van de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek acht ik dan ook Uw eerdere rechtspraak terzake van groter belang. Met name acht ik voor de onderhavige zaak van belang Uw eerder geciteerde arresten in de zaken 5/55 en 110/63 en de mede op uitgebreid rechtsvergelijkend onderzoek gebaseerde conclusie van de advocaat-generaal Lagrange in de zaak 5/55.
Mede óp grond van de tekst van het huidige artikel 40 van het Statuut van het Hof ben ik evenals de advocaat-generaal Lagrange van oordeel, dat een verzoek om interpretatie, om ontvankelijk te zijn, in elk geval moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
a)
er moet sprake zijn van moeilijkheden nopens de betekenis en strekking van een arrest (in het arrest in de zaak 5/55 werd deze voorwaarde aldus verduidelijkt, dat het voldoende is, dat partijen aan de tekst van het te interpreteren arrest een verschillende betekenis toekennen, hetgeen in casu het geval is);
b)
de moeilijkheid moet betrekking hebben op een in het arrest besliste vraag, zonder dat de gevraagde interpretatie de in het arrest (in beginsel in het dictum, echter rekening houdend met de toelichtende en het dictum daarom mede bepalende rechtsoverwegingen) vastgestelde rechten beperkt, uitbreidt of wijzigt;
c)
het arrest dient een werkelijk onduidelijk of dubbelzinnig karakter te hebben,
Op grond van de tekst van het huidige artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering kan daaraan nog worden toegevoegd de voorwaarde :
d)
dat het verzoek een nauwkeurige aanduiding dient te omvatten van de teksten (van het betrokken arrest) waarvan de interpretatie wordt verzocht.
Het Hof zelf heeft in zijn eerder geciteerde arresten in de zaken 5/55, 70/63 bis, 110/63 bis, 24/66 bis en 13/67 nog enkele andere algemene voorwaarden voor ontvankelijkheid van een interpretatieverzoek genoemd. Voor de onderhavige zaak is daarvan met name van belang de in zaak 110/63 bis vervatte verduidelijking, dat
e)
het verzoek de uitlegging van het arrest moet betreffen en niet de toepassing van dat arrest op bepaalde feiten, zoals de vraag „of verweerster het recht heeft op het aan verzoeker te betalen bedrag sommen in mindering te brengen”.
Anderzijds overwoog het Hof in deze zaak, „dat de vraag of het uit te leggen arrest al dan niet duister of dubbelzinnig is, slechts in het kader van het onderzoek der zaak ten principale kan worden behandeld”. Na dit onderzoek verricht te hebben kwam het Hof evenwel tot de conclusie, dat in het betrokken gedeelte van het arrest „geen enkele duisterheid of dubbelzinnigheid voorkomt” en „dat derhalve tot de gevraagde uitlegging geen termen aanwezig zijn”. Uit deze formulering blijkt, dat de scheidingslijn tussen niet-ontvankelijkheid en afwijzing van het verzoek ten principale in de eerdere rechtspraak van het Hof uiteindelijk niet op alle punten geheel duidelijk is.
6. Toetsing van de gestelde interpretatievragen aan de voorwaarden, vermeld in de geciteerde rechtspraak
Wanneer ik nu de door verzoeker gestelde interpretatievragen toets aan de in de geciteerde rechtspraak ontwikkelde voorwaarden, levert dit het volgende resultaat op:
a)
De vraag of verzoeker recht heeft op zijn gehele salaris en overige uitkeringen na de vernietiging van het ontslagbesluit of dat daarvan elders genoten inkomsten uit arbeid kunnen worden afgetrokken, was in het arrest in de zaak 206/81 niet aan de orde, zodat aan eerder vermelde voorwaarde b) niet was voldaan. Ook betreft deze vraag de toepassing van het arrest op bepaalde feiten en is derhalve evenmin voldaan aan de eerder vermelde voorwaarde e). Dit verzoek dient derhalve te worden verworpen.
b)
De vraag of het Parlement na de vernietiging van het ontslagbesluit verplicht was, verzoeker in een ambt overeenkomend met zijn categorie en rang aan te stellen dan wel kon volstaan met betaling van zijn salaris en overige uitkeringen over het tijdvak na die vernietiging dient te worden verworpen, omdat het arrest in dit opzicht geen werkelijk onduidelijk of dubbelzinnig karakter had. In de op dit punt vergelijkbare zaak 110/63 bis heeft Uw Hof reeds overwogen „dat verzoeker ... ingevolge het arrest als gevolg van het vernietigen van het aangevallen besluit nog steeds wordt geacht in dienst van verweerster te zijn, op de voorwaarden die gelden voor het contract waarbij hij werd aangenomen”. Weliswaar komt een dergelijke overweging in het thans voor uitlegging voorgedragen arrest niet voor, maar dat neemt niet weg, dat dit rechtsgevolg ook hier vanzelfsprekend is, zodat ook aan het arrest in de zaak 206/81 in dit opzicht geen onduidelijkheid kan worden verweten. Vernietiging van een ontslagbesluit heeft naar haar aard herstel van de „status quo ante” ten gevolge. Aangezien verzoeker als stagiaire was aangesteld, betekent dit, dat hij na de vernietiging van het ontslagbesluit opnieuw als stagiaire in dienst van verweerster was, op de voorwaarden die golden voor het contract waarbij hij als stagiaire werd aangesteld.
c)
De derde door verzoeker gestelde vraag of hij na de vernietiging van zijn ontslag als stagiaire weer stagiaire was geworden of als ambtenaar diende te worden beschouwd dient op dezelfde gronden als ten aanzien van zijn tweede vraag aangevoerd, te worden verworpen.
Volledigheidshalve merk ik nog op, dat het interpretatieverzoek ook nog zonder meer in zijn geheel verworpen zou kunnen worden, omdat niet is voldaan aan de in artikel 102 genoemde voorwaarde, dat het een nauwkeurige aanduiding dient te omvatten van de teksten van het betrokken arrest waarvan de interpretatie wordt verzocht. Ook zouden de tweede en derde vraag evenals de eerste vraag kunnen worden verworpen, omdat zij onderwerpen betreffen die in het arrest 206/81 niet uitdrukkelijk aan de orde waren. Uit overwegingen van proceseconomie acht ik echter een motivering van de verwerping van het verzoek als aangegeven doelmatiger. Indien dit niet tot intrekking van het beroep in de zaak 347/82 zal leiden, zal de procedure in die zaak daardoor in elk geval vereenvoudigd kunnen worden.
7. Slotopmerkingen
Het resultaat van mijn analyse is, dat het onderhavige verzoek om interpretatie moet worden verworpen. Op grond van de eerder vermelde onduidelijke grenslijn tussen afwijzing op grond van niet-ontvankelijkheid en afwijzing van het verzoek op grond van een analyse van het arrest ten principale, stel ik U voor in de motivering de formulering van het arrest in de zaak 110/63 bis aan te houden, inhoudende dat „tot de gevraagde uitlegging geen termen aanwezig zijn”. Slechts de eerste U voorgelegde vraag is op de aangegeven gronden weliswaar duidelijk niet ontvankelijk, maar ook deze conclusie kan slechts op grond van een inhoudelijke analyse van het in geding zijnde arrest getrokken worden.
Wat de proceskosten betreft, is enige twijfel mogelijk, of het vijfde hoofdstuk van het Reglement voor de procesvoering in casu wel toepasselijk is, daar dit hoofdstuk in een andere titel dan het onderhavige is geplaatst. Overeenkomstig Uw eerdere rechtspraak (bijvoorbeeld in de vergelijkbare zaak 110/63 bis) en gelet op de aard van een procedure als hier aan de orde (die een vervolg vormt van het eerdere geding, waarop het interpretatieverzoek betrekking heeft) ben ik niettemin van oordeel, dat genoemd hoofdstuk wel van toepassing is en dat gelet op de artikelen 69 en 70 verzoeker derhalve uitsluitend in de door hem zelf gemaakte kosten kan worden verwezen. Een dergelijke oplossing van het kostenvraagstuk lijkt mij overigens ook in zoverre redelijk, dat het verzoek om interpretatie zijn grond vond in een arrest, waarin het Parlement in het ongelijk werd gesteld en dienovereenkomstig in de kosten werd veroordeeld. De omstandigheid, dat het interpretatieverzoek zelf dient te worden verworpen, doet hieraan niet zoveel af, dat het onredelijk zou zijn het Parlement zijn eigen proceskosten te doen dragen. Dit geldt zeker, indien overeenkomstig mijn voorstellen in de rechtsoverwegingen van de uitspraak in feite toch ten aanzien van twee van de door hem gestelde vragen aan verzoeker duidelijkheid wordt verschaft over de strekking van het eerder gewezen arrest.
Full & Egal Universal Law Academy