CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
van 17 maart 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak, K. Ditterich, is in 1954 in dienst getreden van Euratom en is thans als wetenschappelijk ambtenaar in rang A 5/8 werkzaam bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra. Zijn beroep is gericht tegen het overeenkomstig artikel 43 Ambtenarenstatuut opgestelde beoordelingsrapport over de periode 1 juli 1975 tot 30 juni 1977.
In dit beoordelingsrapport — op 20 december 1979 ondertekend door G. R. Bishop, directeur van departement C, waaronder verzoeker tot 1976 ressorteerde, na raadpleging van H. Hannaert, hoofd van de afdeling chemie, en H. Helms, directeur van departement A, waar verzoeker thans werkzaam is — worden onder nr. 6 (gespecificeerde beoordeling) de vakbekwaamheid en prestaties van verzoeker als hoger dan normaal, en het gedrag in de dienst als normaal aangemerkt. Onder nr. 8 (algemene beoordeling) wordt verklaard :
„De heer Ditterich bezit ongetwijfeld de nodige capaciteiten op het gebied van de systeemanalyse; gepaard aan een grotere bereidheid tot samenwerking zouden deze voor hemzelf en het programma van het GCO meer vruchten afwerpen.”
Op 17 januari 1980 diende verzoeker overeenkomstig artikel 43, tweede alinea, Ambtenarenstatuut een nota in, waarbij hij verzocht de laatste zinsnede van de algemene beoordeling te schrappen. Hij stelde dat die bewering niet op een objectief onderzoek van de feiten berustte, aangezien hij in de betrokken beoordelingsperiode, naast andere werkzaamheden, een aantal artikelen had gepubliceerd, deels in samenwerking met collega's. De uitdrukking „voor hemzelf ... meer vruchten afwerpen” zou het subjectieve oordeel van de beoordelaar weergeven en in tegenspraak zijn met de beoordeling van zijn gedrag in de dienst in het vorige beoordelingsrapport, dat als hoger dan normaal was aangemerkt.
Nadat ook R. Mas, adjunct-directeur van het GCO en directeur van de inrichting te Ispra, als beoordelaar in beroep, na een gesprek op 26 maart 1980 het beoordelingsrapport had bevestigd, wendde verzoeker zich tot het paritair beoordelingscomité. In zijn advies van 15 juli 1980 betreurde dit comité dat de ten opzichte van het vorige beoordelingsrapport minder gunstige beoordeling van verzoekers gedrag in de dienst niet uitdrukkelijk was gemotiveerd.
Naar aanleiding van het verzoek van het comité om de beoordeling met inachtneming van zijn advies in heroverweging te nemen, deelde de beoordelaar in beroep verzoeker op 22 oktober 1980 schriftelijk mede, dat hij na overleg met Bishop de volgende motivering aan de beoordeling van zijn gedrag in de dienst had toegevoegd:
„De heer Ditterich heeft zich gedurende deze periode systematisch verzet tegen elk besluit van zijn hiërarchieke meerderen dat hem raakte.”
Bij nota van 1 december 1980, ingekomen op het secretariaat-generaal van de
Commissie op 16 december daaropvolgend, diende Ditterich krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen de definitieve versie van zijn beoordelingsrapport. Toen zijn klacht niet binnen de aldaar gestelde termijn was beantwoord, stelde hij op 8 juli 1981 beroep in. Zijn klacht werd op 11 augustus 1981 uitdrukkelijk afgewezen door de vice-president van de Commissie, Davignon. Verzoeker vordert thans in repliek:
—
zijn beoordelingsrapport over de periode 1 juli 1975 tot 30 juni 1977, het besluit van de beoordelaar in beroep van 22 oktober 1980 alsmede het in het schrijven van de Commissie van 11 augustus 1981 vervatte afwijzende besluit nietig te verklaren;
—
verweerster te veroordelen tot vergoeding van de — door het Hof naar billijkheid vast te stellen — materiële en immateriële schade die verzoeker heeft geleden als gevolg van de opgetreden onregelmatigheden en vertraging;
—
in alle geval verweerster in de kosten van het geding te veroordelen.
Mijn standpunt in deze is als volgt:
1. De primaire vordering
Hiermede beoogt verzoeker de nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport over de periode 1975-1977, zoals dat in het besluit van de beoordelaar in beroep van 22 oktober 1980 zijn definitieve vorm heeft gekregen. Hij bestrijdt enerzijds de algemene beoordeling, volgens welke hij ondanks de nodige geschiktheid op het gebied van de systeemanalyse met een grotere bereidheid tot samenwerking meer profijt had kunnen behalen voor zichzelf en het programma van het GCO, en anderzijds de beoordeling van zijn gedrag in de dienst met „normaal”, die ten opzichte van het vorige beoordelingsrapport minder gunstig was en achteraf aldus werd gemotiveerd, dat hij zich systematisch verzette tegen alle opdrachten van zijn meerderen.
a)
Met het eerste middel voert verzoeker aan, dat bedoelde beoordelingen en de eraan ten grondslag liggende feiten duidelijk met elkaar in tegenspraak zijn. Zijn bereidheid tot samenwerking blijkt reeds uit de enkele omstandigheid, dat hij in de betrokken periode in samenwerking met collega's een aantal artikelen heeft geschreven. Ook is onjuist, dat hij zich in die periode systematisch tegen alle opdrachten van zijn meerderen heeft verzet. Deze aantijging had zijns inziens in elk geval met concrete voorbeelden moeten worden onderbouwd.
Bij de beoordeling van deze argumenten herinner ik eraan, dat het Hof tot nog toe om begrijpelijke redenen steeds heeft geweigerd, zijn eigen oordeel in de plaats te stellen van de beoordeling van de bekwaamheid van de ambtenaar in de dienst door de administratie overeenkomstig artikel 43 van het Statuut (vgl. de in het feitelijk deel van het arrest vermelde rechtspraak). Het Hof heeft daarbij steeds beklemtoond, dat dergelijke beoordelingen op complexe waardeoordelen berusten die naar hun aard niet objectief kunnen worden getoetst, en heeft zich ertoe beperkt te onderzoeken of bij de vaststelling van de beoordelingsrapporten sprake was van onbevoegdheid of van andere vorm- of procedurefouten, van kennelijke vergissingen of van misbruik van bevoegdheid.
Van zulke zwaarwegende gebreken, de enige die tot onrechtmatigheid van de aangevochten beoordeling zouden kunnen leiden, is evenwel — om het maar meteen te zeggen — in het onderhavige geval mijns inziens geen sprake. Aan verzoeker kan weliswaar worden toegegeven, dat de algemene beoordeling niet zonder meer helder en ondubbelzinnig is en mogelijk zelfs elementen bevat die niet noodzakelijkerwijs verband bouden met de bekwaamheid in de dienst. Daarentegen ben ik het niet eens met zijn betoog dat deze algemene beoordeling innerlijk tegenstrijdig, in tegenspraak met de gespecificeerde beoordeling of in het geheel zonder betekenis is. Afgezet tegen de gespecificeerde beoordeling geeft zij veeleer aan, dat verzoeker ondanks zijn meer dan gemiddelde bekwaamheid en prestaties van groter nut voor het GCO zou zijn, indien zijn bereidheid tot samenwerking groter zou zijn.
De betekenis van deze opmerking wordt volkomen duidelijk, indien men de aanvullende motivering erbij betrekt die de beoordelaar in beroep op verzoek van het paritaire beoordelingscomité heeft gegeven voor het feit dat zijn gedrag in de dienst in tegenstelling tot het vorige rapport slechts met normaal werd beoordeeld, en volgens welke verzoeker zich systematisch verzette tegen tot hem gerichte opdrachten van zijn meerderen. Anders dan verzoeker meent, houdt deze verklaring echter niet in, dat dan ook zijn gedrag in de dienst niet met normaal maar met lager dan normaal had moeten worden beoordeeld. Welbeschouwd betekent zij alleen, dat deze houding niet ernstig genoeg is om zijn gedrag in de dienst als ontoereikend te kenmerken, doch een hoger dan normale beoordeling van zijn gedrag in de dienst evenmin kan rechtvaardigen.
Aangezien deze motivering gelet op de eraan ten grondslag liggende feiten helder en ondubbelzinnig is, kan, anders dan verzoeker meent, in het kader van een overeenkomstig artikel 43 Ambtenarenstatuut opgesteld beoordelingsrapport, dat noodzakelijkerwijs bondig moet zijn, ook niet erover worden geklaagd dat de feiten waarop de motivering berust onvoldoende zijn geconcretiseerd.
Verzoeker is mijns inziens evenmin erin geslaagd aan te tonen, dat deze beoordelingen in tegenspraak zijn met de feiten. Zoals de Commissie terecht opmerkt, zegt met name de omstandigheid dat hij in de betrokken periode herhaaldelijk, als medeauteur van verschillende artikelen op de voorgrond is getreden, niets over zijn bereidheid tot een effectieve samenwerking binnen de dienst. Evenmin kan ik instemmen met verzoekers betoog, dat de achteraf door de beoordelaar in beroep toegevoegde motivering ongegrond is op grond dat hem hooguit van één gebeurtenis, die verband houdt met de afgifte van zijn werkstukken, een verwijt kan worden gemaakt en hij zich geenszins tegen alle opdrachten van zijn meerderen systematisch heeft verzet. Ook hier moet worden bedacht, dat deze verklaring alleen diende ter motivering van het met normaal, en dus niet lager dan normaal beoordeelde gedrag in de dienst, en derhalve niet als zo ernstig kan worden beschouwd dat verzoeker daarmee herhaaldelijk voorgevallen ambtelijke misstappen worden verweten. Het is dan ook aannemelijk dat, gelijk de Commissie beklemtoont, geen schriftelijke aantekeningen bestaan over verzoekers houding ten opzichte van mondelinge opdrachten van zijn meerderen; voorts is de beoordelaar niet buiten de grenzen van zijn beoordelingsmarge getreden door deze houding bij de beoordeling van verzoekers gedrag in de dienst, die noodzakelijkerwijs subjectief is en waarvan de juistheid niet door het Hof kan worden getoetst, mede in aanmerking te nemen.
De omstandigheid tenslotte dat de beoordelaar in beroep pas na de betrokken beoordelingsperiode in dienst is getreden van het GCO te Ispra, levert evenmin een vormfout op. Overeenkomstig punt B.8.3.1 van de door dat tijdvak geldende Gids voor de beoordeling van november 1973, is het de taak van de beoordelaar in beroep, een matigende invloed op het conflict tussen beoordeelde en beoordelaar uit te oefenen door beiden gehoor te verlenen. Dit is in casu ontegenzeglijk geschied. Tijdens een ontmoeting met de beoordelaar in beroep op 5 maart 1980 had verzoeker alle gelegenheid zijn standpunt uiteen te zetten en op eventuele vergissingen te wijzen, alvorens de gewraakte passage aan de beoordeling werd toegevoegd. Bovendien had hij in een gesprek op 11 januari 1980 de gelegenheid, ook tegenover de beoordelaar bepaalde zaken recht te zetten.
b)
Uit deze overwegingen volgt duidelijk dat het tweede middel, waarin verzoeker een tegenstrijdigheid aanvoert tussen de beoordeling van de beoordelaar en de motivering van de beoordelaar in beroep ten aanzien van zijn gedrag in de dienst, evenmin tot nietigverklaring van de beoordeling kan leiden. Zoals ik reeds heb betoogd, kan met name de opmerking die de beoordelaar in beroep achteraf op verzoek van het paritair beoordelingscomité aan het rapport heeft toegevoegd, anders dan verzoeker meent, niet als een nieuwe negatieve beoordeling worden beschouwd, maar moet ervan worden uitgegaan, dat zij enkel diende ter rechtvaardiging van de vergeleken met het voorgaande rapport minder gunstige beoordeling.
c)
Blijkens het voorgaande moet het derde middel, waarin de dubbelzinnigheid van de motivering van de beoordelaar in beroep wordt gelaakt, eveneens worden afgewezen. Mijns inziens kan in redelijkheid niet worden betwijfeld dat deze opmerking, die uitdrukkelijk diende ter motivering van de beoordeling van verzoekers gedrag in de dienst, geen betrekking kan hebben op de bekwaamheid of de prestaties in dienst.
d)
Verzoeker heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard, zijn aanvankelijke vierde, vijfde en achtste middel in te trekken. Met deze middelen had hij geldend gemaakt, dat de beoordelaar en de beoordelaar in beroep geen opmerkingen aan het rapport mogen toevoegen indien daarin voor een beoordeling met „normaal” is gekozen, dat het beoordelingsrapport niet in zijn moedertaal was opgesteld en dat het antwoord van de Commissie op zijn klacht nietig was. Mitsdien behoeft nog slechts het zevende middel te worden besproken, waarin verzoeker stelt dat een procedurefout is gemaakt. Uit de algemene opmerking op bladzijde 149 van de Gids voor de beoordeling 1973 volgt zijns inziens, dat de Commissie na indiening van een klacht verplichtis binnen de antwoordtermijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut en na raadpleging van het paritair beoordelingscomité uitspraak te doen.
Deze algemene opmerking luidt als volgt:
„Vanaf het moment dat het negatieve advies van het paritaire beoordelingscomité (zie punt C.3.a) of de laatste beslissing van de beoordelaar in beroep (zie punt C.3.b) officieel aan de ambtenaar is medegedeeld, kan hij een klacht krachtens artikel 90 van het statuut indienen. Het paritaire beoordelingscomité wordt over deze klacht geraadpleegd. Vervolgens is het de taak van de Commissie, als het tot aanstelling bevoegde gezag, uitspraak te doen over de ingediende klacht.”
Ten aanzien van dit betoog moet heel in het algemeen worden vastgesteld, dat de bepalingen van de Gids voor de beoordeling, hun rechtskarakter daargelaten, in elk geval van lagere rang zijn dan de normen van het Statuut en derhalve niet kunnen derogeren aan de dwingende procedurevoorschriften van het Statuut, volgens welke een te late beantwoording van een klacht als stilzwijgende afwijzing wordt beschouwd waartegen overeenkomstig artikel 91 van het Statuut beroep open staat.
Daarenboven is ook de zin van een dergelijke derogatie niet zonder meer duidelijk. Deze algemene opmerking aan het slot van het hoofdstuk inzake de raadpleging van het paritaire beoordelingscomité, dat begint met een bepaling over het beginsel van het beroep ad hoc, kan, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, alleen worden gezien als aanwijzing, dat na mededeling van een negatief advies van het paritaire beoordelingscomité of van een definitieve beslissing van de beoordelaar in beroep, de mogelijkheid bestaat om krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht in te dienen. De betrokken regeling wil daarmee kennelijk verzekeren, dat het paritaire beoordelingscomité ten minste eenmaal wordt geraadpleegd alvorens de Commissie uitspraak doet over de klacht. Indien dit is gebeurd en de beoordelaar in beroep het advies van het comité heeft opgevolgd, ware het zinloos indien de zaak andermaal moest worden voorgelegd aan het beoordelingscomité, dat niet bevoegd is zijn eigen oordeel in de plaats te stellen van dat van de beoordelaars. Derhalve kan ook in deze „algemene opmerking” geen verplichting voor de Commissie worden gelezen, binnen de termijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut na hernieuwde raadpleging van het paritaire beoordelingscomité een klacht te beantwoorden; daarbij kan ik niet nalaten nogmaals te onderstrepen, dat het onbeantwoord laten van een klacht mijns inziens niet getuigt van behoorlijk bestuur.
2. De vordering tot schadevergoeding
Met zijn zesde middel houdt verzoeker staande, dat de Commissie een dienstfout heeft begaan door het beoordelingsrapport over de periode 1975-1977 pas na afloop van de daaropvolgende beoordelingsperiode 1977-1979 op te stellen. Deze vertraging is nog vergroot doordat de beoordelaar in beroep het advies van het paritaire beoordelingscomité van 15 juli 1980 niet binnen de in de Gids voor de beoordeling voorgeschreven termijn van acht dagen opvolgde, maar de beoordeling van verzoekers gedrag in de dienst pas op 22 oktober 1980 motiveerde. Door deze aan schuld te wijten vertraging, als gevolg waarvan zijn persoonsdossier gedurende de betrokken periode onvolledig was, heeft hij materiële of immateriële schade geleden door vermindering van zijn bevorderingskansen.
De Commissie stelt, dat de Gids voor de beoordeling geen vaste termijn kent voor de opstelling van beoordelingsrapporten, en voert te harer rechtvaardiging aan dat de vertraging was te wijten aan een interne herstructurering, waardoor verscheidene meerderen of gewezen meerderen van verzoeker moesten worden gehoord. Bovendien kan verzoeker geen materiële of immateriële schade aantonen, omdat van de ambtenaren die in de betrokken periode voor bevordering in aanmerking kwamen, slechts een uiterst gering aantal daadwerkelijk werd bevorderd; hun beoordelingsrapporten waren over het geheel genomen bovendien niet slechter dan die van verzoeker.
Wat dit betoog betreft kan ik de opvatting van de Commissie dat de laattijdige opstelling geen dienstfout vormt, niet delen. Artikelen 43 van het Statuut bepaalt immers dat ten minste om de twee jaar een beoordelingsrapport wordt opgesteld inzake de bekwaamheid, prestaties en het gedrag in de dienst van de ambtenaar. Onder meer in het arrest Geist (zaak 61/76, Jurispr. 1977, blz. 1419) heeft het Hof beklemtoond „dat dit rapport voor de goede administratie en rationalisatie van de diensten der Gemeenschap en ter waarborging van de belangen der ambtenaren verplicht moet worden opgemaakt en telkens wanneer de loopbaan van de ambtenaar door het hiërarchisch gezag in aanmerking wordt genomen, een onontbeerlijk beoordelingscriterium vormt.”
Mijns inziens volgt uit de strekking van dit artikel duidelijk, dat het beoordelingsrapport binnen een redelijke termijn na afloop van de beoordelingsperiode, doch in elk geval vóór het verstrijken van de daaropvolgende beoordelingsperiode moet worden opgesteld. Naar het Hof in de zaak Geist (reeds aangehaald) heeft beslist, betekent niet-inachtneming van deze termijn schending van het Statuut door de Commissie.
Met verzoeker ben ik tenslotte van mening, dat ter rechtvaardiging of verontschuldiging van deze vertraging niet kan worden aangevoerd, dat ingevolge verzoekers tewerkstelling bij verschillende afdelingen verscheidene chefs moesten worden geraadpleegd, noch dat de beoordelaar in beroep, Mas, pas kort in Ispra in dienst was. Hieromtrent moet worden opgemerkt dat in een betrekkelijk kleine en op één plaats geconcentreerde administratieve eenheid als het GCO te Ispra, de raadpleging van verscheidene meerderen met enige goede wil niet langer dan twee jaar in beslag behoeft te nemen, en dat de aanstelling van nieuwe functionarissen geen afbreuk mag doen aan de door het Statuut gewaarborgde rechten van de ambtenaar.
Daarmede rijst evenwel de vraag, of verzoeker door de vertraagde opstelling van het beoordelingsrapport materiële schade heeft geleden. Een dergelijke schade, die vooropstelt, naar het Hof in het arrest van 17 december 1981 (gevoegde zaken 156/79 en 51/80, Gratreau, Jurispr. 1981, blz. 3139) heeft overwogen, „dat de geconstateerde onregelmatigheid een beslissende invloed heeft kunnen hebben”, is mijns inziens evenwel niet genoegzaam aangetoond. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat verzoeker — anders dan in het door hem aangehaalde arrest van 5 juni 1980 (zaak 24/79, Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1743) — in de betrokken periode niet de bevordering van een andere ambtenaar heeft aangevochten met de stelling, dat hij in de bevorderingsprocedure is benadeeld doordat zijn beoordelingsrapport niet tijdig gereed was. Evenmin heeft hij aanwijzingen verstrekt die erop duiden, dat zijn bevorderingskansen als gevolg van de dienstfout daadwerkelijk zijn geschaad. In dit verband moet stellig ook belang worden gehecht aan de cijfers waaruit mijns inziens blijkt, dat de door verzoeker gestelde schade onvoldoende is geconcretiseerd. De Commissie heeft medegedeeld, dat in 1978 slechts 8 van de 208 voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren zijn bevorderd. In 1980 was deze verhouding 5 op 203, in 1981 0 op 201 en in 1982 0 op 207. Dit betekent, dat in deze periode van vier jaar slechts 13 van de 809 daarvoor in aanmerking komende ambtenaren zijn bevorderd.
Gelet op de aan het arrest Geist (reeds aangehaald) ten grondslag liggende overwegingen komt het mij daarentegen gerechtvaardigd voor, verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de immateriële schade die hij heeft geleden doordat zijn persoonsdossier ondeugdelijk en onvolledig was, waar de verplichte beoordeling voor de ambtenaar immers een garantie vormt dat zijn loopbaan zich normaal ontwikkelt. Ofschoon de vertraging in het onderhavige geval niet zo ernstig was als in voornoemde zaak, kan niettemin worden vastgesteld dat het onbreken van een beoordelingsrapport, dat uitsluitend aan het tot aanstelling bevoegde gezag was te wijten, verzoeker ongerust en onzeker over de toekomst van zijn loopbaan heeft gemaakt. Toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade lijkt mij te meer op haar plaats, nu de beoordelingsrapporten over de jaren 1969-1971 en 1971-1973 — naar bekend is uit het beroep in zaak 102/74 (Ditterich t. Commissie), dat later evenwel werd ingetrokken — verzoeker pas medio 1975 werden medegedeeld. De overige, met vroegere beoordelingen van verzoeker samenhangende onregelmatigheden, zoals die met name blijken uit de conclusie van advocaat-generaal Warner van 13 juli 1978 in de eerdere zaak Ditterich t. Commissie (arrest van 12 oktober 1978, zaak 86/77, Jurispr. 1978, blz. 1855), waarnaar ik mij veroorloof te verwijzen, mogen hierbij niet onvermeld blijven. Naar mijn mening zou voor verzoekers schadeloosstelling een symbolisch bedrag van BFR 10000 overigens toereikend zijn.
3. Kosten
Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven evenwel de kosten, door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschap gemaakt, te haren laste. Aangezien verzoeker mijns inziens slechts gedeeltelijk in het ongelijk moet worden gesteld, dient de Commissie in de helft van zijn kosten te worden verwezen.
4.
Samenvattend geef ik het Hof derhalve in overweging, het eerste onderdeel van het beroep te verwerpen en de Commissie te veroordelen, verzoeker BFR 10000 schadevergoeding te betalen wegens haar verzuim, het beoordelingsrapport over de periode 1975-1977 tijdig op te stellen. Daarbij dient de Commissie haar eigen kosten en de helft van verzoekers kosten te dragen. Verzoeker dient de helft van zijn kosten te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy