CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 1 APRIL 1982 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De Tariefcommissie heeft het Hof twee — bij 's Hofs beschikking van 16 september 1981 gevoegde — prejudiciële verzoeken voorgelegd betreffende de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) met het oog op de tariefindeling van haverkorrels.
De feiten zijn de volgende.
In april 1977 importeerde de Nederlandse vennootschap Palte & Haentjeiis voor rekening van twee Duitse ondernemingen twee partijen haver, van oorsprong uit Australië, in Nederland. Omtrent de tariefindeling van de goederen rees een geschil tussen de importeur, die meende dat zij in post 10.04 moesten worden ingedeeld, en de douane die onderverdeling 11.02 B I a) 2 aa) toepasselijk achtte.
Volgens de toelichtingen op deIDR-Nomenclatuur zijn, de twee voornaamste soorten haver de zwarte en de witte of gele haver. Bij beide soorten blijven de kroonkafjes meestal om de zaadkorrel zitten, ook na het dorsen. De korrels van deze soorten zijn ook puntig. Om gemakkelijker door het vee (met name pluimvee) opgenomen te kunnen worden, worden zij ontpunt door de uiteinden af te breken.
Dorsen (of wannen) alleen is gewoonlijk niet voldoende om de haver te ontpunten, omdat de punten een onderdeel van de zaadhuid vormen. Wanneer echter bij het ontpunten de zaadhuid ook maar gedeeltelijk is verwijderd, wordt het graan geacht een industriële bewerking te hebben ondergaan.
Voor het ontpunten van haver is dus een extra bewerking nodig, namelijk pellen, hetgeen volgens de toelichtingen bij post 10.03 (gerst) in pelmolens geschiedt.
Hieruit heeft het GDT de volgende consequenties getrokken:
Niet gepelde noch op andere wijze bewerkte graankorrels vallen onder hoofdstuk 10. Volgens de hierboven aangehaalde toelichtingen kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde produkten in schoven, in de aar, enkel gedorst of gewand worden aangeboden. Zelfs na het dorsen of wannen zitten de punten nog aan de haverkorrels vast. Het gaat kortom om „ruwe” granen, zoals die zich na de gewone oogstwerkzaamheden presenteren. Voor haver met deze kenmerken (post 10.04) geldt een heffing van 13 %.
Gepelde haverkorrels, ook indien gesneden of gebroken, die zijn ontpunt vallen echter onder post 11.02 B I a) 2 aa). Deze bijkomende bewerking leidt tot een hogere heffing (23 %).
Het kan echter voorkomen dat de punten ook zonder industriële bewerking afbreken, bij het dorsen, de opslag, de verlading en het vervoer van de korrels.
Een dergelijk bijzonder geval doet zich in casu voor: de importeur meent dat de haver die hij bij de douane heeft aangegeven, onder post 10.04 valt, terwijl de douane het op post 11.02 B I a) 2 aa) houdt. Volgens de verwijzingsuitspraak van de Nederlandse rechterlijke instantie bij welke het geschil aanhangig is gemaakt, bestaat het betrokken produkt uit haverkorrels die enkel zijn gedorst, doch waarvan de punten ten gevolge van allerlei manipulaties gedeeltelijk ontbreken. De verwijzingsuitspraak vermeldt ten aanzien van de relatieve hoeveelheden alleen, dat de betrokken partijen een groot aantal ontpunte korrels bevatten, zonder daarbij een percentage te noemen, en verder niet-ontpunte korrels en afgebroken punten.
Ter beslechting van beide geschillen heeft de Tariefcommissie de volgende vragen gesteld:
„1.
Moeten haverkorrels welke na het oogsten enkel zijn gedorst, opgeslagen, verladen en getransporteerd, ten gevolge waarvan de punten zijn afgebroken, worden ingedeeld in post 10.04 van het gemeenschappelijk douanetarief, of in onderverdeling B I a) 2 aa) van post 11.02?
2.
Indien het in vraag 1 omschreven produkt in onderverdeling B I a) 2 aa) van post 11.02 moet worden ingedeeld, geldt dan voor een partij van zulke haverkorrels, die bestaat uit gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet ontpunte korrels, een percentage aan ontpunte korrels, waarboven zij in onderverdeling Β I a) 2 aa) van post 11.02 en waaronder zij in post 10.04 moeten worden gerangschikt? Is de omstandigheid dat de afgebroken punten zich in de partij bevinden, van invloed op de indeling?
3.
Indien men ervan uitgaat dat het pellen van haverkorrels ook steeds ontpunten tot gevolg heeft omdat door het pellen de schil of zaadhuid, waarvan de punten een onderdeel uitmaken, wordt verwijderd, hoe dienen dan in dat licht de twee verdere onderverdelingen van onderverdeling Β I a) 2 van post 11.02, gepelde granen van haver, te weten ‚aa ontpunte’ en ‚bb andere’, onderling te worden afgebakend?”
1.
Voor de indeling van de betrokken goederen is mijns inziens de aanwezigheid van punten in de ingevoerde partijen beslissend, onverschillig of de punten nog aan de korrels vastzitten of niet.
Waren de korrels immers door pellen van hun punten ontdaan, dan zouden deze waarschijnlijk uit de betrokken partijen zijn verwijderd, aangezien het weinig zin heeft om betrekkelijk waardeloze resten of afval tegen hoge kosten over grote afstand te vervoeren.
Uit het feit dat zich punten èn korrels nog in de partijen bevinden, kan worden afgeleid dat het ontpunten niet opzettelijk is gebeurd, dat het niet het gevolg is van pellen of van een andere behandeling en dat het een niet beoogd bijkomend gevolg is. Deze gevolgtrekking wordt bevestigd door het feit dat zich, behalve afgebroken punten, ook niet-ontpunte korrels in de partijen bevinden. Normaal zou dus nog een extra bewerking nodig zijn (een betrekkelijk eenvoudige, omdat het een soort wannen is) om de punten en de korrels van elkaar te scheiden.
De Commissie merkt op, dat de betrokken haver waarschijnlijk een groot deel van zijn punten heeft verloren bij het oogsten met moderne combines, die een bewerking mogelijk maken waarmee in het GDT nog geen rekening was gehouden op het tijdstip van invoer. Hieruit volgt evenwel niet dat de korrels nog een andere bewerking hebben ondergaan dan dorsen of wannen, hetgeen het enige in casu relevante punt is.
De Commissie wijst er verder op, dat de Toelichtingen op het GDT bij onderverdeling 11.02 B I a) 2 aa) in november 1980 in die zin zijn aangevuld, dat ook „haverkorrels welke na het oogsten enkel zijn gedorst, die nog zijn voorzien van hun kroonkafjes of doppen, maar waarvan de punten zijn afgebroken”, tot deze onderverdeling behoren.
De Toelichtingen op het GDT — niet te verwarren met de „aantekeningen” of „aanvullende aantekeningen” die in de tabel der rechten zijn opgenomen (tweede deel van de bijlage bij de verordening betreffende het GDT) zijn volgens 's Hofs rechtspraak (zaak 11/79, Cleton, Jurispr. 1979, blz. 3069, r.o. 13) slechts een interpretatiemiddel van administratieve aard; zij zijn niet bedoeld ter vervanging van de IDR-To dichtingen, doch enkel als aanvulling hierop, zoals uitdrukkelijk in het voorbericht staat vermeld. De IDR-Toelichtingen behelzen echter geen aanvulling als door het Comité Nomenclatuur voor het gemeenschappelijk douanetarief is vastgesteld.
Bij raadpleging van het laatste supplement op deze Toelichtingen heb ik wat onderverdeling Β I a) 2 aa) betreft, slechts het volgende commentaar gevonden:
„Ontpunte haver bestaat uit haverkorrels die nog zijn voorzien van hun kroonkafjes of doppen, maar waarvan de punten zijn verwijderd. Door deze bewerking kan ongeveer 10 gewichtspercenten van de korrels ontdaan zijn van kroonkafjes of doppen.”
Ik heb er de nieuwe alinea, die het Comité van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief op 27 oktober 1980 zou hebben goedgekeurd en waarvan de Commissie melding maakt, niet kunnen terugvinden. Derhalve ga ik ervan uit dat deze wijziging, die in elk geval van na de aan de orde zijnde feiten dateert, tot op heden niet is gepubliceerd.
De thans geldende tabel der rechten en de door de Internationale Douaneraad vastgestelde Toelichtingen, die de waarde van hulpmiddel bij de uitlegging hebben wanneer specifieke bepalingen van gemeenschapsrecht ontbreken ¡zelfde arrest, r.o. 12), pleiten bijgevolg niet tegen de opvatting dat de hier bedoelde onderverdeling geen haver zou kunnen omvatten waarvan de punten zijn afgebroken als resultaat van een niet beoogde nevenwerking met name wanneer de punten nog met de korrels zijn vermengd.
Deze opvatting is evenmin in strijd met het in andere van 's Hofs arresten gehuldigde beginsel, dat de indeling van waren op grond van hun objectieve kenmerken en eigenschappen dient te geschieden, zulks in het belang van de rechtszekerheid en voor het gemak van de administratie.
2.
Onder deze omstandigheden is het percentage punten in de betrokken partijen mijns inziens niet van belang. Niet is gesteld dat de partijen opzettelijk zijn samengesteld uit een mengsel van ontpunte korrels, korrels met punten en losse punten.
Ware dit wel het geval, dan zou te rade moeten worden gegaan met de bepalingen inzake mengsels. Volgens algemene bepaling 3b worden „mengsels ... ingedeeld naar de stof ... waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen”. Daarnaast moet acht worden geslagen op de aanvullende aantekening sub 3, bij hoofdstuk 10, inzake mengsels van granen.
3.
Met verzoekster in het hoofdgeding ben ik van mening, dat de derde vraag van zuiver theoretische aard is. De heffing voor gepelde haverkorrels is immers gelijk (23 %), ongeacht of de punten bij het pellen eenvoudig zijn verwijderd of dat daardoor meer van de schil (zaadhuid) is verwijderd.
Voor het overige gaat het bij de in onderverdeling bh) bedoelde „andere” korrels evenals bij die van onderverdeling aa) om ontpunte korrels, zij het dat het daarbij gaat om meer of minder sterk gepelde korrels, die zich als zodanig onderscheiden van eenvoudig ontpunte korrels. Men zou kunnen zeggen dat bij „andere” gepelde korrels het accent meer op de verwijdering van de zaadhuid ligt dan bij „gepelde en ontpunte” korrels.
4.
De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen voorgesteld, monsters van het betrokken produkt op te vragen bij de verwijzende rechter. Het Hof heeft de Commissie gevraagd, of het Comité voor de Nomenclatuur van het GDT zelf deze monsters had onderzocht alvorens het besloot de toelichting op onderverdeling 11.02 Β I a) 2 aa) te wijzigen.
Zoals bekend is dit Comité, ingesteld bij verordening nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, met name belast met het oplossen van technische vraagstukken die zich in concrete gevallen voordoen. Het is duidelijk dat het de eerst aangewezen instantie is om eventueel een deskundigenonderzoek te gelasten en dat het zich enkel met volledige kennis van zaken dient uit te spreken.
In antwoord op de door, het Hof gestelde vraag heeft de Commissie verklaard dat de Nederlandse delegatie bij dit Comité niet in staat was geweest dergelijke monsters voor te leggen en dat het Comité dit ook niet noodzakelijk had geacht voor zijn beslissing. Het is duidelijk dat ook de nationale rechter zelf geen monsters van de betrokken partijen zou kunnen verschaffen en het voorstel van de Commissie lijkt mij in deze omstandigheden dan ook weinig zinvol.
Ik concludeer dat het Hof in antwoord op de gestelde vragen voor rechte verklare:
Voor de indeling van haverkorrels in onderverdeling 11.02 Β I a) 2 aa) is bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vereist dat zij zijn ontpunt door pellen of door een andere bewerking, en dat de afgebroken punten en de niet-ontpunte korrels uit de in te delen partijen zijn verwijderd.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy