CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN 18 FEBRUARI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze prejudiciële zaak gaat het opnieuw om een probleem in verband met de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut, de bepaling dus die het Hof enige maanden geleden heeft onderzocht in zaak 137/80 (Commissie t. België), uitgewezen met het arrest van 20 oktober 1981. Genoemde bepaling geeft de ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na eerst elders een betrekking te hebben vervuld, het recht aan de Gemeenschappen te doen betalen:
„—
hetzij de actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen, die hij bij het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming [waar hij in dienst was] heeft verworven,
—
hetzij de afkoopsom die hem bij zijn vertrek verschuldigd is door het pensioenfonds van het overheidsorgaan, de organisatie of de onderneming.”
De Luxemburgse Cour de Cassation heeft, in het kader van een beroep van de Caisse de pension des employés privés tegen een tussen de Caisse en L. Bodson gewezen uitspraak, het Hof thans de volgende vraag voorgelegd:
„Moet artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen aldus worden uitgelegd, dat de actuariële tegenwaarde van de verworven rechten op ouderdomspensioen dan wel de door het pensioenfonds verschuldigde afkoopsom kan bestaan in de som van de bijdragen (aandeel van de werkgever en van de verzekerde) die daadwerkelijk aan een nationale pensioenregeling zijn betaald (bijdrageplichtige regeling) of/en fictief berekend (niet-bijdrageplichtige regeling), vermeerderd met samengestelde interessen van 4 % 's jaars berekend vanaf 31 december van elk jaar van aansluiting?”
2.
Voor een goed begrip van de samenhang waarin deze vraag is gesteld, lijkt het mij dienstig eerst een samenvatting te geven van de feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen. Bodson, die de Luxemburgse nationaliteit bezit, is thans ambtenaar van het Europees Parlement, doch was voorheen werkzaam in de particuliere sector in Luxemburg. Overeenkomstig bovenaangehaalde bepaling diende hij bij het Luxemburgse pensioenfonds voor privé-beambten (hierna: de Caisse) een verzoek in tot overschrijving naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de actuariële tegenwaarde van zijn onder het nationale verzekeringsstelsel verworven rechten op ouderdomspensioen. Toen het bestuur van de Caisse weigerde aan dit verzoek te voldoen, ging belanghebbende in beroep bij de Conseil arbitral des assurances sociales, waar hij echter eveneens nul op het rekest kreeg, op grond dat de Luxemburgse wettelijke regeling niet in overschrijving van de actuariële tegenwaarde van verworven pensioenrechten voorzag. Daarop stelde Bodson hoger beroep in bij de Conseil supérieur des assurances sociales, die bij uitspraak van 1 december 1977 zijn recht op overschrijving van de betrokken actuariële tegenwaarde erkende. Hierbij moet erop worden gewezen dat de Conseil supérieur in zijn uitspraak artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut interpreteerde in die zin, dat de belanghebbende het recht had te kiezen tussen overschrijving van de actuariële tegenwaarde van zijn eerder verworven pensioenrechten en overschrijving van de afkoopsom die hem bij zijn vertrek verschuldigd was.
Vervolgens stond het dus aan de Caisse om in overeenstemming met die uitspraak het bedrag te berekenen dat ten behoeve van Bodson naar de Gemeenschap moest worden overgeschreven. De betrokken beschikking liet echter meer dan twintig maanden op zich wachten. In tussentijd had het Groothertogdom Luxemburg artikel 11, lid 2, van bijlage VIII in haar eigen wetgeving verwerkt door vaststelling van de wet van 14 maart 1979 (houdende wijziging van artikel 18 van de wet van 16 december 1963 inzake de coördinatie van de pensioenstelsels). Door die wet kregen ambtenaren van de Gemeenschap en internationale ambtenaren de mogelijkheid om door het Luxemburgse pensioenstelsel te doen overschrijven een bedrag overeenkomende met de som van de door de verzekerde en diens werkgever betaalde pensioenpremies, vermeerderd met samengestelde interessen op de voet van 4 % 's jaars. Op grond van deze regeling stelde het bestuur van de Caisse tenslotte bij beschikking van 17 juli 1979 de waarde van Bodsons verworven rechten vast, die naar het gemeenschappelijk stelsel zou worden overgeschreven, namelijk de som van de door Bodson en diens werkgever aan het Luxemburgse verzekeringsstelsel betaalde bijdragen, vermeerderd met de samengestelde interessen van 4 % 's jaars, berekend vanaf 31 december van elk jaar van aansluiting. In de motivering van de beschikking werd met name gesteld dat het begrip „actuariële tegenwaarde van verworven rechten op ouderdomspensioen” in de Luxemburgse wetgeving onbekend was.
Daarop volgde een nieuw beroep van de belanghebbende bij de Conseil supérieur des assurances sociales, wiens eerste uitspraak inmiddels kracht van gewijsde had gekregen. De Conseil supérieur vernietigde de beschikking van de Caisse en verwees de zaak naar dit orgaan terug ter uitvoering van bedoelde uitspraak van 1 december 1977 en „ter berekening van de actuariële tegenwaarde van de door Bodson verworven rechten op ouderdomspensioen, die deze wenste te doen overschrijven naar de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen”.
Deze tweede uitspraak van de Conseil supérieur wordt door de Caisse betwist voor de Cour de Cassation. Zich op het standpunt stellende dat de geldende Luxemburgse regeling in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, betoogde eiseres tot cassatie dat de door haar in haar beschikking van 17 juli 1979 toegepaste, met de Luxemburgse regeling conforme berekeningswijze niet kan worden geacht een afkoopsom op te leveren — want volgens de Luxemburgse wettelijke omschrijving bestaat een afkoopsom uitsluitend uit de werknemersbijdragen —, en mitsdien noodzakelijkerwijze resulteert in het tweede alternatief van voornoemd artikel l'l, lid 2, te weten de actuariële tegenwaarde. In feite gaat het geschil dus om de vraag, of het Luxemburgse overschrijvingsstelsel tot de ene dan wel tot de andere van de in genoemde bepaling bedoelde oplossingen leidt. En daarom ook wil de Cour de Cassation met haar prejudiciële vraag, waarin zij in algemene termen naar de kenmerken van het overschrijvingsstelsel van de Luxemburgse wet van 14 maart 1979 verwijst, weten of een dergelijke regeling kan worden beschouwd als overschrijving van de afkoopsom dan wel van de actuariële tegenwaarde van de in het nationale kader verworven pensioenrechten, zodat de ene dan wel de andere van de in de betrokken gemeenschapsbepaling genoemde mogelijkheden zou worden verwezenlijkt.
3.
Om op de vraag van de Luxemburgse rechter te kunnen antwoorden, dienen wij na te gaan wat de in artikel 11, lid 2, gebezigde begrippen „actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen” en „afkoopsom” precies inhouden. Vooraf wijs ik erop, dat een communautaire uitlegging stellig mogelijk is, waar het immers gaat om begrippen met een objectieve inhoud in zoverre zij een wetenschappelijk-actuariële, respectievelijk wiskundige grondslag hebben. Weliswaar kunnen zich bij de toepassing van het ene en het andere stelsel in de diverse Lid-Staten kleine verschillen voordoen, maar dat is geen reden om te zeggen, gelijk de Luxemburgse regering in de onderhavige zaak heeft gedaan, dat de uitlegging van de onderhavige bepaling aan iedere Lid-Staat afzonderlijk moet worden overgelaten.
De actuariële tegenwaarde van een recht op een uitkering in geld heeft tot doel de waarde van die onzekere toekomstige periodieke uitkering te kapitaliseren. Berekend wordt dus het kapitaal overeenkomend met het pensioen waarop de belanghebbende in het nationale kader recht zal hebben, en daarop wordt toegepast een discontorente wegens de vervroegde uitbetaling ten opzichte van de vervaltermijn — dat wil zeggen de pensioengerechtigde leeftijd — alsmede een verminderingsfactor bepaald naar evenredigheid met het risico van overlijden van de begunstigde vóór de vervaltermijn (in functie van de leeftijd van de verzekerde en de sterftekansen). Zowel de discontorente als de verminderingsfactor vertonen een globale evenredigheid met de tijdspanne tussen de vaststelling van de actuariële tegenwaarde en de pensioengerechtigde leeftijd; daarom ook verschilt bij een bepaald aantal verzekeringstijdvakken de hoogte van de actuariële tegenwaarde naar gelang van de leeftijd van de ambtenaren, en is zij hoger naarmate de leeftijd hoger is. Uiteindelijk geschiedt de bepaling van de actuariële tegenwaarde dus, naast een discontering, door middel van een waarschijnlijkheidsberekening.
Voor meer duidelijkheid kan het nuttig zijn de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 1, van bijlage VIII te raadplegen (in Personeelskoerier nr. 77 van 29 juli 1969, en Personeelskoerier, Spécial Interinstitutions, van 19 oktober 1977). Met betrekking tot de overschrijving van de actuariële tegenwaarde van pensioenrechten, in het geval dat een gemeenschapsambtenaar ontslag neemt om bij een nationale overheid in dienst te treden (dus het omgekeerde van het geval dat wij hier hebben, en geregeld in artikel 11, lid 1), geeft artikel 4 van die algemene uitvoeringsbepalingen de wijze aan waarop de actuariële tegenwaarde wordt berekend door de instelling waartoe de ambtenaar behoort op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheden beëindigt. Dit gebeurt dan als volgt: men neemt als grondslag het pensioen waarop de ambtenaar op de datum van overschrijving recht heeft, en kapitaliseert dit op grondslag van de laatste door de begrotingsautoriteiten vastgestelde sterftetabellen, met toepassing van een rente van 3,5 % per jaar. Het is duidelijk dat een soortgelijk stelsel bij overschrijvingen in omgekeerde richting geldt, maar dat te regelen is nu juist de taak van de nationale instanties.
Veel eenvoudiger — en stellig ook geheel anders — ligt het bij de „afkoopsom”. In bijdrageplićhtige verzekeringsstelsels worden daartoe de door de verzekerde en eventueel door diens werkgever betaalde bijdragen bij elkaar opgeteld en dit totaal wordt al dan niet vermeerderd met een bepaalde rente. Bij stelsels van andere aard moeten die bijdragen eerst fictief worden berekend (waarbij als uitgangspunt het bedrag van het pensioen in verhouding tot de duur van de dienstbetrekking wordt genomen) en vervolgens opgeteld.
4.
Een bedrag dat op de door de verwijzende rechter beschreven wijze is vastgesteld, kan kennelijk niet de actuariële tegenwaarde zijn van de door de betrokkene verworven rechten op ouderdomspensioen: wat immers ontbreekt, is zowel een berekening van het pensioen waarop de betrokkene bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht zou hebben, als de kapitalisatie van het pensioen onder de door mij genoemde voorwaarden. Bij de in de prejudiciële vraag beschreven berekening gaat het typisch om een afkoopsom: men gaat uit van de door de werknemer en werkgever betaalde bijdragen (of van hun fictief equivalent), sommeert deze en voegt er interessen aan toe. Het kan vreemd lijken dat alle partijen in het geding voor de Luxemburgse rechterlijke instanties het erover eens schijnen te zijn dat het bedrag dat volgens de beschikking van de Caisse van 17 juli 1979 ten behoeve van Bodson aan de Gemeenschappen zou worden betaald — en dat dus juist op de in de vraag van de Cour de Cassation beschreven wijze is vastgesteld —, niet een afkoopsom vormt. Maar dat komt, omdat vóór en los van voornoemde wet van 14 maart 1979 de afkoopsom in het Luxemburgse pensioenstelsel enkel uit de som van de door de verzekerde betaalde bijdragen bestond, terwijl het bedrag dat de Caisse ingevolge Bodsons verzoek wilde overschrijven, zoals gezegd ook de werkgeversbijdragen en samengestelde interessen van 4 % omvatte. Dit type afkoopsom komt overigens overeen met de afkoopsom bedoeld in artikel 12 van bijlage VIII, die wordt uitbetaald aan gemeenschapsambtenaren die de dienst verlaten voordat zij recht op ouderdomspensioen hebben verworven. Om die reden, en nog afgezien van de hierbedoeide nationale regeling, is het bedrag waarop de vraag doelt, stellig een afkoopsom in de zin van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII.
5.
In hun schriftelijke opmerkingen in deze zaak hebben de Luxemburgse regering en de Commissie betoogd dat de Lid-Staten de krachtens artikel 11, lid 2, op hen rustende verplichting nakomen indien zij ervoor zorgen dat de pensioenrechten van de ambtenaar in de ene of de andere van de twee genoemde vormen kunnen worden overgeschreven. Indien dit juist is, dan is het Groothertogdom Luxemburg, door overschrijving mogelijk te maken in de vorm van een afkoopsom, die overigens gunstiger is dan vroeger door zijn nationale wettelijke regeling was voorzien, zijn verdragsverplichtingen nagekomen, en dan is het niet nodig dat het ook overschrijving van de actuariële tegenwaarde mogelijk maakt.
Ik wijs erop, dat dit uitleggingsprobleem in verband met artikel 11, lid 2, een ander is dan dat wat in de prejudiciële vraag van de Cour de Cassation aan de orde is gesteld. Ik meen dat het Hof zich niet over dit probleem behoort uit te laten, enerzijds omdat de verwijzende rechter daaromtrent geen vraag heeft gesteld (zodat de andere Lid-Staten geen gelegenheid hebben gehad hun standpunt terzake kenbaar te maken), en anderzijds omdat in casu, gelijk uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, de Conseil supérieur des assurances sociales in zijn uitspraak het recht van Bodson op overschrijving van de actuariële tegenwaarde van zijn pensioenrechten heeft erkend. Genoemde instantie heeft dus, zonder daarbij gebruik te maken van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag, aanvaard dat het recht om tussen de twee door artikel 11, lid 2, geboden mogelijkheden te kiezen, aan de betrokken ambtenaar toekomt.
In haar memorie lijkt de Luxemburgse regering ook staande te willen houden dat genoemde bepaling niet rechtstreeks toepasselijk is, jmaar het bestaan onderstelt van een nationale regeling die de criteria en modaliteiten voor de berekening van de actuariële tegenwaarde omschrijft; waar een dergelijke regeling ontbreekt— gelijk in Luxemburg het geval zou zijn —, zou aan het verzoek van de belanghebbende dus niet kunnen worden voldaan. Wat de wettelijke situatie in Luxemburg betreft, zij dienaangaande herinnerd aan hetgeen de wet van 27 augustus 1977 betreffende het statuut van de ambtenaren in dienst van internationale organisaties, bepaalde voor de overheidssector: volgens artikel 8, lid 2, sluiten de bepalingen van lid 1 van dat artikel, betreffende de afkoop van verworven pensioenrechten, niet uit dat de verzekerde aan het internationale orgaan de actuariële tegenwaarde van zijn nationale pensioenrechten kan doen betalen wanneer dit door het pensioenstelsel van de betrokken internationale organisatie wordt voorzien (artikel 13 van genoemde wet verwijst naar een groothertogelijk besluit houdende uitvoeringsbepalingen voor de actuariële berekening). Maar hoe dan ook en afgezien van deze regeling en van de mogelijkheid er criteria en uitvoeringsregels aan te ontlenen voor de actuariële berekening van de pensioenrechten van privé-beambten die in dienst van de Gemeenschappen treden, het blijft een feit dat het door de Luxemburgse regering aangesneden probleem buiten het kader van de prejudiciële vraag ligt, en dat het bovendien in tegenspraak lijkt met eerder genoemde definitieve uitspraak van de Conseil supérieur des assurances sociales van 1 december 1977. De moeilijkheden waarop de Luxemburgse administratie bij de uitvoering van die uitspraak zou kunnen stuiten, leveren uiteraard een probleem op dat zijn oplossing binnen de Luxemburgse rechtsorde moet vinden; wat de van het Hof gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht betreft, herhaal ik dat die moet blijven binnen de door de formulering van de prejudiciële vraag getrokken grenzen.
6.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de door de Luxemburgse Cour de Cassation bij arrest van 25 juni 1981 gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
De som van de door de verzekerde werknemer en zijn werkgever aan een nationaal pensioenstelsel betaalde bijdragen, vermeerderd met samengestelde interessen van 4 % 's jaars, vormt niet de actuariële tegenwaarde van de door die werknemer verworven rechten op ouderdomspensioen, in de zin van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Dat bedrag kan echter wel de in voornoemde bepaling bedoelde afkoopsom van die rechten zijn.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy