CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 29 APRIL 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij verordening nr. 3004/75 van de Raad van 17 november 1975 (PB L 310 van 1975, blz. 24) werden de invoerrechten op bepaalde produkten van oorsprong uit bepaalde landen, vermeld in respectievelijk bijlage A en bijlage B bij die verordening, van 1 januari tot 31 december 1976 geschorst.
Deze schorsing was kwantitatief beperkt; zodra het plafond was bereikt, kon de Commissie te allen tijde de heffing van douanerechten weer instellen tot het einde van de voor de schorsing voorziene periode (artikel 2). Om te kunnen vaststellen wanneer het plafond was bereikt, bepaalde artikel 3, lid 1, dat „de daadwerkelijke afboeking van de invoer van de betrokken produkten op de communautaire plafonds en de maximumbedragen geschiedt naar gelang deze produkten bij de douane ten invoer tot verbruik worden aangegeven en vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong ...” Ingevolge artikel 3, lid 2, konden de produkten slechts op een plafond of maximumbedrag worden afgeboekt indien het certificaat van oorsprong vóór de datum van wederinstelling van de heffing van de rechten werd overgelegd.
Verordening nr. 3214/75 van de Commissie van 3 december 1975 (PB L 323 van 1975, blz. 1) bevatte gedetailleerde regels ter uitvoering van verscheidene verordeningen betreffende de opening van tariefcontingenten, waaronder verordening nr. 3004/75. Artikel 6 van eerstgenoemde verordening bepaalde dat produkten in aanmerking kwamen voor tariefpreferenties tegen overlegging van een certificaat van oorsprong. Volgens artikel 7 moest het certificaat binnen een termijn van vijf maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte door de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer, worden overgelegd aan het douanekantoor van de Gemeenschap waar de produkten werden aangebracht, maar in de in artikel 11 genoemde gevallen konden de bevoegde douaneautoriteiten de certificaten ook nog na die termijn aanvaarden.
Bij verordening nr. 3022/76 van 13 december 1976 (PB L 349 van 1976, blz. 69), in werking getreden op 1 januari 1977, werden de douanerechten geschorst van 1 januari tot 31 december 1977.
H. Weidenmann GmbH & Co. (hierna: Weidenmann) importeerde uit Argentinië een partij van 41 balen weefsel van kamgaren van post 53.11 B II van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Dit produkt is vermeld in bijlage A van verordening nr. 3004/75 en Argentinië is een der landen genoemd in bijlage B. De goederen werden op 20 december 1976 aangegeven voor gebruik in Duitsland, doch hoewel Argentinië op het aangifteformulier werd vermeld als land van oorsprong, werd geen certificaat van oorsprong overgelegd. Weidenmann beloofde echter het certificaat van oorsprong later over te leggen. Bij voorlopige beschikking van de Duitse douaneinstanties van 21 december 1976 werden de goederen vrijgesteld van invoerrechten en werd alleen omzetbelasting bij invoer geheven; verder kreeg Weidenmann aanzegging uiterlijk 15 januari 1977 het certificaat van oorsprong over te leggen „ten bewijze dat de goederen in aanmerking kwamen voor de preferentie”. Deze datum werd blijkbaar gekozen omdat volgens een circulaire van de Duitse douane (aanwijzing C bij het Gebrauchszolltarif) na die datum geen tariefpreferenties meer konden worden verleend.
Weidenmann diende het certificaat van oorsprong in bij brief van 2 februari 1977. De Duitse douane stelde zich op het standpunt dat dit te laat was, en hief de krachtens het GDT verschuldigde invoerrechten over de goederen (een bedrag van DM 5840,99). Weidenmann kwam tegen die beschikking in beroep bij het Finanzgericht, dat ze vernietigde op grond dat, ook al was het certificaat van oorsprong na het einde van 1976 overgelegd, aan de voorwaarden voor vrijstelling van invoerrechten was voldaan, en dat de circulaire de verlening van de tariefpreferentie niet kon beperken. Het Hauptzollamt stelde daarop beroep tot cassatie in bij het Bundesfinanzhof.
Het Bundesfinanzhof stelde zich blijkbaar op het standpunt dat, in het stelsel van de verordening, vrijstelling van invoerrechten alleen mogelijk is, wanneer de goederen kunnen worden afgeboekt op de communautaire plafonds en maximumbedragen. Indien die afboeking niet mogelijk is, omdat geen certificaat van oorsprong is overgelegd, bestaat er geen recht op vrijstelling en moeten invoerrechten worden geheven. De kernvraag in casu was, naar het oordeel van het Bundesfinanzhof, of aan de gestelde voorwaarden moest worden voldaan tijdens de periode waarvoor verordening nr. 3004/75 gold, of dat het certificaat van oorsprong ook nog na het einde van die periode kon worden overgelegd.
Derhalve verzocht het Bundesfinanzhof het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1.
Kan de schorsing van de invoerrechten ingevolge artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3004/75 worden toegepast op goederen die weliswaar in 1976 zijn ingevoerd en bij de douane ten invoer tot verbruik zijn aangegeven, maar waarvoor het certificaat van oorsprong eerst in februari 1977 is overgelegd?
2.
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: geldt zulks ook, wanneer het certificaat van oorsprong weliswaar eerst in 1977, maar reeds op een vroeger tijdstip van dat jaar — uiterlijk 15 januari 1977 — had kunnen worden overgelegd?
3.
Ingeval vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: kan de schorsing van de invoerrechten ingevolge artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3022/76 worden toegepast op goederen die weliswaar in 1976 zijn ingevoerd en bij de douane ten invoer tot verbruik zijn aangegeven, maar waarvoor het certificaat van oorsprong eerst in 1977 is overgelegd?”
De moeilijkheden in deze zaak komen deels voort uit het feit dat de voorwaarden voor toepassing van de tariefpreferentie in verordening nr. 3004/75 niet duidelijk en uitdrukkelijk zijn omschreven, en deels uit het feit dat de geldingsduur van die verordening niet eenvoudig is verlengd, doch dat voor de volgende periode een nieuwe, afwijkend geformuleerde verordening is vastgesteld (nr. 3022/76). Ik vind de gestelde vragen niet gemakkelijk te beantwoorden. Gelukkig lijkt het probleem voor latere jaren te zijn opgelost door artikel 6 van richtlijn nr. 79/695 (PB L 205 van 1979, blz. 19), doch dat helpt ons in casu niet verder.
Vooraf dienen wij de vraag te stellen, hoever de schorsing van de invoerrechten reikte. Was het, zoals artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3004/75 zegt, een volledige schorsing van de rechten, totdat zij bij verordening van de Commissie opnieuw werden ingevoerd wanneer het plafond voor alle betrokken landen dan wel een maixmumbedrag voor een afzonderlijk land was bereikt, overeenkomstig de artikelen 2 en 4, lid 2, van de verordening; of was het slechts een schorsing van de rechten binnen de genoemde plafonds en maximumbedragen, zoals artikel 1, leden 3 en 4, suggereert? Mijns inziens is het het eerste, en ondanks de beginwoorden van artikel 1, lid 3 („deze schorsing wordt toegestaan tot een communautair plafond”), bevatten de leden 3 en 4 niet meer dan een bepaling van het plafond en het maximumbedrag waarbij — zo het wordt bereikt — de Commissie in 1976 de rechten weer kan instellen.
Zo te zien bevat verordening nr. 3004/75 geen uitdrukkelijke bepaling, hoe het recht op vrijstelling wordt vastgesteld, hetzij door aan te tonen dat de produkten voorkomen in bijlage A en afkomstig zijn uit de in bijlage B genoemde landen.
Artikel 3 lijkt alleen te gaan over de wijze waarop de produkten worden afgeboekt op plafonds en maximumbedragen. De „daadwerkelijke afboeking” op de plafonds geschiedt „naar gelang deze produkten bij de douane ten invoer tot verbruik worden aangegeven en vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong dat conform is aan de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels. Een produkt kan slechts ... worden afgeboekt indien het ... certificaat van oorsprong vóór de datum van wederinstelling van de heffing van de rechten is overgelegd.”
Niettemin lijkt het duidelijk dat er verband bestaat tussen de vrijstelling van rechten en de afboeking van de plafonds. Afboeking veronderstelt dat de produkten zijn vrijgesteld, en indien vrijstelling kan worden verkregen zonder afboeking op de plafonds, is het toezicht op de ingevoerde hoeveelheden uiteraard niet goed mogelijk, hetgeen ten koste gaat van de bevoegdheid van de Commissie om de rechten weer in te stellen.
Het plafond moet kennelijk worden berekend aan de hand van de in 1976 ingevoerde hoeveelheden; gedurende dat tijdvak worden de importen in aanmerking genomen „naar gelang” zij bij de douane ten invoer tot verbruik worden aangegeven, of, zoals de Franse tekst luidt: „au fur et à mesure qui ces produits sont présentés en douane, sous le couvert de déclarations de mise à la consommation.” Het valt zeer wel te verdedigen dat de voorwaarde „naar gelang zij vergezeld zijn van een certificaat van oorsprong” naar de letter moet worden genomen: een aangifte ten invoer tot verbruik wordt slechts in aanmerking genomen wanneer de goederen tezamen met het certificaat van oorsprong worden aangebracht. Ik zou die woorden echter niet zo strikt willen opvatten en ervan willen uitgaan dat overlegging van een certificaat van oorsprong ná de binnenkomst en aangifte van de goederen voldoende is. Voor deze opvatting vind ik steun in artikel 3, lid 2, zoals ik het lees. Mijns inziens wordt hierin de mogelijkheid opengelaten, dat het certificaat los van de aankomst en de aangifte van de goederen wordt overgelegd (mits dit maar gebeurt vóór de wederinstelling van de heffing van de rechten), want indien aangifte en overlegging tegelijkertijd moesten geschieden, zou men verwachten dat de beperking betrekking zou hebben op de aangifte ten invoer of de binnenkomst van de goederen, en niet op de overlegging van het certificaat. Derhalve ben ik van mening dat in elk geval in 1976, de door de verordening bestreken periode, het certificaat kon worden overgelegd na de aangifte ten invoer van de goederen.
Wanneer het certificaat na 1976 wordt overgelegd, kunnen de goederen niet worden afgeboekt op de plafonds voor 1976, zodat naheffing van de rechten mogelijk is. Er valt veel voor te zeggen dat dit, wegens het verband tussen afboeking en vrijstelling van rechten, betekent dat geen vrijstelling van rechten mogelijk is wanneer het certificaat na het einde van het jaar wordt overgelegd, met andere woorden: de aanspraak op vrijstelling is eerst perfect wanneer het certificaat is overgelegd, de vrijstelling is afhankelijk van de afboeking der goederen op een plafond. Wordt het certificaat na het einde van het jaar overgelegd, dan zijn de verordening en de daarin voorziene tariefpreferentie vervallen en er kan geen sprake zijn van terugkoppeling om de aanspraak perfect te maken.
Hoe sterk dit argument ook moge zijn, toch ben ik uiteindelijk tot de tegengestelde conclusie gekomen. De rechten op de betrokken goederen zijn volledig geschorst. „Afboeken” is noodzakelijk om te weten wanneer het plafond bereikt is. Zodra het plafond is bereikt, kunnen de rechten bij verordening weer worden ingesteld. Zijn zij weer ingesteld, dan kan geen aanspraak op vrijstelling meer perfect worden gemaakt door het overleggen van een certificaat. Maar wanneer de rechten niet opnieuw zijn ingesteld, kan het certificaat van oorsprong voor die goederen niet alleen later in 1976, doch ook nog na het einde van dat jaar worden overgelegd. Was het de bedoeling geweest om, ook vóór de wederinstelling van de rechten, de vrijstelling niet te verlenen wanneer het certificaat niet gedurende het betrokken jaar werd overgelegd, dan zou in het artikel betreffende de schorsing van de rechten duidelijker taal zijn gebezigd dan in het artikel betreffende de afboeking op de plafonds. Deze conclusie vindt steun in de omstandigheid dat (ook al żie ik praktische problemen bij de uitvoering van de afboekingsvoorschriften) dé Commissie niet heeft aangevoerd dat de mogelijkheid om het certificaat later in te dienen, de doelstelling van die voorschriften frustreert; de Commissie pleit juist voòr een ruimhartige opstelling bij de toelating vrij van rechten van produkten uit de betrokken landen. Ook de Duitse douane stelde zich ten dele op dit standpunt, aangezien zij bereid was een certificaat te aanvaarden dat in de eerste twee weken van januari 1977 werd overgelegd.
Wij dienen echter na te gaan of er misschien andere bepalingen zijn, die zich tegen deze uitlegging van de verordening verzetten.
Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3004/75 bepaalt dat het begrip „produkten van oorsprong” wordt vastgesteld volgens de procedure, voorgeschreven in artikel 14 van verordening nr. 802/68 van 27 juni 1968 (PB L 148 van 1968, blz. 11). Dit artikel regelt de procedure ter vaststelling van de regels voor de toepassing van de omschrijving van de oorsprong van goederen. De betrokken regels zijn te vinden in verordening nr. 3214/75. Artikel 6 hiervan bepaalt dat produkten bij invoer in de Gemeenschap in aanmerking komen voor bepaalde tariefpreferenties tegen overlegging van een certificaat van oorsprong formulier A. Mijns inziens gaat het in dit artikel om de wijze waarop de oorsprong van de produkten met het oog op de tariefpreferentie moet worden aangetoond; het artikel geeft echter geen recht op die preferentie. Het zegt niets over het onderhavige probleem. Volgens artikel 7 moet het certificaat worden overgelegd binnen een termijn van vijf, respectievelijk tien maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte door de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer. Dit artikel betreft de geldigheid van het certificaat en draagt niet rechtstreeks bij tot de beantwoording van de vraag, of een certificaat voor produkten die binnen de preferentieperiode zijn geïmporteerd, ook nog na afloop van die periode kan worden ingediend. Volgens artikel 8 moeten certificaten worden overgelegd op de door de wetgeving van de staat van invoer voorgeschreven wijze. Gezien het bepaalde in artikel 7, geloof ik niet, dat die „wijze” ook betrekking heeft op bepalingen inzake het tijdvak waarin certificaten kunnen worden overgelegd, doch in ieder geval kunnen dergelijke tijdsbepalingen niet prevaleren boven artikel 7. Of een geldig certificaat na het einde van het jaar kan worden overgelegd, hangt naar mijn mening af van een juiste uitlegging van verordening nr. 3004/75 en niet van mogelijkerwijs sterk uiteenlopende nationale bepalingen. De hier aan de Lid-Staten verleende discretionaire bevoegdheid gaat in de andere richting: zij kunnen de periode van vijf respectievelijk tien maanden verlengen, bijvoorbeeld in bijzondere omstandigheden of wanneer de goederen wel, doch het certificaat niet binnen die vijf of tien maanden is aangeboden. Ik meen dan ook dat geen van de bepalingen van verordening nr. 3214/75 zich verzet tegen de conclusie waartoe ik ben gekomen.
Wat de tweede vraag betreft, komt het mij niet voor, dat een certificaat dat volgens artikel 17 van verordening nr. 3214/75 geldig is, kan worden geweigerd op grond dat het niet is overgelegd vóór een door de nationale douane in de loop van het betrokken jaar of later vastgesteld tijdstip, of op grond dat het later is overgelegd dan mogelijk zou zijn geweest.
In de derde plaats wordt gevraagd of goederen die in 1976 zijn aangegeven ten invoer, doch waarvoor het certificaat eerst in 1977 is overgelegd, in aanmerking komen voor vrijstelling krachtens verordening nr. 3022/76.
Bij artikel 1 van die verordening worden de rechten op een aantal produkten van oorsprong uit bepaalde landen volledig geschorst gedurende de periode ingaande op 1 januari 1977. Ingevolge artikel 9 moeten zij worden afgeboekt op plafonds, op soortgelijke wijze als in artikel 3 van verordening nr. 3004/75 was bepaald. Invoerrechten worden normaliter opeisbaar bij de invoer, en ingevolge deze verordeningen worden de produkten op de plafonds afgeboekt wanneer zij worden aangegeven ten invoer. Indien de inklaringsprocedure in 1976 is voltooid, kan voor die produkten mijns inziens geen aanspraak worden gemaakt op toepassing van verordening nr. 3022/76. Nu duidelijke bepalingen ontbreken, lijkt het mij niet mogelijk de aangifte ten invoer onder de ene verordening te verbinden met de overlegging van een certificaat onder een latere, voor een andere periode geldende verordening, teneinde de ingevoerde produkten vrij te stellen van invoerrechten. Of de produkten volledig waren ingeklaard, moet door de nationale rechter worden uitgemaakt in het licht van de nationale douanewetgeving en -praktijk. Indien dus produkten die op dezelfde wijze worden behandeld als de onderhavige, worden behandeld als te zijn aangegeven ten invoer in 1977 (dat wil zeggen dat de inklaring wordt uitgesteld tot het certificaat is overgelegd), kan daarvoor toepassing van verordening nr. 3022/76 worden verlangd. Of, zoals is geopperd, een aangifte uit 1976 kan worden ingetrokken en door een nieuwe van 1977 kan worden vervangen, is een vraag die door de nationale rechter moet worden beantwoord.
Mitsdien ben ik van mening dat de aan het Hof gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
1 en 2.
De schorsing van de invoerrechten ingevolge artikel 1 van verordening nr. 3004/75 kan worden toegepast op goederen die weliswaar reeds in 1976 zijn ingevoerd en bij de douane ten invoer tot verbruik aangegeven, maar waarvoor het certificaat van oorsprong eerst in februari 1977 is overgelegd, mits het certificaat binnen de in artikel 7 van verordening nr. 3214/75 genoemde termijnen is overgelegd of overeenkomstig artikel 11 van die verordening is aanvaard.
3.
Hadden de vragen 1 en 2 ontkennend moeten worden beantwoord, dan had de schorsing van de invoerrechten ingevolge artikel 1 van verordening nr. 3022/76 niet kunnen worden toegepast op goederen die in 1976 zijn ingevoerd en bij de douane ten uitvoer tot verbruik aangegeven, maar waarvoor het certificaat eerst in 1977 is overgelegd. De nationale rechter moet in het licht van de nationale douanewetgeving en -praktijk uitmaken of de inklaringsprocedure in 1976 of in 1977 werd voltooid, en of een in 1976 verrichte aangifte kan worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe aangifte in 1977.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy