CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN8 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De High Court Queen's Bench Division, Commercial Court in Engeland heeft overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing verzocht over de vraag of een produkt, genaamd „Corian”, moet worden ingedeeld onder post 68.11 — die onder meer betrekking heeft op kunststeen —, onder de posten 39.02 CXII of 39.07 B-V-d — betreffende bepaalde polymeren en kunststoffen — dan wel onder enige andere post van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT).
Deze vraag is gerezen in een voor de Commercial Court dienende zaak die aanhangig is gemaakt door E. I. Du Pont de Nemours Inc. (hierna te noemen: Du Pont), een in Delaware opgerichte en gevestigde onderneming die zich op zeer grote schaal bezighoudt met de vervaardiging en de verkoop van produkten voor huishoudelijk en industrieel gebruik, en Dewfield, een in Engeland opgerichte en gevestigde vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid, die in bouwmaterialen handelt. „Corian” is de merknaam van een door Du Pont vervaardigd produkt, dat Dewfield van haar betrekt en weer verkoopt in het Verenigd Koninkrijk. Du Pont en Dewfield verzochten de Commercial Court te verklaren dat Corian moet worden ingedeeld onder post 68.11 van het GDT. De Commissioners of Customs and Excise, verweerder in het hoofdgeding, betoogt dat het produkt onder post 39.02 moet worden ingedeeld indien het in de vorm van platen wordt ingevoerd, en onder post 39.07 indien daaruit voorwerpen zijn vervaardigd.
In de procedure voor uw Hof ondersteunt de Commissie de stelling van de Commissioners of Customs and Excise.
De verwijzingsbeschikking bevat een beknopt en praktisch overzicht van de onbetwiste eigenschappen van Corian. Hieruit blijkt dat Corian een niet-structureel bouwmateriaal is, dat volgens de fabrikanten op marmer lijkt. Het wordt op velerlei wijzen toegepast in woonhuizen, hotels, bedrijfs- en overheidsgebouwen. Het wordt gegoten in platen van verschillende dikte alsook in de vorm van bekkens, wastafels en dergelijke. Deze moeten door de installateur worden bewerkt en afgewerkt. Het is een vaste, doorzichtige en homogene stof die, na te zijn gestold, niet meer onder vacuüm of door verhitting kan worden vervormd, maar alleen met gereedschap als zagen of boren voorzien van hardmetalen snijmateriaal kan worden bewerkt. Afgezien van katalysators en andere hardingsmiddelen bestaat het uit twee hoofdbestanddelen. Het eerste hoofdbestanddeel, dat tweederde van het volume van het produkt uitmaakt (en kennelijk de helft van het gewicht), wordt door verzoeksters aangeduid als gibbsiet en door verweerder als aluminiumhydroxyde. Dit laatste is naar het schijnt een hydraat van aluin in kristalvorm, een stof die door middel van een chemisch procédé uit in Arkansas, VS, gedolven bauxieterts wordt gewonnen. Het tweede hoofdbestanddeel bestaat uit een kunstmatige plastische stof, genaamd polymethylmethacrylaat.
Ter terechtzitting werd verklaard dat het voor Corian verleende octrooi zich uitstrekt tot produkten die van andere mineralen dan gibbsiet (of aluminiumhydroxyde) worden vervaardigd. In deze zaak gaat het evenwel alleen om het produkt dat wordt vervaardigd op de wijze als in de verwijzingsbeschikking omschreven.
De posten 39.02 en 68.11 luiden als volgt:
„39.02:
Polymerisatieprodukten en copolymerisatieprodukten (polyethyleen, polytetrahaloëthyleen, polyisobutyleen, polystyreen, polyvinylchloride, polyvinylacetaat, polyvinylchloroacetaat en andere polyvinylderivaten, polyacrylderivaten en polymethacrylderivaten, cumaronindeenharsen, enz...);
C.
...
XII.
... methacrylpolymeren ...
39.07:
Werken van de stoffen bedoeld bij de posten 39.01 tot en met 39.06.
68.11:
Werken van cement, van beton of van kunststeen, ook indien gewapend, werken van slakkencement of van granito daaronder begrepen.”
In confesso is dat Corian alleen onder post 68.11 kan vallen wanneer het „kunststeen” is.
Van Corian dat op de bovenomschreven wijze is vervaardigd, kan niet worden gezegd dat het uitsluitend een „polymerisatie- of copolymerisatieprodukt” is. Anderzijds wordt erkend dat een van de bestanddelen (polymethylmethacrylaat) een methacrylpolymeer is, die in post 39.02 CXII met name is genoemd. Het andere bestanddeel of materiaal dat voor de vervaardiging van Corian wordt gebruikt (gibbsiet of aluminiumhydroxide), valt buiten hoofdstuk 39.
Algemene bepaling 2b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief bepaalt voorzover van belang:
„Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken, welke geheel uit die stof bestaan, doch ook werken, welke gedeeltelijk uit die stof bestaan.”
Dienovereenkomstig moet Corian worden geacht te zijn begrepen onder de methacrylpolymeren van post 39.02 en de produkten van Corian onder de in post 39.07 genoemde werken van methacrylpolymeren. Op het eerste gezicht valt Corian dus zowel onder post 39.02 als onder post 39.07.
Zou Corian op het eerste gezicht ook onder een andere post of posten kunnen worden ingedeeld, zodat Algemene bepaling 3 van toepassing is?
Gezien bepaling 2b moet worden nagegaan of Corian kan worden ingedeeld aan de hand van „gibbsiet”, dat volgens verzoeksters het andere bestanddeel is, of van aluminiumhydroxyde, waarmee de Commissioners of Customs and Excise het andere bestanddeel aanduiden. Indien het bestanddeel gibbsiet is, gaat het duidelijk om een metaalerts dat prima facie onder post 26.01 valt. Volgens aantekening 2 bij dit hoofdstuk omvat deze post evenwel geen ertsen die andere bewerkingen hebben ondergaan dan gebruikelijk is in de metallurgie. De stelling van de Commissie dat het erts door middel van een in de metallurgie ongebruikelijke bewerking wordt gewonnen, is niet bestreden en evenmin is gesteld of aangetoond dat gibbsiet door een dergelijke bewerking wordt verkregen. Mijns inziens is post 26.01 niet van toepassing. Indien het bestanddeel aluminiumhydroxyde is, dat uitdrukkelijk in post 28.20 wordt genoemd, kan Corian daar niet onder vallen ingevolge aantekening la bij dit hoofdstuk; deze aantekening bepaalt (afgezien van hier niet relevante uitzonderingen) dat het hoofdstuk uitsluitend betrekking heeft op geïsoleerde chemische elementen en geïsoleerde chemische welbepaalde verbindingen. Zulks is van Corian niet gesteld.
Blijft over post 68.11, waarop verzoeksters zich beroepen, en met name de term „kunststeen”. Op zichzelf beschouwd kan deze term in het gewone spraakgebruik elk produkt omvatten dat geen steen is, maar wel daarop lijkt, en dezelfde eigenschappen en gebruiksmogelijkheden heeft. In het gemeenschappelijk douanetarief moet deze term evenwel worden uitgelegd in het licht van de context, dan wel overeenkomstig de „structuur van deze post” (arrest van 29 mei 1979, zaak 165/78 IMCO-Michaelis, Jurispr. 1979, blz. 1837). Ook mag rekening worden gehouden met de betekenis die de betrokken handelssector of tak van wetenschap aan deze term hecht, alsmede met de Toelichtingen; deze kunnen de anderszins blijkende duidelijke betekenis van de tekst weliswaar niet wijzigen, doch zijn als een belangrijk element ter uitlegging van de tariefposten te beschouwen (arrest van 8 mei 1974, zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, blz. 477; arrest van 26 februari 1980, zaak 54/79, Hako-Schuh, Jurispr. 1980, blz. 311).
Wat dan de context betreft schijnen de overige in de post voorkomende stoffen (cement, beton, slakkencement en granito) gewoonlijk te worden geacht natuursteen te bevatten, ook al kan men tegenwoordig, zoals is opgemerkt, wel beton zonder natuursteen aantreffen. Dit is een aanwijzing dat „kunststeen” natuursteen bevat. De aan het Hof voorgelegde definities uit woordenboeken zijn wel niet eensluidend, doch de strekking ervan biedt steun aan de stelling dat kunststeen in het technisch spraakgebruik voor een deel uit natuursteen bestaat. Zo luidt in de Chambers' Dictionary of Science and Technology de bouwkundige term kunststeen als volgt:
„een vooraf in blokvorm gegoten imitatie van natuursteen. Van binnen bestaat het blok uit beton; de gewenste buitenkant bestaat uit cement gemengd met stof of splinters van de natuursteen die wordt geïmiteerd.”
Wanneer het begrip „kunststeen” niet in deze enge zin zou worden opgevat, zou het bovendien een groot aantal produkten omvatten die geheel uit kunststof bestaan. De beslissingen van douaneautoriteiten zouden nauwkeuriger en consequenter zijn, indien men de vraag of het produkt natuursteen bevat als uitgangspunt zou nemen, zoals de Commissie heeft betoogd.
Volgens de Toelichtingen van de Internationale Douaneraad worden met kunststeen bedoeld „imitaties van natuursteen, welke onder andere worden verkregen door stukken ... natuursteen (marmer en andere kalksteensoorten, graniet, porfier, serpentijn enz. ...) samen te kitten met behulp van cement ... of ván andere bindmiddelen, zoals bijvoorbeeld kunstmatige plastische stoffen. Sommige soorten kunststeen zijn bekend onder de benamingen ‚granito’ en ‚terrazzo’.”
Verzoeksters, leggen sterk de nadruk op de woorden „onder andere” („usually”), die volgens hen duidelijk aangeven dat er andere gevallen zijn die bij wijze van uitzondering onder deze categorie vallen. Indien „onder andere” betrekking heeft op „samenkitten” zoals is gesteld, geven de Toelichtingen geen steun aan verzoeksters' betoog, aangezien de uitzonderingen zich voordoen wanneer andere methoden dan „samenkitten” worden gebruikt om natuursteen en een bindmiddel te verenigen. Indien „onder andere” niet op „samenkitten” slaat, ben ik volstrekt niet van mening dat de Toelichtingen door de woorden „onder andere”, een verruiming inhouden van wat anders de juiste benadering zou zijn. Argumenten voor het tegendeel ten spijt, heeft kunststeen in de tariefpost volgens mij alleen betrekking op een stof die natuursteen bevat.
Verzoeksters beroepen zich op een aantal uitspraken van het Hof waarin wordt beklemtoond dat naar de objectieve kenmerken en eigenschappen van het produkt moet worden gekeken. Ik geef toe dat factoren als textuur, uiterlijk, broosheid, doorschijnendheid, homogene structuur, duurzaamheid, poreusheid, hitte- en vuurbestendigheid in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het produkt kunststeen is, en dat deze in casu eerder duiden op de hoedanigheid van steen dan van kunststof. Mijns inziens komen deze factoren evenwel pas aan bod wanneer het produkt natuursteen bevat.
Corian bevat naar mijn me'ning geen natuursteen. Bauxiet is meer een mineraalhoudend erts dan steen, en de stof die eruit wordt gewonnen — ook als de benaming gibbsiet juist zou zijn — is zelf evenmin steen. Blijkens de aan het Hof voorgelegde gegevens is het een kristalvormig mineraal; aluminiumhydroxyde is een metaaloxyde. Om deze reden valt Corian mijns inziens niet onder post 68.11, zodat Algemene bepaling 3 niet in aanmerking behoeft te worden genomen.
Als een produkt daarentegen geen natuursteen behoeft te bevatten om in het gemeenschappelijk douanetarief als kunststeen te worden ingedeeld, aanvaard ik dat Corian prima facie onder post 68.11 valt om de door verzoeksters aangevoerde redenen. Aangezien ik van mening ben dat het op het eerste gezicht ook onder de posten 39.02 en 39.07 valt, dient het in Algemene bepaling 3 neergelegde beginsel te worden toegepast. Volgens bepaling 3 a heeft de post met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Ik kah niet meegaan met verzoeksters' betoog dat de omschrijving van post 68.11 specifieker zou zijn dan die van post 39.02. Verzoeksters hebben alleen dan gelijk wanneer de in post 68.11 gebezigde term „kunststeen” zo ruim is dat deze, zoals de eerste verzoekster stelt, „elke stof omvat die de kenmerken van een imitatie van natuursteen vertoont.” Daarmee wordt een groot aantal uiteenlopende produkten onder deze term gebracht zodat de omschrijving een veel algemenere strekking heeft dan die van post 39.02.
Volgens Algemene bepaling 3 b worden mengsels waarvan indeling aan de hand van Algemene bepaling 3 a niet mogelijk is, ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald. Deze bepaling brengt ons in casu niet verder: ten eerste geldt zij niet wanneer een stof aan de hand van Algemene bepaling 3 a kan worden ingedeeld (zoals in casu), en ten tweede leidt zij in casu hoe dan ook tot onbevredigende resultaten. De eerste verzoekster onderstreept hoezeer gibbsiet (of aluminiumhydroxide) bijdraagt in de kenmerken van Corían, en wijst erop dat het een van de duurste „vulmiddelen” is en dat alleen zuivere gibbsiet van in Arkansas gedolven bauxiet de eigenschappen van Corian oplevert. De Commissie daarentegen betoogt dat de voornaamste kenmerken van Corian (te weten consistentie, fraaiheid, glans, doorzichtigheid en slagvastheid) aan polymethylmethacrylaat zijn ontleend en dat aluminiumnydroxyde slechts als vulmiddel dienst doet. Mijns inziens ontleent Corian zijn wezenlijk karakter aan beide hoofdbestanddelen en niet slechts aan één daarvan, namelijk aan gibbsiet of aluminiumhydroxyde.
Derhalve ben ik nog steeds van mening dat Corian eerder onder de posten 39.02 en 39.07 valt dan onder post 68.11.
Ik kom tot deze conclusie ongeacht de afwijkende resultaten waartoe de douaneautoriteiten van de Lid-Staten zijn gekomen, of de beslissingen van het Comité voor de Nomenclatuur van het GDT en van de Internationale Douaneraad, waarop voor uw Hof is gewezen — hoewel laatstgenoemde beslissingen mijn conclusie duidelijk ondersteunen.
Mitsdien concludeer ik dat de vragen van de Commercial Court worden beantwoord als volgt:
Het produkt „Corian” (als omschreven in de verwijzingsbeschikking) moet worden ingedeeld onder post 39.02 van het GDT indien het in de vorm van platen wordt ingevoerd, en onder post 39.07 indien het wordt ingevoerd in de vorm van daaruit vervaardigde werken; het dient niet onder enige andere post van het GDT te worden ingedeeld.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy