CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 10 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak betreft een verzoek van de Centrale Raad van Beroep om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2) en van verordening nr. 574/72 van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74 van 1972, blz. 1).
Mevrouw Van der Bunt-Craig was Britse door geboorte en wijlen haar echtgenoot was Nederlander. Hij woonde in Nederland vanaf zijn geboorte op 31 december 1889 tot 1919, toen hij in het Verenigd Koninkrijk ging werken en zich aldaar vestigde. Zij woonde vanaf haar geboorte in 1914 in Engeland. Het echtpaar is in 1938 gehuwd.
De punten waarom het in de zaak voor de Centrale Raad van Beroep gaat, zijn in de verwijzingsbeschikking niet volledig en gedetailleerd uiteengezet, maar de volgende feiten lijken de belangrijkste. Zij bleven in het Verenigd Koninkrijk wonen — en voor wat hem betreft werken — tot 1955. Volgens de Centrale Raad van Beroep ontving de heer Van der Bunt met ingang van 1955 een Brits ouderdomspensioen. Volgens de Raad van Arbeid ontving hij dit pensioen met ingang van 1959. De eerste datum lijkt meer waarschijnlijk, omdat de heer Van der Bunt op 1 januari van dat jaar krachtens de Britse wetgeving de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. In elk geval vestigde het echtpaar zich in 1955 in Nederland. Sedert 1961 ontving de heer Van der Bunt van de Nederlandse instanties een ouderdomspensioen krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW), en wel het volledige pensioen voor gehuwde personen. In februari 1974 toen mevrouw Van der Bunt-Craig de 60-jarige leeftijd had bereikt — kreeg zij recht op een Brits „retirement pension” van £ 6 per week, uitsluitend op grond van de bijdragen van haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk. In september 1974 overleed de heer Van der Bunt.
Met ingang van 23 september 1974 ontving mevrouw Van der Bunt een Brits „retirement pension” van £ 10 per week in plaats van £ 6 per week. Het nieuwe pensioen werd haar uitbetaald op grond van het overlijden van haar echtgenoot en het was evenals haar vorige pensioen uitsluitend gebaseerd op de bijdragen van haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk. In oktober 1974 diende zij bij de Nederlandse autoriteiten een aanvraag in om weduwenpensioen ingevolge de Nederlandse Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Bij beslissing van 29 december 1975 kende het bevoegde Nederlandse orgaan, de Raad van Arbeid te 's-Gravenhage, haar een weduwenpensioen toe van 1 september 1974 tot 1 januari 1979 (dat wil zeggen: het begin van de maand waarin haar echtgenoot overleed tot het begin van de maand waarin zij de 65-jarige leeftijd bereikte, de relevante data ingevolge artikel 8 van het krachtens artikel 30 AWW vastgestelde Koninklijk Besluit van 20 maart 1968 tot uitvoering van de AWW).
De Raad van Arbeid stelde zich echter op het standpunt dat het aan mevrouw Van der Bunt-Craig in het Verenigd Koninkrijk verschuldigde „retirement pension” diende te worden aangemerkt als een uitkering aan nagelaten betrekkingen ingevolge de wettelijke regeling van een andere mogendheid in de zin van artikel 1 van het Koninklijk Besluit en dat bijgevolg het Nederlandse weduwenpensioen diende te worden verminderd in overeenstemming met de anti-cumulatiebepalingen van artikel 30 AWW en het Koninklijk Besluit. Voor de omrekening in Nederlandse guldens van het in het Verenigd Koninkrijk verschuldigde pensioen hanteerde de Raad van Arbeid krachtens artikel 3 van het Koninklijk Besluit de omrekeningskoers, als bedoeld in artikel 107 van verordening nr. 574/72, in de versie van voor de wijziging per 1 januari 1975 bij verordening nr. 2639/74 van 15 oktober 1974 (PB L 283 van 1974, blz. 1). Als gevolg daarvan werd het Nederlandse weduwenpensioen met 52,09 % verminderd. Het aldus verkregen bedrag werd vervolgens krachtens artikel 1, lid 3, van het Koninklijk Besluit verhoogd met een aanvullende uitkering teneinde te verzekeren dat het Britse „retirement pension” en het Nederlandse weduwen-pensioen te zamen niet lager zouden zijn dan een volledig Nederlands weduwen-pensioen. In feite is aan mevrouw Van der Bunt-Craig over de tijdvakken voor 1 maart 1975 geen weduwenpensioen uitgekeerd, omdat zij tot 28 februari 1975 het ouderdomspensioen ingevolge de AOW bleef ontvangen.
In januari 1976 stelde mevrouw Van der Bunt-Craig via haar vertegenwoordiger bij de Raad van Beroep te 's-Gravenhage beroep in tegen de beslissing van de Raad van Arbeid van 29 december 1975. Daarna vestigde zij zich weer in het Verenigd Koninkrijk, waar zij sindsdien blijkbaar is blijven wonen. Op 26 april 1977 vernietigde de Raad van Beroep de beslissing, op grond dat de Raad van Beroep ten onrechte het gehele Britse pensioen als een uitkering aan nagelaten betrekkingen had behandeld. De Raad van Arbeid is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Centrale Raad van Beroep.
Voor deze instantie lijkt de Raad van Arbeid te hebben betoogd dat het in het Verenigd Koninkrijk aan mevrouw Van der Bunt-Craig verschuldigde „retirement pension” diende te worden aangemerkt als een uitkering aan nagelaten betrekkingen in de zin van artikel 1 van het Koninklijk Besluit, doch dat de communautaire anti-cumulatiebepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 geen toepassing konden vinden, aangezien een Nederlands weduwenpensioen en een Brits „retirement pension” geen „gelijksoortige uitkeringen” zijn in de zin van artikel 12, lid 2, van die verordening. In elk geval zou de uitkering door toepassing van artikel 46 van deze verordening volgens de Raad van Arbeid in casu niet hoger worden dan een in overeenstemming met het nationale recht, met inbegrip van de nationale anti-cumulatiebepalingen, berekende uitkering. In dit verband merkte de Raad van Arbeid op dat hij voor de omrekening van het Britse pensioen in Nederlandse munt de wisselkoers had gehanteerd die is vervat in artikel 107 van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd ten tijde van de berekening (dat wil zeggen na de wijziging bij 's Raads verordening nr. 2639/74). Tenslotte vestigde de Raad van Arbeid de aandacht van de Centrale Raad van Beroep op complicaties ten gevolge van de periodieke wijzigingen in de voor de berekening van pensioenen gebruikte wisselkoersen. Ook klaagde de vertegenwoordiger van mevrouw Van der Bunt-Craig over de gevolgen van de berekeningsmethode van de Raad van Arbeid, aangezien ten tijde van de berekening de waarde van het pond was gedaald ten opzichte van de Nederlandse gulden.
Daarop stelde de Centrale Raad van Beroep een aantal vragen aan de bevoegde autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, het Department of Health and Social Security. Dit verklaarde dat de uitkeringen ingevolge de Britse wettelijke regeling krachtens de National Insurance Act 1965 en de op grond daarvan vastgestelde verordeningen aan mevrouw Van der Bunt-Craig waren betaald als een „retirement pension” waarop zij uit eigen hoofde aanspraak had, ofschoon het was gebaseerd op de bijdragen van haar echtgenoot, en dat zij volgens het Department niet moesten worden aangemerkt als een uitkering aan nagelaten betrekkingen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het noodzakelijk geoordeeld, het Hof drie vragen voor te leggen. De eerste luidt als volgt:
„Behoort ook bij samenloop van een uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling ontvangen pensioen met een andersoortige uitkering van een andere Lid-Staat de toepasselijkheid van een nationale anti-cumulatiebepaling in dier voege te worden beperkt dat, wanneer de toepassing van de nationale wettelijke regeling minder gunstig uitvalt dan die van het stelsel van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, laatstgenoemd artikel moet worden toegepast?”
De vraag onderstelt dus dat de nationale rechter een geval van samenloop van „andersoortige” uitkeringen is voorgelegd. De eerste vraag rijst kennelijk enkel wanneer daarvan sprake is. Ingevolge artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn de nationale bepalingen inzake de vermindering van een uitkering ingeval van samenloop met een andere uitkering van sociale zekerheid van toepassing, zelfs indien laatstbedoelde uitkering in een andere Lid-Staat is verkregen. Dit artikel vervolgt:
„Deze regel is evenwel niet ván toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld”.
Aan deze bepaling is onder meer uitvoering gegeven in artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72, waarin onder andere wordt bepaald dat voor de berekening van de vermindering of schorsing van uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) het bevoegde orgaan in overeenstemming met de anti-cumulatievoorschriften van artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 rekening houdt met „uitkeringen van andere aard”. In de gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80 (RWP t. Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737) heeft het Hof verklaard:
„wanneer de werknemer gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom ontvangt, die door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 zijn vastgesteld, zijn de nationale wettelijke bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet van toepassing”.
Voor de beantwoording van de vraag of twee uitkeringen „gelijksoortig” zijn dienen de nationale bepalingen krachtens welke de uitkeringen zijn verworven, te worden onderzocht en vergeleken. In overeenstemming met de algemene doelstellingen van verordening nr. 1408/71 en in het bijzonder met de doelstellingen van de zevende en achtste overweging van de considerans behoeft deze zinsnede echter niet restrictief te worden uitgelegd, omdat anders nationale anti-cumulatiebepalingen mogelijk zo strikt en dikwijls zouden worden toegepast, dat migratie tussen Lid-Staten voor werk zou worden ontmoedigd (vgl. conclusie van advocaat-generaal Capotorti in zaak 180/78, Brouwer-Kaune, Jurispr. 1979, blz. 2111). Eveneens heeft het Hof in zaak 4/80 (d'Amico, Jurispr. 1980, blz. 2951) verklaard:
„wanneer een werknemer krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat een in een ouderdomspensioen omgezette invaliditeitsuitkering ontvangt en, krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, een invaliditeitsuitkering die nog niet in een ouderdomspensioen is omgezet, moeten het ouderdomspensioen en de invaliditeitsuitkering worden geacht gelijksoortig te zijn; de bepalingen van hoofdstuk 3 van verordening nr. 1408/71 zijn dan van toepassing voor de vaststelling van de rechten van de werknemer, terwijl ingevolge artikel 12, lid 2, laatste zin van die verordening de toepassing van de nationale anti-cumulatievoorschriften is uitgesloten”.
In casu stelt de Centrale Raad van Beroep zich op het standpunt dat de Nederlandse en Britse uitkeringen waarop mevrouw Van der Bunt-Craig aanspraak heeft, zijn aan te merken als uitkeringen aan nagelaten betrekkingen in de zin van het Nederlandse anti-cumulatievoorschrift en in de zin van artikel 46 van verordening nr. 1408/71. De Italiaanse regering en de Commissie zijn van mening dat beide uitkeringen gelijksoortige uitkeringen in de zin van artikel 46 van die verordening zijn. Op grond van de aan het Hof voorgelegde stukken ben ik dezelfde mening toegedaan. Ingevolge section 32 van de National Insurance Act 1965 kan de aan mevrouw Van der Bunt-Craig verschuldigde uitkering worden aangemerkt als een „retirement pension” waarop zij uit eigen hoofde recht heeft. Immers deze uitkering kan een vrouw niet worden uitbetaald, voordat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Zij is echter uitsluitend gebaseerd op de bijdragen van haar echtgenoot en is eerst na het overlijden van de echtgenoot verschuldigd. In de woorden van het Hof in zaak 184/73 (Bedrijfsvereniging t. Kaufmann, Jurispr. 1974, blz. 517, inz. blz. 525): de uitkering is „werkelijk vergelijkbaar” met een weduwenpensioen. Deze opvatting wordt bevestigd in Bijlage V, letter J punt 9 van verordening nr. 1408/71 (voorheen letter I, punt 11, van die bijlage), ingevolge welke „voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van de verordening op de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk, ... de invaliditeits-, ouderdoms- en weduwenpensioenen (worden) aangemerkt als gelijksoortige uitkeringen.”
De eerste vraag van de Centrale Raad van Beroep lijkt mij dan ook niet ter zake dienend. Mochten de twee uitkeringen waarop mevrouw Van der Bunt-Craig recht heeft uiteindelijk geen „gelijksoortige” uitkeringen blijken te zijn, dan is de eerste vraag wel relevant en zou zij mijns inziens bevestigend moeten worden beantwoord. In zaak 236/78 (NPW t. Mura, Jurispr. 1979, blz. 1819) heeft het Hof verklaard dat ingeval de bepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 voor de werknemer gunstiger zijn dan de bepalingen van de nationale wettelijke regeling krachtens welke hij een pensioen ontvangt, de bepalingen van artikel 46 moeten worden toegepast. In zijn conclusie in deze zaak (blz. 1832) merkte advocaat-generaal Warner op dat de betrokkene in een situatie als deze recht heeft op het hoogste van twee bedragen, namelijk ofwel het volledige pensioen waarop hij krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat — met inbegrip van eventuele anti-cumulatiebepalingen — aanspraak kan maken, ofwel het volledige pensioen waarop hij aanspraak heeft krachtens de bepalingen van verordening nr. 1408/71; bijgevolg kunnen de bepalingen van de nationale wettelijke regeling niet leiden tot een verlaging van het totale bedrag beneden „het hoogste theoretische uitkeringsbedrag”, berekend in overeenstemming met artikel 46. Daaruit volgt dat in elk geval dat onder artikel 46 van verordening nr. 1408/71 valt, nationale anti-cumulatiebepalingen niet op dusdanige wijze kunnen worden toegepast dat het resultaat voor de betrokkene minder gunstig uitvalt dan wanneer artikel 46 was toegepast.
De tweede vraag van de Centrale Raad van Beroep luidt als volgt:
„Moet artikel 107 van verordening nr. 574/72 aldus worden uitgelegd dat de bij dat artikel vastgestelde methode van omrekening van munteenheden mede van toepassing is op de omrekening krachtens een — door artikel 12, tweede lid, van verordening 1408/71 gesauveerde — nationale anti-cumulatiebepaling van de uitkeringen van een andere Lid-Staat?”
Artikel 107 van verordening nr. 574/72 bepaalt met zoveel woorden dat de daarin genoemde omrekeningskoers moet worden gebruikt voor de toepassing van onder meer de artikelen 12, lid 2, en 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71. Het is dus duidelijk dat de bevoegde organen in een Lid-Staat die omrekeningskoers moeten hanteren voor de berekening van het bedrag van de aan de betrokkene uit hoofde van artikel 46, lid 3, verschuldigde uitkeringen. Artikel 107 van verordening nr. 574/72 stelt niet uitdrukkelijk dat dezelfde berekeningsmethode moet worden gebruikt in gevallen welke worden beheerst door nationale bepalingen, zoals de voorschriften van artikel 30 AWW en van het Koninklijk Besluit van 20 maart 1968, welke onverlet worden gelaten door artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71.
De Nederlandse regering en de Raad van Arbeid betogen dat de omrekeningskoers van artikel 107 van verordening nr. 574/72 enkel moet worden gebruikt voor de berekening welke wordt omschreven in artikel 46 van verordening nr. 1408/71 (en de andere in artikel 107 van verordening nr. 574/72 genoemde bepalingen) en niet wanneer uitsluitend een nationale bepaling tegen cumulatie of samenloop van uitkeringen in geding is.
Daarentegen betoogt de Commissie, ondersteund door de Italiaanse regering, dat de omrekeningskoers van artikel 107 moet worden toegepast voor de berekeningen overeenkomstig nationale voorschriften welke onverlet zijn gelaten door de daarin genoemde bepalingen — met inbegrip van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71.
Ik aanvaard dat artikel 107 voor beiderlei uitleg vatbaar is. De uitleg van de Commissie is mijns inziens echter juist. De gemeenschapsverordeningen bevatten geen andere bepaling welke kan worden toegepast om de berekeningen overeenkomstig deze nationale voorschriften uit te voeren, en het komt mij voor dat het de bedoeling was dat deze ook onder artikel 107 zouden vallen en dat het correct is artikel 107 aldus uit te leggen. Ware dit niet het geval, dan zou ik bereid zijn een dergelijke bepaling per analogiam af te leiden als een noodzakelijke consequentie van de wettelijke regeling. Anders zouden er distorsies ontstaan wegens de verschillen tussen de door de Lid-Staten voor de toepassing van hun eigen anti-cumulatiebepalingen gebruikte omrekeningskoersen. Dergelijke distorsies zouden kunnen leiden tot een verstoring van de arbeidsmarkt die men in artikel 51 EEG-Verdrag en de op grond daarvan vastgestelde verordeningen probeerde te voorkomen.
Mitsdien ben ik van mening dat de tweede vraag van de Centrale Raad van Beroep bevestigend moet worden beantwoord. Daaruit zou volgen dat als berekeningsmethode moet worden aangehouden de methode van artikel 107 van verordening nr. 574/72, in de versie op het relevante tijdstip (en niet in zijn vroegere versie, vervat in ongewijzigde nationale bepalingen). Partijen in het hoofdgeding lijken het erover eens dat, waar het pensioen van mevrouw Van der Bunt-Craig is vastgesteld na 1 januari 1975, de versie van artikel 107, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2639/74, moet- worden aangehouden. Dit lijkt het correcte standpunt, dat wordt bevestigd door artikel 5 van Besluit nr. 101 van 27 mei 1975 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen welke bij de berekening van de verschillende uitkeringen moeten worden toegepast (PB C 44 van 1976, blz. 3), te weten 1 januari 1975.
De derde vraag luidt als volgt:
„Brengen de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met zich mee dat lopende uitkeringen (berekend uitsluitend op grond van het nationale recht dan wel via het stelsel van artikel 46 van verordening nr. 1408/71), waarvan de hoogte ten tijde van de toekenning mede afhankelijk is van de hoogte van een of meer uitkeringen ingevolge de wettelijke regeling van een of meer andere Lid-Staten, overeenkomstig of naar analogie van het bepaalde in artikel 107 van verordening nr. 574/72 periodiek dienen te worden berekend in verband met gewijzigde wisselkoersen?”
Voor het geval dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord, stelt de Centrale Raad van Beroep verder nog subsidiaire vragen.
Artikel 107 van verordening nr. 574/72 of de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag bevatten geen enkele bepaling waarin uitdrukkelijk wordt voorzien in een periodieke herberekening van uitkeringen in verband met wijzigingen in de wisselkoersen. Het lijkt mij niet mogelijk deze bepalingen of de andere bepalingen die onder de aandacht van het Hof zijn gebracht, al was het maar impliciet, aldus uit te leggen dat zij verplichten tot een periodieke herberekening. Inzonderheid kan een dergelijke verplichting niet worden afgeleid uit artikel 51 van verordening nr. 1408/71 dat voorziet in een aanpassing van uitkeringen (bijvoorbeeld wanneer een Lid-Staat zijn uitkering aanpast aan de wijzigingen in de kosten van levensonderhoud). Zelfs wanneer een in een Lid-Staat verschuldigde uitkering moet worden herberekend wegens de aanpassing van een uitkering in een andere Lid-Staat bepaalt artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1408/71 namelijk enkel dat de herberekening dient te geschieden volgens de omrekeningskoers welke van toepassing is krachtens artikel 107 van verordening nr. 574/72.
Bovendien kan een dergelijke verplichting moeilijk daaruit worden afgeleid, omdat in een dergelijke herberekening op veel verschillende manieren kan worden voorzien, die geen van alle dwingend behoeven te zijn. Volgens mij bevat het gemeenschapsrecht noch een uitdrukkelijke, noch een stilzwijgende verplichting om uitkeringen periodiek opnieuw te berekenen. Enkel de Italiaanse regering heeft voor het Hof betoogd dat een periodieke herberekening noodzakelijk was; zij kon echter niet verklaren met welke interval deze herberekeningen naar gemeenschapsrecht dienden plaats te vinden.
Dit standpunt kan nadelig uitvallen voor verzoekster, maar uit de schriftelijke opmerkingen van de Raad van Arbeid valt op te maken dat volgens een rapport van de Commissie uit 1977 koersschommelingen voor de meeste pensioentrekkers gunstig en voor een betrekkelijk kleine minderheid nadelig uitwerken. Hoewel deze conclusie er los van staat, stemt zij wel overeen met artikel 1 van Besluit nr. 99 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 13 maart 1975 (PB C 150 van 1975, blz. 2), waarin wordt verklaard dat artikel 107, lid 1, niet de verplichting meebrengt om de lopende uitkeringen opnieuw te berekenen.
Bijgevolg behoeven de subsidiaire vragen mijns inziens niet te worden beantwoord.
Mitsdien concludeer ik, dat op de vragen van de Centrale Raad van Beroep ware te antwoorden als volgt:
1.
Gezien de aan het Hof voorgelegde stukken is de eerste vraag niet terzake dienend. Mocht zich echter een dergelijke vraag voordoen, dan ware te antwoorden dat bij samenloop van een uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling ontvangen pensioen met een andersoortige uitkering van een andere Lid-Staat, de toepasselijkheid van een nationale anti-cumulatiebepaling in dier voege moet worden beperkt dat wanneer de toepassing van de nationale wettelijke regeling minder gunstig uitvalt dan die van het stelsel van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, laatstgenoemd artikel moet worden toegepast.
2.
Artikel 107 van verordening nr. 574/72 moet aldus worden uitgelegd dat de bij dat artikel vastgestelde methode van omrekening van munteenheden mede van toepassing is op de omrekening krachtens een — door artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 gesauveerde — nationale anti-cumulatiebepaling van de uitkeringen van een andere Lid-Staat.
3.
Lopende uitkeringen, waarvan de hoogte ten tijde van de toekenning mede afhankelijk is van de hoogte van een of meer uitkeringen ingevolge de wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, behoeven niet periodiek te worden herberekend in verband met gewijzigde wisselkoersen.
( 1 ) Vertaald uil het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy