CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 23 FEBRUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het gaat in de onderhavige zaak om de regeling inzake de staalquota welke de Commissie, nadat de geldigheidsduur van beschikking nr. 2794/80 (PB L 291 van 31. 10. 1980, blz. 1) was verstreken, bij beschikking nr. 1831/81 van 24 juni 1981 (PB L 180 van 1. 7. 1981, blz. 1, e.v.) heeft getroffen. De beschikking is op 1 juli 1981 — voor het tijdvak 1 juli 1981 - 30 juni 1982 — in werking getreden en sindsdien meermalen gewijzigd en aangevuld, onder meer bij de op 4 juli 1981 in werking getreden beschikking nr. 1832/81 (PB L 184 van 4. 7. 1981, blz. 1 e.V.), bij de op 1 oktober 1981 in werking getreden beschikking nr. 2804/81 (PB L 278 van 1. 10. 1981, blz. 1 e.v.) en bij de op 9 maart 1982 in werking getreden beschikking nr. 533/82 (PB L 65 van 9. 3. 1982, blz. 6 e.v.).
Zonder mij in een gedetailleerde bespreking van de nieuwe regeling te begeven, zou ik in het kort het navolgende willen releveren.
Er is in de beschikking niet langer van vier categorieën van produkten sprake, doch ook van twee vroeger onder categorie IV vallende categorieën V en VI. Ook worden er volgens deze beschikking niet langer produktiequota voor ruw staal vastgelegd en, wat de genoemde categorieën betreft, nog slechts voor enkele eronder vallende produkten. De belangrijkste staalfabrikanten, besloten voor het overige eigener beweging tot produktiebeperking.
De in casu alleen relevante categorie I is onderverdeeld in de ondercategorieën a tot en met d. Onder a vallen de prefabrikaten gewalst breedband en gewalst bandstaal, alsook enkele afgeleide produkten; onder b tot en met d alleen afgeleide produkten waarop beschikking nr. 2794/80 niet van toepassing was. Volgens beschikking nr. 1831/81 moesten er voor de onder deze categorieën genoemde produkten quota worden vastgesteld.
Een belangrijke wijziging betrof de berekening van de referentieproduktie voor categorie I. Daarvoor zijn volgens beschikking nr. 1831/81 twee bedragen van belang, die samen het rekenkundig gemiddelde opleveren. Het eerste bedrag is het rekenkundig gemiddelde van de produkties in drie tijdvakken: het haar 1974; de twaalf kalendermaanden van het tijdvak juli 1977 - juni 1980 waarin de totale produktie van walserijprodukten van de categorieën IIV als bedoeld in artikel 2 van beschikking nr. 2794/80 het hoogst is geweest; en de twaalf maanden juli 1979-juni 1980. Het tweede bedrag is een jaarreferentiecijfer, resulterende uit de produktiequota die in het kader van beschikking nr. 2794/80 voor het vierde kwartaal van 1980 en het eerste kwartaal van 1981 waren toegewezen, met inbegrip van aanpassingen. Op grondslag van de produktiequota worden dan, overeenkomstig de uitvoerige beschrijving die in het rapport ter terechtzitting te vinden is, de referentieproduktiecijfers herberekend, terwijl eenzelfde berekening voor het tweede en derde kwartaal van 1981 plaatsvindt.
Overeenkomstig de in beschikking nr. 2794/80 gegeven regeling, werden er niet slechts beperkingen aan de produktie gesteld, doch werd ook bepaald dat van de aldus beperkte produktie slechts een gedeelte op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd. De berekening van dat gedeelte werd evenwel niet langer aan de ondernemingen overgelaten; zij geschiedde door de Commissie, waarbij de overeenkomstig artikel 8 vast te stellen referentiehoeveelheid een rol speelde. In artikel 9 werd dan ook bepaald dat de Commissie voor de vaststelling van de produktiequota en van het gedeelte daarvan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, per kwartaal de verminderingspercentages vaststelt. Volgens artikel 5 heeft de Commissie voor elke onderneming per kwartaal de produktiequota vast te stellen, alsook het gedeelte van die quota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, terwijl zij volgens artikel 9 aan elke onderneming haar referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden mededeelde, alsook haar produktiequota en het gedeelte ervan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd.
Vermelding verdient voorts dat het bij buitengewone moeilijkheden niet meer tot een aanpassing van de referentieproduktiecijfers over de gehele lijn kon komen; er moest aan bepaalde voorwaarden worden voldaan; zo moesten de referentieproduktiecijfers voor de categorieën Ia-Id gezamenlijk beneden 1 miljoen ton per jaar liggen, terwijl het daarbij voor ten minste 75 % moest gaan om produkten met een verminderingspercentage van meer dan 20 %. Bij beschikking nr. 533/82 werd voorts een bijzondere hardheidsclausule (artikel 14 ter) ingevoerd voor producenten wier totale produktie, wat de in artikel 1 van beschikking nr. 1831/81 bedoelde produkten in 1981 betreft, een bepaalde omvang niet had overschreden en wier produktie, wat categorieën IV, V en VI betreft, een bepaald gedeelte van hun totale produktie omvatte. Voor zulke producenten gold in het tweede kwartaal van 1982, voor zover het om categorie V ging, een lager verminderingspercentage ten aanzien van de produktiequota en het deel van die quota dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd.
Overeenkomstig deze bepalingen werden voor het derde kwartaal van 1981, waarom het te dezen gaat, bij beschikking nr. 1833/81 van de Commissie van 3 juli 1981 (PB L 184 van 4. 7. 1981, blz. 6) de verminderingspercentages voor de vaststelling van de produktiequota en ter bepaling van het gedeelte ervan dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd, berekend.
Dienovereenkomstig deed men op 28 juli 1981 aan verzoekster een mededeling toekomen als bedoeld in artikel 9 van beschikking nr. 1831/81, waaraan voor de categorieën Ia, Ib en Ie de voor het derde kwartaal van 1981 geldende referentieproduktiecijfers, referentiehoeveelheden, produktiequota en op de gemeenschappelijke markt leverbare gedeelten dier quota konden worden afgelezen. In door verzoekster gemaakte bezwaren vond de Commissie aanleiding om in een mededeling van 31 augustus 1981 voormelde mededeling in die zin te corrigeren dat de jaarlijkse referentieproduktiecijfers voor categorie Ia — met inaanmerkingneming van een abusievelijk buiten beschouwing gelaten maandelijks tonnage — werden verhoogd, zodat ook het produktiequotum voor categorie Ia enigszins steeg.
Naar aanleiding van deze mededelingen wendde de firma Klöckner zich op 8 september 1980 tot het Hof van Justitie, concluderende dat het den Hove behage:
„1.
de beschikkingen van de wederpartij van 28 juli 1981 en 31 augustus 1981 nietig te verklaren,
2.
subsidiair,
a)
de produktiequota van de genoemde beschikking nietig te verklaren voor zover zij voor de categorieën Ia en Ib lager zijn dan bepaalde waarden (in de conclusie van repliek worden iets hogere cijfers genoemd);
b)
het produktiequotum voor categorie Ia nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op koudgewalste plaat met een dikte van meer dan 3 mm;
c)
de produktiequota nietig te verklaren voor zover de produktie aantoonbaar voor derde landen bestemd is;
d)
de beschikkingen nietig te verklaren voor zover zij een gedeelte van de produktiequota, dat in de gemeenschappelijke markt kan worden geleverd, vastleggen”.
De Commissie meent dat verzoekster in haar sub 2a en 2c omschreven subsidiaire vorderingen niet kan worden ontvangen, terwijl zij de primaire vordering en de sub 2b en 2d omschreven subsidiaire vorderingen ongegrond acht.
Na er op te hebben gewezen dat bij beschikking nr. 2804/81 een in beschikking nr. 1831/81 begane „vormfout” in die zin werd gecorrigeerd dat in artikel 1, tweede alinea, vijfde streepje de zinsnede „koudgewalste plaat met een dikte van 3 mm en meer” wordt voorafgegaan door de woorden „warmgewalst breedband voor de vervaardiging van ...”, heeft verzoekster doen zeggen voor repliek dat de hoofdzaak in zoverre zonder voorwerp is geraakt, zodat er nog slechts uitspraak over de kosten behoeft te worden gedaan, welke uitspraak evenwel op grond van hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, in het nadeel van de Commissie zou moeten uitvallen.
Ik meen in dit geding als volgt mijn standpunt te moeten bepalen.
A — De primaire vordering
Verzoekster voert hiertoe vier middelen aan:
—
In verzoeksters onderneming was het in artikel 58 van het EGKS-Verdrag verlangde werkgelegenheidspeil niet bereikt;
—
De gevolgen van het in artikel 4c van het EGKS-Verdrag omschreven verbod van steunverlening zijn buiten beschouwing gelaten;
—
De leveringsquota voor de export en de gemeenschappelijke markt zijn op ongeoorloofde wijze vastgesteld;
—
De Raad van Ministers heeft met de quotaregeling niet zijn instemming betuigd.
I — Het eerste middel
Men dient hier drie aspecten te onderscheiden.
1.
In het beroepschrift beklaagde verzoekster zich er allereerst over dat er in de algemene beschikking nr. 1831/81 ten onrechte niet een bepaling was opgenomen waarin de betrokken ondernemingen een minimum aan werkgelegenheid, een minimumbezettingsgraad van hun werkelijke capaciteit werd verzekerd — naar rato van de gemiddelde bezettingsgraad van alle ondernemingen, zoals die uit de referentieproduktiecijfers — na vermindering — resulteert. Daardoor zou artikel 58, lid 2, dat behoud van arbeidsplaatsen door voldoende werkgelegenheid voorschrijft, zijn miskend. Beschikking nr. 1831/81 zou zich om diezelfde reden ook niet verdragen met het uit een reeks verdragsartikelen sprekende grondbeginsel der sociale gerechtigheid, noch ook met het primaire doel van artikel 2, dat onderbreking van de werkgelegenheid wil voorkomen. Het'artikel zou daardoor voorts in strijd komen met het discriminatieverbod. In haar conclusie van repliek heeft verzoekster bovendien de noodzaak bepleit van een hierop aansluitende bepaling die haar hogere quota zou hebben bezorgd, waartoe zij ook heeft gewezen op een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk betrokkenen ook bij gedwongen tenuitvoerlegging een bepaald minimum moet worden gegarandeerd. In twee andere zaken (nrs. 311/81 ( 2 ) en 136/82 ( 3 ) heeft zij voorts gewezen op het hiervoor reeds genoemde, bij beschikking nr. 533/82 — voor betonstaal — ingevoerde artikel 14 ter, waarin de Commissie haars inziens een nog verreikender beginsel heeft erkend.
Het lijkt mij niet meer nodig op het met betrekking tot dit eerste aspect gevoerde betoog in te gaan. Nadat wij er kennis van hebben genomen — ook de conclusie van repliek in zaak 136/82 ( 3 ) is van juni 1982 —, deed het Hof, op 7 juli 1982, uitspraak in de zaak 119/81 ( 4 ), waarin op een analoge grief wordt ingegaan. Daar werd naar aanleiding van het betoog dat de Commissie in haar quotaregeling niet alleen van de feitelijke produktie, maar ook van de productiecapaciteit had moeten uitgaan, verwezen naar het arrest in zaak 14/81 ( 5 ). In dat arrest was overwogen dat volgens artikel 58 van het EGKS-Verdrag wel degelijk „de maatstaf van de daadwerkelijke produk-tie” mocht worden aangelegd, omdat dit criterium de mogelijkheid biedt de bij evaluatie van de produktiecapaciteit onvermijdelijk optredende ongewisheden uit de weg te gaan en voorts een beperking van de totale produktie mogelijk maakt zonder de posities, door de onderscheiden ondernemingen op de markt ingenomen, te wijzigen (r.o. 28). De Commissie zou in feite ook niet hebben gewerkt met artikel 58, lid 2, eerste alinea, tweede volzin, en de noodzaak de werkgelegenheid zoveel mogelijk te handhaven, niet over het hoofd hebben gezien, immers in artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 heeft zij met de bezettingsgraad der ondernemingen rekening gehouden (r.o. 14). Ook overwoog het Hof dat artikel 58 de Commissie geenszins verplichtte de onderscheiden ondernemingen een minimumproduktie te waarborgen en ook niet ten doel heeft de ondernemingen een aan hun capaciteit evenredige minimumbezetting te waarborgen (r.o. 13).
Verzoekster verklaarde vervolgens in een afzonderlijke memorie van augustus 1982, zich niet langer te willen bedienen van het middel dat de Commissie verplicht is alle ondernemingen een minimumbezetting te waarborgen. Zij beperkt zich thans tot de stelling dat haar een — niet nader becijferd minimumquotum moet worden verschaft, dat haar de mogelijkheid biedt te overleven; tijdens de mondelinge behandeling heeft zij zich daartoe op de rechtsfiguur van de noodtoestand beroepen. Zij is daarmede wel enigszins van haar oorspronkelijke gedachte afgestapt. Ik zal aan dit punt een afzonderlijke bespreking wijden.
Voor het ogenblik zij slechts vastgesteld dat, als het niet om de verzekering van een minimumbezetting in verzoeksters onderneming — naar rato van de gemiddelde bezetting van alle ondernemingen — gaat, ook niet behoeft te worden ingegaan op de vraag hoever zij met haar bezettingsgraad van het gemiddelde in de Gemeenschap verwijderd blijft. In dit verband speelt ook de in zaak 303/81 ( 6 ) optredende kwestie een rol, of de capaciteit van verzoeksters walsstraat II juist werd berekend en of de capaciteit van walsstraat in aanmerking dient te worden genomen. Voorts blijkt de gewijzigde motivering van het petitum ertoe te leiden dat ook aan de sub 2 a geformuleerde subsidiaire vordering de grondslag is komen te ontvallen; zij berustte immers kennelijk op verzoeksters aanvankelijke posita en vormde de neerslag van een berekening der minimumquota op grond van de destijds door haar bepleite waardering van de capaciteit.
2.
Ten betoge dat zij zich in een noodtoestand bevindt, heeft verzoekster gesteld dat de nieuwe quotaregeling, ondermeer doordat de aanpassingen van de referentieproduktiecijfers volgens beschikking nr. 2794/80 in aanzienlijk verminderde mate tot gelding kwamen, haar bedrijf zo geringe quota heeft opgeleverd dat het in zijn bestaan wordt bedreigd. Tijdens de — niet in het openbaar gehouden — mondelinge behandeling heeft zij getracht dit aan te tonen. Omdat die behandeling niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, zal ik geen cijfers noemen. Gereleveerd zij dat verzoekster zich heeft beroepen op het rapport van een accountantsbureau, waaruit haars inziens blijkt op welke geweldige extra verliezen inachtneming van de produktiequota haar, gezien de gemiddelde bezettingsgraad in de Gemeenschap, zou zijn komen te staan. Anderzijds heeft zij gewezen op de omvang van haar stamkapitaal en reserves, het ontbreken van stille reserves, de structuur van haar pensioenfonds en de reeds gerealiseerde stillegging van andere tot het concern behorende bedrijven. Als ik haar betoog goed begrijp, mist zij voor zulk een noodtoestand een clausule in de quotaregeling, die het mogelijk zou hebben gemaakt de produktiequota op te trekken tot een niveau dat moderne, kerngezonde ondernemingen niet ten ondergang gedoemd doet zijn.
De Commissie heeft hiertegenover in de eerste plaats betoogd dat men in zoverre, na de wijziging van verzoeksters motivering, met een nieuwe grief te doen heeft die tardief werd voorgedragen, zodat verzoekster er niet in kan worden ontvangen. Ten gronde heeft de Commissie zich in de eerste plaats beroepen op het in de zaak 119/81 ( 7 ) gewezen arrest, waarin geheel in het algemeen en categorisch wordt ontkend dat de Commissie verplicht zou zijn een minimumproduktie te waarborgen. En zou men hier rentabiliteitsaspecten als door verzoekster bedoeld tot gelding mogen doen komen, dan zou er van het systeem meer worden gevraagd dan waarop het is berekend. Want iedere verhoging der quota leidt ertoe dat de quota der andere ondernemingen lager moeten uitvallen, waardoor die andere ondernemingen mogelijkerwijs niet meer rendabel kunnen produceren en op hun beurt om verhoging van quota vragen. Voorts zijn er voor de sanering van individuele ondernemingen andere middelen dan de berekening der quota voorzien; de Commissie verwijst in dit verband met name naar de in beschikking nr. 2320/81 (PB L 228 van 13. 8. 1981, blz. 14) besloten liggende „code” betreffende de steunverlening, volgens welke de Lid-Staten gedurende een overgangsperiode aan ondernemingen steun voor herstructurering mogen verlenen. Tenslotte heeft de Commissie ook betwijfeld of het feitelijk bewijs van een bij verzoekster bestaande en bepaaldelijk door de quotaregeling veroorzaakte noodtoestand wel is geleverd; zij heeft in dit verband zowel gewezen op de omvang van de door verzoekster geleden verliezen, die zich reeds voor de aanvang van het quotasysteem aftekenden, als op de omstandigheid dat het overgelegde rapport zich in het geheel niet uitspreekt over de verhoudingen binnen het concern als geheel, i.e. over de mogelijkheid de hierbedoelde nadelen te compenseren met de goede resultaten in andere sectoren van het concern of buitengewone opbrengsten.
a)
De door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgronden acht ik niet steekhoudend; aan verzoeksters nieuwe lezing kan dus niet zonder meer worden voorbijgegaan omdat zij te laat zou zijn voorgedragen. De essentiële feiten waarvan uit het deskundigenrapport blijkt, werden in feite reeds in het verzoekschrift gereleveerd, terwijl ook moet worden erkend dat de andere conclusies welke er rechtens aan worden verbonden, niet zozeer van verzoeksters oorspronkelijk standpunt verschillen dat er van een geheel nieuwe, de verdediging bemoeilijkende en de procedure vertragende argumentatie mag worden gesproken. Ook is niet uitgesloten te achten dat er in verzoeksters nieuwe redenering een grief van zodanige ernst schuil gaat, dat er ambtshalve op moet worden gelet.
b)
Men kan zich zonder meer voorstellen dat de quotaregeling bepaalde ondernemingen voor ernstige moeilijkheden plaatst en een hun existentie bedreigende noodtoestand schept, die men, zonder met elementaire gerechtigheidsvoorstellingen in strijd te komen, niet man ignoreren, Daarom is ook in beschikking nr. 1831/81 de hiervoor reeds vermelde hardheidsclausule van artikel 14 opgenomen en kwam het vervolgens nog tot verschillende speciale clausules als het bij beschikking nr. 2804/81 geïntroduceerde, op Griekenland toegesneden artikel 14 bis en het bij beschikking nr. 533/82 geïntroduceerde, voor betonstaalproducenten geschreven artikel 14 ter, dat eveneens reeds ter sprake kwam. Van wezenlijk belang is evenwel dat beschikking nr. 1831/81, anders dan haar voorgangster nr. 2794/80, geen algemene hardheidsclausule kent, zodat bepaalde ondernemingen als die van verzoekster, die aan de in genoemde voorschriften omschreven beperkende criteria niet voldoen, niet voor een buitengewone aanpassing der produktiequota in aanmerking kunnen komen.
Voor zulk een inperking van de billijkheidsclause zijn mijns inziens geer redelijke gronden aan te voeren, en in zo verre mag er stellig worden gesproken van een ernstige tekortkoming van d : nieuwe quotaregeling en wellicht zelfs — maar dit mag een open vraag blijven — van miskenning van het discriminatieverbod, immers ondernemingen van een bepaalde omvang en met een bepaald produktieprogramma konden ingeval van noodtoestand op geen enkele „produk-tiebonus” rekenen.
c)
Wij behoeven thans wel niet gedetailleerd en uitputtend na te gaan, of een algemene hardheidsclausule, indien zij in beschikking nr. 1831/81 wel zou zijn voorzien, verzoekster werkelijk had kunnen baten, met andere woorden of er, wat haar betreft, sprake was van een — in wezen door de quotaregeling veroorzaakte — noodtoestand. Gezien de te onzer beschikking staande cijfers, is het in ieder geval niet uitgesloten te achten, en in dit verband dient men zich niet in de laatste plaats in herinnering te brengen hetgeen ik met betrekking tot de berekening van de werkelijke capaciteiten van verzoekster — en derhalve over haar bezettingsgraad vergeleken met die van andere ondernemingen — in zaak 303/81 ( 8 ) heb betoogd.
Ik acht het dan ook alleszins gerechtvaardigd de beschikking betreffende verzoeksters produktiequota nietig te verklaren omdat er in de nieuwe quotaregeling ten onrechte geen algemene hardheidsclausule voorkomt, op grond waarvan de aan verzoekster opgelegde produktiebeperking evenzeer had kunnen worden verzacht als zulksį naar wij thans weten, blijkbaar in het kader van beschikking nr. 2794/80 geraden was geweest.
d)
Ik heb ook niet de indruk dat de argumenten welke de Commissie in dit verband te harer verdediging heeft voorgedragen, helemaal steekhoudend zijn.
aa)
Zo beroept zij zich stellig ten onrechte op het in de zaak 119/81 ( 9 ) gewezen arrest. Men bedenke dat de uit dit arrest aangehaalde zinsnede, volgens welke artikel 58 de Commissie niet verplicht de onderscheiden ondernemingen een minimumproduktie te waarborgen, betrekking had op de in beschikking nr. 2794/80 voorziene quotaregeling, waarbij de algemene hardheidsclausule van artikel 14 altijd nog voor een minimum aan werkgelegenheid kon zorgen omdat het daarbij op vergelijking van een bepaalde bezettingsgraad met de gemiddelde bezettingsgraad in de Gemeenschap aankwam.
bb)
Ook de beduchtheid der Commissie dat er bij aanvaarding van verzoeksters gedachtengang op een ineenstorting van het hele systeem had moeten worden gerekend, heeft mij allerminst overtuigd. Het is immers niet zo dat in ieder geval de rentabiliteit der ondernemingen moet worden verzekerd; het gaat slechts om hulpverlening in gevallen waarin de ondernemingen door de quotaregeling in een noodtoestand kunnen komen te verkeren. Werd dit in het kader van de vroegere regeling aanvaard, dan is niet in te zien waarom een zelfde hardheidsclausule in het kader van beschikking nr. 1831/81 van het systeem meer verlangt dan het aankan.
cc)
Last but not least werd er mijns inziens ook ten onrechte naar de steuncode van beschikking nr. 2320/81 verwezen: daar gelaten de vraag naar de beschikbare middelen, wordt in die code niet het nemen van algemene steunmaatregelen door de Lid-Staten in een geval van een noodtoestand toegestaan; centraal staat veeleer de financiering van herstructureringsmaatregelen. Zulke maatregelen komen evenwel bij verzoekster wel nauwelijks in aanmerking, omdat zij, naar onweersproken werd gesteld, haar Bremer walserij, waarom het vooral gaat, reeds lang — in de zin van het staalbeleid van de Gemeenschap — heeft geherstructureerd.
3.
Het derde aspect dat in het eerste middel aan de orde wordt gesteld — en waarop, na de overwegingen waartoe de door verzoekster ingeroepen noodtoestand aanleiding gaf, eigenlijk niet meer behoeft te worden ingegaan — betreft de vaststelling dat de regeling van beschikking nr. 1831/81, met die van beschikking nr. 2794/80 vergeleken, voor verzoekster zo goed als voor een reeks andere ondernemingen, een duidelijke verslechtering betekende. En voor de verslechtering zouden geen goede redenen hebben bestaan.
In dit verband zij herinnerd aan hetgeen met betrekking tot de berekening van de referentieproduktiecijfers — waarnaar de produktiequota zich richten — werd opgemerkt. Volgens beschikking nr. 1831/81 speelt hier de vaststelling van een rekenkundig gemiddelde uit verschillende waarden — kort en goed: de feitelijke produktie gedurende bepaalde tijdvakken en de referentieproduktie volgens beschikking nr. 2794/80 — een rol, hetgeen er kennelijk toe leidde dat de aanpassingen van de referentieproduktie volgens beschikking nr. 2794/80 in het kader van beschikking nr. 1831/81 nog slechts in verminderde mate tot gelding kwamen. Daarbij behoeft thans niet gedetailleerd te worden onderzocht of de door verzoekster genoemde cijfers juist zijn. Volgens verzoekster is de bezettingsgraad van haar walsstraat II, die nu het tweede kwartaal van 1981, bij een gemiddelde bezetting van alle warmbreedbandstraten met 52 %, 39 % bedroeg, na beschikking nr. 1831/81 in het derde kwartaal van 1981, toen de bezettingsgraad gemiddeld 48 % bedroeg, tot 29,6 % gedaald. In confesso is namelijk dat verzoeksters positie en de positie van andere ondernemingen die zich in een zelfde situatie bevonden, sedert beschikking nr. 1831/81 werkelijk is verslechterd. De Commissie heeft hierover opgemerkt dat beschikking nr. 1831/81 de produktieresultaten die de ondernemingen op grond van de marktontwikkeling hadden behaald, zo getrouw mogelijk heeft willen weergeven, waarbij bijzonder sterke fasen van de productiedaling buiten beschouwing zouden blijven. Met name afwijkingen van het gemiddeld produktieniveau die door individuele aanpassingen van de referentieproduktiecijfers tot stand waren gekomen en in bijzonder sterke mate aan Duitse ondernemingen ten goede waren gekomen (zij beliepen bij categorie I tot 32 % terwijl bij ondernemingen in andere Lid-Staten aanpassingen achterwege bleven of slechts 3,5 tot 15 % bereikten), dienden te worden gecorrigeerd. Zo konden ondernemingen waarvan de referentieproduktiecijfers overeenkomstig beschikking nr. 2794/80 niet waren verhoogd, in het kader van de nieuwe regeling aan hogere referentieproduktiecijfers komen, terwijl andere ondernemingen waarvan de cijfers aanzienlijk waren verhoogd, op lagere referentieproduktiecijfers moesten rekenen; door gedeeltelijk te tornen aan te royaal uitgevallen faciliteiten, zou men corrigerend hebben willen optreden in gevallen waarin de juiste proporties kennelijk niet in acht waren genomen.
Wij hebben hier kennelijk te maken met een wezenlijk novum in het quotastelsel en niet met een detail van ondergeschikte betekenis. Er dienen goede gronden voor te worden aangevoerd, niet in die zin dat verzoeksters individuele situatie dient te worden belicht — zo schijnt de Commissie het haar te dezen gemaakte verwijt te verstaan —, maar in die zin dat de algemene gevolgen, aan de nieuwe regeling voor een aantal ondernemingen verbonden, behoren te worden gerechtvaardigd. Een behoorlijke redengeving is evenwel niet te vinden. De enige passage uit de considerans die als zodanig in aanmerking komt, is te vinden onder 4, derde alinea, waar wij lezen :
„Voor deze vier categorieën produkten lijken referentieperiodes noodzakelijk die aansluiten op de quota overeenkomstig beschikking nr. 2794/80 EGKS voor de produktie van warmgewalst breedband en de aanpassing van deze quota waarbij rekening wordt gehouden met de erva- ring die is opgedaan met het beheer van het bij die beschikking ingevoerde stelsel.”
Ook al mogen er aan de redengeving van een algemene beschikking stellig niet te hoge eisen worden gesteld, aan de enkele verwijzing naar „opgedane ervaringen” kan wel nauwelijks een toereikende motivering worden afgelezen. Bij gebreke van een behoorlijke motivering van de nieuwe wijze van berekening der referentieproduktiecijfers, is dit gedeelte van beschikking nr. 1831/81 dan ook als onrechtmatig te beschouwen, waarmede ook aan de tot verzoekster gerichte individuele mededeling der quota — waarvoor de referentieproduktiecijfers immers van wezenlijke betekenis zijn — de rechtsgrondslag komt te ontvallen.
Ik zou er alle begrip voor hebben, indien men nog een stap verder zou willen gaan, i.e. zou willen vaststellen dat genoemd novum als zakelijk niet gerechtvaardigd is te beschouwen. De verhoging van de referentieproduktiecijfers volgens artikel 4, sub 4, van beschikking nr. 2794/80, waarom het in dit geding alleen gaat, werd destijds om goede bedrijfseconomische redenen (het betrekken van zoveel mogelijk ondernemingen bij de vaststelling van de gemiddelde bezettingsgraad in de Gemeenschappen) een juist middel geacht om de in artikel 58 besloten liggende gedachte (handhaving van de werkgelegenheid) zoveel mogelijk tot gelding te doen komen. Hierop wordt ook gewezen in de overweging van het in de zaak 119/81 ( 10 ) gewezen arrest, volgens welke de Commissie bij de vaststelling van de quotaregeling rekening heeft gehouden met het vereiste, zoveel mogelijk arbeidsplaatsen te behouden, omdat zij in artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 de bezettingsgraad in aanmerking heeft genomen (r.o. 14). Beschikking nr. 1831/81 leidt ertoe dat men deze eis nog slechts in verminderde mate, namelijk bij de vaststelling van een rekenkundig gemiddelde, recht doet wedervaren. Voorts zijn de in artikel 14 voorziene aanpassingsmogelijkheden in belangrijke mate ingeperkt, omdat zij nog slechts tot aan een bepaalde omvang van de referentieproduktie in aanmerking kwamen. Daargelaten de nog te bespreken kwestie van de vervalsing der produktievoorwaarden door overheidssubsidies, die eveneens niet in aanmerking werden genomen, mag men zich afvragen of het stelsel van beschikking nr. 1831/81 nog op een „base équitable” berust; bevestigende beantwoording lijkt mij wel nauwelijks mogelijk.
Voor nietigverklaring van de tot verzoekster gerichte mededeling der quota pleit dus niet alleen de omstandigheid dat er voor de nieuwe wijze van berekening van de referentieproduktiecijfers geen reden werd opgegeven, maar ook het feit dat in beschikking nr. 1831/81 het volgens artikel 58 zo belangrijke streven, de werkgelegenheid door een voldoende bezettingsgraad zoveel mogelijk te handhaven, al te zeer werd verwaarloosd.
II — Het tweede middel
Bij de grief dat de gevolgen van het verbod van steunverlening buiten beschouwing zouden zijn gelaten — en bij de overige grieven — zou ik, gezien de uitkomsten van ons voorafgaand onderzoek, nog slechts subsidiair, en dus betrekkelijk summier, willen stilstaan.
Een gedetailleerde bespreking van het ten deze gevoerde betoog kan achterwege blijven; het komt in hoofdzaak overeen met de in zaak 119/81 ( 11 ) aangevoerde argumenten. Daarnaast heeft verzoekster verwezen naar de in de USA voor staalimporten uit de Gemeenschap — naar rato van de ontvangen steun — ingevoerde heffingen, die haars inziens een idee geven van de mate waarin binnen de Gemeenschap de mededinging door overheidssubsidies werd ontwricht.
Al hetgeen naar aanleiding hiervan zou kunnen worden gezegd, is mijns inziens in de zaak 119/81 ( 11 ) reeds uitgesproken.
Aan het in die zaak gewezen arrest kan enerzijds worden ontleend dat een aantal door de Commissie te harer verdediging voorgedragen argumenten geen steek houden. Dit geldt voor haar verwijzing naar meer recente beschikkingen betreffende de steunverlening, zoals beschikking nr. 257/80 (PB L 29 van 6. 2. 1980, blz. 5) en de ervoor in de plaats getreden beschikking nr. 2320/81. Die verwijzing — i.e. de verwijzing naar volgens die beschikking ingeleide procedures — is niet relevant, omdat verzoekster zich beklaagt over subsidies die in verder terugliggende jaren de produktieverhoudingen hebben vervalst en door genoemde beschikkingen niet werden bestreken. Het geldt anderzijds ook voor het standpunt der Commissie, volgens hetwelk er in zulke casusposities alleen met artikel 88 van het EGKS-Verdrag kan worden gewerkt, terwijl artikel 58 buiten beschouwing zou moeten blijven: volgens genoemd arrest kan de Commissie in het quotastelsel rekening houden met situaties die met artikel 4, sub c van het EGKS-Verdrag onverenigbaar zijn.
Anderzijds zij er verzoekster op gewezen dat de Commissie volgens ditzelfde arrest niet gehouden was om, bij het treffen van de in artikel 58 bedoelde maatregelen, rekening te houden met distorsies op de ijzer- en staalmarkt, voortvloeiende uit een mogelijkerwijze met het Verdrag onverenigbare steunverlening, en dat het te ver gaat te stellen dat de anti-crisismaatregelen van artikel 58 ter correctie van de gevolgen van verboden steunverlening door de Lid-Staten zouden moeten worden aangewend (r.o. 19). Toepassing van artikel 58 vereist een onverwijld optreden, dat noodzakelijkerwijs op betrekkelijk eenvoudige criteria moet berusten, zodat er geen rekening kan worden gehouden met omstandigheden als de toekenning van overheidssteun, die slechts na bijzonder ingewikkelde onderzoekingen kunnen worden beoordeeld. Het kan er ook bezwaarlijk voor worden gehouden dat zich te dezen, toen beschikking nr. 1831/81 afkwam, een wezenlijk andere situatie heeft voorgedaan dan toen beschikking nr. 2794/80 werd vastgesteld. Weliswaar had men in de door laatstgenoemde beschikking bestreken periode voldoende tijd gehad om de kwestie der steunverlening onder de ogen te zien. Echter moet worden erkend dat ook de quotaregeling van beschikking nr. 1831/81 er in betrekkelijk korte tijd moest komen, omdat pas laat kon worden onderkend dat voortzetting van de regeling op basis van vrijwilligheid niet zonder meer kon worden bereikt, terwijl het ontegenzeggelijk ook tijdrovende en ingewikkelde onderzoekingen en berekeningen zou hebben gevergd, indien men de subsidiëring in het kader van een gewijzigd regiem werkelijk recht had willen doen wedervaren.
In verband met de principiële mogelijkheid om in een regeling volgens artikel 58 de steunverlening in aanmerking te nemen, werd in genoemd arrest voorts overwogen dat het bestaan ervan volgens de daartoe voorziene procedures genoegzaam had moeten worden aangetoond — waarbij kennelijk valt te denken aan de mogelijkheid tot verweer die aan de betrokken Lid-Staten moet worden geboden —; toen beschikking nr. 1831/81 werd vastgesteld, was dat bewijs evenwel niet geleverd en ik kan mij ook niet voorstellen dat het verwijt zulk een procedure niet tijdig, vóórdat de beschikking afkwam te hebben gevoerd, de gevolgtrekking wettigt dat er in de quotaregeling dan maar zonder zulk een procedure met de subsidiëring rekening diende te worden gehouden.
De grief dat er met de gevolgen van verboden subsidies geen rekening zou zijn gehouden, waarmede verzoekster in het kader van de quotaregeling tenminste zinspeelt op een bonus ten behoeve van niet-gesubsidieerde ondernemingen — werd in casu dus vruchteloos voorgedragen, ook al dient nogmaals te worden erkend dat mede door zulk een onvolkomenheid in sterke mate de indruk kan worden gevestigd dat het systeem van beschikking nr. 1831/81 niet op een „base équitable” berust.
III — Het derde middel
Onder dit hoofd zou ik de — volgens verzoekster ten nauwste met elkander samenhangende — grieven willen_ bespreken volgens welke de produktie, voor zover voor export bestemd, op ontoelaatbare wijze zou zijn beperkt en de Commissie ten onrechte leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt zou hebben vastgesteld. Mochten deze beide grieven terecht zijn voorgedragen, dan zou daarmee het bewijs om de noodzaak van een andere opzet der algemene beschikking — en van een andere quotering — zijn geleverd.
1. Beperking van de export
Voor verzoekster gaat het er in de eerste plaats om dat de in beschikking nr. 1831/81 voorziene algemene beperking der produktie indirect ook de exporten beperkte, omdat, afgezien van de voorraden, slechts kan worden geëxporteerd hetgeen uit de lopende produktie niet in de Gemeenschap wordt afgezet, anders gezegd: de rest der volgens de quotaregeling geoorloofde produktie. Verzoekster acht dit, gezien de principiële opzet van het EGKS-Verdrag, waarin de regeling van de handel met derde landen als een zaak van de Lid-Staten wordt aangemerkt (artikel 73), onaanvaardbaar. Zij verwijst daartoe naar artikel 3f van het EGKS-Verdrag, volgens hetwelk de instellingen van de Gemeenschap de ontwikkeling van het internationaal ruilverkeer hebben te bevorderen, en naar de regeling van artikel 61 van dat Verdrag, volgens welke er onder meer — onder strenge reserves — maximum- en minimumprijzen voor de uitvoer kunnen worden vastgesteld, waartegenover in artikel 58 met geen woord van maximaal uit te voeren hoeveelheden wordt gesproken. Redelijkerwijze kan de Commissie quota slechts introduceren, wanneer zij over de mogelijkheid beschikt ook het verdere aanbod op de betrokken markt be beïnvloeden, hetgeen zij in derde landen niet kan. De zinloosheid van het streven der Commissie om op wereldschaal door communautaire quota een bijdrage tot herstel van het marktevenwicht in derde landen te leveren, zonder dat de Gemeenschap daarvoor iets terugontvangt, blijkt ten duidelijkste uit de reactie van de USA, die ook het afsluiten van een bijzondere overeenkomst volgens artikel 95 van het EGKS-Verdrag noodzakelijk gemaakt heeft. In plaats daarvan ware het volgens verzoekster — die bovendien meent dat het brengen van de exporten onder de quotaregeling ten onrechte niet met redenen werd omkleed — juist geweest, indien men het quotastelsel zo had ingericht dat er voor de geplande afzet binnen de gemeenschappelijke markt, i.e. voor de te verwachten binnenlandse behoeften, contingenten zouden worden vastgesteld, met aftrek van de werkelijke produktie van de hoeveelheden waarvan de uitvoer wordt bewezen. Hoogstens zou er haars inziens, gezien het gevaar van wederinvoer, aan kunnen worden gedacht deze mogelijkheid voor bepaalde landen, zoals Zwitserland en Oostenrijk, maar misschien ook voor alle Westeuropese landen; te doen vervallen, hetgeen, gezien de prijssituatie en de transportkosten, bij uitvoer naar andere werelddelen niet nodig ware.
a)
Naar aanleiding van dit betoog zij allereerst vastgesteld dat het niet bijvoorbeeld bij gebreke van een door verzoekster ingediende klacht als niet-ontvankelijk kan worden aangemerkt: verzoekster heeft niet alleen gesteld dat zij in de geldende regeling aanleiding had gevonden een ander produktiebeleid te voeren en zich voor de verkoop in derde landen geen extra-inspanningen te getroosten; zij heeft er ook op gewezen dat zij voor het derde kwartaal van 1981 om verhoging der quota — wegens toegenomen exporten — heeft gevraagd, op welk verzoek in september afwijzend werd beschikt, omdat een hardheidsclausule als in artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 besloten lag — en die zulk een mogelijkheid zou hebben geboden — ontbrak.
b)
Overigens kan verzoeksters redenering hoogstens nieuw licht werpen op een bijkomstig aspect van de reeds gewraakte opzet van de hardheidsclausule van artikel 14 van beschikking nr. 1831/81 — waarin ondernemingen die een bepaalde omvang hebben bereikt, geen mogelijkheid tot uitbreiding van hun exporten meer wordt geboden. De onrechtmatigheid van het quotasysteem in zijn geheel is daarmede echter niet aangetoond.
aa)
Gezegd moet worden dat de door verzoekster voorgestane vervangende oplossing zo mogelijk nog ingrijpender zou zijn dan het geldende stelsel, omdat zij, als ik het goed heb begrepen, zonder meer de uitsluiting van exporten naar bepaalde landen zou impliceren; verzoekster kan er dus niet mee komen aandragen om het haars inziens exorbitante karakter van de gewraakte indirecte beperking der exporten te bewijzen.
bb)
De overige argumenten welke verzoekster te dezen heeft aangevoerd, behoeven geen gedetailleerde bespreking meer, nu het Hof van Justitie zich over deze kwestie reeds heeft uitgesproken in het arrest, gewezen in de zaak 119/81 ( 12 ) waarin verzoekster in hoofdzaak hetzelfde had betoogd.
Het Hof overwoog dat men, voor zover de vaststelling van produktiequota de exportmogelijkheden beperkte, te maken had met een gevolg dat aan het bij artikel 58 ingestelde mechanisme inherent is (r.o. 24). De vraag of in het kader van de krachtens artikel 58 te treffen maatregelen de buitenlandse handel in aanmerking moet worden genomen, dient volgens het Hof te worden beoordeeld door de Commissie, die in dat verband zowel rekening moet houden met de eigen behoeften van de ijzer- en staalmarkt van de Gemeenschap als met de belangen van Gemeenschap in haar betrekkingen met derde landen (r.o. 25). Voorts kan volgens het Hof aan artikel 58 niet een verplichting van de Commissie worden afgelezen om de produkties die bepaalde ondernemingen bij voorkeur voor de uitvoermarkten wensen te bestemmen, niet onder het quotastelsel te brengen (r.o. 25).
Dit impliceert dat de door verzoekster ook reeds in de zaak 119/81 ( 12 ) ter sprake gebrachte artikelen 73, 3f — verzoekster vergat in dit verband artikel 3a — en 61, EGKS-Verdrag, even irrelevant zijn als het feit dat er, in de betrekkingen tot derde landen, naast de — globale — quotaregeling bijzondere overeenkomsten nodig kunnen blijken.
cc)
Ook nog een enkel woord in verband met de motiveringsklacht, die mij evenwel, het zij al aanstonds gezegd, in dit verband nauwelijks gegrond voorkomt. Daarbij kan onbesproken blijven of niet reeds aan de vijfde overweging van de considerans van beschikking nr. 1831/81 juncto de zesde overweging van de considerans van beschikking nr. 2794/80 — waarin tussen leveringen binnen en buiten de gemeenschappelijke markt wordt onderscheiden — genoegzaam kan worden afgelezen dat de exporten onder de quotaregeling moesten worden gebracht. In ieder geval kan ik in zoverre meegaan met hetgeen mijn collega VerLoren van Themaat, in antwoord op een soortgelijk argument dat in de zaak 119/81 ( 12 ) werd voorgedragen, reeds heeft opgemerkt: Het is voldoende wanneer in de considerans het bestaan van een wereldcrisis wordt gereleveerd en wordt overwogen dat de aard van een produktiequotasysteem meebrengt, dat er voor de uitvoermogelijkheden gevolgen aan, zijn verbonden. Met andere woorden: met een redengeving van de quotaregeling is eo ipso genoegzaam gemotiveerd dat er voor de uitvoer gevolgen aan verbonden kunnen zijn.
2. Leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt
In het kader van het derde middel beklaagt verzoekster zich er in de tweede plaats over dat de Commissie met haar regeling betreffende het gedeelte van de beperkte produktie dat op de gemeenschappelijke markt mag worden afgezet, haar bevoegdheden zou hebben overschreden, omdat in artikel 58 van het EGKS-Verdrag slechts van de vaststelling van produktiequota, doch niet van leveringsquota. gesproken wordt. Het geeft haars inziens geen pas, bij de toepassing van artikel 58, onder verwijzing naar zijn doelstelling, gebruik te maken van andere dan de aldaar voorziene middelen. In werkelijkheid zou het in dat artikel niet gaan om het scheppen van evenwicht tussen vraag en aanbod. Alleen het aanbod valt — gedeeltelijk — onder het EGKS-Verdrag, zodat hoogstens kan worden gezegd dat de Commissie met behulp van artikel 58 een bijdrage heeft te leveren om bedoeld evenwicht tot stand te brengen. Ter rechtvaardiging van dit beleid kan men ook niet komen aandragen met het in de rechtspraak uiterst behoedzaam gehanteerde begrip „implied powers”, met name niet omdat het probleem van de leveringen bij de uitwerking van het Verdrag wel degelijk werd onderkend — namelijk in paragraaf 29 van de overgangsovereenkomst, die evenwel slechts gedurende een beperkte periode heeft gegolden — en men nochtans, blijkbaar willens en wetens, in artikel 58 van een desbetreffende regeling heeft afgezien. Er had dus alleen een quotaregeling voor de proditktie kunnen worden getroffen en, mocht dit onvoldoende worden geacht, dan had men flankerende maatregelen van de Lid-Staten dan wel toepassing van artikel 95 van het EGKS-Verdrag in overweging kunnen nemen.
a)
Naar aanleiding van dit betoog zij allereerst opgemerkt dat het in casu, anders dan in eerdere procedures het geval was, geen twijfel schijnt te lijden dat dit thema mag worden behandeld. Een desbetreffende grief moest in de zaak 119/81 ( 13 ), waarin het om beschikking nr. 2794/80 ging, buiten bespreking worden gelaten omdat bij de vaststelling der produktiequota, die destijds de uitsluitende inhoud vormden van de individuele mededelingen aan de ondernemingen, leveringsquota — en dus de regeling van de artikelen 7 en 9 van genoemde algemene beschikking — geen rol hadden gespeeld. In casu is het anders, omdat beschikking nr. 1831/81 anders is opgezet: een beperking van de leveringen is niet slechts in de algemene beschikking voorzien; men deed de ondernemingen ook bindende individuele mededelingen toekomen. In zoverre lijdt het geen twijfel dat zij de ondernemingen evenzeer rechtstreeks betreffen als de mededelingen betreffende de produktiequota, dat zij eveneens rechtstreeks kunnen worden aangevochten en dat men geen boetebeschikking behoeft af te v/achten, alvorens de zaak in rechte aanhangig te maken.
b)
Nochtans heb ik de indruk — en hoop ik u summierlijk aan te tonen — dat de grief betreffende de leveringsquota evenmin als het verwijt van ongeoorloofde beperking der exporten de stelling vermag te rechtvaardigen dat de quotaregeling rechtens niet door de beugel kan.
aa)
Ontzenuwd werd reeds het wezenlijke, voor verzoeksters standpunt belangrijke argument, volgens hetwelk het feit dat de voor export bestemde produktio ten onrechte ook onder de quotaregeling werd gebracht, nog niet wil zeggen dat de hoeveelheden die op de gemeenschappelijke markt mochten worden geleverd, moeten worden afgegrensd. Wanneer het niet onjuist blijkt, algemene produktiebeperkingen met inbegrip van de exporten te voorzien, dan dient er kennelijk ook tot een verdeling naar afzetbestemming te worden overgegaan, omdat anders het wezenlijke doel der regeling, namelijk op de gemeenschappelijke markt te komen tot een aanpassing van het aanbod aan de gedaalde vraag, stellig niet zou kunnen worden gerealiseerd.
bb)
Terecht heeft de Commissie voorts betoogd dat er, nu die afgrenzing slechts, de produktiequota betreft, eigenlijk niet van „leveringsquota” kan worden gesproken, immers aan leveringen uit de voorraden, dat wil zeggen, uit vroegere produktie, worden geen beperkingen gesteld, zodat niet kan worden gezegd dat de Commissie zich met de omvang der voorraden heeft bemoeid.
Ook had de Commissie het gelijk aan haar zijde toen zij op het belangwekkende, door verzoekster aan paragraaf 29 van de overgangsovereenkomst ontleende betoog antwoordde, dat het in genoemd voorschrift niet om een algemene regeling van de leveringsquota ging, maar om een beperking van de nettotoename van leveringen uit het ene gebied van de gemeenschappelijke markt naar het andere. De regeling die in de artikelen 5 en 8 van beschikking nr. 1831/81 besloten ligt, is in zoverre kennelijk een andere: zij betreft leveringen op de gemeenschappelijke markt tout court en om het dirigeren van de desbetreffende goederenstromen is het niet begonnen.
cc)
Tenslotte hebben wij hier mijns inziens ook niet met een probleem van „implied powers” te doen, doch alleen met de vraag hoe artikel 58 van het EGKS-Verdrag een redelijke, zich met het evenredigheidsbeginsel verdragende toepassing kan vinden.
Het artikel wil een door teruglopende vraag ontstane crisis door aanpassing van het aanbod aan de vraag daadwerkelijk bestrijden. Wanneer het daarbij tot globale, ook de exporten omvattende produktiebeperkingen komt — en, naar bleek: mocht komen —, kan men zich gemakkelijk indenken dat de verwezenlijking van het nagestreefde doel in gevaar kan geraken wanneer afzetmoeilijkheden in derde landen de voor die landen bedoelde hoeveelheden op de gemeenschappelijke markt doen belanden. Dit kan slechts op twee manieren worden verholpen: ofwel de produktie wordt, naar rato van de teruggelopen vraag uit het buitenland, van overheidswege besnoeid, dan wel er wordt een voorziening getroffen welke er indirect toe leidt dat de ondernemingen bij teruglopen van de vraag in derde landen, eigener beweging hun produktie aanpassen en daarmede het maximale aanbod uit het binnenland op eenzelfde niveau handhaven. Dit laatste is nu juist de bedoeling van de gewraakte regeling: zij maakt in bepaalde situaties verdere produktiebeperkingen van overheidswege, die zonder meer mogelijk zouden zijn, overbodig.
Ongetwijfeld is de regeling dus, bij gelijktijdige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, binnen de in artikel 58 gestelde grenzen gebleven, i.e. men heeft zich met die regeling niet begeven op gebieden waarvoor het Verdrag niet geschreven is, in welk geval de procedure van artikel 95 had moeten worden gevolgd.
IV — Het vierde middel
Tenslotte heeft verzoekster nog betoogd dat de Raad van Ministers, niet in voege als voorgeschreven, zijn instemming met de quotaregeling van beschikking nr. 1831/81 heeft betuigd, zodat aan de door haar bestreden mededeling de rechtsgrondslag zou ontbreken.
Deze grief speelde reeds een rol in zaak 119/81 ( 14 ) waarin het om beschikking nr. 2794/80 ging. Verzoekster verdedigde destijds de ook in dit geding aanvankelijk vooral bepleite opvatting dat de Raad niet slechts met de invoering van een quotaregeling moest instemmen i. e. de vraag of zulk een regeling er moest komen, bevestigend had te beantwoorden, maar ook zijn goedkeuring aan een uitgewerkte ontwerpbeschikking had moeten hechten, hetgeen kennelijk ook niet is geschied. Verzoekster heeft zich daartoe in hoofdzaak beroepen op een uitlegging van artikel 58, op vergelijkbare procedures van het nationale administratieve en constitutionele recht en op de behoefte aan een sociologisch op te vatten legitimatie van de quotabeschikking.
Het komt mij voor dat zij in de loop van het onderhavige geding dit extreme standpunt heeft laten varen. In ieder geval werd het in het arrest 119/81 ( 15 ) niet aanvaard, nadat reeds mijn collega VerLoren van Themaat met klem van redenen de juistheid ervan in twijfel had getrokken en op grond van een analyse van artikel 58 had betoogd dat er, zoal niet met een bevestigende beantwoording van de vraag „of” de quotaregeling er moest komen, dan toch met een aanvaarding van de regeling in hoofdtrekken kon worden volstaan, hoedanige aanvaarding in bedoeld geval zonder meer aanwezig mocht worden geacht.
Verzoekster ontkent niet dat de Raad van Ministers instemming had betuigd; dit kon ook niet anders, gezien de ons overgelegde mededelingen van het algemeen secretariaat van de Raad aan de pers over de door de Raad op 4 en 24 juni 1981 gehouden zittingen en de in Publikatieblad C 196 van 4 augustus 1981, blz. 6, afgedrukte bekendmaking van de voorzitter van de Raad, volgens welke de Raad de door de Commissie verzochte instemming op 4 juni 1981 had betuigd. Toch verlangt zij onverkort de overlegging van alle aan de Raad verstrekte gegevens, processen-verbaal en bandopnamen betreffende de betrokken zitting van de Raad; zij meent dat alleen op die manier met zekerheid kan worden vastgesteld dat 's Raads instemming werkelijk de ten deze nodige, alle wezenlijke elementen omvattende inhoud heeft gehad en dat het voorstel van de Commissie niet naderhand op belangrijke punten, eventueel in afwijking van door de Raad gestelde eisen en voorwaarden, is gewijzigd.
Ik zie ook geen klemmende redenen op dit punt met verzoekster mee te gaan. Wij weten dat de Commissie in haar tot de Raad gericht verzoek van 22 mei 1981, dat ons — evenals haar verzoek inzake beschikking nr. 2794/80 — werd overgelegd, niet slechts algemene bedoelingen heeft geformuleerd, maar alle wezenlijke punten van de regeling heeft gepresenteerd. Terecht heeft de Commissie ook betoogd dat verzoekster niet heeft kunnen aantonen dat de beschikking op bepaalde punten van het voorstel van de Commissie afweek en dat zij geen serieuze redenen heeft genoemd, waarom het op belangrijke punten aan overeenstemming tussen Commissie en Raad zou hebben ontbroken. Als het Hof van Justitie dus in de zaak 119/81 1 waarin het, wat beschikking nr. 2794/80 betreft, om eenzelfde casuspositie ging, heeft overwogen dat de Commissie zich onbetwist krachtens artikel 58 van het EGKS-Verdrag tot de Raad heeft gewend en dat de Raad metterdaad het hem door de Commissie ter kennis gebrachte ontwerp van maatregelen heeft goedgekeurd (r.o. 7) en, naar aanleiding van verzoeksters desbetreffende grief — met bewijsaanbod — heeft overwogen dat verzoekster geen enkele aanwijzing heeft verschaft op grond waarvan zou kunnen worden betwijfeld dat de Raad de nodige gegevens heeft ontvangen en zijn instemming heeft gegeven (r.o. 8), dan vermag ik niet in te zien hoe het Hof thans anders zou kunnen oordelen, temeer waar ook in casu een belangrijke aanwijzing voor een correcte totstandkoming van beschikking nr. 1831/81 gelegen mag worden geacht in het feit dat geen enkele Lid-Staat kritiek heeft geuit of van overschrijding van bevoegdheden door de Commissie heeft gesproken.
Dit geldt trouwens niet slechts voor beschikking 1831/81, maar ook voor wijzigingsbeschikking nr. 1832/81. In beide gevallen is, naar ons werd verzekerd, dezelfde procedure gevolgd, terwijl verzoekster in zoverre ook geen bijzondere argumenten heeft voorgedragen.
Β — De subsidiaire vorderingen
Volledigheidshalve nog een enkel woord over verzoeksters subsidiaire vorderingen.
I —
Wat betreft subsidiaire vordering 2a: ik wees er reeds op dat verzoekster, na wijziging van het eerste middel, haar vordering in zoverre heeft laten varen: haar betoog betreft niet meer de gemiddelde bezettingsgraad in de Gemeenschap, waaraan haar eigen bezetting had moeten worden aangepast.
Er zijn dan ook geen redenen aanwezig op de hiermede samenhangende problemen verder in te gaan. Evenmin zijn termen aanwezig om aan het feit dat verzoekster haar vordering in zoverre liet varen, consequenties voor de uitspraak inzake de kosten te verbinden. Mijns inziens is de primaire vordering namelijk gegrond, zodat verzoekster in de hoofdzaak in het gelijk moet worden gesteld en alle op het geding gevallen kosten ten laste van de Commissie moeten worden gebracht.
II —
De sub 2b geformuleerde subsidiaire vordering strekte tot nietigverklaring van het produktiequotum voor categorie Ia, voor zover koudgewalst plaat met een dikte van 3 mm en meer er onder viel. In het verzoekschrift werd gesteld dat artikel 1 van beschikking nr. 1831/81 — volgens hetwelk tot categorie Ia onder meer behoort „koudgewalst plaat met een dikte van 3 mm en meer (platen en rollen)” — zolang de Raad niet eenstemmig tot aanvulling van bijlage I van het EGKS-Verdrag heeft besloten, zich niet verdraagt met de artikelen 81 en 84 van het Verdrag juncto genoemde bijlage. I, volgens welke onder het EGKS-Verdrag alleen vallen „koudgewalste platen van minder dan 3 mm dikte.”
De Commissie heeft hiertegen ingebracht dat de gebruikte definitie in artikel 1, sub 9, van beschikking nr. 2804/81 van 23 september 1981 in dier voege is gecorrigeerd, dat onder meer in artikel 1, tweede alinea, vijfde streepje, van beschikking nr. 1831/81 de zinsnede „koudgewalst plaat met een dikte van 3 mm en meer” wordt voorafgegaan door de woorden „warmgewalst breedband voor de vervaardiging van ...” Verzoekster heeft daarop verklaard dit punt als afgedaan te beschouwen, zodat op dit punt alleen inzake de kosten uitspraak behoeft te worden gedaan.
Mijn zienswijze brengt mede dat deze subsidiaire vordering irrelevant is, zodat in zoverre ook een uitspraak inzake de kosten achterwege kan blijven. Mocht de primaire vordering evenwel worden afgewezen, dan zal het er, wat subsidiaire vordering 2b betreft, voor moeten worden gehouden dat de Commissie aanleiding tot het instellen van beroep heeft gegeven, zodat zij ten minste in een deel van de aan de zijde van verzoekster gevallen kosten zou moeten worden verwezen.
III —
Met betrekking tot de onder 2c en 2d geformuleerde vorderingen zij tenslotte opgemerkt, dat de eraan ten grondslag gelegde redenering, zoals bij de behandeling van de primaire vordering reeds bleek, bezwaarlijk als steekhoudend kan worden beschouwd. De vorderingen dienen derhalve in ieder geval ongegrond te worden verklaard, zodat de door de Commissie voorgedragen ontvankelijkheidsexcepties onbesproken kunnen blijven.
C — Ik vat mijn conclusie als volgt samen:
Mijns inziens zijn de tegen algemene beschikking nr. 1831/81 ingebrachte grieven ten dele gegrond. Het ontbreekt de aan verzoekster meedegedeelde beschikking inzake de quota dus aan een rechtsgrondslag, zodat zij moet worden nietigverklaard. Een en ander brengt mede dat de Commissie in de kosten van het geding moet worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Zaak 311/81, Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen.
( 3 ) Zaak 136/82, Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen.
( 4 ) Arrest van 7 ¡uli 1982 in zaak 119/81, Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 5 ) Arrest van 3 maart 1982 in zaak 14/81, Alpha Steel Ltd. t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 749.
( 6 ) Zaak 303/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen.
( 7 ) Arrest van 7 juli 1982 ¡n zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 8 ) Zaak 303/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen.
( 9 ) Arrest van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, bh. 2627.
( 10 ) Arrest van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 11 ) Arresi van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klockner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 12 ) Arrest van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 13 ) Arrest van 7 juli 1982 ¡n zaak 119/81, Kläckner-Werke AG ι. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 14 ) Arrest van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 15 ) Arrest van 7 juli 1982 in zaak 119/81, Klöckner-Werke AG t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1982, blz. 2627.
Full & Egal Universal Law Academy