CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 15 SEPTEMBER 1982 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In de onderhavige zaak heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tegen Ierland wegens schending van artikel 30 EEG-Verdrag door bepaalde initiatieven, voornamelijk het voeren van reclame, ter bevordering van de verkoop van Ierse produkten. In wezen moet dus worden vastgesteld of deze initiatieven onder het begrip „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen” vallen.
De feiten zijn de volgende. De Commissie heeft bij brief van 28 mei 1979 de procedure van artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag, ingeleid en de Ierse regering verzocht opmerkingen te maken over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een aantal maatregelen die zij had genomen in het kader van het in januari 1978 aangekondigde driejarenprogramma ter bevordering van de afzet van Ierse produkten. In deze brief (met name bladzijden 3 en 4) werd gepreciseerd, dat de Commissie de volgende maatregelen in strijd achtte met voornoemd artikel 30:
a)
de invoering van een fabrieksmerk „Guaranteed Irish” en de mogelijkheid voor de verbruiker zich met eventuele klachten over van dit merk voorziene produkten te wenden tot de „Irish Goods Council” — een door de Ierse regering gefinancierde en gecontroleerde vereniging;
b)
de oprichting van de „Shoplink Service”, bestemd om de verbruikers te informeren over produkten van Iers fabrikaat, en wel via vijf centra, gevestigd te Dublin, Cork, Limerick, Waterford en Galway;
c)
het voeren van verschillende vormen van reclame voor Ierse produkten door middel van de „Irish Goods Council”;
d)
het alleen aan Ierse produkten ter beschikking stellen van de tentoonstellingsfaciliteiten van het „Ireland House Trade Centre” te Dublin, welke instelling over een infrastructuur van meer dan 2000 m2 beschikt en door de „Irish Goods Council” wordt beheerd.
Bij brief van 20 juli 1979 erkende de Ierse regering in 1978 een driejarenprogramma ter bevordering van de verkoop van Ierse produkten te hebben opgesteld, en deelde zij de Commissie mee dat zij op het punt stond de tentoonstellingsfaciliteiten van het „Ireland House Trade Centre” en de voordelen van de „Shoplink Service” ook te laten gelden voor ingevoerde communautaire produkten. Van deze voornemens kwam evenwel niets terecht. Daarop stelde de Commissie bij met redenen omkleed advies van 25 februari 1981 vast dat de Ierse overheid geen der voornoemde maatregelen had opgeheven, en herhaalde zij haar beschuldiging dat Ierland artikel 30 EEG-Verdrag niet was nagekomen.
Tijdens een vergadering van ambtenaren van de Commissie en Ierse ambtenaren op 5 mei 1981 maakten deze laatsten bekend dat de Ierse regering had besloten het systeem van de „Shoplink Service” alsmede de tentoonstellingsfaciliteiten in het „Ireland House Trade Centre” af te schaffen. Met betrekking tot de twee andere groepen maatregelen kwamen er evenwel geen nieuwe toezeggingen of inlichtingen van de Ierse regering. Daarom besloot de Commissie op 15 september 1981 het beroep in te stellen dat ik nu zal onderzoeken.
2.
De opheffing van sommige Ierse maatregelen, waarvan de Commissie op 5 mei 1981 in kennis werd gesteld, heeft het voorwerp van het geding vanzelfsprekend beperkt. Anderzijds zijn de reclameacties na afloop van het driejarenprogramma 1978-1981 blijkbaar niet stopgezet. In dit verband zij eraan herinnerd dat de ‚Irish Goods Council’ tenminste sinds 1978 een groots opgezette reclamecampagne voor Ierse produkten financierde en voerde, waarbij de handelaars tot verkoop en de verbruikers tot aankoop van deze produkten werden aangezet. De campagne vond plaats in dag- en weekbladen en op radio en televisie; zo verscheen in de „Irish Times” van 24 juni 1981 de advertentie „Eis produkten die gegarandeerd Iers zijn — Laat de balans overslaan”, terwijl in radio- en televisiereclame gebruik werd gemaakt van de slogan „Koop wat meer Ierse produkten en u zorgt voor meer werk in Ierland”. Een van de doelstellingen van deze reclamecampagne was ongetwijfeld de vervanging van ingevoerde produkten door Ierse produkten. Dit blijkt duidelijk uit de toespraak van de heer Desmond O'Malley, minister van Industrie, van 18 januari 1978: de minister verklaarde toen onder meer dat het driejarenprogramma van de regering ten gunste van Ierse produkten tot doel had „de vervanging van ingevoerde produkten door Ierse produkten ten belope van 3 % van de totale consumptie-uitgaven, alsmede een overeenkomstige toename van de uitgaven van de industrie”. In dezelfde lijn liggen de verklaringen van 9 april 1981 van de heer Raphael Burke, minister van Milieuhygiëne, die nogmaals wees op de regeringsinitiatieven „ter bevordering van de vervanging van ingevoerde produkten”; hij kondigde met name aan dat een bijzondere werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van ondernemersverenigingen, vakbonden en de overheid was belast met een onderzoek naar maatregelen ter bevordering van de vervanging van ingevoerde produkten en de toename van aankopen van Ierse produkten”, en een „intensief programma” had voorgelegd, dat onder meer voorzag in de opstelling van een repertorium van Ierse bouwmaterialen. Volgens de Ierse regering werden de werkzaamheden van deze groep evenwel in juni 1981 gestaakt.
Uiteindelijk moet in de onderhavige zaak de aandacht mijns inziens worden toegespitst op de volgende vaststaande feiten van permanente aard: de Ierse regering controleert en financiert in aanzienlijke mate de Irish Goods Council; deze Council voert een groots opgezette actie ter bevordering van de verkoop van Ierse produkten; de Ierse regering heeft deze reclamecampagne gesteund door officiële verklaringen en door een zekere medewerking van de bevoegde ministers.
3.
Welke status heeft de Irish Goods Council naar Iers recht? Het is een vereniging (meer bepaald een „company limited by guarantee and not having a share capital”), bestaande uit een bepaald aantal vertegenwoordigers van handelsvennootschappen company managers, company executives, accountants”), waartoe andere leden — natuurlijke personen of vennootschappen — kunnen toetreden. De voornaamste doelstellingen zijn, de verkoop van Ierse goederen en diensten in Ierland te bevorderen, bij te dragen tot de verbetering van het technische en kwalitatieve peil van Ierse produkten (en van de verschillende methoden van aanbieding, verdeling en marketing) en op ruime schaal informatie te verschaffen over Ierse goederen en diensten (zie artikel 2, sub b, c, d, en e, van het „Memorandum of Association”).
Tussen de Ierse regering en de „Irish Goods Council” bestaan zeer nauwe banden. Er zij slechts op gewezen dat elke wijziging van de oprichtingsakte of de statuten (onderscheidenlijk „Memorandum” en „Articles of Association” genoemd) is onderworpen aan de goedkeuring van de minister van Industrie — in sommige gevallen na raadpleging van de minister van Financiën — (artikel 4 van het „Memorandum of Association”; alle leden van de raad van beheer worden benoemd door de minister van Industrie, die tevens de voorzitter kiest (artikelen 32 en 44 van de „Articles of Association”); de accountants worden benoemd met instemming van de minister van Industrie en na raadpleging van de minister van Financiën (artikel 60 van de „Articles of Association”); het bedrag van de regeringsbijdragen aan de begroting van de instelling maakte in de jaren 1978-1981 tussen vier vijfden en vijf zesden van de totale middelen van de vereniging uit (dit blijkt uit het antwoord van de Ierse regering op de vragen van het Hof en inzonderheid uit de tabel met opgave van enerzijds de financiering door de regering en anderzijds de bijdrage van de industrie).
Gezien deze gegevens, meen ik dat de Irish Goods Council is gelijk te stellen met een overheidsinstelling tot steunverlening op economisch gebied. Nauwkeuriger gezegd: hij vormt een instrument dat a) gericht is op doelstellingen die samenvallen of gelijklopen met bepaalde oogmerken van de Ierse regering zelf betreffende de ontwikkeling van de nationale economische bedrijvigheid, en b) door deze regering kan worden aangewend of beïnvloed. Dit betekent evenwel niet dat de Council de status van een „overheidsinstantie” heeft: hij is geen staatsorgaan, oefent geen enkel gezag uit over de burgers en stelt geen voor particulieren bindende handelingen vast. Mijns inziens kunnen de initiatieven van de Irish Goods Council dus wel als initiatieven van de Ierse regering worden beschouwd, vooral wanneer zij deel uitmaken van een door de ministeriële instanties openlijk gesteund programma (gelijk in casu het geval was). Men mag echter niet vergeten dat de Council slechts een hulpinstrument van de staat is, en dat zijn initiatieven niet als handelingen van een overheidsinstantie kunnen worden aangemerkt.
4.
Uit de voorgaande overwegingen kan worden afgeleid dat de financiering van de Irish Goods Council door de Ierse regering geen gedraging is die afzonderlijk aan het gemeenschapsrecht kan worden getoetst, doch slechts een van de bewijzen vormt van de band tussen de regering en de Council. Daarom kan ik mij niet aansluiten bij het door de Commissie in haar antwoord op de vragen van het Hof ingenomen standpunt dat die financiering op zichzelf al een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 is. Het is stellig niet de overheidsfinanciering van de Irish Goods Council die de invoer uit andere Lid-Staten belemmert. Het zijn veeleer bepaalde initiatieven van de Council die de intracommunautaire handel nadelig kunnen beïnvloeden, en de overheidsfinanciering is een belangrijke factor bij de beoordeling van het verband tussen deze initiatieven, en de overheidsfinanciering is een belangrijke factor bij de beoordeling van het verband tussen deze initiatieven en de Ierse regering.
Nu dit punt duidelijk is geworden, moeten wij thans ingaan op het kernprobleem van deze zaak: valt een reclamecampagne ten gunste van nationale produkten, die aan de regering van een Lid-Staat kan worden toegeschreven omdat zij wordt gevoerd door een door die regering gefinancierde en gecontroleerde instelling en wordt ondersteund door verklaringen van ministers en de technische medewerking van de overheid, al dan niet onder het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen (artikel 30 EEG-Ver-drag)?
Laat ik onmiddellijk stellen dat het probleem mijns inziens niet kan worden opgelost op de grondslag van de argumenten van de Commissie, ontleend aan de tekst van haar eigen richtlijn nr. 70/50 van 22 december 1969 betreffende de „opheffing van de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, niet bedoeld in andere krachtens het EEG-Verdrag vastgestelde bepalingen”. Volgens artikel 2, lid 2, is deze richtlijn van toepassing op „... de maatregelen waardoor de nationale produkten worden begunstigd of die aan deze laatste, al dan niet onder voorwaarden, een voorkeur anders dan een steunmaatregel, toekennen”; daartoe moeten luidens lid 3, sub k, van hetzelfde artikel met name worden gerekend de maatregelen die „de aankoop door particulieren alleen van ingevoerde produkten belemmeren of hun aansporen tot, of een voorkeur toekennen aan, de aankoop van alleen nationale produkten, of die deze aankoop verplicht stellen”. In de tweede overweging van de considerans van de richtlijn wordt daarover gezegd „dat onder aansporing moet worden verstaan, alle handelingen, uitgaande van een overheidsinstantie, die, zonder de belanghebbenden juridisch te binden, deze doen besluiten een bepaalde gedraging te volgen”. Gesteld dat het bepaalde in lid 3, sub k, als een normatieve (dat wil zeggen algemeen verbindende) uitlegging van het in artikel 30 EEG-Verdrag neergelegde begrip maatregelen van gelijke werking zou kunnen worden beschouwd, toch moet worden betwijfeld of de reclame, in casu gevoerd door een met de Ierse regering verbonden doch niet met overheidsgezag beklede instelling, kan worden gezien als een aansporing, uitgaande van een overheidsinstantie, waardoor liet gedrag van de belanghebbenden kan worden bepaald. Bij laatstgenoemd soort handeling moet veeleer worden gedacht aan een aanbeveling van een overheidsdienst aan ondergeschikte diensten om deze laatste ertoe aan te zetten alleen nationale produkten te kopen. Maar afgezien daarvan, moet worden bedacht dat de Commissie niet bevoegd was, het begrip maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in door haarzelf vastgestelde bepalingen te omschrijven.
De betrokken richtlijn is door de Commissie vastgesteld op grond van artikel 33, lid 7, EEG-Verdrag..Een verwijzing naar deze bepaling is zowel in de eerste alinea van de considerans als in de titel van de richtlijn zelf te vinden (waar wordt gezegd dat de richtlijn is „gebaseerd op de bepalingen van artikel 33, lid 7, EEG-Verdrag”). Luidens deze bepaling „(stelt) de Commissie ... richtlijnen vast inzake de procedure en het ritme van de opheffing tussen de Lid-Staten van maatregelen van gelijke werking als contingenten, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag bestaan”. De Commissie had dus enkel tot taak, de procedure en het tempo van de opfheffing van de maatregelen van gelijke werking vast te stellen. Mijns inziens hield dit niet in dat de Commissie de draagwijdte van het begrip „maatregelen” in de zin van artikel 30 mocht bepalen.
Op dit punt merkt de Commissie op dat, aangezien het tempo en de procedure voor de opheffing van de maatregelen niet konden worden vastgesteld zonder de draagwijdte van het begrip „maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen” te preciseren, het aan de Commissie zelf stond ook op inhoudelijk vlak uitvoering te geven aan artikel 30. Mijns inziens kan een dergelijke redenering echter niet worden aanvaard. De vaststelling van procedureregels — die volgens artikel 32, tweede alinea, slechts voor de duur van de overgangsperiode hadden moeten gelden — is één zaak, regelgeving met betrekking tot de inhoudelijke draagwijdte van een dermate complexe bepaling als artikel 30 een andere. Daartegen kan ook niet worden ingebracht, gelijk de Commissie doet, dat de Lid-Staten de richtlijn van 1969 nooit hebben betwist: de berusting van de staten kan de onwettigheid van een onbevoegd verrichte handeling immers niet goedmaken, en bovendien heeft zich tot op heden nog nooit een rechtsgeding voorgedaan waarin de verenigbaarheid van niet-bindend overheidsoptreden met artikel 30 aan de orde was. Daarom blijf ik de mening toegedaan dat de strekking van richtlijn nr. 70/50 van de Commissie geen invloed mag hebben op de oplossing van het probleem in de onderhavige zaak. Er blijkt enkel uit dat de Commissie consequent is in haar uitlegging van artikel 30.
5.
Onlangs had het Hof gelegenheid zich met het probleem van de invloed van reclame op de afzet van ingevoerde produkten bezig te houden: ik verwijs hier naar het arrest van 10 juli 1980 (zaak 152/78, Commissie t. Frankrijk, Júrispr. 1980, blz. 2299). In die zaak moest worden uitgemaakt beperkingen, bij de nationale wet gesteld aan de mogelijkheid reclame te maken voor bepaalde produkten (alcoholhoudende dranken), die niet rechtstreeks de invoer beïnvloedden, toch het importvolume konden beperken, doordat de verkoop van ingevoerde produkten erdoor werd bemoeilijkt. Het Hof overwoog dat een nationale wettelijke regeling van dit type een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag kan opleveren (r.o. 11 en 14). Er moet echter op worden gewezen dat de door het Hof onderzochte maatregelen weliswaar betrekking hadden op reclame, doch bindend waren: het ging, zoals gezegd, om wettelijke voorschriften ter beperking van het voeren van reclame voor bepaalde produkten. Voornoemde beslissing ligt dus in de lijn van de uitspraken waarin bepaalde bindende vormen van overheidsingrijpen als maatregelen van gelijke werking worden aangemerkt.
De Commissie stelt dat de invloed op het importvolume in het betrokken arrest wordt erkend, en wil daaruit afleiden dat, wanneer een staat reclameacties ten gunste van nationale produkten bevordert, hij alleen daardoor reeds inbreuk maakt op artikel 30 EEG-Verdrag. Deze redenering lijkt mij echter moeilijk houdbaar. Dat reclame het verbruik en dus de invoer kan beïnvloeden is een elementaire economische wet, doch dit betekent niet dat een actie ter bevordering van de verkoop van nationale produkten door middel van een met overheidsmiddelen gefinancierde reclamecampagne automatisch onder het begrip maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 30 valt. Daarom blijf ik bij de opvatting dat voornoemde beslissing van 10 juli 1980 geen steun kan bieden aan een andersluidende uitlegging van het omstreden begrip, waardoor het ook reclameacties als de onderhavige zou omvatten.
6.
Volgens de raadsman van de Ierse regering zijn de in artikel 30 bedoelde „maatregelen” uitsluitend bindende handelingen van overheidsinstanties. Tot staving van deze stelling beroept hij zich op de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837), volgens hetwelk als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen” iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren” (r.o. 5). In dezelfde zin heeft het Hof zich ook uitgesproken in de arresten van 8 juli 1975 (zaak 4/75, Rewe-Zentralfinanz, Jurispr. 1975, blz. 843) en van 20 mei 1976 (zaak 104/75, de Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613): in het eerste werden als maatregelen van gelijke werking beschouwd de nationale voorschriften inzake fytosanitaire keuringen aan de grens bij de invoer van plantaardige produkten; in het tweede arrest oordeelde het Hof dat een nationale regeling of handelwijze ten gevolge waarvan de invoer zodanig werd gekanaliseerd dat slechts enkele handelaren ertoe konden overgaan, terwijl andere ervan werden uitgesloten, eveneens in strijd met artikel 30 waren. Belangrijk is dat in het arrest-de Peijper geen onderscheid wordt gemaakt tussen wetsbepalingen en administratieve praktijken: in beide gevallen gaat het om bindend overheidsingrijpen en daarom werden zij in die zaak terecht gelijkgesteld.
Uit deze strekking van de rechtspraak is volgens de raadsman van de Ierse regering af te leiden dat eenvoudige, niet-bindende reclameacties niet onder de werkingssfeer van artikel 30 vallen. Ik meen echter dat hoogstens kan worden vastgesteld dat het Hof zich tot dusver nog niet heeft hoeven te buigen over het probleem van reclameacties van Lid-Staten ter ondersteuning van nationale produkten. Met andere woorden, de zaken waarin volgens het Hof sprake was van maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30, hadden weliswaar alle betrekking op min of meer bindende wettelijke of administratieve maatregelen, doch dit neemt niet weg dat het Hof zich tot nu toe nog niet heeft behoeven uit te spreken over de vraag of artikel 30 van toepassing is op niet-bindende overheidsinitiatieven. Het probleem is dus nog niet aan de orde geweest.
Mijns inziens moeten voor de oplossing van dit probleem drie dingen voor ogen worden gehouden. In de eerste plaats moet bij de vraag of de kwantitatieve beperkingen en de „maatregelen”, genoemd in de artikelen 30 en 34, gelijk zijn te stellen, ervan worden uitgegaan dat het in beide gevallen moet gaan om handelingen van overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheid. Mijns inziens is de draagwijdte die het Hof aan het begrip maatregelen van gelijke werking heeft toegekend — door te aanvaarden dat zij de handel direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel beïnvloeden — gerechtvaardigd, zolang het blijft gaan om overheidshandelingen: wetten, administratieve maatregelen, administratieve praktijken. Het zou daarentegen te ver gaan, indien men onder het begrip „maatregelen” ook initiatieven zou brengen die buiten het kader van de uitoefening van het overheidsgezag vallen: daarmee zou de indirecte band dier initiatieven met de Staat nog gepaard gaan met het potentiële en indirecte karakter van de belemmering van de invoer door de reclame ten behoevé van nationale produkten.
In de tweede plaats moet mijns inziens belang worden gehecht aan de bewoordingen van artikel 36 „De bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van ...”), aangezien deze bepaling, zoals bekend, nauw samenhangt met de artikelen 30 en 34, doordat zij een ruimte schept waarbinnen zowel bepaalde kwantitatieve beperkingen als bepaalde maatregelen van gelijke werking geoorloofd zijn. Beide worden impliciet bedoeld met de uitdrukking „verboden of beperkingen”, die niet zodanig kan worden uitgebreid dat zij ook aansporingen omvat.
In de derde plaats meen ik dat er in de structuur van het Verdrag — waarin de regels betreffende het vrije verkeer van goederen apart zijn ondergebracht van de mededingingsregels — een verschil in niveau bestaat tussen de hindernissen of belemmeringen van de intracommunautaire handel ingevolge overheidsmaatregelen enerzijds, en de concurrentiebeperkende of — vervalsende gedragingen, die niet alleen van ondernemingen doch ook — in de vorm van steunmaatregelen — van de overheid kunnnen uitgaan anderzijds. In casu lijkt het mij duidelijk dat het betwiste initiatief niet het karakter heeft van een door de overheid voor het handelsverkeer opgeworpen hindernis of belemmering, doch veeleer van overheidssteun aan de nationale producenten, om hen ten aanzien van de buitenlandse producenten in een gunstiger concurrentiepositie te brengen. Daarom moet nu vanuit deze optiek dieper op het onderwerp worden ingegaan.
7.
Zoals bekend, zijn volgens artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag „steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt”. Deze bepaling is vaak uitgelegd als zou de verwijzing naar „bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties” een strikte beperking inhouden: met andere woorden, alleen aan bepaalde sectoren toegekende staatssteun zou onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Ik meen echter dat deze uitlegging onjuist is. Het volstaat erop te wijzen dat van de categorieën steunmaatregelen die met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn of kunnen worden geacht (artikel 92, leden 2 en 3) sommige stellig niet tot bepaalde sectoren zijn beperkt (zoals die tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of tot opheffing van een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat). Waarom zou daarvan gewag zijn gemaakt, indien de algemene verbodsbepaling van lid 1 alleen betrekking had op steun verleend aan bepaalde sectoren? Nog afgezien van de tekst van artikel 32, ben ik in ieder geval van oordeel dat het wel degelijk gerechtvaardigd is van een algemeen en principieel verbod van overheidssteun aan de nationale produktie te spreken, wil men niet tot de ongerijmde opvatting vervallen, dat steunmaatregelen ten gunste van bepaalde sectoren verboden en die met een ruimere draagwijdte geoorloofd zíjn. Tenslotte herinner ik eraan dat het Hof in het arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 6 en 11/69, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1969, blz. 523) heeft overwogen „dat de Lid-Staten in artikel 92 zijn overeengekomen, dat alle steunmaatregelen in welke vorm ook, die de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen, met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar zijn” (r.o. 18 en 19; het ging in die zaak om een door een staat alleen aan nationale produkten toegekend preferentieel herdiscontotarief bij de uitvoer, dat door het Hof als een steunmaatregel in de zin van artikel 92 werd aangemerkt).
In de onderhavige zaak vormt de door de Ierse regering geïnspireerde en gefinancierde reclamecampagne mijns inziens stellig een vorm van steun, die op de grondslag van artikel 92 EEG-Verdrag moet worden beoordeeld. Deze campagne komt immers in de plaats van de reclameacties die zonder bezwaar zouden kunnen worden gevoerd door de afzonderlijke Ierse producenten (of door de van de regering feitelijk onafhankelijke verenigingen van producenten), en zij drukt uiteraard de kostprijs van Ierse produkten in zoverre de last van de reclamekosten door een nauw met de staat verbonden instelling wordt gedragen — waardoor de mededinging op de gemeenschappelijke markt wordt vervalst.
In haar antwoord op de vragen van het Hof heeft de Commissie gesteld dat de financiering van de Irish Goods Council door de Ierse regering niet als een steunmaatregel in de zin van artikel 92 kan worden beschouwd. Formeel gezien is dit juist, aangezien de Council geen onderneming is die overheidssteun geniet, doch een vereniging met de bijzondere kenmerken die ik hiervoor heb trachten te verduidelijken. Waar het echter op aankomt, is dat de reclameacties van de Council in hun geheel bezien een vorm van steun opleveren, in zoverre deze instelling — zoals ik meen — werkelijk een verlengstuk van de Ierse regering is (of althans in de mate waarin zij met overheidsmiddelen wordt gefinancierd).
8.
Hieruit volgt dat de Commissie in casu de procedure van artikel 93 EEG-Verdrag had moeten volgen. Zij heeft verkozen krachtens artikel 169 beroep in te stellen tegen Ierland wegens schending van artikel 30. Om bovengenoemde redenen ben ik echter van oordeel dat van een dergelijke schending geen sprake is. Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep en verwijzing van de Commissie in verweerders kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy