CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 3 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het onderhavige geding, op 15 september 1981 door Margherita Macevicius, echtgenote Hebrant, aangespannen tegen het Europees Parlement, moet worden geplaatst in kader van een geschil tussen verzoekster en het Directoraatgeneraal Onderzoek en documentatie van die instelling, dat thans al tien jaar sleept en reeds tot drie uitspraken van het Hof heeft geleid. Het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement, waarbij de heer Reid op de enige vacante A 3-post is benoemd, en tot bevordering van verzoekster tot die rang.
2.
Het lijkt mij nuttig bij de samenvatting van de feiten de „affaire” Macevicius stap voor stap door te lopen. Verzoekster, gediplomeerd bibliothecaresse van Italiaanse nationaliteit, trad op 1 december 1967 bij het Parlement in dienst als ambtenaar in de rang A 5, en heeft sindsdien meegewerkt aan het beheer en de administratie van de bibliotheek. Op 1 januari 1973 werd zij bevorderd tot de rang A 4.
De reorganisatie van het Secretariaatgeneraal van het Parlement na de toetreding van Groot-Brittannië, Denemarken en Ierland, had ook grote gevolgen voor het Directoraatgeneraal Parlementaire documentatie en informatie. Het werd gesplitst in twee Directoratengeneraal, het ene, „Informatie en public relations”, het andere „Onderzoek en documentatie”, Aan het hoofd van laatstgenoemd directoraatgeneraal werd in 1972 de heer Taylor, van Britse nationaliteit, benoemd, die vanaf 1 maart 1974 ook de directe verantwoordelijkheid voor de bibliotheek op zich nam. Inmiddels was in 1973 ook de bibliotheek in twee afdelingen gesplitst: een afdeling „Catalogiseren en administratie”, nadien veranderd in „Catalogisering en bibliotheekbe-heer”, onder leiding van verzoekster, en een afdeling „Referenties en ambtelijke stukken”, nadien herdoopt in „Naslagwerken, informatie en documentatie”.
Wat de reorganisatie van de bibliotheek betreft, had directeurgeneraal Taylor het plan opgevat het tot dan toe gevolgde systeem van analytische klassificatie te vervangen door het decimale systeem. Uiteindelijk koos hij voor een gemengd systeem: de analytische klassificatie werd gehandhaafd voor het bestaande fonds, terwijl nieuwe aanwinsten en werken van bijzonder belang volgens de decimale Massificatie werden gecatalogiseerd.
Vanaf het begin verklaarde verzoekster zich tegen dit initiatief, en zij bleef er zich ook tegen verzetten nadat het Bureau van het Parlement op 23 september 1974 Taylor had gemachtigd de reorganisatie door te voeren, Op 7 november 1974 werd een werkgroep ad hoc opgericht onder leiding van de heer Reid, eveneens van Britse nationaliteit, die op 25 februari 1974 bij het Parlement in dienst was getreden als tijdelijk functionaris in de rang A 5. Die aanwijzing van Reid was voor Macevicius aanleiding om een eerste beroep bij het Hof in te stellen, dat echter bij arrest van de Tweede kamer van 20 mei 1976 werd verworpen (zaak 66/75, Macevicius, Jurispr. 1976, blz. 593). Het Hof overwoog dat het Parlement bij de benoeming van Reid zijn interne-organisatiebevoegdheid had uitgeoefend en dat Macevicius' werkzaamheden daardoor niet dermate aan belang hadden ingeboet, dat de overeenstemming tussen de haar toevertrouwde taken en haar rang en ambt daardoor verloren was gegaan.
Binnen het directoraatgeneraal bleef de spanning evenwel toenemen. Macevicius wendde zich een tweede maal tot het Hof ter betwisting van haar beoordelingsrapport over de jaren 1973-1974, waarin zij haars inziens niet op haar juiste waarde werd geschat. Bij arrest van 12 mei 1977 (zaak 31/76, Macevičius, Jurispr. 1977, blz. 883) verwierp het Hof (Eerste kamer) ook dit beroep, omdat verzoeksters' middelen niet steekhoudend waren gebleken.
Zoals wij verder zullen zien, hangt het derde beroep van Macevicius ten nauwste samen met het onderhavige geschil. Beide hebben immers betrekking op de loopbaan van respectievelijk verzoekster en de heer Reid. In verscheidene voorbereidende stukken betreffende de begroting en de organisatie van het Parlement, hadden de secretarisgeneraal en de Commissie voor de begrotingen in de jaren 1978 en 1979 de omzetting voorzien van de A 5/4-posten van de hoofden van de diensten „Catalogisering en biblio-theekbeheer” en „Naslagwerken, informatie en documentatie” in A 3-posten. Doch in een nota van 5 September 1979, betreffende de vaststelling van de begroting voor 1980, deed de heer Taylor, onder verwijzing naar de in de resolutie van het Parlement van 10 mei 1979 vastgestelde budgettaire beperkingen, het voorstel, voor het begrotingsjaar 1980 enkel het ambt van het hoofd van de dienst „Naslagwerken, informatie en documentatie” in een A 3-post om te zetten. Nadat de secretarisgeneraal en de Commissie voor de begrotingen dit voorstel hadden goedgekeurd, werd vervolgens op 14 juli 1980 onder nr. 2677 een kennisgeving van vacature gepubliceerd voor een ambt van afdelingshoofd: in feite was op het organisatieschema 1980 alleen het ambt van het hoofd van de afdelingen „Naslagwerken, informatie en documentatie” hoger ingedeeld.
Ter betwisting van de veronderstelde aanwijzing van de heer Reid voor bevordering tot de rang A 3, wendde Macevicius zich ten derde male tot het Hof. Bij beschikking van 18 november 1980 (zaak 141/80, Macevicius, Jurispr. 1980, blz. 3509) verklaarde het Hof (Derde kamer) het beroep niet ontvankelijk, daar het was gericht tegen een handeling (voorstellen en besluiten van de bevoegde instanties van een instelling op begrotingsgebied) die verzoekster niet bezwaarde.
Zo komen wij tot het onderhavige geschil. Vijf personen solliciteerden naar de post waarvan sprake was in kennisgeving nr. 2677. Na onderzoek van de sollicitaties benoemde het tot aanstelling bevoegd gezag de heer Reid tot hoofd van de afdeling „Naslagwerken, informatie en documentatie”, met de rang A 3 (besluit van 24 oktober 1980, gepubliceerd op 25 november daaropvolgende).
Nadat de door haar ingediende klacht onbeantwoord was gebleven, stelde Macevicius overeenkomstig artikel 90, paragraaf 2, van het Statuut, het onderhavig beroep in.
3.
De verwerende instelling werpt preliminair een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, gebaseerd op twee middelen: ontbreken van procesbelang en afwezigheid van een bezwarend besluit. Volgens het Parlement kan Macevicius immers geen beroep instellen omdat zij zich niet kandidaat heeft gesteld voor de vacante post, en bovendien zou de benoeming van Reid haar in geen geval nadeel hebben berokkend. Macevicius antwoordt hierop, dat zij er wel belang bij heeft om op te komen tegen een besluit dat een derde voordelen toekent die haar worden onthouden. Dat zij zich niet kandidaat heeft gesteld, zo merkt zij op, was een kwestie van consequent handelen (haar verzet tegen versterking van de betrokken dienst was welbekend), en bovendien waren de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen zo geformuleerd, dat zij tot de overtuiging was gekomen dat de keuze al bij voorbaat op Reid was gevallen.
4.
Laten wij eerst het middel van ontbreken van procesbelang onderzoeken. Dit middel lijkt mij gegrond. Volgens een beginsel dat in het administratiefrecht van de Lid-Staten algemeen is erkend, is er procesbelang wanneer door de van de rechter verlangde beslissing recht zou worden gedaan aan een door de administratie geschonden wezenlijk belang. Men dient dus aan te tonen dat de verzoeker een persoonlijk en daadwerkelijk voordeel zou hebben bij de beslissing op het beroep; of, in meer technische termen, hij dient zich, overeenkomstig het adagium „pas d'intérêt, pas d'action” te bevinden in een rechtens beschermde situatie, die een legitimatie vormt voor het beroep op de rechter.
Om belang te hebben bij het beroep tegen de benoeming of bevordering van een andere ambtenaar, dient de verzoeker in het bijzonder aan te tonen dat hijzelf voor de post in aanmerking komt. Wanneer de voorwaarden om te kunnen worden benoemd, gespecificeerd zijn, is het niet voldoende dat de verzoeker aan al die voorwaarden voldoet: wil zijn beroep ontvankelijk zijn, dan moet hij ook duidelijk te kennen hebben gegeven dat hij die benoeming ambieert. Want enkel indien hij aan de desbetreffende procedure deelneemt, bevindt hij zich in de bovenbedoelde, rechtens beschermde situatie, verkrijgt hij aanspraak op een aanstelling op de post volgens de voorgeschreven procedure en, bijgevolg, op toetsing van de eventuele gebreken van de besluiten waarmee de administratie haar discretionaire bevoegdheid uitoefent.
's Hofs rechtspraak bevestigt deze elementaire bemerkingen. Tot op heden heeft het Hof steeds weer beslist, dat een verzoeker enkel dan belang heeft bij de nietigverklaring van een benoeming of bevordering, wanneer hij aan de aanstellingsprocedure voor de betrokken post heeft deelgenomen (arresten van 19 maart 1964, zaak 27/63, Raponi, Jurispr. 1964, blz. 263; 24 juni 1969, zaak 26/68, Fux, Jurispr. 1969, blz. 145; 19 juni 1975, zaak 79/74, Küster, Jurispr. 1975, blz. 725). Voor zover ik weet, is het Hof enkel in zijn arrest van 29 oktober 1975 (gevoegde zaken 81-88/74, Marenco e. a., Jurispr. 1975, blz. 1247) van dit criterium afgeweken. Hierin ging het om de wettigheid van de benoeming van verscheidene ambtenaren en het Hof erkende dat ook enkele personen die niet naar de vacante posten hadden gesolliciteerd, er belang bij hadden om tegen de benoemingen op te komen, doch dit was alleen omdat zij zich kandidaat hadden kunnen stellen indien de administratie een intern vergelijkend onderzoek had georganiseerd (r.o. 10).
In casu evenwel lijkt het mij volstrekt duidelijk dat Macevicius geen procesbelang heeft; zij had immer gerust kunnen solliciteren, maar heeft dit, naar eigen zeggen, met opzet niet gedaan.
In dit verband kan verzoekster ook geen baat vinden bij haar verwijzing naar een passage in de conclusie van advocaatgeneraal Roemer in de gevoegde zaken 24 en 34/58 (Chambre syndicale de la sidérurgie de l'Est de la France e. a., Jurispr. 1960, blz. 589). Dit geschil betrof een beschikking van de Hoge Autoriteit aangaande de bijzondere tarieven voor het vervoer per spoor van minerale brandstoffen bestemd voor de staalindustrie. De advocaatgeneraal stelde in beginsel, dat er een procesbelang is wanneer de bestreden beschikking nadelige gevolgen heeft in de rechtssfeer van de verzoekers en de nietigverklaring ervan voor hen van voordeel kan zijn. In casu legde de beschikking de verzoekers wel geen verplichting op, doch zij benadeelde hen in zoverre als zij voor andere ondernemingen een voordeel liet bestaan waarvan de verzoekers waren uitgesloten. Ik zie evenwel geen enkele overeenkomst tussen deze situatie en die van Macevicius: door niet te solliciteren, heeft zij — het zij nogmaals gezegd — vrijwillig afstand gedaan van het voordeel van een mogelijke bevordering tot de rang A 3, en van een positie waarin zij gelegitimeerd zou zijn geweest om beroep in te stellen.
5.
Thans kom ik tot het onderzoek van het middel inzake de afwezigheid van een bezwarend besluit. Ik herinner eraan, dat volgens 's Hofs vaste rechtspraak (arresten van 1 juli 1964, zaak 26/63, Pistoj, en 78/63, Huber, Jurispr. 1964, blz. 703 en 755; 10 december 1969, zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505; 11 juli 1974, Reinarz, gevoegde zaken 177/73 en 5/74, Jurispr. 1974, blz. 819) alleen handelingen die voor een bepaalde rechtspositie gevolgen kunnen hebben, als dusdanig worden aangemerkt. Alvorens kan worden aangenomen dat zij belang heeft bij haar beroep, zou Macevicius dus moeten aantonen dat de benoeming van Reid gevolgen heeft gehad voor haar statutaire positie, bijvoorbeeld doordat haar taken en bevoegdheden daardoor zouden zijn beknot.
Het Parlement ontkent dat er van enige beknotting in dat opzicht of anderszins sprake is geweest, en er is inderdaad niets dat daarop wijst. Macevičius betoogt evenwel dat de onregelmatigheid die het besluit tot een bezwarend besluit kan maken, gelegen is in de benoemings- procedure zelf. De in de kennisgeving van vacature geëiste beroepskwalificaties en -kennis waren de heer Reid immers op het lijf geschreven; het was dan ook niet toevallig, zo voegt zij eraan toe, dat deze de enige ambtenaar was die zich kandidaat heeft gesteld.
Deze redenering lijdt — zo komt mij voor — onder een zekere verwarring tussen een bezwarend besluit en een onwettig besluit. Dit zijn immers, aldus advocaatgeneraal Trabucchi in zijn conclusie in zaak 35/72 (Kley, Jurispr. 1973, blz. 693), twee verschillende begrippen. Het eerste heeft volgens hem een zuiver processuele betekenis in die zin, dat het functioneert als een filter ter toetsing van de ontvankelijkheid van een beroep, onafhankelijk van de gegrondheid ervan.
Maar laten wij overgaan tot de bespreking van verzoeksters middelen, en in de eerste plaats van het middel, dat de kennisgeving van vacature als het ware een foto was van Reids bekwaamheden en ervaring. Ook dit wordt door het Parlement ontkend; maar ook al zou de beschuldiging gegrond zijn, verzoekster kan de kennisgeving daarmee thans niet meer aanvechten. In zijn beschikking van 18 november 1980 immers heeft het Hof zelf vastgesteld, dat zij had verzuimd binnen de in het Statuut gestelde termijn de vereiste administratieve klacht ertegen in te dienen; en dit belet het Hof thans te onderzoeken of de kennisgeving een nadelig besluit vormde, bijvoorbeeld omdat zij voorwaarden bevatte die de ontwikkeling van de loopbaan van een kandidaat verhinderden.
Van het tweede middel, namelijk dat Reid de enige kandidaat was, zie ik niet in dat het relevant zou kunnen zijn. Sinds wanneer is het feit dat er slechts één kandidaat is, als een gebrek te beschouwen? Maar dit is nog niet alles. Behalve dat het technisch onaanvaardbaar, of liever: absurd is, is het ook onjuist. Verzoekster voert er geen enkel bewijs voor aan, maar anderzijds blijkt uit een door verweerder overgelegd stuk, dat vijf personen naar de betrokken post hebben gesolliciteerd.
Het voorgaande brengt mij ertoe, Macevicius' beroep als kennelijk niet ontvankelijk te beschouwen.
6.
Wij zullen evenwel ook de grieven over de grond van de zaak moeten onderzoeken. Verzoekster stelt in de eerste plaats, dat door de blokkering van haar carrière, vergeleken met de bliksemcarrière van Reid, twee beginselen worden geschonden: dat van het gewettigd vertrouwen in een juridisch-economische vooruitgang en het meer algemene beginsel van de billijkheid. Volgens verzoekster zijn al haar moeilijkheden immers het gevolg van de kritiek die zij vanaf 1973 in het belang van de Gemeenschappen (artikelen 11 en 21 van het Statuut) op de reorganisatie van de bibliotheek heeft geleverd.
Verzoeksters grieven zijn echter ongegrond. In de eerste plaats kan niet worden gezegd, dat haar carrière ten gevolge van haar meningsverschillen met directeurgeneraal Taylor is geblokkeerd: zoveel is zeker, dat zij na de benoeming van deze laatste is bevorderd tot de rang A 4. En haar gewettigd vertrouwen lijkt evenmin te zijn geschonden, wanneer men het plaatst in het kader van de door de administratie gedane toezeggingen. Voor een rechtens relevant vertrouwen is immers nodig, dat die toezeggingen concreet zijn, en dit nu lijkt mij niet het geval te zijn met het voorstel om het ambt van verzoekster hoger in te delen, dat voorkwam in een nota van 1978 van directeurgeneraal Taylor aan de secretarisgeneraal van het Parlement en dat nadien om begrotingsredenen is teruggenomen. Men kan hoogstens zeggen dat die nota een voorbereidend stuk was, te weinig dus om rechtens relevante verwachtingen op te wekken.
Daarentegen is Macevičius niet verder ingegaan op het thema van de miskenning van het billijkheidsbeginsel. Ik neem aan dat zij hiermee doelt op het trage verloop van haar eigen loopbaan vergeleken met de — inderdaad veel snellere — loopbaan van de heer Reid. Ik zal het in elk geval vanuit dat oogpunt behandelen, tezamen met een daarbij aansluitend middel.
7.
Dit middel is ontleend aan artikel 5, lid 3, van het Statuut, volgens hetwelk „voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan gelden.” Verzoekster meent dat deze bepaling geschonden is. Zij stelt dat, terwijl zij na 1 januari 1973 geen enkele bevordering heeft gekregen, de heer Reid, na in 1974 in de rang A 5 te zijn aangesteld, in 1978 is bevorderd tot de rang A 4 en in 1980 tot de rang A 3.
Maar ook vanuit dit oogpunt komt de klacht mij ongegrond voor. Uit het in artikel 5, lid 3, vervatte beginsel van gelijkheid van behandeling kan geenszins worden afgeleid dat de ambtenaren recht hebben op een identieke loopbaan. Zoals bekend, kent het communautaire ambtenarenrecht geen echt recht op bevordering naar hogere functies, omdat de keuze afhangt van de discretionaire beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag. In dit verband heeft het Hof verklaard dat er zelfs geen recht op bevordering bestaat voor iemand die aan de gestelde eisen voldoet (arrest van 25 november 1976, zaak 123/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1701). Bij bevorderingen — aldus het Hof — vormt het belang van de dienst het beslissende criterium; de enige waarborg ter bescherming van de ambtenaren betreft de besluiten waarmee de benoemde instantie haar discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend (arrest van 16 juni 1971, zaak 61/70, Vistosi, Jurispr. 1971, blz. 535; beschikking van 15 juli 1976, zaak 61/76 R, Jurispr. 1976, blz. 1349).
De keuze om een post hoger in te delen, althans in het organigram van de instelling een post van een hogere rang voor een bepaalde dienst op te nemen, moet dus worden getoetst aan het belang van de dienst. Op dit laatst aspect kom ik dadelijk terug.
8.
Macevičius stelt immers ook schending van de artikelen 7, lid 1, en 45, lid 1, van het Statuut. Volgens deze bepalingen „stelt het tot aanstelling bevoegd gezag de ambtenaar uitsluitend in het belang van de dienst ... overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt”, en „geschiedt bevordering uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten c ie over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.”
Verzoekster betoogt, dat het in het belang van de dienst had kunnen zijn om een post van afdelingshoofd toe te wijzen aan de door haar geleide sector van de bibliotheek. Daartoe beroept zij zich op het arrest van het Hof (Derde kamer) van 28 oktober 1980 (zaak 2/80, Dautzenberg, Jurispr. 1980, blz. 3107), waarbij de bevordering van een ambtenaar tot de rang van afdelingshoofd werd nietigverklaard wegens proceduregebreken en inzonderheid wegens onvoldoende afweging van de behoeften en prioriteiten van de verschillende diensten.
Gelijk verweerder evenwel heeft opgemerkt, week de situatie in de zaak-Dautzenberg in verscheidene opzichten af van de onderhavige. Ik meen overigens dat de aldaar door het Hof gevolgde redenering in casu kan worden gebruikt ter beoordeling van eventuele gebreken van de procedure tot benoeming van de heer Reid. Zoals advocaatgeneraal Warner in zijn conclusie in zaak 2/80 (Jurispr. 1980, blz. 3122) opmerkte, „voorziet het Statuut niet met zoveel woorden in de ‚omzetting’ van posten. Wat gemeenlijk ‚omzetting’ wordt genoemd, is strikt genomen ... de schrapping van een ambt op de in artikel 6 van het Statuut genoemde lijst en de toevoeging daaraan van een nieuw ambt in een hogere rang. Dit nieuwe ambt moet dan worden bezet overeenkomstig de procedure van de artikelen 4 en 29 [van het Statuut], Voordat deze procedure kan worden ingeleid, moeten echter de aan het nieuwe ambt verbonden werkzaamheden worden omschreven. Wanneer de aan een aantal bestaande ambten verbonden werkzaamheden op zichzelf grond opleveren om ze aan een nieuw ambt over te dragen, moet bij de keuze daartussen worden gezien naar de verantwoordelijkheid die aan elk van die ambten is verbonden, en niet naar de verdiensten van de ambtenaren die ze op dat moment bekleden.”
Gelet op deze regels en op het door het Hof in het arrest ontwikkelde beginsel volgens hetwelk „... het belang van dé verschillende diensten of ambten alsmede het belang van de werkzaamheden en verantwoordelijkheden die daaraan zijn opgedragen, het belangrijkste criterium moeten vormen bij de beslissing of een bepaalde dienst moet worden geleid door — dan wel of een bepaald ambt moet worden toevertrouwd aan — een ambtenaar met de rang van afdelingshoofd en niet aan een ambtenaar met de rang van hoofdadministrateur” Qurispr. 1980, blz. 3117, r.o. 9), kan de verwerende instelling mijns inziens geen verwijt worden gemaakt. Voor zover het de afweging van de behoeften en belangen van de dienst betreft, lijkt zij een volstrekt juist gebruik van haar discretionaire bevoegdheid te hebben gemaakt. Met name de keuze om de post van het hoofd van de dienst „Naslagwerken, informatie en documentatie” hoger in te delen, lijkt mij afdoende gemotiveerd; deze keuze dient te worden gezien in het kader van het voorstel van directeurgeneraal Taylor, dat overigens aansloot bij de aanwijzingen van de Commissie voor de begrotingen van het Parlement. Deze wenste immers de versterking van die dienst ten behoeve van de rechtstreeks gekozen afgevaardigden.
Daarbij valt op te merken dat het Parlement, anders dan de andere instellingen, op administratief gebied een bijzondere financiële autonomie geniet. Volgens resolutie nr. 1, opgenomen in de notulen van de Raadzitting van 22 april 1970, is het Parlement bevoegd zijn eigen huishoudelijke uitgaven goed te keuren, terwijl de Raad „zich ertoe verbindt de raming van de uitgaven van het Europees Parlement niet te wijzigen” (Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, 1978, blz. 885). Hieruit volgt — zoals de verwerende instelling heeft gesteld — dat de Commissie voor de begrotingen van het Parlement niet enkel een begrotingsorgaan is, maar, althans in zekere mate, deel uitmaakt van het tot aanstelling bevoegd gezag zelf. Vandaar de noodzaak om haar voorstellen inzake het organigram van de instelling op te volgen.
9.
Tot slot herinner ik aan verzoeksters vordering om in plaats van de heer Reid tot afdelingshoofd te worden benoemd.
Het verzoek is merkwaardig wanneer men bedenkt dat verzoekster zich niet binnen de in de kennisgeving gestelde termijn kandidaat voor de betrokken post heeft gesteld. Belangrijker is evenwel dat het duidelijk niet ontvankelijk is. Het Hof kan immers enkel de wettigheid van het bestreden besluit toetsen, maar zich in geen geval in de plaats van het tot aanstelling bevoegd gezag stellen.
10.
Gelet op het voorgaande, concludeer ik dat het Hof het beroep van mevrouw Margherita Macevičius niet ontvankelijk, of, subsidiair, ongegrond verklare. Wat de kosten betreft, ben ik van mening dat verzoekster, gezien de niet-ontvankelijkheid en de ongegrondheid overduidelijk waren, geen aanspraak kan maken op toepassing van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering, zodat zij in alle kosten dient te worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans,
Full & Egal Universal Law Academy