CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 23 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het Hof heeft zich uit te spreken over een schadevordering, tegen de Raad en de Commissie ingesteld door een graanvenverkende onderneming die klaagt dat zij gedurende ongeveer drie maanden in 1977 geen restituties bij de produktie van maisgritz heeft ontvangen. Deze zaak behoort tot een reeks procedures over hetzelfde onderwerp. In dit verband heeft het Hof reeds in verscheidene arresten de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap bevestigd en een aantal aspecten daarvan nader bepaald (zie in het algemeen de overeenkomstige arresten van 4 oktober 1979 in zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1973, blz. 2955; gevoegde zaken 241, 242 en 245-250/78, DGV e. a., Jurispr. 1979, blz. 3017; gevoegde zaken 261 en 262/78, Interquell Stärke-Chemie, Jurispr. 1979, blz. 3045, gevoegde zaken 64 en 113/76, 167 en 239/78, 27, 28 en 45/79, Dumortier e. a., Jurispr. 1979, blz. 3091, en voor de bijzondere aspecten waarop ik doelde, bijvoorbeeld het arrest van 27 januari 1982 in de gevoegde zaken 256, 257, 265 en 267/80 en 5/81, Birra Wührer e. a., Jurispr. 1982, blz 85, over de verjaring; het arrest van 19 mei 1982 in de gevoegde zaken 64 en 113, 167 en 239/78, 27, 28 en 45/79, Dumortier e. a., Jurispr. 1982, blz. 1733, over het referentietijdstip bij de bepaling van de schade).
In de onderhavige zaak staat vast dat de Gemeenschap, door in 1978 de restituties bij de produktie van gritz, ingevoerd bij verordening nr. 120/67 van de Raad van 13 juni 1967, weer af te schaffen, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en aldus een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Ook wordt erkend dat de hierdoor benadeelde bedrijven recht hebben op een vergoeding ten belope van het gehele bedrag van de niet ontvangen restituties. Blijft dus vast te stellen, of er in concreto schade is geleden, en welke. Daarbij moeten twee factoren in aanmerking worden genomen: de mogelijkheid door de producenten om de hogere kosten op hun afnemers af te wentelen, en de bijzondere kenmerken van de door verzoekster geproduceerde gritz. Bovendien moet worden vastgesteld, van welke datum moet worden uitgegaan ter bepaling van de koers waartegen de rekeneenheid, waarin het bedrag van de restituties is uitgedrukt, moet worden omgerekend in ponden sterling, de valuta waarin de betaling moet worden verricht. Tenslotte moeten de rentevoet en de begindatum van de moratoire interessen worden vastgesteld.
2.
De feiten kunnen worden samengevat als volgt. Pauls Agriculture Limited is een vennootschap naar Engels recht met zetel te Ipswich (Verenigd Koninkrijk). Sinds het begin van deze eeuw produceert zij maisgritz voor de brouwerij-industrie. Bij brief van 3 juli 1981 verzocht zij de Raad van de Europese Gemeenschappen om betaling van restituties bij de produktie voor 6857 ton gritz, diezij in het tijdvak van 1 augustus tot 18 oktober 1977 had geproduceerd. De gevorderde som bedroeg 59039 rekeneenheden, overeenkomend met ongeveer UKL 32874 (zie de staat bij genoemde brief, in bijlage bij het verzoekschrift). Bij schrijven van 17 juli 1981 wees de Raad het verzoek echter af, op grond dat het te laat was ingediend, namelijk vijf jaar na de bekendmaking in het Publikatieblad van de verordening waarbij de restituties voor gritz werden afgeschaft. Tevens wees de Raad erop, dat de produktie waarvoor restituties werden gevorderd, was begonnen nadat deze, zoals bekend, in maart 1975 waren afgeschaft. Ook om die reden kon verzoekster volgens de Raad geen enkele aanspraak maken.
Gezien deze weigering daagde de Engelse onderneming de Raad en de Commissie voor het Hof. Het verzoekschrift is ter griffie ingekomen op 21 september 1981. Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:
a)
primair, de bij brief van 7 juli 1981 aan verzoekster meegedeelde beschikking van de Raad nietig te verklaren en te verstaan dat de Gemeenschap aan verzoekster een bedrag van UKL 32874,65 zal betalen met de daarover verschuldigde rente;
b)
subsidiair, de Raad en/of de Commissie te veroordelen, verzoekster bij wege van schadevergoeding genoemd bedrag vermeerderd met rente te betalen;
c)
in ieder geval de verweerders te verwijzen in de kosten van het geding.
3.
Tijdens de mondelinge behandeling liet verzoekster uitdrukkelijk de eerste — dus de primaire — vordering vallen. Het thema decidendi van de onderhavige zaak is derhalve beperkt tot het sub b gevorderde, namelijk vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden door de niet-betaling van de restituties.
In dit engere kader hebben de Raad en de Commissie erkend dat Pauls Agriculture Limited, evenals alle andere producenten van gritz voor de brouwerij-industrie, schade heeft geleden als gevolg van het bepaalde in verordening nr. 665/75 van de Raad van 4 maart 1975. Beide instellingen betwisten echter de schadevordering van de onderneming met argumenten ontleend aan de bijzonderheden van de zaak. Laat ik ze een voor een onderzoeken, te beginnen met twee verweren die in het verzoekschrift en de verweerschriften vrij breedvoerig, maar niet diepgaand zijn besproken.
4.
Ik bedoel in de eerste plaats het argument gebaseerd op de verjaring van het recht op schadevergoeding. In dit verband wil ik erop wijzen, dat volgens de eerste zin van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG „de vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven, verjaren”.
Weliswaar heeft de Raad dit verweer opgeworpen in zijn brief van 17 juli 1981, dus voor het begin van de procedure, maar de Raad en de Commissie hebben in hun respectieve verweerschriften erkend dat het ongegrond was, daar het tijdsverloop tussen de datum, of liever de data, waarop de restituties hadden moeten worden betaald (augustus tot oktober 1977), en het begin van de procedure (21 september 1981) minder dan vijf jaar bedroeg. Er kan immers geen twijfel over bestaan, dat de extinctieve verjaring van de schadevordering ingaat op het tijdstip waarop de restituties verschuldigd worden: aldus het Hof in zijn arrest van 27 februari 1982 (gevoegde zaken 256, 257, 265 en 267/80 en 5/81, Birra Wührer e. a., reeds aangehaald).
Zoals gezegd, is in de precontentieuze fase nog een tweede verweer aangevoerd, dat echter terstond moet worden afgewezen. De Raad stelt in zijn brief, dat Pauls Agriculture Limited met de produktie van gritz voor de brouwerijindustrie was begonnen na de inwerkingtreding van de verordening van 4 maart 1975. Het gestelde verlies zou dus niet voortvloeien uit de afschaffing van de restituties bij die verordening, zodat geen vergoeding verschuldigd was. Deze opvatting zou steun vinden in 's Hofs arrest van 4 oktober 1979 in voornoemde gevoegde zaken 241, 242 en 245-250/78, DGV e. a. met name in r.o. 19.
Dit argument is echter niet overtuigend, omdat Pauls Agriculture Limited, naar beide partijen erkennen, sinds het begin van de eeuw maisgritz voor de brouwerij-industrie heeft geproduceerd. Het feit dat haar schadevordering alleen betrekking heeft op drie maanden in 1977, volgend op de afschaffing van de restituties, valt gemakkelijk te verklaren. Op grond van de overgangsmaatregelen in de Toetredingsakte hadden de Engelse producenten pas per 1 augustus 1977 recht op restituties voor gritz en gelijksoortige produkten. De Commissie heeft zich overigens bij dit onbetwistbare feit neergelegd en uitdrukkelijk toegegeven dat bedoeld verweer ongegrond is (zie haar verweerschrift van 15 maart 1982, blz. 3, paragraaf 4).
5.
Ik kom dan op de argumenten ten gronde, die in de verweerschriften naar voren zijn gebracht. Het eerste berust op het zogenoemde „afwentelen” op de afnemers, van de hogere kosten die de ondernemingen hebben te dragen wanneer de gemeenschapsrestituties waarop zij recht hebben, worden afgeschaft. De Raad en de Commissie beroepen zich in de eerste plaats op een algemeen aansprakelijkheidsbeginsel waarover geen verschil van mening kan bestaan, namelijk de regel dat alleen vergoeding verschuldigd is voor werkelijk geleden schade. Daarvan uitgaande betogen verweerders, dat verzoekster in casu moet aantonen dat zij de schade voortvloeiende uit de niet-betaling van de restituties, niet heeft doorberekend in haar verkoopprijzen. Anders zou de schade door de afnemers en niet door de producent zijn gedragen. Met andere woorden, alleen door met bewijsstukken te staven dat geen doorberekening heeft plaatsgevonden, zou zij werkelijke schade kunnen aantonen en dus recht hebben op de daarmee overeenkomende vergoeding.
Laat ik maar dadelijk zeggen dat dit argument mij niet overtuigt. De afwenteling wordt hier herleid tot de rechtsfiguur van de compensatio lucri cum damno, of wordt voorgesteld als een verplichting van goede trouw, die de gelaedeerde verplicht zijn schade zoveel mogelijk te beperken, teneinde de schadeveroorzaker voor nog ernstiger consequenties van zijn onrechtmatig handelen te behoeden. In beide gevallen is slechts één conclusie mogelijk: de opvatting dat verliezen kunnen worden doorberekend is in principe onverenigbaar met de beginselen van de niet-contractuele aansprakelijkheid.
Op het eerste punt sluit ik mij volledig aan bij het standpunt van advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie van 12 september 1979 in zaak 238/78 (Ireks-Arkady). Afwenteling, zo zei hij, kan de voor vergoeding in aanmerking komende schade slechts ongedaan maken of beperken indien het beginsel van toepassing zou zijn, dat de schade en het eventuele voordeel, die uit een en dezelfde onrechtmatige daad zijn ontstaan, gecompenseerd moeten worden (compensatio lucri cum damno). De toepasselijkheid van dit beginsel moet echter worden uitgesloten (of werd althans uitgesloten in de zaak-Ireks-Arkady, die veel gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak), daar, aldus advocaat-generaal Capotorti, in geen geval kan worden gezegd dat het voordeel dat wordt geacht met een verhoging van de prijzen te zijn verbonden, zijn oorzaak vindt in de afschaffing van de produktierestituties: het is de vrucht van een zelfstandige beslissing der producenten. Anders gezegd: van compensatie van nadeel en voordeel kan slechts sprake zijn wanneer beide rechtstreeks en automatisch uit de onrechtmatige handeling zijn voortgevloeid, terwijl de intrekking van de communautaire steunmaatregel de benadeelden rechtstreeks geen enkel voordeel heeft bezorgd (Jurispr. 1979, blz. 2976, 3005).
Het is ook geen oplossing „te vluchten in algemene clausules”, zoals J. W.- Hedemann zou hebben gezegd. Eerlijkheid, goede trouw en solidariteit tussen particulieren en overheid zijn nobele ideeën, die ook buiten de contractuele sfeer rechtswerking hebben. In casu kan hun normatieve en verklarende werking echter nauwelijks steun bieden. Het doorberekenen, opgevat als een verplichting om de schadeveroorzaker voor ernstiger consequenties te bewaren, vindt zijn onoverkomelijke beperking in de werking van de vrije mededinging. Wanneer ondernemingen prijzen vaststellen, houden zij niet, en kunnen zij ook niet alleen rekening houden met hun eigen kosten en de winst die zij willen maken; hun gedrag wordt mede bepaald door de marktsituatie. Maakt deze laatste het mogelijk de prijs op een bepaald niveau vast te stellen zonder dat de omzet daaronder lijdt, dan zal de onderneming dat en geen ander prijsniveau kiezen, of het haar nu bevalt of niet, en met of zonder steun van de Gemeenschap.
Maar er is meer. Zelfs aangenomen dat de ideële bezwaren waarop de afwentelingstheorie mijns inziens stuit, overkomelijk zijn, dan nog kan ik het niet eens zijn met het standpunt van de Raad en de Commissie, dat op de gelaedeerde de bewijslast rust dat de schade niet in de verkoopprijzen is doorberekend. Daartoe beroepen de verwerende instellingen zich, zij het in algemene bewoordingen, op de rechtspraak van het Hof. Maar dit is een slag in het luchtledige. In geen van 's Hofs vele arresten inzake het doorberekenen van verliezen, komt direct of indirect het vraagstuk van de bewijslast ter sprake. Tegen hun opvatting pleiten echter zwaarwegende argumenten, en wel in de eerste plaats de bekende algemene regel betreffende de verdeling van de bewijslast, die ik als volgt zou willen formuleren: wie stelt, moet bewijzen; wie het gestelde betwist, moet bewijzen waarom dat geheel of gedeeltelijk niet juist is.
In casu is het duidelijk dat de doorberekening de vergoedingsplicht teniet doet gaan. Het is een bijkomende omstandigheid ten opzichte van de onrechtmatige daad waaruit de verplichting is voortgekomen, en zij brengt mee dat die verplichting wordt opgeheven of beperkt. In deze situatie kan de bewijslast niet bij Pauls Agriculture liggen. Zij behoeft, naast de onrechtmatige gedraging van de wederpartij en het causaal verband tussen die gedraging en de schade, alleen aan te tonen dat zij vermogensschade heeft geleden. Met name volstaat het dat zij aantoont, in een gegeven periode een bepaalde hoeveelheid gritz voor de brouwerij-industrie te hebben geproduceerd. Wil de Gemeenschap echter van de vergoedingsplicht worden ontslagen, dan dient zij aan te tonen dat zij de restituties heeft betaald of — voor wie het verweer inzake de afwenteling als geldig beschouwt — te bewijzen dat de extra kosten zijn doorberekend.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de verwerende instellingen, ofschoon betogend dat de bewijslast met betrekking tot de doorberekening in principe ligt bij de gelaedeerde, erkend dat in casu in feite geen doorberekening heeft plaatsgebonden. In zoverre lijkt het onderhavige verweer dus in ieder geval ongegrond.
6.
De verwerende instellingen voeren echter nog een tweede argument aan, dat gebaseerd is op de uitlegging van de verordeningen nrs. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB, L 281 van 1975, blz. 1) en 1570/78 van de Commissie van 4 juli 1978 (PB L 185 van 1978, blz. 22). De eerste betreft de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen; de tweede bevat gedetailleerde uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2742/75 met betrekking tot de restituties bij de produktie voor zetmeelhoudende produkten.
Artikel 1 van verordening nr. 1570/78 bepaalt aan welke vereisten gries en griesmeel van mais moeten voldoen om voor restitutie in aanmerking te komen. Een daarvan is een bepaalde minimumkorrelgrootte. Maar volgens verweerders volstaat dit niet. In hun verweerschriften merken zij immers op, dat volgens de aanvullende aantekening bij post 11.02 van het GDT „als gries en griesmeel worden aangemerkt de door het vermalen of fijnmaken van graankorrels verkregen produkten die aan de volgende voorwaarden voldoen: a) voor de uit mais verkregen produkten moet het aantal gewichtspercenten dat door een van zijde, van synthetische of van kunstmatige textielstoffen vervaardigde zeef met een maaswijdte van 2 mm kan passeren, tenminste 95 bedragen.” Gries en griesmeel moeten dus niet alleen een bepaalde minimum korrelgrootte hebben, doch de korrels mogen ook niet groter zijn dan een bepaald maximum. Dit laatste, dus of de door verzoekster van 1 augustus tot 18 september 1977 geproduceerde gritz onder deze maximum korrelgrootte bleef, zou door verzoekster moeten worden aangetoond.
Dit argument nu is volstrekt waardeloos. Verweerders hebben dit trouwens erkend, toen zij tijdens de mondelinge behandeling toegaven dat ook gritz met een korrelgrootte van meer dan 2 mm in het Verenigd Koninkrijk voor de produktie van bier wordt gebruikt, en dat het weigeren van restituties voor dat produkt evenzeer in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling als het weigeren van restituties voor fijner gemalen gritz. Beide typen gritz worden immers in de brouwerij-industrie gebruikt als een vervangingsprodukt voor maiszetmeel, en het zou dus niet gerechtvaardigd zijn, voor het kleine type wel, maar voor het grote geen restituties te verlenen. Door dit te erkennen, hebben verweerders dus slechts adhesie betuigd met de beginselen die het Hof heeft ontwikkeld in zijn arresten van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, Jurispr. 1977, blz. 1753, en 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1795).
Onder deze omstandigheden acht ik het irrelevant, of verordening nr. 1127/78 van de Raad van 30 mei 1978 (aangevuld door uitvoeringsverordening nr. 1570/78 van 4 juli 1978), waarbij de restituties voor maisgritz per 19 oktober 1977 (dus vanaf de datum van genoemde arresten) opnieuw werden ingevoerd, al dan niet van toepassing is op gries en griesmeel van mais met een korrelgrootte van meer dan 2 mm. Die regeling is immers eerst van kracht geworden na het tijdvak (augustusoktober 1977) waarop deze zaak betrekking heeft. Daarom wil ik niet ingaan op de tussen Raad en Commissie ter terechtzitting gevoerde discussie over de uitlegging van verordening nr. 1570/78 en over de bevoegdheid om eventueel, bepalingen vast te stellen die de twijfel of de (in 1978 wederom ingevoerde) restituties ook gelden voor gritz met een korrelgrootte boven het maximum, uit de wereld helpen.
7.
Ik kom thans tot het probleem van het referentietijdstip voor de bepaling van de omrekeningskoers van rekeneenheden in ponden sterling. Zoals bekend, worden restituties thans uitgedrukt in Ecu's. Daar verzoekster echter in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, moet de betaling van de restituties — en dus ook van de schadevergoeding — in Britse valuta geschieden.
Ter terechtzitting vorderde Pauls Agriculture Limited dat de schade zou worden berekend volgens de koers op de dag van het arrest, en dit vooral indien het Hof zou bepalen dat de moratoire interessen op diezelfde datum zullen gaan lopen. Volgens verweerders in hun memorie van antwoord, verdient echter de datum waarop de vermogensschade is ontstaan, de voorkeur, meer bepaald die van de verrichtingen in verband waarmee de restituties verschuldigd zijn. Maar ook op dit punt herzagen zij hun standpunt tijdens de mondelinge behandeling: zij erkenden dat het wenselijk is de omrekeningskoers toe te passen, die geldt op de datum van het arrest waarin de aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt vastgesteld. Dit is overigens de lijn van 's Hofs rechtspraak. In het arrest van 19 mei 1982 (Dumortier, reeds aangehaald) overwoog het Hof, dat de restituties enkel de berekeningsgrondslag van het schadevergoedingsbedrag vormden en dat de schade moet worden begroot naar de toestand op de datum waarop de aansprakelijkheid wordt vastgesteld. Daarvan uitgaande overwoog het Hof, dat het schadebedrag moet worden bepaald door op de restituties de omrekeningskoers toe te passen die geldt op de dag van het arrest waarin de aansprakelijkheid is vastgesteld (inz. r.o. 10, 11 en 12).
Er is geen enkele reden om deze rechtspraak niet ook in casu te volgen, vooral nu partijen, zoals gezegd, het uiteindelijk op dit punt eens blijken te zijn.
8.
Vervolgens het vraagstuk van de moratoire interessen. Verzoekster betoogt in haar repliek van 25 mei 1982, dat verweerders moeten worden veroordeeld haar de verschenen interessen over het als schadevergoeding toegekende bedrag te betalen vanaf het tijdstip waarop zij de restituties had moeten ontvangen, en, zo vervolgt zij, de rentevoet dient gelijk te zijn aan de gebruikelijke commerciële rentevoet ter plaatse waar zij haar handelsactiviteiten verrichtte, in de maanden waarin de restituties niet werden betaald.
Het gaat hier dus om twee verschillende problemen: het eerste is de datum waarop de rente ingaat, en het tweede de rentevoet. Voor haar opvatting, dat de rente moet worden berekend vanaf het tijdstip waarop de schade is opgetreden, voert verzoekster voornamelijk twee argumenten aan. In de eerste plaats zou deze oplossing gebruikelijk zijn in de rechtsstelsels van de Lid-Staten. Dit is echter niet juist. De Lid-Staten kennen geen algemeen beginsel, dat moratoire interessen moeten worden berekend vanaf de datum waarop de schade is geleden, maar hebben integendeel zeer verschillende regelingen. Zoals advocaat-generaal Capotorti opmerkte in zijn conclusie van 27 april 1982 in genoemde zaak-Dumortier, wordt in sommige gevallen „de rechter een discretionaire bevoegdheid verleend om een rentevergoeding en de datum van ingang daarvan vast te stellen ...; in andere is vastgelegd dat rente verschuldigd is ofwel vanaf de datum van ingebrekestelling van de schuldenaar ..., ofwel vanaf de datum van de uitspraak” (Jurispr. 1982, biz. 1752, 1756).
Verzoekster betoogt voorts dat een werkelijke restitutio in integrum van de gelaedeerde enkel is gewaarborgd wanneer men de moratoire interessen laat lopen vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook dit argument vind ik niet overtuigend. In het arrest-Dumortier overwoog het Hof, dat reeds van volledige vergoeding sprake is wanneer het bedrag van de schade wordt bepaald naar de dag waarop de annsprakelijkheid wordt vastgesteld, en het besliste dienovereenkomstig dat de moratoire interessen op die datum ingingen. Wanneer men ervan uitgaat, dat vergoeding van schade betekent dat de gelaedeerde in zijn vermogen wordt hersteld vanaf het tijdstip waarop de rechter het schadebedrag vaststelt, dan is het trouwens alleen maar logisch om de interessen op diezelfde datum te doen ingaan. Dit verband wordt ook in de rechtspraak van het Hof gelegd: ik moge nogmaals verwijzen naar het arrest-Dumortier van 19 mei 1982.
Tenslotte dan de rentevoet. Volgens verzoekster dient deze overeen te komen met de in de handel gebruikelijke. Daarentegen zijn verweerders van mening, dat de rente overeenkomstig de rechtspraak van het Hof op 6 % 's jaars moet worden bepaald. Ik meen dat dit laatste de voorkeur verdient, enerzijds met het oog op het gelijkheidsbeginsel, anderzijds omdat het aansluit bij een duidelijke lijn van 's Hofs rechtspraak. Het lijkt mij immers een duidelijke zaak, dat het aanvaarden van evenveel — en bovendien voortdurend veranderde — rentevoeten als er Lid-Staten zijn, afhankelijk van de plaats waar de crediteur is gevestigd, het gevaar van discriminatie inhoudt. Ik neem aan dat het Hof de eenvormige voet van 6 % juist heeft gekozen om dat risico te vermijden (zie de reeds aangehaalde arresten van 4 oktober 1979 in de gevoegde zaken 261 en 262/78, Interquell-Stärke Chemie, r.o. 22 en 23, en 19 mei 1982, Dumortier). In casu is bovendien niet gebleken dat er termen aanwezig zijn om van die rechtspraak af te wijken.
9.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, bij interlocutoir arrest te beslissen op het op 21 september 1981 door Pauls Agriculture Limited tegen de Raad en de Commissie ingestelde beroep, en wel:
a)
de Europese Economische Gemeenschap aansprakelijk te verklaren voor de schade die verzoekster heeft geleden door de schending van het gelijkheidsbeginsel, meer bepaald door het verschil in behandeling ten opzichte van de producenten van maiszetmeel ten gevolge van de afschaffing van de restitutie bij de produktie van gritz, die bij 's Hofs arresten van 19 oktober 1977 in de gevoegde zaken 117/76 en 16/77, en 124/76 en 20/77 onwettig is verklaard;
b)
mitsdien te verstaan, dat de Europese Economische Gemeenschap verzoekster een schadevergoeding zal betalen overeenkomende met het bedrag van de restituties die gedurende het tijdvak van 1 augustus tot 18 oktober 1977 niet zijn betaald voor mais gebruikt bij de produktie van gries en griesmeel (gritz) bestemd voor de brouwerij-industrie, berekend op basis van de rekeneenheden per ton die in hetzelfde tijdvak zijn betaald als restitutie bij de produktie voor mais gebruikt bij de fabricage van zetmeel;
c)
de verschuldigde bedragen vast te stellen door toepassing van de op de datum van het arrest geldende omrekeningskoers rekeneenheid (thans Ecu) pond sterling;
d)
de bedragen te vermeerderen met moratoire interessen op de voet van 6 % vanaf de datum van het arrest;
e)
partijen een termijn van drie maanden te stellen om een akkoord te bereiken over het bedrag van de schadevergoeding en om het Hof hiervan in kennis te stellen;
f)
de Europese Economische Gemeenschap als de in het ongelijk gestelde partij te verwijzen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy