CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 7 OKTOBER 1982
EN BEVESTIGD TER TERECHTZITTING VAN 2 DECEMBER 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
In de zaak 258/81 vraagt de NV Metallurgiki Halyps (hierna te noemen: Halyps of appellante) nietigverklaring van de individuele beschikking van 12 augustus 1981, waarbij de Commissie met name haar produktie- en leveringsquota voor de staalsoorten V en VI (betonstaal en staafstaal) voor het derde kwartaal 1981 heeft vastgesteld. In feite heeft haar beroep echter geen betrekking op de inhoud van deze individuele beschikking, maar op de beweerde onwettigheid van de daaraan ten grondslag liggende algemene beschikking nr. 1831/81. Ter ondersteuning van deze exceptie van onwettigheid heeft Halyps aanvankelijk vier middelen aangevoerd, waarvan zij echter in de loop van de procedure de laatste twee heeft laten vallen. Voor nadere bijzonderheden over deze en andere relevante feiten van de zaak verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
In het eerste overgebleven middel stelt Halyps schending van de Akte van Toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschappen, alsmede van algemene rechtsbeginselen door genoemde algemene beschikking. Zij beroept zich daarbij met name op: a) de geest en de doelstellingen van de overgangsbepalingen in de Toetredingsakte, b) de onmogelijkheid tijdens de overgangsperiode artikel 58 van het EGKS-Verdrag op de Griekse staalindustrie toe te passen en c) schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en eigendomsrecht. Op dit eerste middel zal ik in paragraaf 2 van mijn conclusie nader ingaan. Ik acht het echter nuttig er thans reeds op te wijzen, dat de voor dit middel aangevoerde argumenten aanzienlijke verschillen vertonen met de argumenten die in Uw arrest in de Griekse staalzaken 39/81, 43/81, 85/81 en 88/81 van 16 februari 1982 centraal stonden. In de argumentatie van Halyps ligt het hoofdaccent niet op algemene juridische overwegingen als in de eerste Griekse staalzaken aan de orde. Het hoofdaccent valt veeleer op de specifieke economische aanpassingsproblemen van de Griekse industrie in het algemeen en van de Griekse staalindustrie in het bijzonder, alsmede op de erkenning van deze aanpassingsproblemen door de Gemeenschappen. Zoals uit mijn nadere behandeling daarvan zal blijken, kan aan een deel van de aldus aangevoerde argumenten een zekere economische en politieke waarde niet worden ontzegd. Waarop het dan aankomt, is of deze argumenten ook de daaruit in het eerste middel getrokken juridische conclusie kunnen schragen.
Aan de bijzondere Griekse situatie zal ook aandacht moeten worden besteed bij de beoordeling van het tweede middel van het beroepschrift, waarin Halyps de nietigheid van de algemene beschikking nr. 1831/81 afleidt uit schending van de artikelen 58 en 1 tot 5 van het EGKS-Verdrag en daaruit voortvloeiende algemene beginselen. Dit middel zal ik nader behandelen in paragraaf 3 van deze conclusie.
In de vierde paragraaf van mijn conclusie zal ik na enkele slotopmerkingen mijn bevindingen samenvatten.
2. Het eerste middel
In onderdeel A van haar in het rapport ter terechtzitting samengevatte betoog ter ondersteuning van het eerste middel leidt verzoekster uit de artikelen 25 tot 34, 38, 116, 129, lid 1 en 130, alsmede uit de Protocollen nrs. 3 en 7 van de Toetredingsakte de bedoeling af, het ontwikkelingspeil van de Griekse industrie in het algemeen en van de Grieksp staalindustrie in het bijzonder in de loop van een overgangsperiode van vijf jaar aan te passen aan het ontwikkelingspeil van de overige Lid-Staten.
Deze bedoeling zou mede daarom moeilijk ontkend kunnen worden, omdat zij in overweging 6 van de ruim een maand na de datum van de aangevochten individuele beschikking uitgevaardigde algemene beschikking nr. 2804/81/EGKS van 23 september 1981 (PB L 278 van 1981) in de volgende bewoordingen uitdrukkelijk is erkend :
„De Griekse industrie bevindt zich immers in haar geheel in een ontwikkelingsstadium dat diepgaande structurele wijzigingen te zien geeft, omdat nieuwe sectoren in opbouw zijn en zich ontwikkelen. In dit kader speelt de ijzer- en staalindustrie voor de industrialisatie van het land een bijzonder belangrijke rol. De bouwnijverheid neemt in het staalverbruik een beslissende plaats in en de conjuncturele schommelingen daarin nopen de Griekse ijzer- en staalindustrie zich voortdurend daaraan aan te passen, waardoor zich opvallende fluctuaties zowel in de lopende produktie als bij de investeringen voordoen. Er dient dan ook te worden voorkomen dat het nieuwe quotastelsel, als gevolg van het feit dat het geen even ruime uitzonderingsbepaling bevat als het voorgaande, het resultaat van deze noodzakelijke aanpassingen schaadt of deze onmogelijk maakt. Eventuele versoepelingen in de quota zouden door de Commissie evenwel slechts mogen worden toegestaan met oog op de voor elke onderneming en elke categorie produkten specifieke moeilijkheden.”
Uit de overgangsbepalingen in de Toetredingsakte in het algemeen en uit het (van het „Ierse” Protocol nr. 30 van de eerste uitbreiding van de Gemeenschappen overgenomen) Protocol nr. 7 in het bijzonder kan ook naar mijn oordeel inderdaad worden afgeleid, dat de Gemeenschappen met de aanpassingsproblemen en ontwikkelingsbehoeften van de Griekse industrie hebben willen rekening houden. Reeds omdat de ontwikkelingsmogelijkheden van de Griekse staalindustrie in sterke mate afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de overige Griekse industrie, acht ik genoemd Protocol indirect ook voor de Griekse staalindustrie van belang. Bovendien gelden de artikelen 92 en 93 van het EEG-Verdrag naar de heersende rechtsopvatting mede voor regionale en andere algemene steunmaatregelen, die ook op de staalindustrie van toepassing zijn. Het in dit opzicht in het Protocol toegezegde beleid is dus voor de staalindustrie ook meer rechtstreeks van belang. Hoewel ik met de Commissie enkele onderdelen van het hier bedoelde betoog van appellante onhoudbaar acht, acht ik dan ook inderdaad de opvatting verdedigbaar, dat ook het staalbeleid van de Gemeenschappen de erkende ontwikkelingsbehoeften van de Griekse industrie niet dient te doorkruisen.
Voor de beoordeling van het eerste middel acht ik echter belangrijker dat ook appellante toegeeft, dat de Toetredingsakte geen uitdrukkelijke uitzonderingsbepaling met betrekking tot artikel 58 van het EGKS-Verdrag bevat. Appellante doet dan ook in dit deel van het betoog uitsluitend beroep op de geest en de doelstellingen van de Toetredingsakte en meent vervolgens in onderdeel B van haar betoog, dat dit beroep bij toepassing van een teleologische en systematische interpretatiemethode voldoende is om toepassing van artikel 58 op de Griekse staalindustrie tijdens de genoemde overgangsperiode uit te sluiten.
Deze in deel B van haar betoog door appellante uit de strekking van de overgangsbepalingen in de Toetredingsakte getrokken conclusie kan naar mijn oordeel niet worden aanvaard. Zoals ik in mijn conclusie in de eerdergenoemde Griekse staalzaken reeds heb betoogd, is het algemene uitgangspunt van de artikelen 2 en 9 van de Toetredingsakte, dat voor de toetredende staat vanaf het tijdstip van de toetreding dezelfde rechten en verplichtingen gelden als voor de oude Lid-Staten, voorzover niet uitdrukkelijk anders is overeengekomen. Zoals ook Puissochet in zijn toen door mij geciteerde handboek over de eerste uitbreiding betoogt (blz. 179), dienen de in de Toetredingsakte toegelaten uitzonderingen evenals uitzonderingsregels in het algemeen strikt te worden uitgelegd. In dit verband kan ik ook nog wijzen op rechtsoverwegingen 10 en 11 van Uw arrest in de zaak 231/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1979, blz. 1459), waarin dit beginsel van strikte interpretatie van de uitzonderingsbepalingen in de vergelijkbare, toen aan de orde zijnde Toetredingsakte duidelijk is bevestigd. Met de genoemde geest en doelstellingen van overgangsbepalingen in de Toetredingsakte zal dan ook uitsluitend bij de concrete toepassing van artikel 58 op Griekse ondernemingen rekening kunnen worden gehouden.
Met betrekking tot het betoog van appellante ter ondersteuning van haar eerste middel blijft dan nog slechts te onderzoeken de in onderdeel C gestelde schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en eigendomsrecht. De eerste twee beginselen zouden geschonden zijn doordat de aan haar op grond van de algemene beschikking nr. 1831/81 opgelegde produktiebeperking appellante verhindert de planningsovereenkomsten met betrekking tot haar produktie na te komen die zij eerder met de Griekse regering had gesloten. Dit argument zal reeds moeten worden verworpen, omdat genoemde beginselen van gemeenschapsrecht uitsluitend in verband met rechtshandelingen naar gemeenschapsrecht kunnen worden ingeroepen. Deze rechtshandelingen dienen voldoende rechtszekerheid ten aanzien van dat gemeenschapsrecht te waarborgen en mogen geen inbreuk maken op terzake van de ontwikkeling van het gemeenschapsrecht gewettigd vertrouwen. Reeds de voorrang van het gemeenschapsrecht boven nationaal recht sluit uit dit beginsel uit te strekken tot waarborgen tot handhaving van eventueel aan het nationale recht ontleende rechten. Het argument lijkt voorts gebaseerd te zijn op een extensieve en met zijn tekst onverenigbare uitlegging van Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte. Dit Protocol betreft in feite uitsluitend de handhaving van bepaalde overeengekomen vrijstellingen van invoerrechten en niet ook de handhaving van geheel andersoortige overeenkomsten tussen de Griekse regering en bepaalde ondernemingen als hier in het geding.
Voor wat betreft de stelling, dat de opgelegde produktiebeperking ook de eigendomsrechten zou beperken, kan ik in hoofdzaak volstaan met verwijzing naar rechtsoverweging 89 van Uw arrest in de zaken Valsabbia e. a. (zaken 154, 205, 206, 226 tot 228, 263 en 264/78, 39, 31, 83 en 85/79, Jurispr. 1980, blz. 907), waarin U onder verwijzing naar eerdere rechtspraak stelde, dat „de waarborg van de eigendom van goederen niet in die zin (mag) worden uitgebreid dat zij mede de bescherming omvat van de belangen van de handel, welker wisselvalligheid voor de economische werkzaamheid wezenlijk is”. Het lijkt mij duidelijk, dat wat daar gesteld werd ten aanzien van de toelaatbaarheid van ingrijpen in de handelsvrijheid eveneens geldt voor de toelaatbaarheid van beperkingen van de produktievrijheid. Niet alleen het gemeenschapsrecht, maar ook, het nationale recht van alle Lid-Staten geeft daarvan talrijke voorbeelden te zien. Ik noem in dit verband slechts de talrijke kwaliteits- en milieuvoorschriften, die de produktiemogelijkheden beperken. Voor de economische redenen, die in beginsel ook de toepassing van de onderhavige staalcrisismaatregelen op Griekse ondernemingen rechtvaardigen moge ik verwijzen naar mijn conclusie in de eerste Griekse staalzaken.
3. Het tweede middel
Volgens de nadere uitwerking van het tweede middel zou de algemene beschikking nr. 1831/81 in de eerste plaats door schending van het gelijkheidsbeginsel in strijd zijn met de artikelen 2, 3 en 4 van het EGKS-Verdrag, waarnaar artikel 58 van dat Verdrag in zijn tweede lid verwijst, in de tweede plaats met de artikelen 1 tot en met 5 van genoemd Verdrag en in de derde plaats met het beginsel, dat aan een regeling als de onderhavige geen terugwerkende kracht kan worden toegekend, hetgeen in casu door middel van de aangevochten individuele beschikking zou zijn geschied.
Het eerstgenoemde argument van schending van het aan de artikelen 2, 3 en 4 van het EGKS-Verdrag ten grondslag liggende gelijkheidsbeginsel, berust in hoofdzaak op het verwijt, dat met de bijzondere omstandigheden en het ontwikkelingspeil van iedere afzonderlijke onderneming en van de Griekse ondernemingen in het algemeen geen, althans onvoldoende rekening zou zijn gehouden. Daar het middel als zodanig mede spreekt van schending van artikel 58 en de uit alle genoemde artikelen voortvloeiende beginselen, kan in dit verband echter ook aan het in artikel 58, tweede lid, neergelegde billijkheidsbeginsel worden gedacht.
De schendingen van het gelijkheidsbeginsel zouden met name uit het volgende blijken:
a)
de vaststelling van de referentieperiode, voorafgaande aan de Griekse toetreding, toen de bezettingsgraad van de Griekse staalindustrie met 35 à 40 % aanzienlijk beneden de gemiddelde bezettingsgraad van ongeveer 65 % van de toenmalige Lid-Staten lag; Halyps zelf heeft haar activiteiten pas in juni 1977 aangevangen en benutte haar door de Commissie vastgestelde capaciteit ook in 1980 nog steeds met slechts ongeveer 45 %, waarbij de schade veroorzaakt door aardbevingen mede van invloed is geweest;
b)
gedurende de referentieperiode van de jaren 1978 tot 1980 zou de staalindustrie van de toenmalige Lid-Staten voldoende reserves hebben gevormd, terwijl de minder ontwikkelde Griekse staalondernemingen in minder dan 50 % van de behoeften van de Griekse markt zouden voorzien;
c)
ten nadele van de Griekse staalindustrie zou eveneens gediscrimineerd worden doordat zij zelf haar hoge financieringskosten zou moeten dragen, terwijl de meeste staalondernemingen van de overige Lid-Staten aanzienlijke staatssteun zouden ontvangen;
d)
het ondanks de geheel verschillende feitelijke situatie van de Griekse staalindustrie daarop toepassen van een voor de gehele Gemeenschap uniform quoteringsstelsel, waarbij overigens ook het evenredigheidbeginsel zou zijn geschonden wegens de geringe Griekse staalproduktie.
Halyps wijst in dit verband tenslotte nog op het feit, dat de aan de Griekse staalindustrie opgelegde produktiebeperkingen noch rekening houden met haar exportverplichtingen, noch met de stijgende Griekse vraag naar betonstaal, hetgeen tot een stijgende invoer van betonstaal uit derde landen zou leiden. Zeker deze laatste opmerking zal naar mijn oordeel mede in direct verband met het billijkheidscriterium van artikel 58 moeten worden gezien.
In de tweede plaats acht appellante strijd aanwezig met artikel 1 van het EGKS-Verdrag doordat de algemene beschikking nr. 1831/81 en de daarop gebaseerde individuele beschikking van 12 augustus 1981 de enorme verschillen in structuren, ontwikkelingspeil en bezettingsgraad tussen de Griekse staalondernemingen en de overige communautaire staalindustrie zouden verwaarlozen. De algemene beschikking zou voorts in strijd zijn met artikel 2, alinea 2, van het Verdrag, zoals onder meer uitgelegd in Uw arrest in de gevoegde zaken 27-29/58, Cie des Hauts-Fournaux et Fonderies de Givors e. a. tegen Hoge Autoriteit van de EGKS (Jurispr. 1960, band I, blz. 511). Voorts zou de algemene beschikking in strijd zijn met artikel 3, letters d) en g), met artikel 4, letter b) en artikel 5 van het EGKS-Verdrag.
In de derde plaats zou van ontoelaatbare terugwerkende kracht van de aan appellante opgelegde produktiebeperking sprake zijn, doordat zij de haar betreffende individuele beschikking pas op 24 augustus 1981 zou hebben ontvangen. Dit laatste argument zal in deze procedure reeds daarom niet aanvaard kunnen worden, omdat het klaarblijkelijk niet de algemene beschikking betreft, waarvan de onwettigheid wordt gesteld.
Met betrekking tot de overige argumenten zou ik twee algemene opmerkingen voorop willen stellen.
Om te beginnen blijkt uit het dossier zeer duidelijk, dat bij de toepassing van het quoteringsstelsel op de Griekse staalindustrie een methode van „vallen en opstaan” of wellicht beter van „trial and error” is toegepast, waarvoor sommige Griekse staalondernemingen door het verschaffen van onvoldoende inlichtingen wellicht mede, maar zeker niet uitsluitend verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Het bij beschikking nr. 1832/81 van 3 juli 1981 in de beschikking nr. 1831/81 ingevoegde artikel 7 bis legt daarvan al getuigenis af door voor de Griekse staalindustrie een bijzondere herberekeningsmethode ten aanzien van de referentieproduktiecijfers voor betonstaal en staafstaal in te voeren. De aanvankelijke Halyps betreffende individuele beschikking van 12 augustus 1981 werd voorts in de loop van de procedure op 5 januari 1982 en later nogmaals op 4 februari 1982 achteraf aanzienlijk ten voordele van Halyps gewijzigd. In de onderhavige procedure, die rechtstreeks de beweerde onwettigheid van de algemene beschikking nr. 1831/81 betreft, kan uiteraard buiten beschouwing blijven of ondanks deze latere correcties de aanvankelijke beschikking de produktie van Halyps en de programmering daarvan tijdens het derde kwartaal van 1981 wellicht onredelijk heeft beperkt. Het „trial and error”-karakter van de toepassing van de onderhavige algemene beschikking op de Griekse staalindustrie wordt niettemin ook door deze latere correcties van de aanvankelijke individuele beschikking bevestigd. Tenslotte wordt dit wat improviserende karakter van de toepassing van de algemene beschikking op de Griekse staalindustrie bevestigd door de invoering bij beschikking nr. 2804/81 van 23 september 1981 van de bijzondere billijkheidsclausule artikel 14 bis voor Griekse staalondernemingen, waarvan de laatste twee correcties van de individuele quota voor Halyps een toepassing vormden.
Met name deze laatste wijziging houdt blijkens de daarvoor in de considerans gegeven motivering een uitdrukkelijke erkenning in van de bijzondere aanpassingsbehoeften van de Griekse industrie in het algemeen eri van de Griekse staalindustrie in het bijzonder, waarmede bij de toepassing van het quoteringssysteem op de Griekse staalondernemingen rekening dient te worden gehouden. Zoals ik in mijn beschouwingen over het eerste middel van Halyps reeds heb opgemerkt, kan uit deze bijzondere aanpassingsbehoeften niet worden geconcludeerd dat het quoteringsstelsel als zodanig tijdens de overgangsperiode niet op de Griekse staalindustrie kan worden toegepast. Daar juist de onderhavige zaak illustreert, dat de bijzondere problemen van de Griekse staalindustrie van onderneming tot onderneming sterk kunnen verschillen, kan naar mijn oordeel ook de wettigheid niet worden aangevochten van het zowel uit de considerans van de wijzigingsbeschikking nr. 2804/81 als uit genoemd artikel 14 bis blijkende beginsel, dat de quotacorrecties in verband met deze bijzondere aanpassingsproblemen per onderneming dienen plaats te vinden. Weliswaar moet worden betreurd, dat artikel 14 bis pas kort vóór het einde van het derde kwartaal van 1981 in de algemene beschikking nr. 1831/81 is ingevoegd, doch ik kan in dit late tijdstip van de erkenning van de bijzondere problemen van de Griekse staalindustrie geen grond zien de beschikking in strijd te achten met het billijkheidscriterium van artikel 58 of met het door appellante ingeroepen discriminatieverbod. Slechts in een procedure met betrekking tot de aangevochten individuele beschikking als zodanig zou kunnen worden vastgesteld of wellicht deze individuele beschikking wel met eerdergenoemde beginselen in strijd is. Meer in het algemeen acht ik met betrekking tot de bijzondere situatie van de Griekse staalindustrie en ter verklaring van de voortdurende noodzaak van nieuwe correcties nog van belang de mededeling van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling, dat zij ook nu nog niet over voldoende statistische gegevens over alle sectoren van de Griekse staalindustrie beschikt.
Na deze algemene opmerkingen kan ik betrekkelijk kort zijn met betrekking tot de afzonderlijke argumenten van appellante ter ondersteuning van haar tweede middel. Een in beginsel voor alle ondernemingen gelijke methode van vaststelling van een referentieperiode kan als zodanig zeker niet in strijd geacht worden met enig gelijkheidsbeginsel, indien — zoals in casu het geval is — zowel ten aanzien van de referentieproduktie als ten aanzien van de daaruit afgeleide produktiequota correcties mogelijk zijn, die met relevante bijzondere omstandigheden van de individuele ondernemingen op passende wijze rekening houden. De overige in strijd met artikel 58 betrekking hebbende argumenten zullen reeds op diezelfde grond van een mogelijkheid van individuele correcties eveneens moeten worden afgewezen en hetzelfde geldt voor de aan artikel 1 van het EGKS-Verdrag ontleende argumenten.
De aan de tweede alinea van artikel 2 en artikel 5 van het Verdrag ontleende en in het rapport ter terechtzitting samengevatte argumenten richten zich door het eenzijdig benadrukken van de in deze bepalingen neergelegde markteconomische uitgangspunten in wezen tegen iedere mogelijkheid van toepassing van artikel 58. Zij zijn aldus klaarblijkelijk niet met het systeem van het Verdrag in overeenstemming te brengen en richten zich bovendien eerder tegen artikel 58 dan tegen de uitvoeringsbeschikkingen van dit artikel.
Voor wat het beroep op de artikelen 2 tot en met 4 van het Verdrag in het algemeen en artikel 3 in het bijzonder betreft, kan ik volstaan met te verwijzen naar rechtsoverweging 21 van Uw arrest van 16 februari jongstleden in de zaak 276/81 (Ferriera Padana t. Commissie, Jurispr. 1982, biz. 517), waarin U er aan herinnerde, „dat, naar het Hof reeds voor recht verklaarde, de mogelijkheid alle doeleinden van het Verdrag gelijktijdig na te streven, niet kan worden verzekerd. Het ligt op de weg der Commissie steeds weer voor verzoening tussen die verschillende doelstellingen te zorgen”.
Met betrekking tot het beroep van appellante op het discriminatieverbod van artikel 4 b van het Verdrag, merk ik om te beginnen op, dat het hierbij primair om een verbod van nationale discriminerende maatregelen gaat. Voor zover uit dit artikel niettemin ook een algemeen non-discriminatiebeginsel voor de gemeenschapsinstellingen zelf kan worden afgeleid, kan ik volstaan met te verwijzen naar hetgeen ik over de beweerde schending van een gelijkbehandelingsbeginsel reeds eerder heb opgemerkt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Halyps nog geheel andere argumenten ter ondersteuning van haar verwijt van discriminatie naar voren gebracht. Deze argumenten hadden in feite echter niet op de beweerde discriminatie van Griekse staalondernemingen betrekking, maar op een beweerde discriminatie van gespecialiseerde betonstaalproducenten tegenover multiproduktondernemingen. Daar deze argumenten in feite een nieuw middel inhouden, zullen zij niet ontvankelijk moeten worden verklaard en reeds op die grond buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Ik herinner er ten overvloede aan, dat de Commissie tijdens de mondelinge behandeling niettemin ook de inhoudelijke waarde van deze argumentatie uitvoerig heeft bestreden.
Concluderend zal ook het tweede middel van appellante op de aangegeven gronden moeten worden verworpen.
4. Slotopmerkingen en conclusie
Ter afsluiting van mijn voorgaande beschouwingen zou ik er nog op willen wijzen, dat de Commissie tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van onweersproken cijfermateriaal niet alleen gewezen heeft op de herhaalde correcties van de aan Halyps toegekende produktie- en leveringsquoten, maar bovendien gewezen heeft op de omstandigheid, dat appellante haar aldus uiteindelijk voor het derde kwartaal vastgestelde quota niet heeft uitgeput. Althans voor de onderhavige procedure lijkt mij de late vaststelling van de belangrijkste correctie geen grond om het belang van deze laatste opmerking voor een globale waardering van het effect van de algemene beschikking op de positie van Halyps te ontkennen. Ik heb al eerder opgemerkt, dat ik met name het late tijdstip van de invoeging van artikel 14 bis in de aangevochten algemene beschikking nr. 1831/81 weliswaar betreurenswaardig acht, maar geen grond om deze algemene beschikking onwettig te achten. Het gehele proces van geleidelijke aanpassing van de algemene beschikkingen aan de bijzondere positie van de Griekse staalondernemingen kan ook voldoende uit administratieve praktijkproblemen worden verklaard, die bij toepassing van een zo gecompliceerde regeling op een aanvankelijk onvoldoende bekend feitencomplex onvermijdelijk zijn.
Concluderend meen ik, dat het beroep van Halyps op de aangegeven gronden dient te worden verworpen en dat appellante in de kosten van het geding dient te worden veroordeeld.
Full & Egal Universal Law Academy