CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 16 DECEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
H. List, verzoeker, is in de rang LA 4 als ambtenaar werkzaam bij de Commissie en wel, voorzoveel te dezen van belang, als reviseur. De onderhavige (tweede) vordering betreft zijn werkzaamheid sedert 1 oktober 1979. Aanvankelijk heeft hij toen op directoraatgeneraal (hierna te noemen: DG) IX gewerkt. Hij zou daar niets te doen hebben gehad en, toen hij zich daarover beklaagde, met ingang van februari 1981 ter beschikking van DG II zijn gesteld. Ook daar had hij erg weinig te doen, en hetgeen hij wel te doen kreeg, zou niet met zijn rang in overeenstemming zijn geweest. Op 26 februari 1981 diende hij daarover een formele klacht in en verzocht hij ergens te worden tewerkgesteld waar zijn toenmalige superieuren het niet voor het zeggen hadden.
In die tijd solliciteerde hij ook naar een aantal posten, vermeld in een reeks vacatureaankondigingen (COM/895-934/80); hij moest echter vernemen dat de keus niet op hem was gevallen. In een desbetreffende klacht d.d. 20 maart 1981 betwistte hij de rechtsgeldigheid van de benoemingen die hadden plaats gehad, en wel in de eerste plaats omdat zijn superieuren zijn beoordelingsrapport over het tijdvak 1 juli 1977-30 juni 1979 niet hadden opgemaakt, zodat het tot aanstelling bevoegd gezag daarmede bij de beoordeling van zijn sollicitatie geen rekening had kunnen houden. Ook beklaagde hij zich erover dat hij al meer dan een jaar lang van zijn superieuren niets te doen had gekregen. In de derde plaats vocht hij op 10 juni 1981 de inhoud van het beoordelingsrapport aan; in confesso is evenwel dat hij met deze klacht te vroeg kwam en dat de onderhavige vordering er geen betrekking op heeft.
De Commissie liet alle klachten onbeantwoord, de heer List wendde zich toen tot het Hof, en wel teneinde
1)
een „verkapte strafmaatregel”, die hij gelegen acht in het feit dat hij tussen 1 oktober 1979 en de datum van zijn eerste klacht in het geheel geen werk te doen kreeg, te zien nietigverklaard, althans zich de hem opgekomen schade te zien vergoed;
2)
zijn tewerkstelling op DG II te zien nietigverklaard, althans zich de hem opgekomen schade te zien vergoed;
3)
de procedure die tot de voorziening in de vacatures heeft geleid, en de desbetreffende benoemingen, te zien nietigverklaard, dan wel zich de hem opgekomen schade te zien vergoed.
Wat het eerste punt betreft: tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat List zich in feite niet beklaagt over het feit dat hij niets te doen kreeg, doch over het feit dat hij zowel op DG IX als op DG II heel weinig te doen had. Soms had hij helemaal niets te doen, hetgeen een keer meer dan een jaar heeft geduurd. En toen List bijvoorbeeld in november 1980 drie documenten te vertalen kreeg, was dat veel minder dan hij mocht verwachten, vooral waar de Commissie, in antwoord op een in het Parlement gestelde vraag, verklaarde dat het rendement van haar Duitse vertalers in 1981 per maand 140 bladzijden per vertaler heeft bedragen (PB C 188 van 1982, blz. 14).
De Commissie kan niet meer zeggen wat hij tot aan zijn overplaatsing naar DG II op 20 februari 1981, heeft gedaan; het hoofd van de Duitse afdeling van de Vertaaldienst, die hem het werk rechtstreeks opdroeg, heeft daarover geen nadere bijzonderheden verstrcekt. Onomstreden is echter dat hij van die ambtenaar in ieder geval wel iets te doen heeft gekregen.
Sinds zijn overplaatsing zou hij per dag gemiddeld nog geen anderhalve bladzijde te vertalen hebben gehad. Het niveau van het werk zou ook niet aan zijn rang hebben beantwoord. Toen bij de Commissie werd geïnformeerd naar de hoeveelheid werk die List op DG II werd toevertrouwd, gaf zij toe dat hij in augustus 1982 tweeëntwintig bladzijden in het Duits te vertalen had gekregen. Men is het erover eens dat hieraan zijn normale, gemiddelde portie arbeid mag worden afgelezen. Twee van zijn collega's van DG II schijnen in juli 1982 respectievelijk drieëntwintig en drieëndertig bladzijden te vertalen te hebben gekregen, en dit aantal was, alweer volgens de Commissie, alleszins representatief: ofschoon bij vergelijking met het niveau van de werkzaamheden op de afdelingen van de Vertaaldienst der Commissie gering, was het toch geen bijzonder laag totaal, wanneer men de aard van de werkzaamheden der vertalers van DG II in aanmerking neemt; in kort tijdsbestek (soms vijf of zes uren) moeten daar vertalingen van veelal technische aard worden geleverd.
Het is goed te begrijpen dat het List ergerde of griefde dat er van zijn bekwaamheden op bedoelde post geen adequaat gebruik gemaakt werd. Maar het enkele feit dat een ambtenaar niet veel of niet zeer inspannend werk te doen krijgt, wil nog niet zeggen dat hij wordt gestraft of dat er op hem een tuchtrechtelijke of andere sanctie wordt toegepast. Verdere aanwijzingen dat de Commissie hem heeft willen straffen of dat er in aard en omvang van de hem opgedragen werkzaamheden een strafoplegging besloten lag, werden niet gesignaleerd. Op dit eerste punt zal het beroep mijns inziens dan ook moeten worden verworpen.
Op het tweede punt bedient List zich van twee argumenten:
(i)
volgens artikel 25 van het Statuut van de Ambtenaren had het besluit hem ter beschikking van DG II te stellen, hem schriftelijk moeten worden medegedeeld;
(ii)
het besluit kwam neer op degradatie van reviseur tot vertaler en had met redenen omkleed moeten zijn.
In confesso is dat het overplaatsingsbesluit hem mondeling werd medegedeeld en niet op schrift werd gesteld. Volgens de Commissie was hij tijdens twee aan het besluit voorafgaande gesprekken volledig van de redenen op de hoogte gesteld; hij verklaarde ermede akkoord te gaan en, waar de rechten die hij aan het Statuut ontleende er niet door werden aangetast, werd hij ook niet benadeeld. Hij stelt evenwel, zich tot aan het perfect worden der overplaatsing niet te hebben gerealiseerd dat hem op DG II alleen vertalerswerkzaamheden wachtten; hij had zich akkoord verklaard in de veronderstelling verder als revsieur werkzaam te zullen blijven.
In artikel 25 van het Statuut is onder meer bepaald: „Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht.” Van het „ter beschikking” van een bepaalde afdeling der instelling stellen wordt in het Statuut niet met zoveel woorden gesproken, zodat men zich stellig op het standpunt kan stellen dat zulk een besluit niet „overeenkomstig dit Statuut” is genomen, hetgeen betekent dat het de betrokken ambtenaar niet schriftelijk behoeft te worden medegedeeld; het brengt, althans in theorie, geen wijziging in zijn post of rang en is niet meer dan een internorganisatorische maatregel.
Zou het achterwege laten van een schriftelijke mededeling van het overplaatsingsbesluit de enige grond zijn waarop het werd aangevochten, dan ware het beroep mijns inziens vruchteloos ingesteld.
De tweede beroepsgrond komt mij echter van wezenlijke betekenis voor. Het gaat er om of Lists tegenwoordige werkzaamheden wel aan een réviseur mogen worden opgedragen. Onomstreden is dat hij naar DG II werd overgeplaatst omdat men daar een vertaler nodig had en dat de overplaatsing in zijn post en rang geen wijziging zou brengen. De Commissie geeft blijkbaar toe dat er aldaar voor hem geen reviseurswerk te doen valt en dat zijn beide collega's vertalers zijn. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat een réviseur wel degelijk — en ook uitsluitend — met het werk van een vertaler mag worden belast, vooral wanneer het, zoals in dit geval, niet in de bedoeling ligt dat er nog een réviseur aan te pas komt.
Lists loopbaan (LA 4/5) omvat vier posten: hoofd van een groep vertalers of tolken; réviseur; hoofdvertaler; hoofdtolk. Volgens artikel 5, lid 4, van het Statuut heeft iedere instelling „de omschrijving vast (te stellen) van de werkzaamheden en bevoegdheden die aan iedere standaardfunctie zijn verbonden”. Volgens de toenmalige omschrijving van de Commissie, die te vinden is in een op 11 oktober 1979 gepubliceerde nota van de administratie, is een réviseur een ambtenaar die met de revisie van vertalingen en eventueel ook met al dan niet te reviseren vertaalwerk kan worden belast („ ... chargé d'effectuer la révision de traductions et le cas échéant la traduction de textes avec ou sans révision ...”).
Daarentegen heeft een hoofdvertaler vertaalwerk te verrichten dat in de regel niet wordt gereviseerd en kan hij ook met revişeurswerkzaamheden worden belast („... chargé d'effectuer la traduction de textes, normalement sans révision, et le cas échéant la révision de traductions ...”).
Het is dus, voor zover te dezen van belang, niet zo dat een réviseur alleen maar reviseert en een hoofdvertaler alleen maar vertaalt; het reviseren of controleren van door anderen gemaakt vertaalwerk is een wezenlijk bestanddeel of het hoofdbestanddeel van de reviseursarbeid, terwijl een hoofdvertaler ertoe kán worden geroepen.
De administratie heeft, gezien de behoeften van de dienst, redelijkerwijs uit te maken hoeveel vertaalwerk er van een réviseur zal worden gevraagd; hij moet echter voornamelijk reviseurswerk te doen krijgen en de Commissie heeft zich aan haar eigen omschrijving van de reviseursfunctie te houden. In casu kan niet worden volgehouden dat List als voormeld reviseurswerk doet; hij heeft helemaal niets te reviseren. Als dit alleen maar een gevolg van een wijziging of tijdelijke teruggang van het reviseurswerk zou zijn, dan zou List met vertalingen mogen worden belast. Zo ligt het echter kennelijk niet. Op DG II had men een vertaler en geen réviseur nodig, terwijl verzoeker en zijn collega's alleen maar vertalen. Het door List verrichte werk is kennelijk niet met de omschrijving van de reviseursfunctie in overeenstemming.
In de 16e rechtsoverweging van het in de zaak Macevicius t. Parlement gewezen arrest (zaak 66/75, Jurispr. 1976, blz. 593) heeft het Hof overwogen dat „een maatregel tot reorganisatie van de diensten de statutaire rechten van een ambtenaar niet reeds aantast, wanneer zijn bevoegdheden daardoor worden gewijzigd of zelfs ingekrompen, maar eerst wanneer zijn overblijvende bevoegdheidsterrein naar aard, belang en omvang duidelijk geringer is dan hetgeen overeenkomt met zijn rang en ambt.” Daaraan getoetst, moet het besluit List ter beschikking van het DG II te stellen, mijns inziens worden geacht zijn rechten te hebben aangetast en had het met redenen moeten worden omkleed. Afgezien daarvan was het besluit bovendien onrechtmatig omdat het afbreuk deed aan Lists recht „niet slechts zijn rang en ...” de daaraan verbonden bezoldiging (te behouden), maar ook ... (te) verlangen dat de hem opgedragen werkzaamheden en de hem verleende bevoegdheden in hun geheel met zijn ambt en hiërarchieke rang in overeenstemming zijn” (men zie de arresten gewezen in de zaken 15/65, Klaer t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1965, blz. 1362, en 61/70, Vistosi t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 542, r.o. 15). Het komt mij daarom onnodig voor na te gaan of de Commissie zoals zij stelt, het besluit tijdens twee eraan voorafgaande gesprekken voldoende heeft gemotiveerd.
Ook het argument van de Commissie dat List met de overplaatsing genoegen heeft genomen er nu niet over mag klagen, gaat mijns inziens niet op. In de eerste plaats is het niet duidelijk of hij zich daarbij bewust is geweest welke taken hem op het DG II wachtten. In haar verweerschrift heeft de Commissie ook zelf verklaard dat List inlichtingen over zijn taken had kunnen verkrijgen. In de tweede plaats moet al hetgeen zweemt naar beweerde instemming met een voorstel van een hoger geplaatste ambtenaar dat aan rechten die betrokkene aan het Statuut ontleent tekort doet, kritisch worden bezien, en termen hierbij verder stil te staan, acht ik niet aanwezig. En indien List zich al formeel over zijn overplaatsing had willen beklagen, dan had hij dat slechts achteraf kunnen doen; uit het feit dat hij zich zes dagen na de overplaatsing heeft beklaagd, mag redelijkerwijs worden afgeleid dat hij er niet mee had ingestemd.
Ten verhöre heeft Lists raadsman, als ik het goed begrijp, betoogd dat verzoeker geacht moet worden te hebben gevorderd dat zijn „tewerkstelling op DG II, gezien de werkomstandigheden”, zal worden „nietigverklaard”. Ik geloof niet dat dit een wezenlijke wijziging inhoudt: verzoeker heeft niet gewraakt dat hij naar DG II is gestuurd, maar dat hij daar niet te doen kreeg wat hij zich had voorgesteld.
Gesteld werd dat List bij nietigverklaring van de tewerkstelling geen werkelijk belang zou hebben gehad. Ik geloof niet dat dit waar is. Hij heeft er belang bij ervoor te zorgen dat zijn taakstelling met zijn rang en post in overeenstemming is. Mocht het Hof oordelen dat men, nu hem alleen dit werk is — en kan worden — opgedragen, zijn rechten heeft geschonden, dan dient zijn overplaatsing mijns inziens te worden nietigverklaard. Dit is het enige werkelijke middel dat het Hof ten dienste staat en het behoon mijns inziens in casu te worden aangewend. De Commissie moet er dan voor zorgen dat het hem opgedragen werk, aan de jurisprudentie getoetst en gezien de werksituatie, in overeenstemming is met zijn reviseursfunctie, met dien verstande dat daartoe ook enig vertaalwerk behoort.
Dat List door zijn overplaatsing enig materieel verlies heeft geleden, is niet komen vast te staan, zodat nietigverklaring alleen mijns inziens voldoende soelaas verschaft. Mocht het Hof menen tot nietigverklaring met schadevergoeding te moeten overgaan, dan zou mijns inziens met een symbolisch bedrag kunnen worden volstaan.
Wat het derde punt betreft: alle bedoelde posten behoorden volgens de Commissie tot Lists loopbaan, zodat er geen bevordering aan vast zat en het geen schending van artikel 45 van het Statuut inhield dat zijn beoordelingsrapport voor het tijdvak 1977-1979 nog niet beschikbaar was toen men zijn sollicitatie had te beoordelen. Artikel 45, lid 1, bepaalt, voor zover te dezen van belang: „Bevordering vindt plaats bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag. Zij brengt voor de betrokken ambtenaar aanstelling mede in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort. Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.” Geen van de posten waarnaar List solliciteerde, zou hem zulk een bevordering hebben opgeleverd, het zijn allemaal posten in de loopbaan LA 5/LA 4. Maar omdat artikel 45 voor in lagere rangen dan de rang LA 4 geplaatste ambtenaren zou gelden, zou een gelijke behandeling hebben medegebracht dat de Commissie, alvorens te beslissen, hun beoordelingsrapporten vergeleek met die van de andere sollicitanten, waaronder List. Ook al mocht artikel 45 in het geheel niet van toepassing zijn, dan nog houdt een beoordelingsrapport blijkens artikel 43 een formele beoordeling van bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst van de betrokken ambtenaar in, en naar werd uitgemaakt in het arrest in zaak 24/79 (Obertbur t. Commissie, Jurispr. 1980, blz. 1743, r.o. 8) vormt het „althans wanneer de loopbaan van een ambtenaar door het hiërarchisch gezag in aanmerking wordt genomen, ... een onontbeerlijk beoordelingscriterium”. Het behoort derhalve bij de tewerkstelling in aanmerking te worden genomen, ook al wordt het in het Statuut van de Ambtenaren niet met zoveel woorden verlangd, en zijn er meer sollicitanten, dan dienen alle beoordelingsrapporten in aanmerking te worden genomen, ter verzekering van een gelijke behandeling en een werkelijke vergelijking van hun capaciteiten.
Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat de verplichting de beoordelingsrapporten in aanmerking te nemen alleen geldt voor zover zulke rapporten reeds werden opgemaakt: vergelijkende onderzoeken kunnen niet op de lange baan worden geschoven omdat bepaalde rapporten nog niet (definitief) zijn opgemaakt, indien er goede redenen zijn waarom zulke rapporten er nog niet zijn op het moment dat een sollicitatie moet worden beoordeeld. Ontbreken ze evenwel en blijkt niet van deugdelijke redenen waarom ze nog niet werden opgemaakt, dan kan de eerlijkheid gebieden dat de Commissie ze, alvorens te beslissen, alsnog inwint.
In casu is niet bevredigend verklaard waarom het rapport niet was geproduceerd voordat de hoofden van de Duitse groepen van vertalers waren geselecteerd (COM/895-961/80; de anderen spelen mijns inziens te dezen geen rol, omdat het daarbij gaat om talen die niet Lists moedertaal zijn en zijn raadsman grieven die in zoverre mochten hebben bestaan, heeft laten varen). Anderzijds erkende de Commissie dat Lists sollicitatie opnieuw moest worden bezien zodra zijn beoordelingsrapport zou zijn gemaakt. Het rapport van april 1981 werd in juni 1981, naar aanleiding van zijn opmerkingen, gewijzigd en hij verzocht de zaak te verwijzen naar het Paritaire Beoordelingscomité. Voordat dat Comité vervolgens ter behandeling van Lists bezwaren was bijeengekomen, werd aan het te dezen verantwoordelijke lid der Commissie aanbevolen de voorgestelde benoemingen ongewijzigd te laten.
Van een herziening van Lists positie op grond van zijn beoordelingsrapport kan uiteraard pas sprake zijn als de definitieve versie er is, hetgeen, voor zover het Hof bekend, nog niet het geval is.
Ik neem aan dat de Commissie, wanneer die versie er is, haar toezegging gestand zal doen en ook dat zij daarbij de nodige eerlijkheid en onbevangenheid aan de dag zal leggen. Ik meen dan ook dat de vordering van de heer List niet behoort te worden toegewezen, voorzover hij de procedure tot benoeming van de hoofden der groepen vertalers wenst te zien nietigverklaard.
Op grond van een en ander concludeer ik:
1)
dat Lists eerste vordering, waarin hij stelt dat er te zijnen aanzien verkapte strafmaatregelen zijn toegepast doordat men hem geen of geen passend werk te doen gaf, zal worden afgewezen;
2)
dat het besluit van de Commissie hem ter beschikking van DG II te stellen, zal worden nietigverklaard;
3)
dat het Hof geen uitspraak zal doen over Lists derde vordering, tot nietigverklaring van de procedure gevolgd bij de benoeming van hoofden van groepen vertalers als bedoeld in de aankondigingen van vacatures COM/895-901/80, nu de Commissie heeft toegezegd Lists sollicitatie te zullen herzien, en zich evenmin zal uitspreken over de aankondigingen van de vergelijkende onderzoeken COM/902-934/80;
4)
dat de Commissie in haar eigen kosten en in 2/3 van de kosten door List gemaakt, zal worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy