CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 15 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A. Giannini, tijdelijk functionaris in de rang A 5, heeft bij het Hof beroep ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, strekkende tot nietigverklaring van de benoeming van Casella tot hoofdadministrateur bij de bijzondere dienst „Tarieftechnische vraagstukken in het kader van handelsakkoorden” (rang A 5, salaristrap 4).
De feiten zijn de volgende.
I —
De laatste jaren is de crisis in de textielsector en het belang van het beheer van de in verband daarmee gesloten akkoorden (bilaterale overeenkomsten, multivezelovereenkomst) binnen de Europese Economische Gemeenschap steeds groter geworden.
Die problemen behoren tot de bevoegdheid van de dienst Douane-unie, die rechtstreeks afhangt van de Commissie, ten tijde van de feiten van het onderhavige geschil met name het lid der Commissie Davignon, thans het lid der Commissie Narjes.
Die dienst, met aan het hoofd een directeurgeneraal, was en is nog steeds onderverdeeld in twee directoraten:
—
directoraat A, „Sector tarief”, bestond uit de volgende afdelingen en gespecialiseerde diensten:
1.
„Gemeenschappelijk douanetarief”,
2.
„Tariefvraagstukken van economische aard”,
3.
„Douanewaarde en informatica”,
4.
„Tariefvraagstukken in het kader van overeenkomsten”;
—
directoraat B, „Sector douanewetgeving”, bestond uit de volgende afdelingen en gespecialiseerde diensten:
1.
„Regelingen voor het goederenverkeer en coördinatie van landbouwvraagstukken”,
2.
„Oorsprong van goederen”,
3.
„Algemene douanewetgeving; voorkoming en bestrijding van fraude”,
4.
„Economische douaneregelingen en algemene zaken”.
A. Giannini, geboren in 1941, ambtenaar bij het ministerie van Financiën te Rome, werd per 2 februari 1976 als deskundige inzake textielnomenclatuur gedetacheerd bij de dienst Douane-unie, met name bij de afdelingen 1 en 4 van diretoraat A. Naar het schijnt droeg de Italiaanse overheid de detacheringskosten.
Wegens de verergering van de crisis kreeg de dienst Douane-unie in 1978 een nieuwe tijdelijke post van de loopbaan A 5-4 toegewezen, en Giannini werd op 16 juli 1978 op die post aangesteld als tijdelijke functionaris overeenkomstig artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (RAP). Zijn aanstellingsovereenkomst, die voor onbepaalde tijd was gesloten, verstreek in feite op 30 juni 1981.
Giannini verklaart — en sommige van zijn superieuren of collega's bevestigen — dat indertijd aan de Italiaanse overheid bepaalde toezeggingen zijn gedaan nopens zijn toekomstige benoeming in vaste dienst bij de gemeenschapsadministratie (zie de nota van de directeurgeneraal van 7 juli 1980; de nota van de directeur van directoraat A van 8 december 1980, de nota van het hoofd van de permanente vertegenwoordiging van de Commissie bij de internationale instellingen te Genève van 21 januari 1981).
Daargegenover verklaart de Commissie dat Giannini nadrukkelijk is gewezen op het tijdelijk karakter van zijn aanstelling en op het feit dat een benoeming in vaste dienst alleen mogelijk zou zijn na een algemeen (of extern) vergelijkend onderzoek voor een post of voor de vorming van een aanwervingsreserve, zoals die door de Commissie geregeld worden georganiseerd. In het dossier komen twee nota's van die strekking voor (van 8 maart 1978 en van 17 juli 1978).
Na een proeftijd van zes maanden en een uitermate lovend rapport van de directeur (bijzonder raadadviseur) van directoraat A en van het hoofd van de afdeling (gespecialiseerde dienst) 4 van dat directoraat, werd hij ingedeeld in de rang A 5, salaristrap 2, in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris en met de titel van hoofdadministrateur.
Daar de dienst Douane-unie hem in vaste dienst benoemd wenste te zien, vroeg hij in september 1979 om de overdracht van een A5/4-post van afdeling 3 („Douanewaarde en informatica”) — welke post na het vertrek van Pearce, die tot lid van het Europees Parlement was gekozen was vrijgekomen — naar afdeling 4 („Tariefvraagstukken in het kader van overeenkomsten”), waar Giannini werkzaam was. Tevens verzocht de dienst om publikatie van de aldus overgedragen vacante post.
Afdeling 2 („Loopbanen”) van directoraat A („Personeelszaken”) van directoraat-general IX („Personeelszaken en algemeen beheer”) stemde eerst op 23 november 1979 met de overdracht en met de publikatie in, na de verzekering te hebben gekregen dat die operatie niet bedoeld was om „de benoeming in vaste dienst te vergemakkelijken van een al in dienst zijnde tijdelijk functionaris”, te weten Giannini.
Bijgevolg werd op 20 december 1979 een kennisgeving van vacature (COM/663/79) voor een A5/4-post ter kennis van het personeel gebracht. Volgens die kennisgeving bestond de aard van de functie in het verrichten van scheppende werkzaamheden, studies en controle betreffende het tariefbeheer van de textielovereenkomsten (vraagstukken inzake de tariefindeling en de nomenclatuur van textielprodukten).
Deze omschrijving paste precies op de kwalificaties van Giannini en op zijn werkzaamheden bij afdeling 4.
Artikel 29 Ambtenarenstatuut bepaalt:
„1.
Ten einde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
á)
de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling;
b)
de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling;
c)
de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen;
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide ...
2.
Voor het aanwerven van ambtenaren in de. rangen Al en A 2, alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, kan door het tot aanstelling bevoegde gezag een andere procedure worden gevolgd dan die van het vergelijkend onderzoek.”
In dat stadium kon de kennisgeving van vacature dus alleen maar bedoeld zijn om de aandacht te trekken van gegadigden voor een bevordering of overplaatsing binnen de instelling (artikel 29, lid 1, sub a), en als tijdelijk functionaris kwam Giannini daarvoor niet in aanmerking.
De sollicitatietermijn verstreek op 18 januari 1980. Drie kandidaten meldden zich tijdig voor de post aan.
Een van hen, Luigi Casella, geboren in 1939, was op 1 juni 1962 bij de Commissie in dienst getreden in de rang C 3/1. Hij had een schitterende carrière gemaakt, want op 1 januari 1976 had hij de rang A 6 bereikt. Na gedurende enige tijd werkzaam te zijn geweest bij directoraat A („Sector tarief”), afdeling 1 („Gemeenschappelijk douanetarief”), was hij per 1 januari 1978 in het kader van het „mobiliteitsbeleid” overgegaan of overgeplaatst naar directoraat B („Sector douanewetgeving”), afdeling 4 („Economische douaneregelingen en algemene zaken”). Zijn schriftelijke kandidaatstelling is evenwel geviseerd door het hoofd van afdeling 3 van dat directoraat („Algemene douanewetgeving; voorkoming en bestrijding van fraude”). Hij schijnt zich echter niet in het bijzonder bezig te hebben gehouden met „tariefvraagstukken in het kader van overeen- komsten” (de sector van afdeling 4 van directoraat A) — dat behoorde tot de taak van Giannini.
Op 6 februari 1980 wees de directeurgeneraal van de dienst Douane-unie, die gegadigden zocht, die drie sollicitaties af. Met betrekking tot Casella was hij van oordeel, dat deze een bevordering tot de rang A 5 verdiende „in de dienst waarin hij thans is tewerkgesteld”, zowel wegens zijn rijpheid als wegens zijn bekwaamheid en beroepservaring, maar dat hij niet de specifieke deskundigheid bezat die voor de vacante post vereist was. Hij meende dan ook, dat Casella niet in aanmerking kwam voor de vacature bij afdeling 4 van directoraat A en dat men enkel een geschikt persoon zou kunnen vinden indien men de procedure van artikel 29 van het Statuut zou voortzetten, dat wil zeggen in de eerste plaats een vergelijkheid onderzoek binnen de instelling zou organiseren (artikel 29, lid 1, sub b).
Blijkens het dossier waren de kabinetten van enkele leden van de Commissie en van enkele directoratengeneraal het allerminst met elkaar eens ten aanzien van de situatie van Giannini en Casella. Maar uiteindelijk gaf de directeurgeneraal Douane-unie zijn pogingen op om in de vacature te voorzien via „externe” aanwerving, en werd Casella per 22 december 1980 bevorderd tot de rang A 5, salaristrap 4, bij de afdeling „Tariefvraagstukken in het kader van overeenkomsten”, met salarisanciënniteit vanaf 1 september 1979.
Naar het schijnt houdt Giannini — wiens overeenkomst intussen werd vernieuwd — zich bij afdeling 4 van directoraat A ook nu nog steeds bezig met alle vraagstukken inzake de tariefindeling van textielprodukten, en is Casella zelfs werkzaam bij een andere dienst dan die waarbij hij is aangesteld. Maar zoals de Commissie opmerkt, kan uit die situatie hoogstens worden afgeleid dat de dienst Douane-unie er met zijn verzoek tot overdracht van een A 5/4-post in werkelijkheid naar streefde Giannini in vaste dienst te laten benoemen, of anders dat die overdracht niet echt nodig was.
II —
Giannini heeft bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van de benoeming van Casella en tot heropening van de aanwervingsprocedure voor post COM/663/79.
1.
Het eerste middel van verzoeker is ontleend aan kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten en van het recht, alsmede schending van het dienstbelang (artikel 7 van het Statuut), doordat is aangenomen dat Casella voldeed aan de specifieke vereisten van de kennisgeving van vacature. Casella's benoeming op die grondslag zou enkel hebben plaats gevonden om verzoeker te beletten deel te nemen aan een intern vergelijkend onderzoek met het oog op zijn benoeming op de vacante post; te zijnen aanzien zou Casella's benoeming dan ook misbruik van bevoegdheid opleveren.
a)
De Commissie trekt de ontvankelijkheid van dit middel in twijfel: zou Casella's benoeming worden vernietigd, dan zou de gehel aanwervingsprocedure worden heropend en Giannini zou als tijdelijk functionaris dan niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bevordering of overplaatsing, welke mogelijkheden als eerste zouden moeten worden onderzocht (artikel 29, lid 1, sub a). Hij zou dan ook geen belang hebben bij de gevorderde nietigverklaring.
Volgens Giannini zou de Commissie, indien Casella's benoeming op de door hem aangevoerde gronden nietig zou zijn, in werkelijkheid moeten overgaan tot de tweede fase van de procedure van artikel 29, eerste lid, sub b, dat wil zeggen het intern vergelijkend onderzoek, dat dan onvermijdelijk tot zijn eigen benoeming zou leiden.
b)
Ter terechtzitting heeft de Commissie haar voorbehoud ten aanzien van de ontvankelijkheid laten varen; derhalve dienen wij de gegrondheid van het eerste middel van Giannini te onderzoeken.
In een reeds oude zaak oordeelde het Hof, dat in artikel 29 van het Statuut „door het gebruik van de term ‚mogelijkheden’ duidelijk is uitgedrukt dat het tot aanstelling bevoegde gezag ... uitsluitend voor elk geval dient na te gaan of deze maatregelen kunnen leiden tot de benoeming van een ambtenaar die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet. Bij zulk een onderzoek dient het tot aanstelling bevoegde gezag af te wegen, welke eisen de eigen aard van de te bezetten post, bezien in verband met de gehele diensttak, stelt en welke krachten onder de ambtenaren beschikbaar zijn” (arrest van 31 maart 1965, gevoegde zaken 12 en 29/64, Ley, Jurispr. 1965, blz. 160). In die zaak was het Hof van oordeel dat de Commissie niet verplicht was een intern vergelijkend onderzoek te organiseren.
Het Hof heeft evenwel bij herhaling geoordeeld dat „wanneer verschillende personen voor bevordering of overplaatsing in aanmerking komen, het tot aanstelling bevoegde gezag kan bevinden dat het uit een oogpunt van dienstbelang en onpartijdigheid bij de aanwerving gewenst is een intern vergelijkend onderzoek te houden” (arresten van 12 maart 1975, zaak 23/74, Küster, Jurispr. 1975, blz. 353, r.o. 24, en 29 oktober 1975, zaak 22/75, Küster, ibid., biz. 1267, r.o. 5).
Zelfs in een geval waarin slechts één kandidaat voor bevordering in aanmerking kwam, was het Hof van oordeel dat „... een intern vergelijkend onderzoek des te meer gerechtvaardigd kan zijn, omdat het tot aanstelling bevoegde gezag, dat slechts één bevorderbare kandidaat kan beoordelen, terecht kan menen dat het niet voldoende keus heeft om een aanwerving te waarborgen die zoveel mogelijk beantwoordt aan de eisen van het te vervullen ambt” (arrest van 25 november 1976, zaak 122/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1685, r.o. 17).
Op 5 december 1974 overwoog het Hof evenwel
„dat artikel 29 deel uitmaakt van het hoofdstuk in het Statuut, dat aan de aanwerving is gewijd en de verschillende wijzen van voorziening in een vacature regelt”;
„dat het artikel te dien einde bepaalt dat achtereenvolgens allereerst de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling waar de vacature ontstaat, vervolgens de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling, en in de derde plaats de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen moeten worden onderzocht” (arrest van 5 december 1974, zaak 176/73, Van Belle, Jurispr. 1974, blz. 1361, r.o. 4 en 5).
Het dienstbelang vergt dus niet absoluut, dat een procedure wordt gevolgd die niet meer is dan een „mogelijkheid”. Op dit gebied heeft het tot aanstelling bevoegde gezag een ruime beoordelingsvrijheid, die slechts ruimte laat voor kritiek bij kennelijke dwaling ten aanzien van het recht of de feiten en bij misbruik van bevoegdheid.
Ook bij de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten kent het Hof het tot aanstelling bevoegd gezag een ruime beoordelingsvrijheid toe: „slechts in geval van kennelijke dwaling kan sprake zijn van toetsing van zijn oordeel, dat een kandidaat voldoet aan de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden” (arrest van 17 december 1981, zaak 151/80, De Hoe, Jurispr. 1981, blz. 3161, r.o. 9).
Van een dergelijke dwaling blijkt uit het dossier niet.
De kennisgeving van vacature bevatte een zeer gedetailleerde omschrijving, op grond waarvan de directeurgeneraal aanvankelijk de drie ingekomen sollicitaties, waaronder die van Casella, heeft afgewezen. Later heeft hij zijn mening evenwel herzien en daarbij kon hij redelijkerwijs tot het besluit komen dat het dienstbelang Casella's benoeming rechtvaardigde.
De benoeming van Casella is stellig niet van een leien dakje gegaan, maar het doel ervan was, in de vacature te voorzien. Daarna was het organiseren van een intern vergelijkend onderzoek niet meer nodig en het feit dat Giannini de vacante post niet heeft gekregen, is het resultaat van een correcte toepassing van artikel 29 en levert geen misbruik van bevoegdheid op.
In het arrest-Rauch van 31 maart 1965 (zaak 16/64, Jurispr. 1965, blz. 179) verklaarde het Hof dat aan de interne vergelijkende onderzoeken (artikel 29, lid 1, sub b) mogen deelnemen al degenen die bij de aanvang van het onderzoek regelmatig in dienst waren van die instelling, ongeacht de aard van hun dienstverband. Het Hof heeft dit beginsel echter niet van toepassing verklaard op de fase van de bevordering of overplaatsing (artikel 29, lid 1, sub a), noch op die van de overgang (artikel 29, lid 1, sub c), want dat zou kennelijk in strijd zijn geweest met het Statuut.
Indien immers de fase bevorderingoverplaatsing werde overgeslagen of slechts pro forma in acht werd genomen, zou er wat het verloop van hun loopbaan betreft, geen onderscheid meer bestaan tussen de ambtenaren en de andere personeelsleden.
2.
Vervolgens stelt Giannini, dat de Commissie heel goed op de hoogte was van de bijzondere voorwaarden waaronder hijzelf was aangesteld, en dat hij op goede gronden mocht vertrouwen, vast te worden aangesteld in een ambt dat in overeenstemming was met zijn deskundigheid.
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de directeurgeneraal Personeel in 1978 bij zijn aanstelling als tijdelijk functionaris Giannini speciaal erop had gewezen dat het niet om een vaste aanstelling ging en dat hij, om in vaste dienst te worden benoemd voor een (extern) algemeen vergelijkend onderzoek zou moeten slagen.
De handelwijze van de Commissie, die overigens door het belang van een goed bestuur wordt gerechtvaardigd, kan geen schending vormen van haar „zorgplicht” jegens verzoeker ingevolge artikel 24 van het Statuut (arrest van 5 april 1979, zaak 157/77, Gilbeau, Jurispr. 1979, blz. 1505, r.o. 23). De „zorgplicht” die verzoeker geschonden acht, kan niet bestaan in een verplichting van de Commissie om hem tegen de statutaire regels in, in een bepaalde functie in vaste dienst te benoemen. De hem gedane toezeggingen kunnen rechtens geen zekerheid hebben geschapen. In een geval dat in bepaalde opzichten op de onderhavige zaak leek, heeft het Hof geoordeeld dat een intern vergelijkend onderzoek dat uitsluitend was georganiseerd om de administratief onregelmatige positie van een bepaalde ambtenaar te regulariseren en om deze ambtenaar op de vacant verklaarde post te benoemen, in strijd was met de doelstellingen van de aanwervingsprocedure en derhalve, misbruik van bevoegdheid opleverde (arrest van 29 september 1976, zaak 105/75, Giuffrida, Jurispr. 1976, blz. 1395, r.o. 10 en 11).
Indien verzoeker was aangeworven om tijdelijk een vast ambt te vervullen, als bedoeld in artikel 2, sub b, van de RAP, had hij voor niet langer dan twee jaar kunnen worden aangesteld met een mogelijkheid van verlenging voor ten hoogste één jaar. „Na afloop van deze periode kan hij niet langer tijdelijk functionaris blijven. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn overeenkomst kan het personeelslid alleen een vast ambt bij de instelling vervullen indien hij overeenkomstig de bepalingen van het statuut tot ambtenaar wordt aangesteld” (artikel 8, tweede alinea, van de RAP), dat wil zeggen op voorwaarde dat hij slaagt voor een (extern) algemeen vergelijkend onderzoek of benoemd wordt overeenkomstig de procedure van artikel 29, lid 2.
Verzoeker bekleedt een tijdelijke post; hij is nog steeds in dienst op grond van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en niets verhindert dat die overeenkomst regelmatig wordt verlengd tot de pensioengerechtigde leeftijd, mits het door hem beklede ambt van tijdelijke aard blijft en zijn aanwezigheid daar onmisbaar wordt geacht.
Wij begrijpen zijn verlangen naar „rechtszekerheid”. Doch daartoe had hij kunnen deelnemen aan een van de twee algemene vergelijkende onderzoeken op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken of van een examen voor „douanedeskundigen”, die waren aangekondigd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen: vergelijkend onderzoek COM A/184 (PB C 277 van 1979, blz. 7) en vergelijkend onderzoek COM A/326 (PB C 233 van 1981, blz. 25). De voor die vergelijkende onderzoeken vastgestelde leeftijdsgrens gold niet voor sollicitanten die bij de sluiting van de sollicitatietermijn al ten minste één jaar als ambtenaar of ander personeelslid bij de Europese Gemeenschappen werkzaam waren. Verzoekers situatie verschilt in niets van die van de andere tijdelijke functionarissen.
Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep, met verwijzing van beide partijen in de eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy