CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 17 JUNI 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
In de onderhavige zaak vraagt de Nederlandse Centrale Raad van Beroep U om een prejudiciële beslissing in een geding tussen het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank en de erven en/of rechtverkrijgenden van de heer G. T. Kuijpers.
Hierbij gaat het om een uitleg van de bepalingen in de verordeningen nrs. 3/58 en 1408/71 betreffende de vaststelling van de toe te passen wetgeving met het oog op de regeling betreffende het al of niet verzekerd zijn krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW) wegens het reeds verzekerd zijn in een andere Lid-Staat. Het betreft hier — ondanks belangrijke punten van overeenstemming in het toepasselijke nationale en communautaire recht — een andere vraag dan in de zaak 275/81, Koks. In die zaak staat centraal de positie van de gehuwde vrouw in het systeem van de AOW in het licht van de bepalingen betreffende de toe te passen wetgeving volgens het gemeenschapsrecht.
2. Feiten
De feiten, waarvoor ik in de eerste plaats verwijs naar het rapport ter terechtzitting, moge ik als volgt samenvatten..
De heer Kuijpers, geboren op 22 juli 1911 en van Nederlandse nationaliteit, werkte na 1 januari 1957, terwijl hij in Nederland woonde, zowel in Nederland als in België.
In België werkte hij als sleper in een kolenmijn. De datum van 1 januari 1957 wordt hierbij slechts vermeld, aangezien op die datum de Algemene Ouderdomswet in werking trad. Hiernaast werkte hij van 1 juni 1966 tot 19 december 1972 in de avonduren als schoonmaker in Nederland en wel vijf dagen in de week van 18.00 uur tot 21.00 uur. Eind 1972 respectievelijk begin 1973 werd de heer Kuijpers arbeidsongeschikt, weshalve hem een Belgisch invaliditeitspensioen werd toegekend alsmede een uitkering krachtens de Nederlandse Ziektewet respectievelijk de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de heer Kuijpers woonplaats had in Nederland.
Met ingang van 1 juli 1976 werd de heer Kuijpers, die op 22 juli 1976 de 65-jarige leeftijd bereikte, een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.
De ouderdomsuitkering werd gekort met 32 %. Volgens de Nederlandse Ouderdomswet wordt een korting op de volledige uitkering aangebracht voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde, na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, maar vóór de 65-jarige leeftijd, niet verzekerd is geweest. Kort samengevat bedraagt voor ongehuwden de korting 2 % voor elk niet verzekerd jaar en voor gehuwden 1 % voor elk van beide partners per niet verzekerd kalenderjaar.
De periode vóór 1957, waarvoor fictieve verzekeringsjaren worden aangenomen, is in onderhavige zaak niet van belang.
Het kortingspercentage werd op 32 % vastgesteld aangezien de heer Kuijpers van 1957 tot 1972 in België werkzaam was en gedurende die periode volgens de Algemene Ouderdomswet als niet-verzekerde werd beschouwd. Dit bracht een korting van 16 % voor de heer Kuijpers en een even grote korting voor mevrouw Kuijpers met zich mee.
De Centrale Raad van Beroep vraagt zich af in hoeverre het niet-verzekerd zijn volgens de AOW eveneens op kan gaan voor de periode dat de heer Kuijpers naast zijn werkzaamheden in België tevens in Nederland werkzaam was, gelet op de bepalingen terzake van de toe te passen wetgeving in de verordeningen nrs. 3/58 en 1408/71. Ingeval deze bepalingen in de weg zouden staan aan een korting voor die periode, zou de totale korting beperkt blijven tot 20 %.
De Centrale Raad van Beroep stelt U daarom de volgende prejudiciële vraag:
„Moeten artikel 13, lid 1, onder c), eerste alinea, van verordening nr. 3/58 en artikel 14, lid 1, onder c), aanhef en sub i), van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale bepaling van een Lid-Staat voor zover deze inhoudt dat een in deze Lid-Staat wonende werknemer niet voor ouderdomspensioen verzekerd is omdat hij krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat voor ouderdomspensioen verzekerd is, zelfs niet indien hij woont op het grondgebied van eerstbedoelde Lid-Staat en aldaar tevens — naast zijn werkzaamheden op het grondgebied van die andere Lid-Staat — in een (zij het als een nevenbetrekking te beschouwen) dienstbetrekking arbeid verricht?”
De Centrale Raad preciseert de prejudiciële vraag in die zin dat volgens het arrest 110/79, Coonan, Jurispr. 1980, blz. 1445 van Uw Hof het „aan de wettelijke regeling is van elke Lid-Staat, de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting ontstaat tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten”. De Centrale Raad vraagt zich echter af of in casu niet anders geoordeeld dient te worden nu zowel de genoemde bepalingen van gemeenschapsrecht als die van het nationale recht beide de strekking hebben om de werkingssfeer van nationale socialezekerheidsstelsels tegenover elkaar af te bakenen.
3. De toepasselijke nationale wetgeving
De Nederlandse Algemene Ouderdomswet is een zogenaamde volksverzekering, welke niet beperkt is tot werknemers maar zich in beginsel over alle ingezetenen uitstrekt. De duur van de verzekering is bepalend voor het uitkeringsbedrag terwijl de betaalde premie hierop niet van invloed is. Het volledige AOWbedrag wordt betaald in geval van een volledige verzekeringsloopbaan van 50 jaar. Volgens artikel 6 van de Wet is degene, die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt verzekerd, indien hij: „a) ingezetene is; b) geen ingezetene is, doch terzake binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid in loondienst aan de loonbelasting is onderworpen”. Voorts kan volgens dit artikel bij of krachtens Koninklijk Besluit de kring der verzekerden worden uitgebreid respectievelijk beperkt.
Dientengevolge wordt in het Koninklijk Besluit, van 18 oktober 1968, Stb. 575, onder meer niet als verzekerde in de zin van de AOW aangemerkt in artikel 2, onder a): „de ingezetene, die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een buitenlandse wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom... verzekerd is”.
De toelichting op deze bepaling, welke zich in het dossier van de.zaak 275/81, Koks, bevindt, luidt als volgt:
„Deze bepaling beoogt de grensarbeider, die in Nederland woont, doch in het buitenland werkt en aldaar tegen de geldelijke gevolgen van de ouderdom verzekerd is, ter voorkoming van dubbele verzekering buiten de Nederlandse ouderdomsverzekering te houden.
Deze uitzondering van de verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet geldt, ongeacht of de betreffende ingezetene over dezelfde periode tevens in Nederland arbeid verricht en/of inkomsten geniet. De wettelijke verzekering in het buitenland op grond van aldaar in dienstbetrekking verrichte arbeid gaat dus steeds vóór de verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Slechts op deze wijze wordt een uitvoerbare regeling verkregen...”
Bovendien geldt als niet-verzekerde de gehuwde vrouw wier echtgenoot onder meer om aangegeven reden niet verzekerd is.
4. De toepasselijke gemeenschapswetgeving
De verordeningen nr. 3/58, respectievelijk nr. 1408/71, welke eerstgenoemde verordening in 1972 heeft vervangen, zijn door de Raad vastgesteld krachtens artikel 51 EEG-Verdrag teneinde de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers te realiseren.
De artikelen 12 tot en met 15 van verordening nr. 3/58, respectievelijk 13 tot en met 17 van verordening nr. 1408/71 zijn opgenomen in Titel II welke betreft, volgens verordening nr. 1408/71, „vaststelling van de toe te passen wetgeving”.
Deze artikelen beogen, zoals advocaatgeneraal Warner in zijn conclusie in de zaak 8/75, Football-club d'Andlau, Jurispr. 1975, blz. 739, betoogde, te verzekeren dat in het algemeen een migrerende werknemer slechts onder de regeling van een sociaalzekerheidsstelsel van één enkele Lid-Staat valt, ter voorkoming, in het belang van de werknemer, werkgever en sociąle-zekerheidsorganen van de Lid-Staten, van onnodige doublures en verwikkelingen, die belemmeringen zouden kunnen vormen voor het vrije verkeer van werknemers (bijvoorbeeld zaak 92/63, Nonnenmacher t. Sociale Verzekeringsbank, Jurispr. 1964, blz. 589; zaak 19/67, Sociale Verzekeringsbank t. van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 432; zaak 73/72, Bentzinger t. Steinbruchs-Berufsgenossenschaft, Jurispr. 1973, blz. 283; zaak 13/73, Angenieux t. Hakenberg, Jurispr. 1973, blz. 935; zaak 8/75, Caisse primaire d'assurance maladie de Sélestat t. Football-club d'Andlau, Jurispr. 1975, blz. 739; zaak 102/76, Perenboom t. Inspecteur der directe belastingen te Nijmegen, Jurispr. 1977, blz. 815).
Het in deze arresten neergelegde beginsel is uitdrukkelijk opgenomen in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, terwijl een zodanige bepaling in verordening nr. 3/58 ontbrak. Deze regel luidt: „de werknemer op wie deze verordening van toepassing is, is slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld”.
Ook al heeft het onderhavige geschil zich met name voorgedaan onder de werkingssfeer van verordening nr. 3/58 en wordt deze verordening uitdrukkelijk genoemd in de prejudiciële vraag naast verordening nr. 1408/71, zal ik de vraagstelling met name behandelen op grond van de betrokken bepalingen in verordening nr. 1408/71. De tekst van de betrokken bepalingen in beide verordeningen is vrijwel gelijkluidend. Een zeker onderscheid in bewoordingen heeft naar mijn mening geen verschil in rechtsgevolgen. Zoals reeds opgemerkt ontbreekt een uitdrukkelijke bepaling als neergelegd in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dat een werknemer slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat onderworpen kan zijn, in verordening nr. 3/58, maar gold dit beginsel ingevolge Uw rechtspraak ook voor die eerdere verordening, voorzover een verzwaring van lasten niet gepaard zou gaan met een overeenkomstige aanvulling van de sociale zekerheid. De bepaling van artikel 13, lid 1, onder c), van verordening nr. 3/58 is ingevoegd bij verordening nr. 24/64 van 10 maart 1964.
5. De betrokken gemeenschapsbepalingen
Uitgangspunt van de regeling is dat de werknemer is onderworpen aan de wetgeving van de Staat waar hij werkzaam is, zelfs indien hij in een andere Lid-Staat woont. Deze bepaling is neergelegd in artikel 13, lid 2, dat luidt:
„Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 17:
sub a)
is op de werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lid-Staat, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont...”
Op deze regeling is vervolgens een aantal uitzonderingen neergelegd in artikel 14, lid 1, sub a) tot en met d). Deze uitzonderingen betreffen verschillende situaties. Onder a) wordt aangegeven welk recht van toepassing is ingeval er sprake is van een tijdelijke detachering in een andere Lid-Staat dan waar de onderneming gevestigd is; b) betreft de werknemer bij het internationale vervoer; c) gaat over de werknemer „die niet bij het internationale vervoer werkzaam is, en die zijn werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten pleegt uit te oefenen”, en tenslotte wordt onder d) bepaald, wat geldt wanneer de gemeenschappelijke grens door de onderneming loopt.
Deze uitzonderingen op het beginsel dat op de werknemer de wetgeving van toepassing is van de Lid-Staat waar hij werkt, beogen te voorkomen dat bij werkzaamheden in meerdere Lid-Staten volgens die regel de wetgeving van evenzoveel Lid-Staten van toepassing zou zijn (bij voorbeeld zaak 73/72, Bentzinger, rechtsoverweging 3).
Uit de formulering van de prejudiciële vraag alsmede de daaraan ten grondslag liggende feiten blijkt dat de nationale rechter een uitspraak wenst terzake van de nationale wetgeving voor zover het betreft een werknemer die in Nederland woont en in een andere Lid-Staat alsmede in Nederland werkzaam is.
Deze situatie betreft de uitzondering vermeld in artikel 14, lid 1, sub c), onder i), dat als volgt luidt:
c)
„op de werknemer, die niet bij het internationale vervoer werkzaam is, en die zijn werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten pleegt uit te oefenen, is van toepassing:
i)
de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op dit grondgebied uitoefent of indien hij verbonden is aan meer dan een onderneming of meer dan een werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende Lid-Staten hebben.”
Deze regel is op zich duidelijk en lijkt weinig aanleiding tot vragen te geven. Op het eerste gezicht volgt hieruit zonder meer dat in het onderhavige geval de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
Het probleem wordt nu echter gevormd door het feit dat de nationale wetgeving de werknemer van zijn werking uitsluit wanneer hij in een andere Lid-Staat werkzaam is en aldaar ook verzekerd is, ongeacht of hij tevens werkzaamheden in het land van de woonplaats verricht. Deze uitsluiting levert geen problemen op voor de situatie die onder de hoofdregel valt namelijk wanneer de werknemer, alhoewel in Nederland wonende, zijn werkzaamheden in een andere Lid-Staat uitoefent. De Nederlandse regeling is in dit geval in overeenstemming met de hoofdregel van de „toe te passen wetgeving”, als aangegeven in artikel 13, lid 2, sub a).
De uitsluiting geldt echter ook voor het geval tevens werkzaamheden in Nederland worden verricht. Als reeds eerder aangegeven is deze situatie zelfs uitdrukkelijk in de Toelichting op de nationale regeling vermeld.
De vraag is in hoeverre deze uitsluiting in overeenstemming is met het gestelde in artikel 14, lid 1, sub c), onder i). Twijfels bestaan bij de Centrale Raad over de toepassing van dit artikel van de verordening vanwege Uw arrest-Coonan. Als vermeld wordt hierin aangegeven dat de bepaling van de voorwaarden van aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid toekomt aan de wettelijke regeling van elke Lid-Staat.
Bovendien spreekt Titel II van de verordening over de „toe te passen wetgeving”. De hierdoor aangegeven wetgeving behoeft echter op zich nog geen daadwerkelijke aansluiting met zich mee te brengen, conform Uw rechtspraak in de zaak-Coonan.
De vraag in hoeverre de bedoelde nationale regeling nu in overeenstemming is met genoemde bepaling in het gemeenschapsrecht kan als volgt beoordeeld worden.
Aan de ene kant dient voorop te staan dat de bedoeling van de gemeenschapsregeling is het voorkomen van onduidelijkheden respectievelijk cumulatie van lasten, welke kunnen ontstaan uit de gelijktijdige toepassing van verschillende stelsels van de verschillende Lid-Staten. De kwestieuze nationale regeling voorkomt zo'h ongewenste onduidelijkheid nu het de toepassing van de eigen wetgeving uitsluit en die van de Lid-Staat waar gewerkt wordt voorschrijft. In dit verband dient allereerst opgemerkt te worden dat deze duidelijkheid slechts gecreëerd wordt voorzover het wonen en werken zich beperkt tot de staat waar gewoond wordt en een tweede Lid-Staat. Ingeval de werknemer in meer dan twee Lid-Staten werkzaam zou zijn, brengt de kwestieuze nationale regeling geen duidelijkheid voor de toe te passen wetgeving behalve dat het de toepassing van zijn eigen wetgeving uitsluit. Zij geeft echter niet aan welke wetgeving dan wel toegepast dient te worden.
Voorts zou gesteld kunnen worden dat de regel van de verordening slechts van toepassing is in die gevallen waar sprake is van daadwerkelijke conflicterende nationale regelingen, dat wil zeggen in die gevallen waarin de nationale regelingen inderdaad van toepassing zijn. In casu doet zich echter vanwege de nationale uitsluitingsregeling zo'n conflict niet voor.
Belangrijker is echter, dat nu de verordening een conflictenregel geeft het niet aan de Lid-Staat staat om zelf een regeling voor te schrijven waardoor — ten laste van andere Lid-Staten — cumulatie wordt voorkomen van toepassing van verschillende wetgevingen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met doel en opzet van de verordeningen nrs. 3/58 en 1408/71 in het algemeen en de hier toepasselijke artikelen in het bijzonder. Deze geven, naar mijn oordeel, een regiem dat, mede gelet op de verplichtende bewoordingen, een eenvormig stelsel ter voorkoming van wetsconflicten inhoudt (bijvoorbeeld zaak 92/63, Nonnenmacher, Jurispr. 1964, blz. 598; zaak 104/80, Beeck, Jurispr. 1981, blz. 518, rechtsoverweging 7). Duidelijk blijkt dit mijns inziens uit de bewoordingen van onder meer artikel 13, tweede zin, waar staat: „De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld”.
De regeling is, naar mijn oordeel, niet slechts van toepassing ingeval zich conflicten voordoen maar heeft ook ten doel deze te voorkomen door de toepassing van één bepaalde wetgeving voor te schrijven. Het is nu niet aan deze wetgeving om zelf een conflictenregel te geven die de toepassing van weer een andere wetgeving voorschrijft. Hierin ligt, naar mijn oordeel, ook het verschil met de arresten in de zaken 266/78, Brunori, Jurispr. 1979, blz. 2712 en 110/79, Coonan, van Uw Hof. In die zaken ging het om de voorwaarden voor aansluiting bij het nationale systeem aangezien de verordening daar zelf over zweeg. In het onderhavige geval gaat het niet om de vraag in hoeverre de migrerende werknemer op basis van de nationale regeling zich bij het nationale systeem kan aansluiten, maar zoals de Centrale Raad, naar mijn oordeel, terecht opmerkt over de toepassing van een nationale conflictenregel, terwijl de verordening hiervoor juist zelf een regeling inhoudt.
Voorts dient hier nog vermeld te worden Uw arrest in de zaak 8/75, Football-club d'Andlau. In die zaak werd namelijk overwogen dat bij de bedoelde regeling, die de wetgeving van de woonplaats aanwijst ingeval de werknemer zowel in de woonplaats als in een andere Lid-Staat werkzaamheden uitoefent „er van uit wordt gegaan dat de werknemer is aangesloten bij een sociaal-verzekeringsorgaan van de Staat waar hij woonachtig is” (rechtsoverweging 8). In geval hij echter daarbij niet aangesloten blijkt te zijn, dient de van toepassing zijnde wetgeving te worden vastgesteld aan de hand van het hoofdbeginsel, dat wil zeggen de wetgeving van het land waar gewerkt wordt.
Naar mijn oordeel is deze uitspraak niet in tegenspraak met mijn hiervoor vermelde opvatting in onderhavige zaak. In de zaak 8/75 was het namelijk allerminst zeker of de betrokken Duitse musici wel in Duitsland onder een verzekeringsstelsel als bedoeld in de verordening vielen. Ingeval zij nu inderdaad niet verzekerd waren in hun woonplaats zou de bedoelde regeling, voor zover zij in Frankrijk optraden, leiden tot een leemte. Derhalve stelde Uw Hof, dat voorzover zij niet bij de sociale-verzekeringsregeling van bedoelde Lid-Staat, in de zin van de verordening, waren aangesloten, de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar zij werkzaam waren van toepassing diende te zijn. Bovendien kan gesteld worden dat ingeval de Duitse musici niet onder een Duits sociaalverzekeringsstelsel vielen, als in de verordening bedoeld, zich in feite geen conflict voordeed tussen verschillende van toepassing zijnde wetgevingen. Ook derhalve zou in dat geval toepassing van het hoofdbeginsel aangewezen zijn.
De situatie in de zaak 8/75 betreft naar mijn mening een ander feitencomplex dan aan de orde in onderhavige zaak. In de voor U liggende prejudiciële zaak is het niet de vraag of de nationale regeling wel van toepassing is op de werknemer, mede gelet op het karakter van de AOW als volksverzekering voor ingezetenen, maar sluit deze de toepassing uit ingeval er sprake is van een verzekering in een andere Lid-Staat. Uitsluiting van toepassing kan naar mijn oordeel eerst dan aan de orde komen, wanneer er in beginsel sprake is van toepassing. Bovendien wordt die eventuele uitsluiting dan naar mijn oordeel als eerder opgemerkt volledig bepaald door het gemeenschapsrecht.
6. Hoofd- en nevenwerkzaamheden
Alvorens een oordeel te geven over de gestelde prejudiciële vraag dien ik nog aandacht te wijden aan de vraag in hoeverre het feit dat de werkzaamheden van de heer Kuijpers in Nederland als een nevenbetrekking zijn te beschouwen van invloed is op de toepassing van de wetgeving van de woonplaats. Als gememoreerd werkte betrokkene in België als sleper in een kolenmijn en in Nederland vijf dagen per week in de avonduren van 18.00 tot 21.00 uur. Het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank merkte in zijn schriftelijke opmerkingen op dat nu de hoofdwerkzaamheden in België en de nevenwerkzaamheden in Nederland plaatsvonden, de wetgeving van de woonplaats niet van toepassing zou zijn. De verordening zou in deze zienswijze in de eerste plaats een regeling geven voor volwaardige werkzaamheden. Derhalve zou in casu de Belgische wetgeving van toepassing zijn.
De Commissie antwoordde op een schriftelijke vraag van Uw Hof dienaangaande dat in de verordening een dergelijk onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheden niet gemaakt wordt. Een dergelijke verfijning van de regeling zou wellicht een niet gewenste onduidelijkheid met zich mee kunnen brengen, aangezien het niet steeds eenvoudig zal zijn uit te maken welke werkzaamheden als hoofd- respectievelijk welke als nevenwerkzaamheid dienen te worden beschouwd.
Ik ben het op dit punt eens met de stelling van de Commissie. Aan de bewoordingen van het artikel dient groot belang gehecht te worden, naar mijn mening, aangezien het gaat om een regeling die juist de duidelijkheid beoogt te bevorderen. Het betrokken artikel spreekt over het uitoefenen van „een deel” van de werkzaamheden op het grondgebied van de woonplaats. Geen enkele nadere voorwaarde wordt gesteld. Blijkbaar achtten de opstellers van de verordening een verdere verfijning niet noodzakelijk. In dit verband wijs ik erop dat het begrip „in hoofdzaak werkzaam zijn” wel voorkomt in artikel 14, lid 1, sub b), onder ii), voor wat betreft de werknemers bij het internationale vervoer. Een dergelijke nuancering is dus wel bekend in de verordening.
In het algemeen kan nog gesteld worden dat het vaststellen van conflictenregels gebaseerd is op een afweging van de betrokken belangen. In het geval van de hoofdregel wordt het belang om de wetgeving van de Lid-Staat waar gewerkt wordt van toepassing te doen zijn, ook al wordt in een andere Lid-Staat gewoond, van groter belang geacht dan de wetgeving van de woonplaats, ook al behoeft deze hoofdregel in zo'n situatie voor betrokkene niet steeds gunstig te zijn. In geval echter op basis van dit hoofdbeginsel meerdere wetgevingen van toepassing kunnen zijn omdat in meerdere Lid-Staten wordt gewerkt, is de voorkeur gegeven aan de toepassing van de wetgeving van de woonplaats wanneer aldaar een deel van de werkzaamheden wordt uitgeoefend. In die situatie krijgt de wetgeving van de woonplaats kennelijk de voorkeur, aangezien de woonplaats een zekere stabiliteit in het geheel der betrekkingen vertegenwoordigt en daarmede, naar mag worden aangenomen, de meest intense relatie bestaat.
Voorts vermeld ik nog dat de Commissie in haar antwoord op de vraag van het Hof gewezen heeft op artikel 14 bis van verordening nr. 1390/81, de verordening tot wijziging van verordening nr. 1408/71 betreffende de uitbreiding van de socialezekerheidsregelingen op zelfstandigen (PB L 43 van 1981). Deze verordening is overigens nog niet in werking getreden. Uit genoemd artikel 14 bis, lid 2, blijkt dat deze voorziet dat slechts ingeval zelfstandigen in meerdere Lid-Staten werkzaamheden uitoefenen maar niet in de Lid-Staat van de woonplaats, het aanknopingspunt voor de toepasselijke wetgeving wordt gevormd door het criterium van de hoofdwerkzaamheid. Van belang acht ik dat in dit artikel uitdrukkelijk wordt vermeld dat criteria ter bepaling van de hoofdwerkzaamheden zullen worden vastgesteld. Hieruit blijkt dat dergelijke eenvormige criteria gewenst zijn om het doel van duidelijkheid te bereiken.
Op grond van het bovenstaande ben ik derhalve van mening dat de verdeling van de werkzaamheden in hoofd- en nevenwerkzaamheden geen invloed heeft op de conflictenregel als neergelegd in artikel 14, lid 1, sub c), onder i).
7. De verordening nr. 3/58
Als aangegeven ga ik nog in op de vraag in hoeverre een verschil tussen de verordeningen nrs. 3/58 en 1408/71 een verschil in rechtsgevolgen voor onderhavige prejudiciële vraag met zich brengt. Ik heb reeds gesteld dat de verordening nr. 3/58 slechts duidelijk afwijkt van verordening nr. 1408/71, waar deze laatste uitdrukkelijk voorschrijft dat slechts één wetgeving van toepassing kan zijn.
Uit het ontbreken van een dergelijke uitdrukkelijke regel in verordening nr. 3/58 heeft Uw Hof, naar mijn mening, afgeleid dat de gelijktijdige toepassing van meerdere wetgevingen is toegestaan, voorzover hieraan ook evenzoveel rechten kunnen worden ontleend. Niet zou zijn toegestaan. een wetgeving van toepassing te verklaren, naast die welke door de verordening zelf wordt aangewezen, waardoor wel plichten respectievelijk premieafdrachten ontstaan zonder dat daartegenover voordelen staan (bijvoorbeeld zaak 92/63, Nonnenmacher, Jurispr. 1964, blz. 589; zaak 19/67, van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 432).
Dit brengt voor de onderhavige zaak naar mijn oordeel met zich mede, dat ook onder verordening nr. 3/58 de nationale regeling niet gerechtigd was de toepassing ervan uit te sluiten in afwijking van de in die verordening neergelegde conflictenregels. Voor wat betreft de vraag in hoeverre de uitsluiting in de onderhavige zaak inderdaad afwijkt van de overige conflictenregels moge ik verwijzen naar het hiervoor gestelde terzake van artikel 14, lid 1, sub c), en onder i) van verordening nr. 1408/71, hetgeen ook geldt voor het gestelde in artikel 13, sub c), van verordening nr. 3/58.
8. Premiebetaling
Tenslotte vermeld ik dat uit de beantwoording van de vraag van Uw Hof aan de Sociale Verzekeringsbank is gebleken dat niet uitgesloten is dat betrokkene inderdaad premie over de kwestieuze periode in Nederland heeft betaald. Enerzijds is betrokkene op basis van de nationale regeling voor de betrokken periode niet als verzekerde in de zin van de AOW te beschouwen. Anderzijds blijkt dat er wel premiebijdragen hebben plaatsgevonden zonder dat vastgesteld kon worden of deze naderhand gerestitueerd zijn respectievelijk als vrijwillige bijdragen dienen te worden beschouwd.
Opmerkelijk is in dit verband dat de Sociale Verzekeringsbank in de beantwoording van de vraag nog mededeelt dat zij het aspect van de premiebetaling bewust niet heeft opgenomen in haar schriftelijke opmerkingen in onderhavige zaak. Zij is van mening dat deze kant van de zaak niet relevant is aangezien voor de Centrale Raad van Beroep dit criterium niet van belang is voor de vaststelling of iemand wel of niet als verzekerd in de zin van de AOW dient te worden beschouwd.
Ook al zou de vraag van premiebetaling voor het wel of niet verzekerd zijn naar nationaal recht als meegedeeld door de Sociale Verzekeringsbank niet van belang zijn, voor het gemeenschapsrecht lijkt mij dat dit criterium wel degelijk relevant kan zijn.
In de rechtspraak van Uw Hof is, als opgemerkt, gesteld, voor zover het betrof de werking onder verordening nr. 3/58, dat de gelijktijdige toepassing van meerdere wetgevingen van verschillende Lid-Staten niet was uitgesloten voor zover de verzwaring van lasten gepaard zou gaan met een overeenkomstige aanvulling van de sociale zekerheid.
Hiermee had Uw Hof niet alleen de toepassing van een sociaal-zekerheidssysteem in abstracto op het oog maar juist de toepassing daarvan in het concrete geval. Ook al zou het Nederlandse systeem op zich in het onderhavige geval geen premieheffing van betrokkene vereisen, dan nog dient een dergelijke feitelijke betaling als niet in overeenstemming met Uw rechtspraak te worden beschouwd. Een dergelijke redenering gaat a fortiori op voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 in dit verband, nu deze de toepassing van één wetgeving van een enkele Lid-Staat dwingend voorschrijft. Deze problematiek is echter naar mijn mening in casu niet van belang daar ik van oordeel ben dat op basis van de gemeenschapsregeling als neergelegd in artikel 13, sub c), van verordening nr. 3/58, respectievelijk artikel 14, lid 1, sub c), onder i), de Nederlandse wetgeving van toepassing dient te zijn.
9. Conclusie
Op grond van het bovenstaande moge ik Uw Hof voorstellen de Centrale Raad van Beroep te antwoorden in de zin, als door de Commissie voorgesteld. In Uw antwoord zou, naar mijn mening, niet in het bijzonder verwezen behoeven te worden naar de opgeworpen problematiek terzake van de verdeling van de werkzaamheden in hoofd- en nevenarbeid nu ook de nationale regeling een dergelijke verfijning niet kent.
Het antwoord zou dan ook naar mijn oordeel als volgt kunnen luiden:
Artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, van verordening nr. 3/58 van de Raad inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, en artikel 14, lid 1, sub c), onder i), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moeten aldus worden uitgelegd, dat daarmee onverenigbaar is een bepaling van een Lid-Staat welke ertoe strekt een werknemer van een overeenkomstig de verordening op hem toepasselijk verklaarde wetgeving uit te sluiten, omdat hij tevens in een andere Lid-Staat verzekerd is.
Full & Egal Universal Law Academy