CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN24 FEBRUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een beroep krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut, ingesteld tegen de Commissie door Christiane Hoffmann, bibliothecaresse in de rang B 4 bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra.
De zaak hoort thuis in het kader van de ambtenarenrechtspraak inzake bevorderingen en betreft de bevorderingen voor het jaar 1980. Verzoekster meent dat ten onrechte de voorkeur is gegeven aan een andere ambtenaar van de bibliotheek te Ispra, mevrouw G.
Het beroep strekt zowel tot nietigverklaring als tot toekenning van schadevergoeding.
Het strekt tot nietigverklaring van :
a)
het besluit van de instanties in de bevorderingsprocedure (paritaire comités) om Hoffmann niet voor te dragen bij het tot aanstelling bevoegd gezag voor plaatsing op de op 19 november 1980 vastgestelde ontwerplijst van de ambtenaren die op grond van hun verdiensten het meest in aanmerking komen voor bevordering naar de rang B 3;
b)
het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 november 1980, om Hoffmann niet te plaatsen op de lijst van de ambtenaren die op grond van hun verdiensten het meest in aanmerking komen voor bevordering naar de rang B 3;
c)
alle eerdere en latere handelingen in verband met de betrokken bevorderingsprocedure, daaronder begrepen de bevorderingen van haar collega's voor zover die in de weg kunnen staan aan de verbetering van haar situatie, met name de bevordering van mevrouw G.
Verzoekster vordert gelijktijdig dan wel subsidiair vergoeding van alle morele en materiële schade die zij daardoor heeft geleden, tot een ex aequo et bono vast te stellen bedrag, vermeerderd met de normale rente berekend vanaf 19 maart 1981, de datum van indiening van haar klacht.
I —
Daar de litigieuze feiten in hoofdzaak samenvallen met de verschillende fasen van de bevorderingsprocedure, kunnen wij die feiten het best tegelijkertijd met de procedure beschrijven.
De toepasselijke voorschriften zijn ver/at in de „Algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de bevorderingsprocedure voor het uit de kredieten voor onderzoek bezoldigd personeel”. Deze voorzien in het optreden van achtereenvolgens een „instantie-O”, een bevorderingscomité in eerste aanleg, een bevorderingscomité in tweede aanleg en tenslotte het tot aanstelling bevoegd gezag.
1.
De „instantie-O” is paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van het personeel en van de administratie; zij is belast met het voorbereidend onderzoek van de verdiensten van alle ambtenaren die in aanmerking komen voor bevordering. Er is een „instantie-O” bij iedere inrichting van het GCO en voor alle werkzaamheden onder contract. In casu kwam de „instantie-O” van de inrichting te Ispra bijeen op 4 september 1980 en beslot zij Hoffmann niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren die werden voorgedragen voor bevordering naar de rang B 3.
Daarop schreef verzoekster op 12 september een nota aan de heer Ooms, voorzitter van het plaatselijk personeelscomité te Ispra, waarin zij in het bijzonder de aandacht vestigde op de waarde van haar diploma en hem herinnerde aan zijn belofte haar dossier voor te leggen aan het bevorderingscomké in eerste aanleg.
2.
Het „bevorderingscomké in eerste aanleg voor het uit de kredieten voor onderzoek bezoldigd personeel belast met werkzaamheden bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek”, wordt voorgezeten door de directeurgeneraal en bestaat eveneens uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de Commissie en van het personeel. Het comité heeft tot taak een lijst vast te stellen van de administratieve en technische ambtenaren die op grond van hun verdiensten het meest voor bevordering in aanmerking komen. Er is slechts één bevorderingscomké in eerste aanleg voor het gehele personeel van het GCO, ongeacht bij welke inrichting zij tewerkgesteld zijn. Ook dit comité besloot tijdens zijn vergadering van 25 september 1980 Hoffmann niet op de lijst te plaatsen.
Daarom schreef zij op 13 november een nota aan de toenmalige directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer, tevens voorzitter van het comité in tweede aanleg, Baichère. Volgens haar informatie, zo schreef zij, kwam het initiatief om G. te bevorderen, niet van de hiërarchische meerderen, doch van het plaatselijk personeelscomité. Dit zou zich hebben gebaseerd op de waarde van het diploma van G. en op de trage ontwikkeling van haar loopbaan. Dit zou echter ten onrechte zijn geweest. Haar eigen diploma, aldus Hoffmann, had veel meer waarde dan dat van G.; bovendien was haar eigen loopbaan veel meer vertraagd, gezien haar grotere anciënniteit zowel in de dienst van de Commissie als in haar rang.
3.
Het bevorderingscomké in tweede aanleg is eveneens parkair samengesteld; het heeft ten taak voorstellen aan het tot aanstelling bevoegd gezag te doen. Het is bevoegd voor het gehele uk de kredieten voor onderzoek bezoldigde personeel. Het kwam bijeen op 19 november 1980 en nam de voordracht betreffende de ambtenaren van het GCO ongewijzigd over.
Bij besluit van 27 november 1980 stelde het tot aanstelling bevoegd gezag de lijst van de ambtenaren vast die op grond van hun verdiensten het meest voor bevordering in aanmerking kwamen; deze lijst kwam volledig overeen met de voordracht van het comité in tweede aanleg. De individuele besluiten tot bevordering van een aantal op deze lijst geplaatste ambtenaren, waaronder G., volgden enige tijd later.
Hoffmann vernam op 19 december 1980, dat haar naam niet was geplaatst op de door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgestelde lijst. Het is deze lijst die de haar bezwarende handeling vormt.
Zij diende de in artikel 90, lid 2, eerste alinea, van het Statuut voorgeschreven administratieve klacht in op 19 maart 1981, dat wil zeggen binnen de in dat artikel bepaalde termijn van drie maanden, daar de dies a quo — naar algemeen wordt aangenomen, hoewel het niet duidelijk uit een specifieke bepaling blijkt — voor de berekening van deze termijn niet meetelt.
Haar beroep is ter griffie van het Hof ingeschreven op 26 oktober 1981, dus binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn waarbinnen de klacht volgens artikel 91, lid 3, tweede streepje, had moeten worden beantwoord, zulks rekening houdend met de termijn van 10 dagen wegens afstand, die geldt voor een verzoeker die zijn gewone verblijfplaats in Italië heeft (artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering).
Een en ander, voor wat de termijnen betreft, in aanmerking genomen, kunnen wij zeggen dat het beroep ontvankelijk is.
Laten wij derhalve thans de twee door Hoffmann aangevoerde middelen ten gronde onderzoeken.
II —
Het eerste middel is ontleend aan de beweerdelijk verkeerde beoordeling van de verdiensten en kwalificaties van degenen die voor de bevordering in aanmerking kwamen. De verschillende instanties in de bevorderingsprocedure, in het bijzonder het tot aanstelling bevoegd gezag, zouden geen rekening hebben gehouden met alle verdiensten van de betrokken personen en ook niet met alle gegevens van hun dossiers. Met name zouden zij geen rekening hebben gehouden met het verschil tussen het diploma van Hoffmann en het diploma van G., dat van veel lager niveau was.
Dit middel, zoals nader toegelicht in de repliek en ter terechtzitting, bestaat uit twee onderdelen.
1.
Het eerste deel is gebaseerd op de onzekerheid over het onderzoek van de diploma's door de bevorderingsinstanties, met name het tot aanstelling bevoegd gezag. Het lijkt mij juister dit te behandelen bij het onderzoek van het tweede middel. Dit houdt immers in, dat niet is aangetoond dat de bevorderingsinstanties en het tot aanstelling bevoegd gezag de persoonsdossiers van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren inderdaad hebben geraadpleegd. Het staat echter vast, dat de diploma's van G. en Hoffmann zich in hun persoonsdossier bevonden.
2.
In het tweede onderdeel van dit middel zegt verzoekster dat de bevorderingsinstanties, zo zij de diploma's van mevrouw G. en verzoekster al hebben onderzocht, in ieder geval het belangrijke niveauverschil over het hoofd hebben gezien. Hoffmann erkent weliswaar dat de bevorderingsinstanties op de hoogte waren van het niveau van haar diploma en dus over volledige gegevens dienaangaande beschikten, daar uit haar persoonsdossier bleek dat haar diploma gelijkstond met dat van een academisch gevormd ingenieur met een hogere technische opleiding van twee volledige studiejaren aan een instituut dat in beginsel slechts toegankelijk is voor de houders van een diploma hoger middelbaar onderwijs („Abitur”), doch die instanties zouden geen werkelijk inzicht hebben gehad in de waarde van het certificaat van G.: daaruit blijkt namelijk alleen dat zij heeft deelgenomen aan een cursus van negentig uur aan een voor een ieder toegankelijke inrichting.
Volgens Hoffmann hebben de bevorderingsinstanties dus niet met kennis van zaken gehandeld: zij zouden hun voorstellen hebben gedaan en hun besluit hebben genomen op basis van op zijn minst verkeerd geïnterpreteerde gegevens.
Bij nader toezien lijkt ook dit tweede onderdeel twee aspecten te vertonen.
3.
In haar betoog gaat Hoffmann deels uit van een vergelijking van haar kwalificaties met die van G., die zij als haar rechtstreekse concurrente ziet, wier bevordering aan de hare in de weg staat.
Uit deze benadering blijkt volgens de Commissie een slecht begrip van de beginselen die de bevorderingsprocedure beheersen. Bij bevordering is er geen sprake van een speciale concurrentie tussen ambtenaren van een zelfde dienst, daar de bevorderingsinstanties een vergelijkend onderzoek instellen naar de verdiensten van alle ambtenaren die in aanmerking komen voor bevordering. Een vergelijking van het niveau van de diploma's zou derhalve irrelevant zijn, waarbij de Commissie niet betwist dat dat van Hoffmann meer waarde heeft.
De Commissie voert voor haar opvatting feitelijke en juridische argumenten aan. Feitelijk erkent zij weliswaar, dat verzoeksters argument meer gewicht in de schaal zou leggen wanneer de begrotingsmogelijkheden de bevordering van bijna alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren zouden toelaten.. In casu kwamen er echter 122 ambtenaren voor bevordering in aanmerking, terwijl er op de begroting slechts negen posten beschikbaar waren. Wat het recht betreft, wijst zij op het arrest van 5 juni 1980: „Het Hof is van oordeel ... dat het arbitrair zou zijn, de bevordering van de ene ambtenaar van het directoraatgeneraal VII (hetzelfde DG als dat van verzoekster) die daadwerkelijk tot de rang B2 werd bevorderd, nietig te verklaren” (zaak 24/79, Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1759, r.o. 13).
Ik acht het overigens zeer wel mogelijk dat een ambtenaar in de praktijk met het oog op zijn bevordering een meer rechtstreekse concurrent is van een collega van dezelfde dienst dan van de andere voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.
Een rechtstreekse vergelijking tussen deze twee ambtenaren stuit echter op onoverkomelijke juridische bezwaren. Zij lijkt niet enkel in strijd te zijn met de rechtspraak van het Hof — blijkend uit de aangehaalde rechtsoverweging van het arrest-Oberthür —, doch ook en vooral met artikel 45 van het Statuut „ ... na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren [dus alle ambtenaren] die voor bevordering in aanmerking komen, onderling worden vergeleken”), dat wordt toegepast en verduidelijkt in artikel 4 van de Algemene uitvoeringsbepalingen „ ... na vergelijking van de verdiensten van alle ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen”).
Feitelijk is bovendien, zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, een dergelijke vergelijking stellig minder noodzakelijk bij bevordering binnen de loopbaan, waarbij de bevorderde ambtenaren hun vroegere werkzaamheden behouden, dan bij bevordering naar een ambt van een hogere categorie binnen de dienst waartoe beide kandidaten behoren.
Zo gezien, moet het tweede onderdeel van het middel dus worden verworpen.
4.
Hoffmann betoogt echter ook, dat voor het regelmatig verloop van een bevorderingsprocedure vereist is, dat de vergelijking van de verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren op strikt gelijke wijze geschiedt. Indien de bevorderingsinstanties hun besluit dus hebben genomen na de waarde van G.'s diploma verkeerd te hebben geschat, is de gelijkheid van kansen tussen haar en al haar concurrenten doorbroken en de bevorderingsprocedure nietig.
De gegrondheid van dit argument kan worden getoetst aan uw rechtspraak.
a)
Bevorderingsbesluiten behoren tot een categorie waarbij „gecompliceerde waardeoordelen” een rol spelen, „de juistheid waarvan aan controle door het Hof is onttrokken” (arrest van 5 december 1973, gevoegde zaken 35/62 en 16/63, Leroy, Jurispr. 1963, blz. 421). Het Hof weigert dus zijn eigen oordeel over de bevordering in de plaats te stellen van dat van de administratie, behoudens kennelijke vergissingen (laatstelijk het arrest van 3 december 1981, Bakke-d'Aloya, zaak 280/80, Jurispr. 1981, blz. 2898, r.o. 10).
Het Hof ziet er echter nauwlettend op toe, dal het vergelijkend onderzoek van de verdiensten van iedere kandidaat op gelijke voet geschiedt en op basis van vergelijkbare gegevens en inlichtingen. Deze zorg, waarvan het Hof reeds vóór de invoering van de beoordelingsrapporten blijk gaf (bijvoorbeeld arrest van 19 maart 1964, zaak 27/63, Raponi, Jurispr. 1964, blz. 269), bestaat nog steeds, zoals blijkt uit enkele van de recente arresten in bevorderingszaken (arrest van 18 december 1980, gevoegde zaken 156/79 en 51/80, Gratreau, Jurispr. 1980, r.o. 22 en 23, blz. 3954 en 3955).
b)
Uit het dossier valt niet met zekerheid vast te stellen of de bevorderingsinstanties inderdaad de juiste waarde van G.'s diploma kenden.
Doch zelfs indien zij dit zouden hebben overschat, meen ik toch niet dat zij de grenzen van hun beoordelingsvrijheid kennelijk hebben overschreden. Het is immers duidelijk, dat het niveau van een in 1965 behaald diploma slechts een secundair, zo niet een te verwaarlozen belang heeft voor een bevordering vijftien jaar later. Bij de in artikel 45 van het Statuut voorgeschreven beoordeling van de verdiensten zijn andere elementen stellig van veel meer belang dan oude diploma's. Zonder te willen afdoen aan de kwalificaties in dat opzicht van de betrokken ambtenaren, wil ik hier in de eerste plaats noemen het algemene niveau van hun prestaties in de laatste jaren voorafgaande aan de bevorderingsprocedure.
Dit brengt naar mijn mening mee, dat het tweede onderdeel van het eerste middel ook vanuit dit tweede gezichtspunt moet worden verworpen.
III —
Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut, dat onder meer bepaalt dat „bevordering plaatsvindt na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken”.
Deze bepaling zou zijn geschonden doordat:
—
de „instantie-O” de persoonsdossiers van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet heeft onderzocht, inzonderheid niet de zich daarin bevindende beoordelingsrapporten;
—
het bevorderingscomité in eerste aanleg noch de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, noch hun beoordelingsrapporten, noch de persoonsdossiers waarin deze zich bevinden, met elkaar heeft vergeleken;
—
idem wat het comité in tweede aanleg betreft;
—
het tot aanstelling bevoegde gezag de persoonsdossiers evenmin heeft onderzocht.
1.
Het eerste, tweede en vierde onderdeel van dit middel zijn in repliek aangevoerd, het derde onderdeel eerst ter terechtzitting. Daarom dienen wij eerst te onderzoeken of zij ontvankelijk zijn.
Artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat „nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken”. Bovendien is volgens uw rechtspraak een nieuw middel ook ontvankelijk wanneer het kan worden beschouwd als „uitwerking van een eerder opgenomen middel” (arrest van 30. september 1982, zaak 108/81, Amylum, r.o. 25); de beweerdelijk geschonden rechtsregel kan daarbij rechtstreeks of zelfs impliciet in het inleidend verzoekschrift zijn genoemd.
Anderzijds is het middel gebaseerd op stukken waarvan Hoffmann zegt eerst uit het verweerschrift kennis te hebben gekregen. De uittreksels van de notulen van de vergaderingen van de verschillende bevorderingsinstanties en het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag vormen namelijk de bijlagen 11-14 bij het verweerschrift. Aan de in artikel 42, paragraaf 2, gestelde voorwaarde voor ontvankelijkheid is dus voldaan wanneer Hoffmann inderdaad niet voordien kennis van deze stukken heeft kunnen nemen.
Deze onmogelijkheid wordt door de Commissie niet ontkend en ik twijfel er ook niet aan, daar het om stukken gaat die wegens hun aard niet ter kennis van de betrokken ambtenaar worden gebracht (artikel 3, derde alinea, van de Algemene uitvoeringsbepalingen: de beraadslagingen van de comités zijn geheim).
Deze ontvankelijkheidsgrond kan echter slechts worden aanvaard voor het onderdeel van de middelen, dat eerst ter terechtzitting is aangevoerd. Dat het comité in tweede aanleg de persoonsdossiers niet zou hebben geraadpleegd, had reeds bij repliek kunnen worden gesteld, daar een uittreksel van de notulen van de vergadering van dit comité bij het verweerschrift was gevoegd.
Ik heb mij echter afgevraagd of er niet een tweede reden is om het tweede middel ontvankelijk te achten, die voor alle vier onderdelen geldt, dus ook voor het derde, en die kan worden ontleend aan het reeds genoemde arrest van 30 september 1982 in de zaak-Amylum.
Men zou kunnen zeggen dat het tweede middel een uitwerking is van het enige middel in het verzoekschrift, dat het eerste middel in de repliek is geworden. Zoals wij zagen, berust het eerste onderdeel van dit middel op de onzekerheid of de verschillende bevorderingsinstanties de diploma's van Hoffmann en G. wel hebben onderzocht. Deze bewijsstukken nu bevinden zich in de persoonsdossiers van de betrokkenen en verzoekster verwijt in haar tweede middel de bevorderingsinstanties juist, dat zij die niet hebben geraadpleegd.
Ik stel u echter voor, dit argument niet te aanvaarden, daar juist dit wel bepaalde onderdeel van het middel eerst bij repliek is aangevoerd, en noch uitdrukkelijk noch impliciet in het verzoekschrift.
Wanneer ik derhalve voorstel, het tweede middel ontvankelijk te verklaren, dan geldt dit niet voor het derde onderdeel.
2.
Laten wij thans dit middel inhoudelijk onderzoeken. Het komt mij voor, dat het een draagwijdte heeft die veel verder gaat dan verzoeksters geval, want het is in wezen een betoog voor een strikte uitlegging van artikel 45 van het Statuut.
a)
Volgens Hoffmann is het niet voldoende dat de bevorderingscomités tijdens hun vergadering beschikken „over alle in artikel 45 van het Statuut genoemde stukken, inzonderheid over gedetaileerde lijsten van de voorstellen inzake bevordering ... en over de dossiers met de individuele motiveringen”. Ook acht zij het niet voldoende dat het tot aanstelling bevoegd gezag, in casu de directeurgeneraal van het GCO en de directeur Personeelszaken, „de mogelijkheid hebben de persoonsdossiers van alle ambtenaren en tijdelijke functionarissen die in aanmerking komen voor bevordering, te onderzoeken” (derde overweging van de considerans van het besluit van 27 december 1980).
Alleen feitelijke raadpleging van de persoonsdossiers door de bevorderingsinstanties waarborgt volgens haar de naleving van artikel 45 van het Statuut. Anders zou men niet kunnen spreken van een werkelijk vergelijkend onderzoek in de zin van die bepaling. Bij dit onderzoek zouden de bevorderingsinstanties bijzondere aandacht moeten besteden aan de beoordelingsrapporten, zoals artikel 45 van het Statuut voorschrijft.
Deze strikte toepassing van artikel 45 zou te meer geboden zijn omdat, anders dan de meeste andere internationale organisaties, de Europese Gemeenschappen slechts een procedure van bevordering „bij keuze” kennen, een stelsel dat de bevorderingsinstanties en inzonderheid het tot aanstelling bevoegd gezag de ruimste bevoegdheden laat.
Het vereiste dat de dossiers moeten worden onderzocht, zou vooral gelden voor het tot aanstelling bevoegd gezag. Door dit onderzoek na te laten zou het zijn bevoegdheid om autonome besluiten te nemen, verliezen en zijn besluit in feite overlaten aan organen die, hoewel zij het voordeel hebben paritair te zijn samengesteld, toch slechts „voordrachtsorganen” zijn.
b)
Ik ben het met deze analyse niet eens. Ik meen dat de bevorderingsprocedure zoals die in de Algemene uitvoeringsbepalingen is geregeld en in casu is toegepast) een juiste toepassing geeft aan artikel 45 van het Statuut.
Met betrekking tot de „instantie-O” is de Commissie van mening, dat de naleving van artikel 45 in deze fase niet verplicht is, daar het door deze instantie verrichte voorbereidend onderzoek geen deel uitmaakt van de eigenlijke bevorderingsprocedure. Nu dit onderzoek echter krachtens artikel 4 van de Algemene uitvoeringsbepalingen dient als uitgangspunt voor de opstelling van de ontwerplijsten door de bevorderingscomités in eerste en tweede aanleg en in de praktijk dikwijls van beslissend belang lijkt te zijn, meen ik dat de zogenoemde „instanties-O” dezelfde regels in acht hebben te nemen als de bevorderingscomités in eerste en tweede aanleg.
Anderzijds ben ik ervan overtuigd, dat in casu alle bevorderingscomités, met inbegrip van de „instantie-O”, overeenkomstig artikel 45 hebben gehandeld. Dit blijkt uit de reeds geciteerde uittreksels van de notulen van de vergaderingen van de bevorderingscomités en uit andere uittreksels van dezelfde notulen, die zich in het dossier bevinden. Zo blijkt uit bijlage 11 bij het verweerschrift, dat „alle bevorderingsvoorstellen en ter discussie gestelde gevallen zorgvuldig [zijn] onderzocht door de leden van het comité [de „instantie-O”], die de verdiensten, kwalificaties en werkzaamheden van de betrokkenen [hebben vergeleken].” Voorts blijkt uit bijlage 12 bij het verweerschrift, dat „ieder voorstel tot bevordering naar deze rang [B 3] zorgvuldig door de leden van het comité [het comité in eerste aanleg] is onderzocht”.
Ik meen derhalve, dat „het onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken” (artikel 45), naar behoren is verricht.
Tenslotte wordt mijns inziens artikel 45 niet geschonden wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag niet zelf daadwerkelijk de dossiers van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren raadpleegt.
De toegepaste bevorderingsprocedure, waarin een belangrijke rol wordt toegekend aan de met de opstelling van ontwerplijsten belaste organen, die voor de helft zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van het personeel, leidt stellig tot een beperking van discretionaire bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag. Dit belet echter niet, dat dit, wanneer het zulks wenst, een andere keuze kan doen. Het blijft dus autonoom. Ten dien einde kan het ook de persoonsdossiers van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren raadplegen.
Bijgevolg moet mijns inziens het tweede middel worden verworpen.
Hieruit volgt dat de bestreden besluiten niet met succes kunnen worden aangevochten. Mitsdien moeten ook Hoffmanns schadevorderingen worden verworpen.
Daarom concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van de Commissie in haar eigen kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy