CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 3 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak vordert S. Ragusa, ambtenaar van de Commissie in de rang A 4 bij de inrichting te Ispra van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GĆO), nietigverklaring van het besluit om J. Randles te benoemen tot hoofd van de afdeling „Project Super Sara” te Ispra. Tevens vraagt hij dat de Commissie zal worden gelast, de aanwervingsprocedure voor die post te heropenen.
Hoewel de Commissie de ontvankelijkheid van het beroep niet betwist, dienen wij met het oog op de gestelde termijnen te onderzoeken of het beroep tijdig is ingesteld.
De periode van drie maanden waarbinnen volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen een bezwarend besluit moet worden ingesteld, begon in het onderhavige geval te lopen op de dag nadat Ragusa kennis had gekregen van Randles' benoeming. Het besluit om Randles (met ingang van 1 augustus 1980) te benoemen, werd genomen op 17 juli 1980, doch het werd blijkbaar eerst bij een door de directeur van de inrichting verspreid memorandum van 22 augustus 1980 ter kennis van het personeel te Ispra gebracht. Ragusa's klacht tegen de benoeming is gedateerd op 20 november 1980 en werd volgens hem de dag daarop ingediend bij de Commissie. De Commissie bestrijdt dit niet (in het besluit tot afwijzing van de klacht staat dat zij op 26 november is ingediend, doch dit betreft blijkbaar de datum waarop zij in Brussel werd ontvangen, en niet die waarop Ragusa de klacht aan zijn hiërarchieke meerdere deed toekomen, zoals voorgeschreven in artikel 90, lid 3, van het Statuut). In de veronderstelling dat Ragusa niet vóór de nota van 22 augustus op de hoogte was van de benoeming, was zijn klacht dus tijdig ingediend.
De periode van vier maanden waarbinnen de Commissie Ragusa haar besluit op zijn klacht had moeten meedelen, verstreek op 21 maart 1981, zonder dat Ragusa enig antwoord had ontvangen. Ingevolge artikel 90, lid 2, moest de Commissie dus worden geacht, de klacht stilzwijgend te hebben afgewezen. Krachtens artikel 91, lid 3, moest Ragusa daarop binnen drie maanden beroep instellen bij het Hof, aan welke termijn het Reglement voor de procesvoering nog tien dagen toevoegt omdat het beroep vanuit Italië moest worden ingesteld (artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering). Dit betekent dat het beroep uiterlijk op 1 juli moest worden ingesteld. In feite gebeurde dit eerst op 28 oktober.
Het blijkt echter dat de Commissie op 5 juni, dus slechts enkele weken vóór het verstrijken van de termijn voor het beroep in rechte, een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de klacht heeft genomen, dat echter eerst op 22 juli door Ragusa werd ontvangen, dat wil zeggen nà het verstrijken van die termijn. Artikel 91, lid 3, bepaalt dat de termijn waarbinnen het beroep bij het Hof moet worden ingesteld, ingaat, (i) op de dag van kennisgeving aan de ambtenaar van het naar aanleiding van de klacht genomen uitdrukkelijk besluit, of (ii) „op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een klacht ...” In dit laatste geval gaat de termijn voor beroep bij het Hof opnieuw in „wanneer een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is afgekomen na het stilzwijgend besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep.” Opmerking verdient, dat volgens artikel 81, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering de termijn voor het instellen van beroep aanvangt op de dag volgende op die, waarop de handeling ter kennis van de betrokkene is gebracht.
In zaak 5/76 (Jänsch, Jurispr. 1976, blz. 1027) overwoog het Hof, dat een besluit moet worden geacht te zijn afgekomen in de zin van deze bepaling op de datum waarop het door de bevoegde autoriteiten is genomen, doch dat de nieuwe periode voor het instellen van beroep bij het Hof ingaat op de datum van de mededeling, wanneer de vertraging van de mededeling de betrokken ambtenaar niet kan worden aangerekend. In casu bestaat er geen enkele aanwijzing, dat het feit dat het besluit van 5 juni met meer dan een maand vertraging aan Ragusa werd meegedeeld, aan deze kan worden aangerekend. Telt men tien dagen bij 22 oktober — Ragusa verbleef immers in Italië —, dan is het beroep op 28 oktober dus tijdig ingesteld.
De feiten van de zaak zijn de volgende. Bij besluit van 15 februari 1971 wees de Commissie krachtens artikel 2 van het Statuut de directeur-generaal van het GCO aan als het tot aanstelling bevoegd gezag, met enkele uitzonderingen die hier niet ter zake doen. In een nota van 23 oktober 1979 legde de directeur-generaal de aanwervingsprocedure ter voorziening in vacatures vast, waarover overeenstemming was bereikt met de vertegenwoordigers van het personeel van het GCO. Deze procedure zou gelden met ingang van 1 november 1979 en omvatte, voor zover hier van belang, de volgende fasen:
1.
inleiding van de procedure door middel van een kennisgeving van vacature;
2.
selectie van de voor de post geschikt geachte kandidaten door een plaatselijk comité, bestaande uit een vertegenwoordiger van de betrokken dienst, een vertegenwoordiger van de administratie, een door het plaatselijk personeelscomité aangewezen lid en een onafhankelijk lid;
3.
het als „raadgevend” gekwalificeerde comité vangt zijn werkzaamheden aan na een voorselectie van de sollicitanten door de administratie en de belanghebbende dienst; deze stellen een korte beoordeling op ten behoeve van het comité,
4.
het comité beslist of het de sollicitanten zal horen;
5.
het deelt vervolgens het tot aanstelling bevoegd gezag (de directeur-generaal) mee, welke sollicitanten het geschikt acht voor de vacature, zo nodig in volgorde van geschiktheid, en maakt verder de opmerkingen die het nuttig acht;
6.
aan de hand van de door het comité opgestelde lijst raadplegen de administratieve diensten de vertegenwoordigers van het personeel, terwijl tegelijkertijd het advies van de met het personeelsbeleid belaste ambtenaren wordt gevraagd over de rangindeling;
7.
de uitgebrachte adviezen worden overgelegd aan de directeur-generaal, die beslist.
Op 19 mei 1980 werd kennisgeving van vacature COM/R/522/80 gepubliceerd. Daarbij werd een A 3-post te Ispra opengesteld voor een afdelingshoofd belast met het zogenoemde „Super Sara”-onderzoekprogramma. De sollicitatietermijn sloot op 6 juni 1980. Ragusa vulde op 3 juni een sollicitatieformulier in on diende dit tijdig in. In totaal solliciteerden vijf ambtenaren naar de post, vier uit Ispra en één van het GCO te Karlsruhe.
Op 11 en 12 juni had R. Mas, destijds adjunct-directeurgeneraal van het GCO en directeur van de inrichting te Ispra, een onderhoud met de vier sollicitanten uit Ispra. Volgens Ragusa ontving Mas hem op 11 juni en deelde hem mee
1.
dat zijn kandidatuur om politieke redenen niet kon worden aanvaard, en
2.
dat Randles, één van de andere sollicitanten te Ispra, zou worden benoemd.
Op 12 juni zond Mas de directeur-generaal een verslag van de interviews. Hij zou, zo schreef hij, de in de nota van 23 oktober 1979 voorziene aanwervingsprocedure niet volgen, omdat:
1.
de sollicitanten afkomstig waren uit Ispra en hij ze goed kende,
2.
de interviews alleen ten doel hadden de sollicitanten in staat te stellen de redenen voor hun sollicitaties uiteen te zetten en hun opvatting over hun taak — mochten zij worden benoemd — toe te lichten,
3.
de sollicitanten afkomstig waren uit de inrichting, zodat de personeelsvertegenwoordigers niet behoefden te vrezen dat buitenstaanders zouden worden binnengeloodst,
4.
het niet nodig was te spreken over bezoldiging, arbeidsvoorwaarden enzovoort.
Hij vervolgde dat hij, na de sollicitanten te hebben aangehoord, „l'ensemble du contexte technique et politique” te hebben afgewogen en hun technische bekwaamheid en persoonlijkheid in aanmerking te hebben genomen, de voorkeur gaf aan Randles en deze voor benoeming voordroeg. De brief eindigde met de opmerking dat de benoeming spoed vereiste. Ik merk nog op, dat Mas op dat tijdstip blijkbaar niet wist dat er ook een sollicitatie uit Karlsruhe was binnengekomen.
Deze brief was aanleiding voor het personeelscomité te Ispra, om bij telex van 16 juni 1980 bij de directeur-generaal te protesteren tegen Mas' handelwijze. Daarop schreef de directeur-generaal op 1 juli 1980 aan Mas, dat hij niet kon instemmen met diens voorstel om af te wijken van de overeengekomen bevorderingsprocedure, en hij verzocht hem het aanwervingscomité bijeen te roepen, zodat dit zich over de zaak kon beraden, en vervolgens de directeur-generaal hun verslag toe te zenden, zodat hij het benoemingsbesluit kon nemen. Nog diezelfde dag schreef Mas aan drie ambtenaren — volgens Ragusa directeuren te Ispra —, dat hij een onderhoud met de sollicitant uit Karlsruhe zou hebben zodra deze arriveerde, en stelde hij hen voor dat zij ook zelf met deze sollicitant zouden spreken om zich een indruk over zijn sollicitatie te vormen. Bij wijze van uitzondering stemde Mas ermee in, dat een lid van het plaatselijk personeelscomité, met tenminste dezelfde rang als de sollicitant, bij het onderhoud aanwezig zou zijn. Deze gesprekken hadden naar het schijnt plaats op 4 juli.
Op 14 juli bracht het aanwervingscomité verslag uit. Het comité bestond uit de heer Klersy, een ambtenaar van het technisch en wetenschappelijk kader, die de rechtstreekse hiërarchieke meerdere (rang A 3) van de te benoemen ambtenaar zou zijn, de heer Chambaud, een A 4-ambtenaar van de administratie, de heer Ardente (rang A 5) als vertegenwoordiger van het personeel, eveneens behorend tot het technisch en wetenschappelijk kader, en de heer Ooms (rang B 3), voorzitter van het plaatselijk personeelscomité. Volgens het verslag — waaronder de handtekening van Ardente ontbreekt — had het comité de dossiers van de vijf sollicitanten onderzocht en was het, rekening houdend met de bijzonderheden van de post, tot de conclusie gekomen dat drie sollicitanten het meest geschikt waren, waarbij de voorkeur werd gegeven aan Randles. Ragusa behoorde niet tot de drie geselecteerden. Volgens de Commissie werd het verslag van het comité met de persoonsdossiers van de sollicitanten en hun sollicitaties terstond naar de directeur-generaal gezonden, die op 17 juli besloot Randles te benoemen.
Ragusa stelt, dat de benoeming van Randles om twee redenen onwettig is:
1.
strijd met het Statuut en misbruik van bevoegdheid, doordat Randles is benoemd wegens zijn nationaliteit en niet wegens zijn geschiktheid voor de post;
2.
gebreken in de aanwervingsprocedure.
Ragusa erkent dat de nationaliteit een geldig criterium is, zij het van secundair belang, waarmee bij een benoeming rekening mag worden gehouden. Hij verwijst hiertoe onder meer naar zaak 15/63 (Lassalle, Jurispr. 1964, blz. 63 en 74). In casu echter zou toepassing van het nationaliteitscriterium niet gerechtvaardigd zijn, omdat het niet de subsidiaire functie vervulde die het volgens het Hof heeft, en Randles ook zonder een aantal van de daarvoor vereiste kwalificaties te bezitten, voor de functie is uitgekozen. Hiervoor beroept Ragusa zich op de brief van Mas van 12 juni, waarin gesproken wordt van de „politieke context”, en stelt hij dat, gezien Mas' positie, niet kan worden aangenomen dat deze slechts een persoonlijke opinie gaf en dat hij zowel zijn meerdere, de directeur-generaal, als de andere ontvangers van de brief, die zijn ondergeschikten waren, moet hebben beïnvloed. Bovendien, zo zegt hij, was het voor het aanwervingscomité onmogelijk om van het door Mas ingenomen standpunt af te wijken.
Jammer genoeg ontbreekt iedere verklaring van de heer Mas met betrekking tot zijn verslag van de interviews van 11 juni; hij is niet meer werkzaam bij de Commissie te Ispra. Wat wij weten, wijst er echter niet op, dat alleen Randies' nationaliteit als maatstaf heeft gediend noch dat daaraan het grootste gewicht is gehecht bij het uiteindelijke besluit. De Commissie zegt, dat Mas met zijn verwijzing naar de „politieke context” van de benoeming doelde op de „geografische” spreiding van de posten te Ispra, waar Italiaanse ambtenaren destijds overheersten. Het is echter een feit, dat uit de brief van 12 juni in zijn geheel genomen niet blijkt dat Mas de kwalificaties van de sollicitanten niet in aanmerking heeft genomen; er valt integendeel uit op te maken, dat hij rekening heeft gehouden met alle aspecten en dat de nationaliteit slechts één daarvan was. Doch zelfs wanneer hij alleen rekening zou hebben gehouden met de nationaliteit van de sollicitanten, dan nog kan hij enkel een persoonlijk standpunt naar voren hebben gebracht, want de benoeming moet geschieden door de directeur-generaal en uit niets blijkt dat bij diens besluit de nationaliteit de doorslag heeft gegeven. Voor de bewering dat het aanwervingscomité slaafs de heer Mas heeft gevolgd, bestaat niet het minste bewijs.
Tot staving van de bewering dat Randles niet over de voor de post vereiste kwalificaties beschikte, of althans niet over even goede kwalificaties als Ragusa, wordt gewag gemaakt van gebeurtenissen die zich na Randles' benoeming hebben voorgedaan. De Commissie betwist Ragusa's interpretatie van die gebeurtenissen en ik zie niet hoe uit de aangevoerde feiten zou blijken dat Randles daarvoor verantwoordelijk was. In ieder geval bieden zij volgens mij geen steun voor de bewering, dat hij op het tijdstip van de benoeming niet over de nodige kwalificaties daarvoor beschikte. Ook uit een vergelijking tussen de kwalificaties van Randles en Ragusa, zoals deze laatste die in zijn verzoekschrift maakt, kan niet worden afgeleid dat Randles kennelijk onvoldoende gekwalificeerd was of althans duidelijk minder gekwalificeerd dan Ragusa, of tenslotte, dat de directeur-generaal tot een conclusie is gekomen waartoe hij op basis van de beschikbare gegevens in redelijkheid niet had kunnen komen. Er kunnen zich wellicht gevallen van benoemingen voordoen die zo duidelijk niet gerechtvaardigd zijn, dat het Hof tussenbeide kan komen, doch wanneer het uiteindelijke besluit afhankelijk is van de beoordeling van technische kwalificaties, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid waarin het Hof niet ingrijpt, indien zij juist en binnen de gestelde grenzen is gebruikt.
Ragusa stelt, dat de in de nota van 23 oktober 1979 vastgestelde regeling niet is nageleefd. Onder verwijzing naar zaak 782/79 (Geeraerd, Jurispr. 1980, blz. 3651, r.o. II-14) merkt de Commissie hierover op, dat de procedure niet een door het Statuut voorgeschreven, doch een door de Commissie vrijwillig vastgestelde interne maatregel is, zodat het haar vrij staat ervan af te wijken. In de zaak-Geeraerd ging het om een uitzonderlijke situatie, die een uitvloeisel was van een herstructurering van de loopbanen van de groep voor de talendienst. In casu deed zich zo'n uitzonderlijke situatie niet voor en mochten de sollicitanten verwachten dat de administratie de door haarzelf vastgestelde procedure zou volgen (vgl. de overeenkomstige situatie in zaak 105/75, Giuffrida, Jurispr. 1976, blz. 1396, r.o. 17). Dit betekent niet, dat Ragusa aanspraak heeft op nietigverklaring van het besluit wegens eventuele afwijkingen van de regeling van de nota. Hij heeft geen belang bij nietigverklaring van de benoeming op grond van proceduregebreken, tenzij de procedure, ware zij juist toegepast, een andere uitkomst zou hebben gehad (zaak30/78, Distillers, Jurispr. 1980, blz. 2229, r.o. 26).
Ragusa's eerste grief is, dat in het aanwervingscomité drie leden zitting moesten hebben met tenminste dezelfde rang als die welke aan de vacature was verbonden (A 3), alsmede één vertegenwoordiger van het personeelscomité. De nota van 23 oktober 1979 noemt dit vereiste niet, hoewel in een nota van 18 maart 1975 was bepaald, dat de toen in Ispra gebruikelijke, uit zes leden bestaande aanwervingscomités moesten bestaan uit ambtenaren met dezelfde rang als aan de vacature was verbonden. De nota van 23 oktober 1979 bevatte een uniforme regeling die voor alle inrichtingen van het GCO gold, en maakte mijns inziens derhalve een einde aan de uit zes leden bestaande aanwervingscomités te Ispra. Verzoeker heeft niet gesteld dat die nota niet in overeenstemming is met hetgeen met de personeelsvertegenwoordigers was overeengekomen, en het was, dunkt mij, volstrekt niet vereist dat alle leden van de uit vier leden bestaande aanwervingscomités (behoudens de vertegenwoordiger van het personeelscomité) dezelfde rang moesten hebben als aan de vacature was verbonden.
In de tweede plaats stelt Ragusa dat de heer Ardente het verslag van het comité niet heeft ondertekend en dat daaruit blijkt dat hij niet aan de procedure heeft deelgenomen. Dit laatste punt is bij de mondelinge behandeling naar voren gebracht, doch zoals de Commissie heeft opgemerkt, lijkt Ragusa in zijn repliek zelf toe te geven dat Ardente wel aanwezig was. Na de terechtzitting heeft de Commissie een schriftelijke verklaring van de heren Ardente en Ooms overgelegd, inhoudende dat geen betekenis moet worden gehecht aan het feit dat eerstgenoemde het verslag niet heeft getekend. Het is jammer dat deze verklaring, waarover Ragusa nog opmerkingen heeft ingediend, geen rechtstreeks antwoord geeft op de specifieke vragen van het Hof, doch in de gegeven omstandigheden lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat Ardente wel aan de procedure heeft deelgenomen. Het niet ondertekenen van het verslag is, al moet het niet worden aangemoedigd, op zichzelf niet een zodanige vormfout, dat het tot nietigheid van het verslag zou moeten leiden. Dergelijke onvolkomenheden doen zich van tijd tot tijd voor, maar zijn volgens mij slechts van belang wanneer zij een wezenlijk vormgebrek blootleggen, bijvoorbeeld de onjuiste samenstelling van een comité, het feit dat een verslag aan één van de leden niet ter goedkeuring is voorgelegd, of dat een lid heeft geweigerd het verslag te ondertekenen terwijl het unaniem had moeten worden vastgesteld. Van een dergelijk gebrek is hier niet gebleken.
Het volgende argument is, dat Ardente als personeelsvertegenwoordiger in het comité zat. Het comité zou derhalve niet naar behoren samengesteld zijn geweest, aangezien et twee vertegenwoordigers van het personeel waren en geen onafhankelijk lid, zoals de nota van 23 oktober 1979 voorschrijft. Dit vindt bevestiging in het verslag van het comité en de verklaring van Ardente en Ooms. De Commissie betoogt dat Ardente in wezen een onafhankelijk lid was, omdat hij tot het technisch en wetenschappelijk kader behoort, doch geen ambtenaar is van de belanghebbende dienst, en dat hij als zodanig vaak zitting heeft in aanwervingscomités. Het feit dat hij wegens zijn belangstelling voor vakverenigingswerk, in het verslag van het comité als personeelsvertegenwoordiger wordt genoemd, zou hieraan niet afdoen; op zijn minst zou hij in beide hoedanigheden lid van het comité zijn geweest. Ik zou deze uitleg wel hebben willen aanvaarden, ware het niet dat Ardente in de na de terechtzitting overgelegde schriftelijke verklaring niet alleen duidelijk maakt dat hij in het comité zat als personeelsvertegenwoordiger, doch ook dat de vertegenwoordigers van het plaatselijk personeelscomité (dat wil zeggen Ooms en hijzelf) zich er in verband met de bijzondere aard van de vacature, toe hebben beperkt, toe te zien op de formele naleving van de bepalingen van het Statuut. Door zijn rol zo beperkt op te vatten, vervulde Ardente, zo zou men kunnen stellen, in wezen niet de taak van een onafhankelijk lid. Daardoor was het comité niet naar behoren samengesteld. Maar deze procedurefout rechtvaardigt mijns inziens toch niet de nietigverklaring van de gehele procedure. Nog afgezien van het feit dat het comité alleen een adviserende functie heeft en geen bindende besluiten kan nemen, is niet voorgeschreven dat zijn advies unaniem moet zijn. In casu schijnt de voorkeur van het comité voor drie van de kandidaten, en in het bijzonder voor Randles, het standpunt weer te geven van de heren Klersy en Chambaud, die hun taakopvatting niet op die wijze beperkten. Had Ardente wel aandacht besteed aan de vraag, welke van de kandidaten het meest geschikt was voor de post, en was hij tot de conclusie gekomen dat het Ragusa was of althans niet één van de kandidaten waaraan Klersy en Chambaud de voorkeur gaven, dan zou hij waarschijnlijk overstemd zijn. Juist omdat de directeur-generaal had besloten dat de overeengekomen procedure moest worden gevolgd, ist het onbevredigend dat het comité niet precies volgens die regeling was samengesteld.
In de gegeven omstandigheden en gezien het feit dat Ardente een personeelsvertegenwoordiger en geen onafhankelijk lid was, geloof ik niet dat het juist zou zijn het besluit op grond van dit proceduregebrek nietig te verklaren.
Het vierde argument betreft het feit dat de kandidaat uit Karlsruhe werd geïnterviewd door drie directeuren (in aanwezigheid van een personeelsvertegenwoordiger). Geen enkele bepaling van de nota van 23 oktober 1979 verzet zich hiertegen en het doel schijnt te zijn geweest de directeuren gelegenheid te geven kennis te maken met de sollicitant. Had er in het geheel geen onderhoud plaatsgevonden, dan zou enige twijfel mogelijk zijn geweest over de wettigheid van de procedure, doch het ware onjuist te zeggen dat, nu de nota niet uitdrukkelijk in een interview met drie directeuren voorziet, de procedure gebrekkig was. Maar ook wanneer dit wel het geval was, valt moeilijk in te zien, hoe de uitslag zonder dit gebrek anders had kunnen zijn geweest, nu het aanwervingscomité deze sollicitant niet heeft aanbevolen. Verder wordt gezegd, dat de personeelsvertegenwoordiger dit onderhoud niet heeft bijgewoond, doch voor deze bewering ontbreekt ieder werkelijk bewijs.
Tenslotte stelt Ragusa, dat het aanwervingscomité zijn verslag eerst na het interview met de sollicitanten had moeten uitbrengen. Dit vereiste blijkt niet uit de nota, waarin duidelijk staat dat het besluit om een sollicitant te interviewen, alleen door het comité op verzoek van één van zijn leden wordt genomen. Uit niets blijkt dat het besluit van het comité om zijn aanbeveling op basis van de dossiers van de sollicitanten op te stellen, op ¡ets anders berust dan op de overtuiging dat interviews onnodig waren.
Om bovengenoemde redenen concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van partijen in de eigen kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy