CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 2 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak, Jean-Jacques Charles Geist, is ambtenaar van de Commissie en tewerkgesteld bij de wetenschappelijke en technische groepen. In het onderhavige beroep vordert hij :
1.
nietigverklaring van het hem op 5 december 1980 meegedeelde besluit, waarbij hem werd opgedragen zich naar zijn post bij de Inrichting van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra te begeven;
2.
nietigverklaring van het hem op 12 januari 1981 meegedeelde besluit, waarbij hem werd aangezegd dat hem vanaf 1 januari 1981 geen salaris meer zou worden betaald;
3.
betaling van achterstallig salaris, ofwel BFR 1000000 vermeerderd met rente;
4.
nietigverklaring van een hem per brief van 21 januari 1981 (bedoeld zal zijn de brief van 12 januari) meegedeeld besluit, voor zover dit betrekking heeft op zijn verzoek, zolang hij ziek is in Nederland te mogen verblijven;
5.
vergoeding van alle kosten gemaakt in verband met de procedure voor de invaliditeitscommissie van 1978, daaronder begrepen het honorarium van zijn eigen arts;
6.
veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding.
Aan het vijfde verzoek is in de loop van het geding door verweerster voldaan, zodat daarop niet verder behoeft te worden ingegaan.
Laat ik beginnen met een kort overzicht van de achtergrond van de zaak. Verzoeker werd in 1962 door de Commissie benoemd tot wetenschappelijk ambtenaar. Na opheffing van de door hem geleide onderzoeksgroep in 1967 vervulde hij een reeks andere functies. In 1975 werd hij per 1 maart 1976 tewerkgesteld bij het GCO te Ispra. Tegen deze tewerkstelling kwam hij in beroep bij het Hof. Zijn verzoek tot nietigverklaring werd afgewezen (zaak 61/76, Geist t. Commissie, Jurispr. 1977, blz. 1419). Van 1 tot en met 7 maart 1976 was hij met vakantie, doch van 8 maart tot 22 juni werkte hij in Ispra. Daarna verscheen hij om gezondheidsredenen niet op zijn werk. Voor het tijdvak van 22 juni 1976 tot 31 augustus 1978 kon hij medische attesten overleggen, doch nadien legde hij geen document meer over dat door de medische dienst van de Commissie als medisch attest werd aanvaard. In september 1977 legde de administratie te Ispra de zaak krachtens artikel 59, lid 3, van het Statuut voor aan de invaliditeitscommissie; deze bracht op 26 juli 1978 een rapport uit, waarin zij concludeerde dat verzoeker in staat was om zijn werkzaamheden te Ispra te verrichten. Verzoeker keerde echter niet terug naar zijn post.
In december 1979 en januari 1980 werden hem twee functies aangeboden bij DG XII in Brussel. Naar aanleiding van het eerste aanbod schreef hij op 10 januari 1980 een brief aan de bemiddelaar van de Commissie. Daarin zette hij uiteen, dat hij verbaasd was over het gedane voorstel, daar het betrekking had op een hem totaal onbekend gebied, terwijl hij alle nodige bekwaamheden bezat voor een functie bij een ander directoraat van DG XII, dat zich bezighield met kernenergie. De brief eindigde met het verzoek, dat een te houden gesprek zou worden uitgesteld om de bemiddelaar meer tijd te geven en de directeurgeneraal van DG XII, Schuster, de tijd te laten om de zaak te overdenken. Dit leidde ertoe dat hem een tweede aanbod werd gedaan, namelijk voor een post bij het directoraat D (Onderzoek, ontwikkeling en kernenergiebeleid). Luidens het inleidend verzoekschrift werd dit aanbod door verzoeker aanvaard in een brief aan de bemiddelaar van 9 maart 1980. De gang van zaken was als volgt. Toen dit aanbod werd gedaan, vonden verschillende bijeenkomsten plaats tussen verzoeker en Schuster en diens medewerkers. Op 14 februari legde verzoeker Schuster een aantal wetenschappelijke onderwerpen voor die naar zijn mening moesten worden bestudeerd. Op 21 februari 1980 schreef Schuster aan verzoeker, dat hij hem geen functie kon aanbieden die aan zijn wensen voldeed. Bij brief van 3 maart 1980 berichtte Schuster, dat hij niet van plan was de werkzaamheden van zijn directoraatgeneraal uit te breiden tot het gebied van de kweekreactoren met gesmolten zouten en dat hij tot zijn spijt geen nut zag in een verdere ontmoeting met verzoeker. In zijn brief van 9 maart schreef verzoeker, dat hij bereid was de functie te aanvaarden, voor zover die in overeenstemming was met zijn kwalificaties, ervaring, bekwaamheid, verantwoordelijkheidsniveau, leeftijd en anciënniteit.
In november 1980 werd verzoeker onderzocht door dokter De Geyter, een deskundige die was geraadpleegd toen de invaliditeitscommissie in 1977 haar rapport had uitgebracht, op verzoek van het hoofd van de medische dienst van de Commissie. Op 15 november schreef De Geyter aan genoemd hoofd, dat de conclusies van de invaliditeitscommissie van 1978 nog steeds golden en dat verzoekers afwezigheid niet kon worden toegeschreven aan medische oorzaken. Het hoofd van de medische dienst van de Commissie besprak daarop de zaak met het hoofd van de medische dienst te Ispra, en schreef op 25 november aan de directeurgeneraal van het GCO, Villani, dat zij de mening van De Geyter deelden. Bij brief van 5 december 1980 beval Villani verzoeker schriftelijk, zijn werkzaamheden te Ispra terstond te hervatten. Op 14 december schreef verzoekers arts aan het hoofd van de medische dienst te Ispra, dat verzoeker op zijn advies zijn werkzaamheden aldaar niet zou hervatten.
Op 15 december schreef verzoeker een brief van dezelfde strekking aan de directeur van de Inrichting te Ispra. Bij brief van 22 december verzocht hij krachtens artikel 60 van het Statuut om toestemming, zijn ziekteverlof door te brengen in zijn woonplaats in Nederland en niet in zijn standplaats Ispra. De bevoegdheid om die toestemming te verlenen berust bij de directeur van de Inrichting te Ispra, doch kan worden gedelegeerd aan het hoofd van de afdeling Personeelszaken en algemeen beheer. Deze laatste berichtte verzoeker bij brief van 12 januari 1981, na overleg met Villani, dat de brief van zijn eigen arts zijn afwezigheid onvoldoende rechtvaardigde, en dat opdracht was gegeven om krachtens artikel 60 de betaling van zijn salaris te staken. Bij brief van 11 februari 1981, bij de Commissie ingekomen op 13 februari, diende verzoeker krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht in, die door de Commissie bij brief van 27 juli werd verworpen. Het inleidend verzoekschrift werd ingediend op 3 november 1981. Uit de memories blijkt niet op welke datum verzoeker de brief van 27 juli ontving, doch er bestaat geen reden om te betwijfelen dat het verzoekschrift tijdig werd ingediend.
Verzoeker betoogt in de eerste plaats dat het besluit waarbij hem werd opgedragen, zijn werkzaamheden te Ispra op te nemen, onwettig is en moet worden nietigverklaard op grond dat
1.
het is gebaseerd op onjuiste feiten en gegevens, en
2.
toen de Commissie eenmaal had besloten, voor verzoeker een functie te zoeken buiten het GCO, zij krachtens artikel 24 van het Statuut niet willekeurig tegenover hem mocht optreden en verzoeker erop mocht vertrouwen, dat zij dit ook niet zou doen; de Commissie moest haar beloften nakomen en kon verzoeker niet verwijten dat hij niet naar Ispra ging, zolang dit niet was geschied.
De gestelde feitelijke onjuistheden zijn, dat in de brief van 5 december 1980 ten onrechte werd verklaard dat verzoeker de hem in december 1979 en januari 1980 aangeboden functies weigerde, en dat ten onrechte de indruk werd gewekt, dat hij onvoldoende belangstelling, goede wil en realiteitszin toonde.
Geen van deze argumenten kan worden aanvaard. Verzoeker was rechtmatig tewerkgesteld in Ispra. Artikel 55 van het Statuut bepaalt:
„De ambtenaren in actieve dienst staan op ieder ogenblik ter beschikking van hun instelling”,
en artikel 60:
„Behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn.”
Geen der aangevoerde feitelijke onjuistheden in het besluit doen afbreuk aan de toepasselijkheid van deze bepalingen. Verzoekers tweede argument luidt in hoofdzaak, dat door het optreden van de Commissie bij monde van enkele harer ambtenaren, bij hem de indruk was gewekt dat hij niet naar Ispra behoefde te gaan, doch in plaats daarvan elders een functie zou krijgen. Hij stelt, in de bewoordingen van het Ambtenarenstatuut, dat het optreden van de Commissie jegens hem neerkwam op een stilzwijgende machtiging om niet op zijn post in Ispra te verschijnen.
Ik betwijfel of dit het geval was, maar dan nog kan het besluit alleen worden nietigverklaard, indien die machtiging onherroepelijk was. Aan het Hof zijn geen documenten overgelegd waaruit verzoeker dit kon afleiden. En ofschoon de instellingen bij het verlenen van machtigingen krachtens artikel 60 over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikken, moet niettemin rekening worden gehouden met het dienstbelang. Dit laatste sluit naar mijn mening uit dat die machtiging onherroepelijk kan zijn, daar anders een machtiging die werd verleend toen het dienstbelang dit toestand, niet kan worden ingetrokken wanneer gewijzigde omstandigheden afwezigheid van de ambtenaar niet langer veroorloven. Verzoeker mocht er derhalve niet op vertrouwen, dat een stilzwijgende machtiging om niet in Ispra te verschijnen, voor onbepaalde tijd zou gelden.
Gezien verzoekers persoonlijke omstandigheden is de Commissie wellicht verplicht, hem bij te staan en zich een redelijke inspanning te getroosten om voor hem een andere functie te vinden, doch zij is niet gehouden een functie te vinden die aan al zijn persoonlijke verlangens voldoet, of toe te staan dat hij, terwijl naar een andere oplossing wordt gezocht, voor onbepaalde tijd afwezig is. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de Commissie, bij monde van Villani, onwettig is opgetreden door verzoeker op te dragen terug te keren naar Ispra.
Vooral ook gezien verzoekers bezwaren tegen de hem aangeboden functies, ben ik op grond van bovenstaande feiten van oordeel, dat de Commissie haar in december 1979 en januari 1980 gedane aanbod voor een functie niet langer hoefde te laten gelden.
Wanneer de Commissie onredelijk was opgetreden met betrekking tot verzoekers nieuwe tewerkstelling, had deze daartegen een klacht kunnen indienen. In zijn klacht van 11 februari 1981 voerde hij weliswaar aan, dat de Commissie haar belofte om hem over te plaatsen naar een post buiten Ispra niet was nagekomen, doch dit middel is niet opgenomen in het inleidend verzoekschrift. In repliek is betoogd, dat de besluiten betreffende de hem in januari 1980 aangeboden functie hadden moeten worden genomen door het tot aanstelling bevoegd gezag en niet door Schuster. De gestelde weigering van de Commissie om in te gaan op verzoekers aanvaarding van die functie in de brief aan de bemiddelaar van 9 maart 1980, zou op grond daarvan wellicht kunnen worden aangevochten, doch zulks staat geheel los van een vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij verzoeker werd opgedragen terug te keren naar Ispra.
In de tweede plaats vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit waarbij de betaling van zijn salaris werd gestaakt. De aangevoerde middelen zijn:
1.
het in de brief van 12 januari 1981 vervatte besluit is niet uitgegaan van de daartoe bevoegde autoriteit;
2.
het besluit was in strijd met artikel 59, leden 1 en 3, van het Statuut;
3.
het besluit was in strijd met artikel 60, tweede alinea, van het Statuut.
Het eerste middel is gebaseerd op het feit, dat het hoofd van de afdeling Algemeen beheer en personeelszaken te Ispra in zijn brief van 12 januari 1981 meedeelde, opdracht te hebben gegeven om de betaling van verzoekers salaris overeenkomstig artikel 60, eerste alinea, te staken. Artikel 60, eerste alinea, bepaalt dat „iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering wordt gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging.” Op het betrokken tijdstip was in het besluit van de directeurgeneraal van het GCO van 20 november 1979 bepaald, welke ambtenaren van het GCO gemachtigd waren de in het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden uit te oefenen. Luidens artikel 2 worden de in het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag opgedragen bevoegdheden ten aanzien van het personeel dat werkzaam is bij het GCO uitgeoefend onder de in bijlage I gestelde voorwaarden. Artikel 2 bepaalt voorts, dat de directeur van de Inrichting te Ispra zijn bevoegdheden met betrekking tot het bij de Inrichting werkzame personeel kan delegeren onder de in bijlage II gestelde voorwaarden. In geen dezer bijlagen wordt verwezen naar artikel 60, eerste alinea, hoewel luidens bijlage I de bevoegdheid om krachtens artikel 60, tweede alinea, een ambtenaar te machtigen zijn ziekteverlof in een andere plaats door te brengen dan waar hij is tewerkgesteld, ten aanzien van A 3-A 8 ambtenaren bij de directeur van de Inrichting te Ispra berust, en deze bevoegdheid luidens bijlage II kan worden gedelegeerd aan de directeur van de vestiging en aan het hoofd van de afdeling Administratie en personeelszaken.
De reden hiervoor is, dat artikel 60 het tot aanstelling bevoegde gezag alleen noemt in verband met de machtiging die moet worden gevraagd door een ambtenaar die zijn ziekteverlof elders wenst door te brengen dan in de plaats waar hij is tewerkgesteld; luidens de eerste zin van artikel 60, kan de chef van een ambtenaar machtiging geven voor afwezigheid; evenwel is niet bepaald, wie bevoegd is om overeenkomstig de tweede en derde zin van de eerste alinea een periode van onregelmatige afwezigheid op het vakantieverlof in mindering te brengen of de bezoldiging van de ambtenaar in te houden. Het besluit van 20 november 1979 is dus niet van toepassing, omdat het werd genomen krachtens artikel 2 van het Statuut en dus alleen geldt in geval van aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden.
De bewoordingen van de tweede en derde zin van artikel 60, eerste alinea, wekken de indruk dat dit gedeelte van het artikel automatisch van toepassing is, zonder dat een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag of een ander daartoe aangewezen persoon nodig is. Anders gezegd, het in mindering brengen van een tijdvak van onregelmatige afwezigheid op het vakantieverlof en inhouding van het salaris van een ambtenaar zijn een gevolg van het optreden van de ambtenaar zelf te zamen met de dwingende bepalingen van artikel 60. Dit betekent niet dat de betrokken ambtenaar geen klacht kan indienen tegen een handeling van de administratie, die uitvoering geeft aan artikel 60 door — zoals in casu — zijn salaris in te houden. Het betekent echter wel, dat de ambtenaar zich niet kan beroepen op het besluit tot aanwijzing van de personen die de door het Ambtenarenstatuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheden zullen uitoefenen, om aan te tonen dat de handeling werd verricht door een daartoe niet bevoegde ambtenaar. Om deze redenen moet het eerste argument worden verworpen.
Het tweede argument behelst in hoofdzaak, dat verzoekers afwezigheid niet onregelmatig was, omdat hij met ziekteverlof was. Artikel 59, lid 1, van het Statuut bepaalt:
„De ambtenaar die aantoont ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd te zíjn zijn werkzaamheden te verrichten, komt van rechtswege in aanmerking voor ziekteverlof. De betrokkene moet zijn instelling zo spoedig mogelijk mededelen dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten en hierbij de plaats aangeven waar hij zich bevindt. Van de vierde dag van zijn afwezigheid af dient hij een medisch attest over te leggen. Hij kan door de instelling aan iedere medische controle worden onderworpen.”
Tijdens de schriftelijke behandeling is naar voren gebracht, dat de door een arts opgestelde verklaring, dat zijn patiënt niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, steeds een medisch attest is in de zin van artikel 59, lid 1, van het Statuut, en dat de Commissie ten onrechte de door verzoekers arts overgelegde attesten ter zijde heeft gelegd. Voorts is opgemerkt dat de overgelegde attesten niet alleen toereikend waren, doch bovendien niet in ernst konden worden betwist of ter zijde gelegd. Zo de medische dienst van de Commissie twijfels koesterde omtrent de juistheid van de diagnose, had zij verzoeker een me-. disch onderzoek moeten laten ondergaan en in geval van betwisting de zaak krachtens artikel 59, lid 3, aan de invaliditeitscommissie moeten voorleggen.
Krachtens artikel 59, lid 1, komt een ambtenaar slechts van rechtswege in aanmerking voor ziekteverlof, wanneer hij aantoont verhinderd te zijn zijn werkzaamheden te verrichten. Zoals advocaatgeneraal Mayras in de gevoegde zaken 42 en 62/74 (Vellozzi t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 871) opmerkte, vormt een medisch attest, zelfs wanneer daarin staat dat de ambtenaar niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, geen doorslaggevend bewijs van arbeidsongeschiktheid, wanneer die arbeidsongeschiktheid wordt toegeschreven aan een aandoening die een invaliditeitscommissie reeds heeft onderzocht en deze laatste daarbij tot de conclusie is gekomen dat zij niet van dien aard is, dat de ambtenaar daardoor zijn werkzaamheden niet kan verrichten. In dat geval moet de ambtenaar nader bewijs overleggen.
Verzoeker beroept zich op drie medische verklaringen, van 13 november 1980, 14 december 1980 én 27 februari 1981, alle afgegeven door zijn huisarts Willeboordse. Bij de eerste gaat het om een brief aan dokter De Geyter, waarin Willeboordse verklaart in te stemmen met het eerdere oordeel van drie andere artsen (waarvan twee lid waren geweest van de invaliditeitscommissie die in 1978 had vastgesteld dat verzoeker in staat was zijn werkzaamheden te verrichten), dat verzoeker zowel fysiek als psychisch een volkomen gezonde indruk maakte en derhalve in staat was zijn werkzaamheden te hervatten, doch niet in Ispra. Daar zouden de werkomstandigheden frustrerend zijn en niet overeenkomen met verzoekers kwalificaties, ervaring, bekwaamheden, verantwoordelijkheidsniveau, leeftijd en anciënniteit. Die omstandigheden zouden tot ongewenste reacties kunnen leiden. In de tweede verklaarde Willeboordse alleen, dat verzoeker niet in staat was om in Ispra te gaan werken en daar op aanraden van zijn arts niet naar toe zou gaan. Redenen werden niet vermeld. Voor verdere gegevens werd verwezen naar De Geyter. Volgens de Commissie vormde deze verklaring geen medisch attest in de zin van artikel 59, daar verzoeker volgens De Geyter niet om medische redenen afwezig was. De derde verklaring vertoonde overeenkomst met de tweede, en verwees naar de sinds 1966 bestaande situatie en naar de brief van 13 november 1980.
Naar mijn gevoelen was de Commissie terecht van oordeel, dat geen van deze stukken afdoende bewijs vormde dat verzoeker niet in staat was zijn werkzaamheden te vervullen. Zij bevatten onvoldoende uitleg en suggereerden alleen, dat de omstandigheden in Ispra een bedreiging konden vormen voor verzoekers gezondheid. Zelfs de verklaring van 14 december, dat verzoeker niet in staat was in Ispra te werken, vormde, gezien de brief van 13 november 1980 en de door De Geyter verstrekte gegevens, onvoldoende grond voor ziekteverlof. Voorts blijkt uit geen van de destijds afgegeven medische verklaringen, dat verzoekers gezondheidstoestand slechter of anders was dan voorheen. In zijn brief aan het hoofd van de medische dienst van de Commissie van 15 november 1980 gaf De Geyter immers te kennen, dat het in 1978 door de invaliditeitscommissie ingenomen standpunt nog steeds gold. Verzoeker heeft getracht de overtuigingskracht van de verklaring van De Geyter te verzwakken door te betogen, dat het onderzoek van 6 november 1980 gehaast en oppervlakkig was. Ik ben er niet zeker van dat dit het geval was, maar in ieder geval wordt de verklaring van Willeboordse inzake verzoekers arbeidsongeschiktheid er niet overtuigender door.
Aangezien de door verzoeker overgelegde stukken op het eerste gezicht geen bewijs vormden, dat hij niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, behoefde de Commissie naar mijn mening de zaak niet krachtens artikel 59, lid 3, aan de invaliditeitscommissie voor te leggen. Dit moet alleen geschieden bij verschil van mening over de gezondheidstoestand van de ambtenaar. In casu kon geen verschil van mening bestaan, omdat verzoekers arbeidsongeschiktheid nimmer was aangetoond. Onderzocht moet nog worden, of zulks naderhand werd aangetoond.
In de loop 1981 en 1982 werden een aantal medische adviezen en attesten aan de Commissie overgelegd. Het eerste dateert van 15 oktober 1981, dus acht maanden na indiening van verzoekers klacht en minder dan drie weken voor het begin van de procedure voor het Hof. De betrokken arts verklaarde de „indruk” te hebben, dat verzoeker een aandoening had die het hem onmogelijk maakte zich in Ispra te vestigen. De medische dienst van de Commissie aanvaardde dit niet, omdat het niet was opgesteld in de vorm van een medisch attest in de zin van artikel 59 en alleen de „indruk” van de schrijver ervan weergaf. De Commissie schreef een brief met de vraag, waarom verzoekers gezondheidstoestand meebracht dat hij juist in Ispra niet kon gaan werken maar elders wel. Hoewel het verzoek om verdere gegevens bij brief van 9 december 1981 werd herhaald, ontving de Commissie geen antwoord. De medische dienst van de Commissie stelde zich op het standpunt, dat verzoekers artsen onvoldoende zeker waren van hun diagnose om deze in een formeel attest neer te leggen.
Willeboordse schreef de Commissie in een brief van 23 mei 1982, dat de procedure verzoeker dermate aangreep dat dit ernstige lichamelijke en geestelijke schade zou kunnen teweegbrengen; onder deze omstandigheden was hij niet in staat om in Ispra of elders te werken. De medische dienst van de Commissie legde deze verklaring naast zich neer, omdat zij geen diagnose bevatte en de gestelde arbeidsongeschiktheid (waarvan de datum en de duur niet waren aangegeven) niet kon afhangen van het geschil over de administratieve procedures. Hiermee zal gedoeld zijn op de tuchtprocedure die toen was ingeleid alsmede op het feit dat krachtens artikel 59, lid 3, de invaliditeitscommissie was ingeschakeld, waarvan verzoeker bij brief van 19 april 1982 in kennis was gesteld. Bij brief van 14 juni 1982 deelde de medische dienst van de Commissie Willeboordse mee, dat zijn brief niet kon worden beschouwd als een formeel medisch attest voor verzoekers afwezigheid, omdat details over de data, de waarschijnlijke duur en verzoekers gezondheidstoestand ontbraken. Willeboordse werd verzocht, een bij de brief gevoegd formulier in te vullen en ondertekend terug te zenden, doch dat heeft hij kennelijk niet gedaan. In plaats daarvan zond hij de Commissie op 9 augustus 1982 wederom een brief, waarin hij verklaarde dat verzoeker onder de gegeven omstandigheden voor onbepaalde tijd, te beginnen in 1980, zijn werkzaamheden niet kon verrichten. Verdere gegevens ontbraken. Bij brief van 17 oktober deelde hij de Commissie mee, dat verzoeker dermate uitgeput was dat hij niet in staat was zich naar Ispra te begeven; hij leed aan ernstige geestelijke spanningen die het hem onmogelijk maakten, zijn werkzaamheden naar behoren te vervullen.
De invaliditeitscommissie bracht op 25 oktober te Ispra een rapport uit, waarin zij tot de bevinding kwam dat verzoeker in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. Tevens werd verklaard, dat de Commissie redelijkerwijs kon verwachten dat tewerkstelling van verzoeker in Ispra een verslechtering van zijn gezondheidstoestand zou meebrengen. Op 4 januari 1983 schreef de Commissie aan de invaliditeitscommissie, dat bij gebreke van enig andersluidend advies de door verzoeker overgelegde medische verklaringen onvoldoende werden geacht om zijn afwezigheid vanaf 5 december 1980 te rechtvaardigen. De invaliditeitscommissie legde daarop op 31 januari 1983 een tweede rapport over, waarin zij haar eerdere mening bevestigde met de mededeling (hoewel de door verzoeker aangewezen arts weigerde dit gedeelte van het rapport te ondertekenen) dat haars inziens de medische verklaringen volgens welke verzoekers gezondheidstoestand goed was, zijn afwezigheid van mei 1980 tot de datum van het tweede rapport niet konden rechtvaardigen. Niettemin voegde de invaliditeitscommissie hier zowel in het rapport van oktober als in dat van januari aan toe, dat blijkens die verklaringen tewerkstelling in Ispra psychologisch onverenigbaar was met verzoekers toestand; zij achtte het raadzaam, dat elders een functie voor verzoeker zou worden gezocht. Ter terechtzitting heeft verzoeker de wettigheid van het tweede rapport van de invaliditeitscommissie betwist.
Onder deze omstandigheden was naar mijn mening de conclusie van de Commissie gerechtvaardigd, dat verzoeker niet had aangetoond door ziekte of ongeval — de grondslag voor ziekteverlof van rechtswege — niet in staat te zijn zijn werkzaamheden te verrichten. Verzoeker heeft beklemtoond, dat de voor en na 1978 opgestelde adviezen en verklaringen overeenkomstige bewoordingen bevatten, ten betoge dat indien de Commissie bereid was de vóór 1978 overgelegde verklaringen te aanvaarden, zij de andere niet ter zijde kon leggen. De overeenkomst tussen deze attesten is hier echter de grote vraag. Nadat de eerste invalidkeitscommissie eenmaal had vastgesteld, dat verzoeker in 1978 in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, konden verklaringen volgens welke hij nog aan dezelfde aandoening leed als toen het eerste advies was uitgebracht, als bewijs voor arbeidsongeschiktheid worden geweigerd, tenzij een duidelijke verslechtering werd aangetoond. Dit was niet het geval en in het advies van de tweede invalidkeitscommissie werd bevestigd, dat verzoeker nog steeds in staat was zijn werkzaamheden te verrichten.
Voor zover ik kan zien, was verzoeker niet buiten machte zijn werkzaamheden te verrichten, hoewel hij leed aan depressies die waarschijnlijk zouden zijn verergerd wanneer hij in Ispra was gaan werken. In de gevoegde zaken 58 en 75/72 (Perincioli, Jurispr. 1973, blz. 511) overwoog het Hof dat,
„wanneer een ambtenaar het ambt waarin hij is tewerkgesteld, wegens zijn gezondheidstoestand niet passend acht, het hem uiteraard vrijstaat een andere tewerkstelling aan te vragen, doch dat hij in afwachting daarvan gehouden is zich op zijn post te bevinden en de hieraan verbonden werkzaamheden te verrichten; dat in ieder geval niet kan worden aanvaard dat de ambtenaar zich onder deze omstandigheden zelf recht verschaft door aan te nemen dat hij bij overlegging van medische attesten niet op zijn post hoeft te verschijnen en kan verzuimen in afwachting dat hem een ambt wordt aangeboden dat hij passend acht” (r.o. 15 en 16).
Hoewel het een ambtenaar kennelijk niet kan worden toegestaan, ter voorkoming van het optreden of verergeren van ziekte de omstandigheden die daartoe kunnen leiden te vermijden, kan dit in bepaalde gevallen tot onaangename gevolgen leiden. In casu gaat het om de bepaling van het Statuut krachtens welke de ambtenaar van rechtswege in aanmerking komt voor ziekteverlof; hiervoor gelden uiteraard strikte voorwaarden, waaraan naar mijn mening in casu niet was voldaan. Een ambtenaar kan voorts krachtens artikel 59, lid 2, met verlof worden gezonden, wanneer de arts van de instelling daarom verzoekt na een onderzoek van de gezondheidstoestand van de ambtenaar. Indien verzoeker naar Ispra was gegaan, had hem zo nodig op grond van deze bepaling ziekteverlof kunnen worden verleend. In plaats daarvan verkoos hij niet naar zijn standplaats te gaan; dit besluit was weliswaar begrijpelijk gezien de gezinsmoeilijkheden waarmee hij kampte, maar is voor de onderhavige zaak wel de oorzaak van een groot aantal problemen geweest.
Verzoekers derde argument houdt in, dat de Commissie onwettig heeft gehandeld door hem geen toestemming te geven, gedurende zijn ziekte in Nederland te blijven. Het in de brief van 12 januari 1981 vervatte besluit werd genomen nadat verzoeker overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, had gevraagd, of hij zijn ziekteverlof elders dan in zijn standplaats mocht doorbrengen (ik wijs er hierbij op, dat de Engelse versie slechts spreekt van „leave”, doch dat uit de andere taalversies duidelijk blijkt dat het hier om „ziekteverlof” gaat). Eerder reeds had verzoeker die toestemming gekregen, en naar zijn zeggen mocht hij aannemen dat hij niet naar Ispra zou behoeven te gaan, daar zijn gezondheidstoestand inmiddels niet was gewijzigd. Dit argument moet worden verworpen. Het feit dat eerder toestemming was gegeven, rechtvaardigt niet de conclusie, dat van de beoordelingsvrijheid waarover het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens artikel 60, tweede alinea, beschikt, voor onbepaalde tijd geen gebruik kon worden gemaakt. Op het tijdstip waarop verzoekers aanvraag werd onderzocht en afgewezen, beschikte het tot aanstelling bevoegde gezag over een medisch advies van De Geyter, inhoudende dat de bevindingen van de eerste invaliditeitscommissie nog steeds golden. Zoals gezegd vormden de op dat moment door verzoeker overgelegde medische verklaringen onvoldoende bewijs dat hij van rechtswege in aanmerking kwam voor ziekteverlof. Bijgevolg was hij niet met ziekteverlof en was er voor het tot aanstelling bevoegde gezag geen reden om maatregelen krachtens artikel 60, tweede alinea, te nemen.
Ter terechtzitting heeft verzoeker een aantal documenten overgelegd alsmede zijn schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van de nadere gegevens, door de Commissie overgelegd op het daartoe door het Hof na afsluiting van de schriftelijke behandeling gedane verzoek. Ingevolge artikel 45, paragraaf 4, van het Reglement voor de procesvoering staat tegenbewijs vrij tegen bewijs dat werd geleverd krachtens door het Hof bevolen maatregelen van instructie. Tenzij het Hof partijen krachtens artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering verzoekt om schriftelijke opmerkingen, hetgeen in casu niet is gebeurd, dienen opmerkingen naar aanleiding van na afsluiting van de schriftelijke behandeling overgelegd bewijs te worden gemaakt ter terechtzitting, waar partijen in beginsel mondeling en niet schriftelijk concluderen. Mijns inziens betekent dit niet, dat het Hof in casu verzoekers schriftelijk commentaar om die reden niet zou moeten toelaten. Evenwel werden tevens twee aanvullende vorderingen ingesteld, te weten nietigverklaring van het advies van de tweede invaliditeitscommissie, van 31 januari 1983, en het horen van een aantal getuigen.
De eerste vordering is zonder meer nietontvankelijk. Het in een beroep gevraagde herstel moet zijn omschreven in het inleidend verzoekschrift; belangrijke wijzigingen in een later stadium, zoals toevoeging van een subsidiaire vordering, zijn ontoelaatbaar (zie zaak 17/68, Reinarz, Jurispr. 1969, blz. 61, r.o. 46-48). De tweede vordering is ten dele een herhaling van het in repliek gedane verzoek. In zoverre is zij reeds door het Hof onderzocht en verworpen. Nadien heeft zich niets voorgedaan dat mijns inziens het gevraagde getuigenverhoor voor de beslechting van het dnderhaļvige geding noodzakelijk of wenselijk maakt.
Om bovengenoemde redenen concludeer ik mitsdien dat:
1.
over de vijfde vordering geen uitspraak hoeft te worden gedaan
2.
de overige vorderingen moeten worden verworpen
3.
partijen elk hun eigen kosten zullen dragen.
Over twee aspecten van deze zaak zou ik nog het volgende willen opmerken.
a)
De stukken zijn één voor één binnengekomen — sommige meer dan één keer — en zijn verspreid over een omvangrijk dossier; daardoor is het bijna onmogelijk om een overzicht te krijgen. De taak van het Hof in zaken als de onderhavige zou aanzienlijk worden vergemakkelijkt, indien partijen in onderling overleg een dossier van relevante stukken konden voorbereiden en daarbij voor een chronologische volgorde althans enige overzichtelijkheid zouden zorgen.
b)
De onderhavige vordering moet mijns inziens worden afgewezen. Gezien de adviezen van de invaliditeitscommissie en van de arts en aangezien tewerkstelling in Ispra verzoeker klaarblijkelijk voor problemen stelt, acht ik het niettemin bevredigend, dat zelfs eind 1982 nog pogingen werden gedaan om een passende werkkring voor hem te vinden. Het is te hopen, dat partijen rekening zullen houden met deze situatie om te streven naar een oplossing en om verdere moeilijkheden te vermijden.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy