CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 29 SEPTEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De hier te behandelen prejudiciële vragen spelen in een strafzaak waarin Jack Noble Kerr, kapitein van een Brits vissersschip, overtreding wordt verweten van het Deense ministeriële besluit nr. 88 van 10 maart 1978 betreffende de beperkingen van de vangsten in de visserijzone van Groenland.
In dat besluit werden onder meer voor verschillende vissoorten in verschillende gebieden van de Groenlandse visserijzone totale vangstquota vastgesteld. Blijkens paragraaf 8 juncto Bijlage II was de garnalenvisserij binnen de visserijzone van 200 mijl voor de kust van west Groenland via quota verdeeld tussen Groenland, Denemarken, Frankrijk en de Faeröer. Overtreding van de bepalingen kon ingevolge paragraaf 10 worden bestraft met een waarschuwing of een geldboete.
Op 12 juni 1978 begon Noble Kerr met zijn trawler „ms Goth” garnalen te vangen in een positie tussen 12 en 200 zeemijlen vanaf de Groenlandse laagwaterlijnen, in de ICNAF-zone la — lf in de Groenlandse kustwateren ten westen van Holsteinsborg. Hij was in het bezit van een op 14 april 1978 door het Britse ministerie van Visserij afgegeven vergunning op grond waarvan het schip vanaf 6 juni van dat jaar 475 ton garnalen mocht vangen in het ICNAF-gebied 0 — 1.
Na meermaals door de Deense visserijautoriteiten te zijn gesommeerd de vangst ogenblikkelijk te staken, werd het schip tenslotte op 16 juni 1978 opgebracht. Noble Kerr bekende de overtreding en accepteerde „onder protest” een geldboete van DKR 80000 en de verbeurd verklaring van DKR 41500 als tegenwaarde van de gevangen garnalen. Op zijn verzoek werd de zaak aanhangig gemaakt bij het Landsret van Groenland, dat verdachte bij vonnis van 14 november 1979 wegens overtreding van genoemd besluit betreffende de beperking van de garnalenvangst veroordeelde tot een geldboete van DKR 100000 met verbeurdverklaring van de DKR 41150.
Zowel verdachte als de openbare aanklager kwamen van deze uitspraak in beroep bij het Østre Landsret.
Volgens verdachte is het Deense besluit nr. 88 vooral in strijd met het gemeenschapsrecht, omdat het vissers uit verschillende Lid-Staten in de Groenlandse visserijzone tussen 12 en 200 mijl verschillend behandelt. Een dergelijke discriminatie op grond van nationaliteit zou zowel in strijd zijn met artikel 7 EEG-Verdrag als met de artikelen 1 en 2, lid 1 van verordening nr. 101/76 van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB L 20 van 1976, blz. 19), waarbij verschi in behandeling van Lid-Staten bij de uitoefening van de visserij uitdrukkelijk is verboden en de vissersvaartuigen van de Lid-Staten uitdrukkelijk gelijke voorwaarden worden gegarandeerd voor de toegang tot de visgronden die onder de soevereiniteit of jurisdictie van andere Lid-Staten vallen. Weliswaar zou in beginsel niet kunnen worden ontkend, dat voor het behoud van de visstand de vaststelling van totale quota bij nationale voorschriften geoorloofd was, doch de quotaverdeling kon niet plaatsvinden op grond van zogenaamde traditionele rechten in het gebied, dat wil zeggen aan de hand van de vroegere visserij, daar dergelijke rechten op grote schaal ten gevolge van het EEG-Verdrag waren vervallen. Het onwettige besluit zou ook niet zijn gelegaliseerd door de goedkeuring ervan door de Commissie, die pas op 20 november 1978 plaatsvond.
De openbare aanklager meent daarentegen, dat het de Lid-Staten destijds vrij stond, maatregelen te treffen tot behoud van de visstand en dus ook quotaregelingen waarbij voor de visserij van de afzonderlijke Lid-Staten een maximum grens werd vastgesteld. De bij het besluit gerealiseerde verdeling van garnalenquota over de Lid-Staten berustte op de vroegere garnalenvangst in het betrokken gebied en sloot aan bij het voorstel van de Commissie tot verdeling van de visreserves in 1978. Ook omdat de maatregelen onder meer ten doel hadden, zoals de considerans van verordening nr. 101/76 zegt, aan degenen die van de visserij leven een redelijke levensstandaard te waarborgen, zou het objectief gerechtvaardigd zijn, dat rekening werd gehouden met de traditionele visserijactiviteiten van de Lid-Staten in de betrokken gebieden. Tenslotte zou de omstandigheid dat het besluit overeenkomstig de in bijlage VI bij de resolutie van Den Haag neergelegde procedure bij de Commissie was aangemeld en door haar was goedgekeurd, voor zijn verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht pleiten.
Om te kunnen beslissen of het besluit van 10 maart 1978 verenigbaar was met het gemeenschapsrecht, heeft de Zestiende kamer van het Østre Landsret de behandeling van het geding geschorst en bij beschikking van 29 oktober 1981 het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„1.
Was het verenigbaar met de bepalingen van het EEG-Verdrag en met name artikel 7, dat een Lid-Staat in 1978 door middel van een nationale visserijregeling de totale vangst van een bepaalde soort in een bepaald gebied van de visserijzone van die staat verdeelde op basis van de vroegere visserij op die soort in dat gebied, met het gevolg dat Lid-Staten die die visserij vóór de inwerkingtreding van die regeling hadden uitgeoefend, een vangstquotum kregen toegewezen, terwijl vaartuigen van andere Lid-Staten van die visserij werden uitgesloten?
2.
Stonden de artikelen 1 en 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, eraan in de weg, dat een Lid-Staat in 1978 door middel van een nationale visserijregeling de totale vangst van een bepaalde soort in een bepaald gebied van de visserijzone van die staat verdeelde op basis van de vroegere visserij op die soort in dat gebied, met het gevolg dat Lid-Staten die die visserij vóór de inwerkingtreding die regeling hadden uitgeoefend, een vangstquotum kregen toegewezen, terwijl vaartuigen van andere Lid-Staten van die visserij werden uitgesloten?”
Mijn standpunt in deze is het volgende:
1.
De verwijzende rechter heeft zijn vragen tegen de achtergrond van de in 1978 geldende visserijregeling bewust toegespitst op het tot nu toe nog niet uitdrukkelijk door het Hof behandelde probleem, of een Lid-Staat in 1978 een tot behoud van een bepaalde vissoort in een bepaald gebied van zijn visserijzone vastgestelde totaal toegestane vangst tussen bepaalde Lid-Staten en derde landen mocht verdelen op basis van de „van oudsher” bedreven „visserijactiviteit.”
Daar het Hof zich al vaker heeft uitgesproken over de gemeenschapsrechtelijke bepalingen die vóór het eind van de in artikel 102 Toetredingsakte vastgestelde overgangsperiode — 1 januari 1979 — terzake golden, laatstelijk in het arrest van 10 juli 1980 (zaak 32/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1980, blz. 2403), kan ik voor de rechtspositie in zoverre verwijzen naar de eerdere arresten en mijn conclusies daarbij. Vermeld zij slechts, dat volgens de rechtspraak van het Hof de bevoegdheid tot uitvaardiging van instandhoudingsmaatregelen in de, sinds 1 januari 1977 in de Noordzee en het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan tot 200 mijl voor de kust uitgebreide, visserijzones van de Lid-Staten bij de Gemeenschap berust. Daarbij had artikel 102 Toetredingsakte enkel tot doel, na de aanzienlijke vergroting van het zeegebied ten gevolge van de uitbreiding van de Gemeenschap, een nieuwe overgangsperiode te doen aanvangen, tijdens welke de Raad de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen moest treffen. Het Hof heeft herhaaldelijk overwogen, dat zolang de Raad op dit terrein geen activiteiten had ontplooid, de Lid-Staten het recht en de plicht hadden om, in het gemeenschappelijk belang en met inachtneming van de materiële en formele bepalingen van gemeenschapsrecht, welke uit bijlage VI bij de resolutie van Den Haag van de Raad van 3 november 1976 en de daarop volgende resolutie van de Raad van 31 januari 1978 naar voren komen, voor de aan hun jurisdictie onderworpen wateren de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen te treffen.
Daar de Raad in maart 1978 voor het betrokken gebied geen instandhoudingsmaatregelen had getroffen ter bescherming van de garnalenstand, was het Koninkrijk Denemarken bevoegd de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen te treffen en dus ook een totaal toegestane vangst vast te stellen; dit wordt door allen in deze procedure erkend, Verder zijn alle betrokkenen het erover eens, dat de Deense regering ook de in de resolutie van Den Haag en in de resolutie van de Raad van 31 januari 1978 gestelde formele eisen in acht heeft genomen, nu zij reeds op 1 maart 1978 heeft getracht voor de voorgenomen maatregel goedkeuring van de Commissie te krijgen en zij de Commissie in alle stadia van de procedure heeft geraadpleegd.
2.
Wat echter de materiële gemeenschapsrechtelijke eisen betreft, betwijfelen verdachte in het hoofdgeding en de Britse en de Nederlandse regering, of de in het besluit neergelegde quotaverdeling wel verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling, dat het gemeenschapsrecht beheerst en onder meer zijn neerslag heeft gevonden in artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76.
Terwijl artikel 7 EEG-Verdrag principieel elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, werkt artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 dit verbod voor een concrete situatie uit en bepaalt het dat de in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, niet mag leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten, en dat moet worden gewaarborgd, dat voor alle vissersvaartuigen van de Lid-Staten gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in de wateren van de Lid-Staten.
De vraag rijst nu, of het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, dat een Lid-Staat, zoals in casu, voor de andere visserijstaten onderling verschillende jaarquota vaststelt voor de vangst in de aan zijn kust grenzende visserijzone, en zo ja of de omstandigheid dat daarbij rekening wordt gehouden met de traditionele visserijactiviteit in dat gebied, niet leidt tot discriminatie van de andere Lid-Staten.
De Nederlandse regering stelt zich in dit verband de principiële vraag, of een kuststaat wel bevoegd is, een binnen zijn visserijzone voor het behoud van een bepaald visbestand vastgesteld totaal vangstquotum via de vaststelling van vangstquota voor bepaalde Lid-Staten te verdelen. Volgens haar behoort dit recht en de controle op de naleving van de quotaregeling voorbehouden te blijven aan de vlagstaten die in samenwerking met de Commissie tot overeenstemming moeten komen. Wanneer de kuststaten en de vlagstaten verschillende quota zouden vaststellen, zou dit kunnen leiden tot een voor de vissers onacceptabel conflict van tegenstrijdige regelingen.
Naar aanleiding van deze stelling kan de volgende algemene opmerking worden gemaakt: De omstandigheid dat in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld in de situaties die hebben geleid tot de arresten van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279), 3 juli 1979 (gevoegde zaken 185-204/78, Van Dam I, Jurispr. 1979, blz 2345) en 2 juni 1981 (zaak 124/80, Van Dam II, Jurispr. 1981, blz. 1447), door de vlagstaat voor zijn eigen vissers gemeenschapsrechtelijk geoorloofd werd geacht, brengt niet mee dat het andere principe — vaststelling van de vangstquota door de kuststaat — onrechtmatig is indien uit praktische overwegingen meer voor een dergelijke oplossing valt te zeggen. Een gemeenschappelijk visserijbeleid moet namelijk, zoals het Hof meermaals heeft overwogen, rekening houden met de bijzondere omstandigheid, dat omvang en aantal van de visbestanden niet naar believen aan de vraag kunnen worden aangepast. Overbevissing van de verschillende visbanken kan echter alleen effectief worden aangepakt door vaststelling van totale vangsten, die moeten worden verdeeld in quota waarvan de controleerbaarheid verzekerd moet zijn. De vaststelling van vangstquota en de toewijzing ervan aan de afzonderlijke Lid-Staten hangt dus nauw en onverbrekelijk samen met de eigenlijke instandhoudingsmaatregel, de vaststelling van de totale vangst. Wordt hierover in de Raad echter geen overeenstemming bereikt, dan kunnen de Lid-Staten ingevolge bijlage VI bij de resolutie van Den Haag „de passende maatregelen nemen ter bescherming van de visbestanden in de viszones die aan bun kusten grenzen.” Dat tot deze instandhoudingsmaatregelen ook de vaststelling van vangstquota en de toewijzing ervan aan de verschillende Lid-Staten behoort, kan tenslotte duidelijk worden afgeleid uit de resolutie van de Raad van 31 januari 1978 waarin wordt gezegd, dat „nationale maatregelen slechts getroffen kunnen worden voor zover deze strikt noodzakelijk zijn uit hoofde van de instandhouding en het beheer der visbestanden.” Het valt dan ook niet te ontkennen, dat zowel de kuststaat als de vlagstaat vangstquota kan vaststellen en de inachtneming daarvan kan controleren, waarbij steeds de communautaire controle op de maatregelen door de voorgeschreven raadpleging moet zijn gegarandeerd. Hierdoor wordt tenslotte ook het door de Nederlandse regering gesignaleerde gevaar omzeild, dat de verschillende Lid-Staten tegenstrijdige quota vaststellen.
3.
Uit het bovenstaande blijkt reeds, dat ook het andere bezwaar van de Britse, de Nederlandse en de Franse regering, te weten dat de vaststelling en toewijzing van de vangstquota aan de verschillende Lid-Staten niet als instandhoudingsmaatregel, maar als een zuiver administratieve maatregel moet worden aangemerkt, geen hout snijdt. Zo bewijst de aangehaalde resolutie van 31 januari 1978, dat ook volgens de Raad de vaststelling van een totale vangst en de economische exploitatie daarvan samen moeten worden bekeken bij de vraag naar de verenigbaarheid van de nationale maatregelen met het gemeenschapsrecht. Bovendien gaat ook de op 24 oktober 1978 door de Gemeenschap getekende overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 378 van 1978, blz. 1) ervan uit, dat de vaststelling van bepaalde totale vangsten en de verdeling daarvan in vangstquota niet te scheiden zijn, waar zij de visserijcommissie met het beheer en de instandhouding van de visvoorraden belast. Niet in de laatste plaats erkent ook de Commissie — zoals uit de desbetreffende voorstellen blijkt — de nauwe samenhang tussen instandhouding en beheer van de visvoorraden: zie het voorstel voor een verordening van de Raad tot invoering van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visvoorraden van 8 oktober 1976 (PB C 255, van 1976, blz. 3), zoals laatstelijk gewijzigd bij het voorstel van de Commissie van 6 maart 1981 (PB C 141 van 1981, blz. 6).
4.
Dat de Lid-Staten bevoegd zijn vangstquota vast te stellen, kan voorts worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof. In de zaak-Kramer reeds aangehaald werd uitdrukkelijk overwogen, dat „de Gemeenschap op intern vlak bevoegd is om maatregelen vast te stellen, tot instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, daaronder begrepen de bepaling van vangstquota en de toewijzing daarvan aan de verschillende Lid-Staten. ” Naar aanleiding van het desbetreffende bezwaar van de Franse regering merk ik op, dat dus ook artikel 4 van verordening nr. 101/76, dat de Raad de bevoegdheid toekent, maatregelen vast te stellen voor het behoud van de visgronden, in die zin moet worden uitgelegd. Wanneer de Raad echter, zoals in casu, niet tot actie is overgegaan, kan deze bevoegdheid volgens de rechtspraak van het Hof door de Lid-Staten worden uitgeoefend.
5.
Thans moet nog worden nagegaan, of het in artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1 van verordening nr. 101/76 tot uiting gebrachte gemeenschapsrechtelijke discriminatieverbod niet is geschonden doordat de quotaverdeling heeft plaatsgevonden op basis van de vroegere visserijactiviteit, met het gevolg dat niet alle vissersvaartuigen van de Lid-Staten gelijke toegang tot de betrokken visgronden hadden.
Daar er volgens de vaste rechtspraak van het Hof enkel in geval van een objectief en zakelijk niet gerechtvaardigd onderscheid sprake is van verboden discrimin itie, hoeft hier enkel te worden nagegaan of, gelet op de doelstellingen en de werking van een gemeenschappelijk visserijbeleid, een verdeling van de totaal toegestane vangst (TAC) als bij het onderhavige besluit tot stand gebracht, zakelijk gerechtvaardigd was.
Met name de Britse regering is van mening, dat in casu de toewijzing van vangstquota aan de afzonderlijke Lid-Staten niet noodzakelijk was om te garanderen dat de TAC in acht zou worden genomen. Dit doel had volgens haar even goed of beter kunnen worden bereikt door alle vissersvaartuigen vrije toegang tot de visgronden te verlenen totdat de TAC was bereikt, via een voor alle vissersvaartuigen van de Lid-Staten gelijkelijk toegankelijk vergunningenstelsel of een stelsel waarbij met het aantal vissersvaartuigen rekening werd gehouden.
Naar aanleiding van dit betoog wil ik allereerst met de Commissie opmerken, dat elke vaststelling van een TAC vangst voor een bepaalde vissoort automatisch enkele problemen opwerpt. De inachtneming van een dergelijke vangstbeperking moet ten eerste door doeltreffende controles verzekerd zijn; verder is het zaak, de door de vangstbeperkingen veroorzaakte Jasten rechtvaardig over de vissers te verdelen, en ten derde moet een rationele exploitatie van de totale vangst zijn gegarandeerd.
Nu valt niet te betwisten, dat voor een doeltreffende controle op de inachtneming van een TAC — de noodzaak hiertoe is des te groter wanneer het visbestand zich, zoals in casu, uitstrekt over de visserijzone van een derde land — het toewijzen van quota aan afzonderlijke Lid-Statén een doeltreffend en daarmee zakelijk gerechtvaardigd instrument vormt. Hiermee wordt namelijk verzekerd, dat de verschillende vlagstaten ook hunnerzijds erop moeten toezien, dat de hun toegewezen vangstquota in acht worden genomen. Bij vrije toegang tot de visgronden voor alle vissersvaartuigen van de Lid-Staten zou een dergelijke controle door één enkele Lid-Staat zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, nog afgezien van de niet geringe administratieve rompslomp die een voor ieder openstaand vergunningenstelsel met zich mee zou brengen.
De Deense en de Franse regering merken terecht op, dat de door de Britse regering voorgestane oplossing bovendien niet zou garanderen dat de doelstellingen waarmee bij de verdeling van een totale vangst rekening moet worden gehouden — rechtvaardige verdeling van de vangst en rationele exploitatie van de totale vangstquota —, worden bereikt. Zou men een volledig vrije toegang voor alle vissers garanderen, dan zou dit leiden tot een bevoorrechting van degenen die als eerste ter plekke vissen, en het gevaar met zich brengen, dat de visgronden voortijdig zouden moeten worden gesloten, mogelijk ten detrimente van die vissers die tot dan toe uit deze visbestanden geheel of ten dele in hun onderhoud voorzagen. Een voor eenieder openstaand vergunningenstelsel zou dan ook in bepaalde gevallen degenen die van oudsher in de betrokken gebieden hebben gevist, harder treffen dan degenen die daar tot dan toe niet hebben gevist en daarom ten gevolge van de vangstbeperkingen geen directe verliezen lijden.
Als men ook quota toewijst aan die Lid-Staten wier vissers in het verleden of voor het lopende visseizoen geen belangsielling hebben getoond voor de visserij in die zone, of zelfs rekening houdt met het aantal vissersvaartuigen, dan bestaat het gevaar dat de vangstquota niet worden benut, hetgeen weer onverenigbaar is met een rationele exploitatie van de visbestanden. De ingevolge artikel 1 van verordening nr. 101/76 na te streven bevordering van een harmonische ontwikkeling van de visserijsector binnen het algemene raam van de economie en van een rationele exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee, zouden met deze maatregelen dus nauwelijks kunnen worden bereikt.
Met inachtneming van genoemde doelstellingen is een redelijke verdeling onder de Lid-Staten van de totale vangst die de Gemeenschap ter beschikking staat, beter uitvoerbaar wanneer dit gebeurt aan de hand van de drie criteria, neergelegd in de verklaring van de Raad van 30 mei 1980 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB C 158 van 1980, blz. 2), en in de considerans van het voorstel van de Commissie van 24 juli 1981 voor een verordening inzake de verdeling over de Lid-Staten van de vangstmogelijkheden die voor de Gemeenschap beschikbaar zijn uit de visbestanden (PB C 224 van 1981, blz. 11). De Commissie heeft uitdrukkelijk verzekerd, dat zij ook reeds in haar voorstel aan de Raad voor de verdeling van de voor het onderhavige garnalenbestand vastgestelde TAC voor het jaar 1978, van deze criteria is uitgegaan — dat wil zeggen dat zij met name rekening heeft gehouden met de traditionele visserijactiviteit, de speciale behoeften van gebieden waar de plaatselijke bevolking bijzonder afhankelijk is van de visserij en van daarmee verwante industrieën, en met het verlies aan vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen.
6.
Het lijdt geen twijfel, dat besluit nr. 88 van 10 maart 1978 betreffende de beperkingen van de vangsten in de visserijzone van Groenland, althans wat betreft de verdeling van de TAC voor garnalen in de betrokken visserijzone tussen Groenland, Denemarken, Frankrijk en de Faeröer, volledig overeenkomt met het door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel. Men mag er daarom van uitgaan, dat met genoemde criteria eveneens rekening is gehouden bij de vaststelling van de nationale instandhoudingsmaatregel die na intensief overleg met de Commissie tot stand is gekomen. Daar de nationale maatregel is uitgevaardigd vóór het einde van de overgangstermijn van artikel 102 Toetredingsakte, was tenslotte formeel ook geen voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van de Commissie nodig.
Uit de omstandigheid dat de nationale maatregel overeenkomt met de door de Commissie voorgestelde instandhoudingsmaatregel, volgt verder dat zijn rechtmatigheid niet in twijfel kan worden getrokken met het argument, dat hierin te zeer rekening zou zijn gehouden met de traditionele visserijactiviteit zonder aandacht voor het verlies aan vangstmogelijkheden van de Britse vissersvaartuigen in de wateren van derde landen. De Commissie heeft in dit verband terecht opgemerkt, dat een dergelijke afweging niet bij elke afzonderlijke toewijzing van vangstquota kan plaatsvinden, doch enkel met het oog op een totale visie op het beheer van de visstand in de visserijzone van dé Gemeenschap als geheel. Wanneer zij ons echter verzekert dat met het Britse verlies aan vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen voldoende rekening is gehouden bij het beheer van andere visbestanden, is er geen reden om hieraan te twijfelen.
Verder valt ook niet be betwisten, dat de traditionele visserijactiviteit moet worden geacht naast beide andere genoemde criteria een adequaat onderscheidend criterium te zijn voor de verwezenlijking van een harmonische ontwikkeling van de visserij binnen het algemene raam van de economie van de Gemeenschap. De relevantie van dit aspect, waarmee overigens ook bij alle aanbevelingen van de visserijcommissies voor de Atlantische Oceaan rekening is gehouden, is niet in de laatste plaats indirect door het Hof erkend in de arresten van 16 februari 1978 (zaak 61/77, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417), 10 juli 1980 (reeds aangehaald) en 5 mei 1981 (zaak 804/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981, blz. 1045).
Anders dan de verdachte in het hoofdgeding meent, kan het tegendeel zeker niet worden afgeleid uit het arrest van het Hof van 14 oktober 1980 (zaak 812/79, Burgoa, Jurispr. 1980, blz. 2787), waarin onder meer de rechtmatigheid aan de orde was van de verordeningen/van de Raad nrs. 341/78 van 20 februári 1978 (PB L 49 van 1978, blz. 1) en 1376/78 van 21 juni 197,8 (PB L 167 van 1978, blz. 9), die voor de uitoefening van visrechten door Spaanse schepen in de gemeenschapswateren een vergunning vereisten. Het Hof heeft hierbij uitdrukkelijk gesteld, dat er sprake was van een, door de Gemeenschap volgens haar eigen voorschriften getroffen overgangsmaatregel, die paste binnen het kader van de betrekkingen die de Gemeenschap en Spanje zijn aangegaan om de problemen in verband met de uitbreiding van de exclusieve visserijzones op te lossen en de vissers wederzijdse toegang te verlenen tot de door deze maatregel bestreken wateren. Uit deze beslissing kan dan ook niet worden geconcludeerd, dat het Hof uit traditionele visserijactiviteiten voortvloeiende rechten niet heeft willen erkennen.
7.
Ook valt er niets op aan te merken, dat de Comissie de in 1976 in het betrokken gebied bedreven visserij aan haar voorstel voor de vaststelling van vangstquota voor 1978 ten grondslag heeft gelegd. Men dient hierbij voor ogen te houden, dat er voor de verdeling van de gegeven TAC voor de betrokken garnalenbank geen aanbevelingen van de internationale visserijcommissie voor het noord-westelij k deel van de Atlantische Oceaan bestonden, dat eerst kort tevoren met de exploitatie van de betrokken garnalenbank was begonnen en dat 1976 het jaar was met de meest recente onderlegde inzichten over de visserijactiviteit van de verschillende vissersvloten in het betrokken gebied.
Aangezien Britse vissersvaartuigen tot dan toe in het betrokken gebied niet op gamalenvangst waren geweest, kan wat hen betreft dan ook niet worden gesproken van een traditionele visserijactiviteit. De omstandigheid dat de Britse regering met de Deense in onderhandeling was getreden over de toewijzing van vangstquota, vermag daaraan niets te wijzigen, nu het daarbij, zoals de Deense regering terecht opmerkt, uitsluitend ging om bilaterale gesprekken om tot een quotum voor 1977 te. komen.
8.
Nu hiermee vaststaat, dat ook de — door de Deense regering in besluit nr. 88 van 10 maart 1978 in grote lijnen overgenomen — quotaverdeling uit het voorstel van de Commissie niet kan worden gewraakt wegens inbreuk op het overige gemeenschapsrecht, hoeft ook niet meer te worden ingegaan op de door de Britse regering opgeworpen vraag, of een eventuele inbreuk door de latere uitdrukkelijke goedkeuring van de Commissie kon worden gedekt.
9.
Concluderend stel ik daarom voor, de vragen te beantwoorden als volgt:
Het was verenigbaar met het communautaire beginsel van gelijke behandeling, dat in het bijzonder tot uitdrukking komt in artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1 van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, dat een Lid-Staat vóór het einde van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte de totale vangst van een bepaalde vissoort in een nauwkeurig afgebakend gebied van zijn visserijzone met behulp van een nationale visserijregeling onder meer aan de hand van de vroegere vangst van deze vissoort in het betrokken gebied verdeelde, zolang de Raad terzake geen instandhoudingsmaatregelen had vastgesteld en de nationale maatregelen na voorafgaande raadpleging van de Commissie en overeenkomstig haar voorstellen waren vastgesteld.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy