CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 17 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Hof heeft thans te oordelen over twee beroepen tegen het Europees Parlement, ingesteld door V. Mavridis (zaak 289/81) en C. Verros (zaak 306/81), die beiden hebben gesolliciteerd naar het ambt van afdelingshoofd, belast met de leiding van het voorlichtingsbureau van deze instelling te Athene.
Wat beide verzoekers uiteindelijk verlangen, is de nietigverklaring van
—
het besluit tot afwijzing van hun sollicitatie door het selectiecomité samengesteld door het Parlement,
en
—
de benoeming die na de afronding van de selectieprocedure heeft plaatsgevonden.
Het beroep van V. Mavridis strekt voorts tot nietigverklaring van deze procedure in haar geheel.
Dat ik deze twee zaken in één conclusie bespreek, vindt zijn rechtvaardiging in hun overeenkomstige strekking en in het feit dat de in de twee zaken voorgedragen middelen ten dele identiek zijn.
I —
1.
Begin 1981 leidde het Parlement de aanwervingsprocedure in ter voorziening in de betrokken vacature. Daar de post niet kon worden bezet via bevordering, overplaatsing of overgang vanuit een andere instelling, en gelet op het zeer specifieke profiel van de post, besloot de administratie van het Parlement de buitengewone aanwervingsprocedure zonder vergelijkend onderzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, toe te passen. Op 7 mei 1981 hechtte de paritaire commissie haar goedkeuring aan dat besluit.
In het Publikatieblad van 18 juni daaropvolgend werd een kennisgeving van vacature voor de betrokken post gepubliceerd. Daarin werden de aan het ambt verbonden werkzaamheden omschreven en de voorwaarden vermeld waaraan de sollicitanten moesten voldoen, met name
„—
een met een diploma afgesloten universitaire opleiding dan wel daarmede gelijk te stellen beroepservaring,
—
grote ervaring op het gebied van de public relations en op het gebied van de journalistiek,
—
zeer goede kennis van de Europese vraagstukken.”
Een leeftijdsgrens werd dus niet gesteld.
Belangstellenden kregen tot 20 juli de tijd om zich aan te melden.
Voor de selectie van de sollicitanten stelde het Parlement een selectiecomité samen, waarvan onder meer een vertegenwoordiger van het personeel deel uitmaakte. Tijdens zijn constitutieve vergadering van 7 juli besloot dit comité, op basis van de kennisgeving van vacature, die sollicitanten toe te laten die
—
beschikten over een grote — minstens tienjarige — ervaring op het gebied van de public relations en de journalistiek;
—
blijk gaven van contactuele begaafdheid in de relaties met uiteenlopende gesprekspartners en ervaring met de politieke milieus;
—
tussen 35 en 50 jaar oud waren (geboren tussen 1 augustus 1931 en 1 augustus 1946).
2.
Mavridis en Verros solliciteerden op 17 juli 1981.
Op 7 augustus deelde de voorzitter van het selectiecomité hun mee, dat hun sollicitatie niet kon worden aanvaard, daar zij niet „in de leeftijdscategorie van de 35 tot 50-jarigen vielen — welke grens het comité zelf heeft vastgesteld.” Mavridis was namelijk ouder dan 50 jaar en Verros jonger dan 35.
In zijn brief van 14 augustus aan de Personeelsdienst van het Parlement toonde laatstgenoemde zich zeer verbaasd over de redenen die hem voor de afwijzing van zijn sollicitatie waren meegedeeld, daar in de kennisgeving van vacature geen sprake was van een leeftijdsgrens. Op 25 augustus deed hij aan de secreta-ris-generaal en aan de directeur-generaal van de administratie van het Parlement een afschrift van deze brief toekomen.
Op 2 september ontving hij een antwoord, ondertekend door de voorzitter van het selectiecomité. Daarin werd hem meegedeeld, dat de aanwervingsprocedure ter voorziening in de betrokken post, was gebaseerd op artikel 29, lid 2, van het Statuut, dat de bepalingen van bijlage III derhalve niet noodzakelijk van toepassing waren en dat de selectiecomités een grotere vrijheid hebben bij de vaststelling van de door hen relevant geachte criteria.
De sollicitanten die volgens het selectiecomité in aanmerking kwamen, werden op 1, 2 en 3 september 1981 voor een gesprek naar Athene uitgenodigd. Aan het einde van zijn werkzaamheden maakte het comité een lijst op van de geschikt bevonden kandidaten. Een van hen werd door het tot aanstelling bevoegd gezag per 1 januari, 1982 benoemd.
Het verzoekschrift van Mavridis en dat van Verros zijn ingeschreven in het register van het Hof op respectievelijk 11 november en 1 december 1981.
II —
De ontvankelijkheid van het beroep van Verros wordt niet bestreden.
Daarentegen betoogt het Parlement, dat het beroep van Mavridis niet ontvankelijk is, daar deze geen voorafgaande klacht heeft ingediend. Het is van mening dat de rechtspraak van het Hof ter zake van vergelijkende onderzoeken, waarop betrokkene zich in zijn verzoekschrift beroept, in de onderhavige zaak niet relevant is. Enerzijds was de in casu gevolgde procedure immers niet die van het vergelijkend onderzoek, en anderzijds kon de buitengewone rechtspraak volgens welke in bepaalde gevallen rechtstreeks beroep op het Hof mogelijk is zonder dat eerst een klacht bij de administratie is ingediend, in casu geen toepassing vinden, aangezien de administratie zelf bevoegd was om leeftijdsgrenzen vast te stellen.
Mijns inziens verdient alleen dit laatste punt onze aandacht. Fen rechtspraak — ook al heeft zij een uitzonderingskarakter —, die op een bepaald gebied betrekking heeft, kan eventueel ook op een ander gebied worden toegepast. Wij merken overigens op, dat de oplossing die ter zake van vergelijkende onderzoeken ingang heeft gevonden, ook al is toegepast bij beroepen tegen definitieve beoordelingsrapporten (bijvoorbeeld het arrest van 3. 7. 1980, gevoegde zaken 6 en 97/79, Grassi, Jurispr. 1980, blz. 2141, r.o. 15).
De ontvankelijkheid van het beroep van Mavridis is derhalve van één enkele omstandigheid afhankelijk: kon de administratie van het Parlement de door het selectiecomité vastgestelde leeftijdsvereisten wijzigen?
Blijkens de processtukken en de ter terechtzitting door een vertegenwoordiger van het Parlement afgelegde verklaringen van dezelfde strekking, moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Het tot aanstelling bevoegd gezag had het immers volledig aan het selectiecomité overgelaten om zelf een leeftijdsgrens vast te stellen indien het dat noodzakelijk achtte. Het heeft derhalve vrijwillig afstand gedaan van de mogelijkheid om op die keuze terug te komen.
Het beroep van Mavridis is mitsdien ontvankelijk.
III —
Verros heeft in repliek nieuwe middelen voorgedragen en wij zullen de ontvankelijkheid ervan moeten beoordelen alvorens op de gegrondheid van de beroepen in te gaan.
Artikel 42, paragraaf 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: „Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop der schriftelijke behandeling is gebleken.” Volgens 's Hofs rechtspraak is een nieuw middel eveneens ontvankelijk wanneer het als „een uitwerking van een eerder opgeworpen middel” kan worden beschouwd, waarbij de beweerdelijk geschonden rechtsregel rechtstreeks of zelfs stilzwijgend in het introductief verzoekschrift kan zijn vermeld (arrest van 30. 9. 1982, zaak 108/81, Amylum, r.o. 25).
De middelen die in repliek voor het eerst zijn voorgedragen, zijn ontleend aan schending van artikel 1, lid 1, sub g, van bijlage III bij het Statuut („De aankondiging van vergelijkend onderzoek ... vermeldt ... zo nodig de leeftijdsgrens ...”) en van artikel 29. lid 2, van het Statuut, waarvan het Parlement ten onrechte gebruik zou hebben gemaakt.
Het is duidelijk dat artikel 42, paragraaf 2, op geen van beide middelen van toepassing is.
Bij lezing van het verzoekschrift blijkt dat artikel 29, lid 2, in dat stuk uitdrukkelijk noch stilzwijgend wordt vermeld. Het middel ontleend aan de beweerde schending van die bepaling is mitsdien niet ontvankelijk.
Wat het tweede nieuwe middel betreft, lijkt mij daarentegen de tegenovergestelde oplossing de aangewezene. Het enige middel van het verzoekschrift was ontleend aan schending van een andere bepaling van dezelfde bijlage, namelijk artikel 5, eerste lid: Verros verweet het selectiecomité aan de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden een leeftijdsvereiste te hebben toegevoegd.
De gestelde schending van artikel 1, lid 1, sub g, bestaat nu juist in het feit dat de administratie van het Parlement in de kennisgeving van vacature geen leeftijdsgrens heeft vastgesteld. Er blijkt dus wel degelijk verband te bestaan tussen de twee middelen, daar het selectiecomité de kennisgeving van vacature met de litigieuze voorwaarde heeft aangevuld.
Voor het overige wil ik er nog op wijzen, dat het Parlement in dupliek geen enkele exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen ten aanzien van dat middel, dat het tegelijk met de schending van artikel 5 heeft besproken.
IV —
Daar het middel ontleend aan schending van artikel 29, lid 2, kennelijk niet ontvankelijk is, zal ik het verder onbesproken laten.
De andere middelen zijn ontleend aan schending van verschillende bepalingen van bijlage III van het Statuut betreffende de „procedure voor een vergelijkend onderzoek”, en — uitsluitend in de zaak-Mavridis — van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, dat een door het Hof erkend algemeen rechtsbeginsel is. In feite hebben zij evenwel alle dezelfde grondslag: verzoekers menen dat het niet opgaat hun sollicitatie af te wijzen op grond van een voorwaarde waarvan zij geen weet konden hebben, aangezien zij in het enige document waarover zij beschikten, namelijk de in het Publikatieblad gepubliceerde kennisgeving van vacature, niet was vermeld.
Gezien hun verschillende inhoud lijkt het evenwel aangewezen die middelen niet tegelijk te bespreken.
Ik zal beginnen met de beweerde schendingen van bijlage III.
1.
Mavridis verwijt het Parlement artikel 1 van die bijlage te hebben geschonden, dat bepaalt dat „de aankondiging van een vergelijkend onderzoek door het tot aanstelling bevoegd gezag [wordt] vastgesteld” (lid 1, in limine). Het is immers het selectiecomité dat de bestreden voorwaarde heeft vastgesteld. Hier wordt dus een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.
Beide verzoekers verwijten het Parlement schending van hetzelfde artikel, sub ¿, waar wordt bepaald dat de aankondiging van een vergelijkend onderzoek „zo nodig de leeftijdsgrens vermeldt. In de onderhavige zaak zijn de leeftijdsvereisten evenwel eerst ter kennis van de verzoekers gebracht in de brief waarmee hun sollicitatie werd afgewezen. Het Hof is reeds eerder opgetreden tegen schending van deze bepaling (arrest van 22. 3. 1972, zaak 78/71, Costacurta, Jurispr. 1972, blz. 163, r.o. 7-12).
Voorts stellen zij schending van artikel 5, eerste alinea. Luidens deze bepaling "stelt de jury de lijst vast van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.” Het selectiecomité heeft de sollicitatie van de verzoekers evenwel afgewezen op grond van een voorwaarde die niet in de kennisgeving van vacature voorkwam en — aldus Mavridis — evenmin was voorzien in een gemeenschapsverordening. Voor zover zij deze bepaling schenden, dienen de bestreden besluiten nietig te worden verklaard, zulks op dezelfde gronden als waarop het Hof in ondubbelzinnige bewoordingen zijn arresten van 28 juni 1979 (zaak 255/78, Anselme, Jurispr. 1979, blz. 2323, r.o. 9 en 10) en van 18 februari 1982 (zaak 67/81, Ruske, Jurispr. 1982, blz. 661, r.o. 9 en 10) heeft gebaseerd.
2.
Het Parlement verweert zich met erop te wijzen, dat het dikwijls minimum- en maximumleeftijdsgrenzen vaststelt als voorwaarde om voor een ambt in aanmerking te kunnen komen, zodat het selectiecomité beslist geen willekeur kan worden verweten.
Het wijst er eveneens op, dat het selectiecomité de beoordelingscriteria die het heeft toegevoegd aan die van de kennisgeving van vacature, heeft vastgesteld tijdens zijn constitutieve vergadering van 7 juli, dus nog vóór het de sollicitaties van Mavridis en Verros — beide gedagtekend 17 juli — had ontvangen. Het onderzoek van die sollicitaties was dan ook in alle objectiviteit verlopen.
Een en ander is stellig juist, maar het probleem is daarmee niet opgelost. Het debat tussen partijen wordt in de eerste plaats gevoerd met argumenten rechtens. In wezen komt het betoog van het Parlement namelijk hierop neer, dat in een geding dat betrekking heeft op de buitengewone aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, geen schending van de bepalingen betreffende de procedure van het vergelijkend onderzoek kan worden gesteld.
Ik wil hieraan nog toevoegen, dat het verschil tussen de procedure in geding en de gewone procedure aan het licht treedt in de gebruikte terminologie. Men kan hier namelijk niet spreken van een aankondiging van vergelijkend onderzoek of van een jury, doch enkel van een kennisgeving van vacature en van een selectiecomité.
Zoals Mavridis' raadsman ter terechtzitting beklemtoonde, gaat het bij die middelen dus in wezen om de vraag of de rechtspraak van het Hof, inhoudende dat de instanties die belast zijn met de selectie („Auswahlausschüsse”), zich moeten houden aan hetgeen in de kennisgeving van vacature en in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek is opgenomen, enkel geldt voor de procedures van vergelijkende onderzoeken dan wel geldt voor alle gevallen waarin een kennisgeving is gepubliceerd.
3.
Laten wij eens bezien hoe het antwoord op deze vraag moet luiden.
a)
Volgens het Parlement wordt de bijzondere procedure van artikel 29, lid 2, in het Statuut niet omschreven of uitgewerkt. Het zou in de bedoeling van de opstellers hebben gelegen, de gemeenschapsinstellingen vrij te laten bij hun beslissing hoe het best kan worden voorzien in de ambten die zij te vergeven hebben.
Het uiteenlopende beleid van de gemeenschapsinstellingen bij aanwervingen zonder vergelijkend onderzoek, levert een bewijs op voor die stelling. De Commissie maakt normaal geen vacatures bekend waarin met toepassing van artikel 29, lid 2, wordt voorzien. De Raad maakt nooit vacatures in de rangen A 1 en A 2 bekend, terwijl wat de andere graden betreft, van de vacatures waarin volgens die procedure wordt voorzien, er vijf van de zeven in het Publikatieblad en in de pers worden bekendgemaakt. Het Parlement maakt de meeste vacatures weliswaar bekend, doch dit gebeurt niet systematisch.
Het lijkt mij te verte gaan om te zeggen, dat de aanwerving met toepassing van artikel 29, lid 2, volledig aan het goeddunken van de instellingen is overgelaten. Dit blijkt wel uit de arresten waarin het Hof de toepassing van die procedure heeft getoetst (arrest van 26. 5. 1971, gevoegde zaken 45 en 49/70, Bode, Jurispr. 1971, blz. 465, r.o. 14-19; arrest van 5. 12. 1974, zaak 176/73, Van Belle, Jurispr. 1974, blz. 1361, r.o. 14 en 24).
Weliswaar had het Hof zich daar niet uit te spreken over posten in de rangen A 1 en A 2. Voor die posten lijkt de opmerking van het Parlement mij gerechtvaardigd: de auteurs van het Statuut wensten de instellingen volledig vrij te laten. De aanwerving in de andere rangen wordt in artikel 29, lid 2, evenwel onderworpen aan voorwaarden („... alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn”) die strikt moeten worden uitgelegd (voornoemde arresten-Bode en Van Belle).
In casu nu gaat het om een post van de tweede categorie. De aanwerving van een ambtenaar belast met de leiding van het voorlichtingsbureau te Athene, moet namelijk worden gezien in de context van de toetreding van een nieuwe Lid-Staat. Ongetwijfeld zijn ingevolge die toetreding in een aantal gevallen bijzondere aanwervingsmaatregelen noodzakelijk, waarvoor een regeling geldt die ligt tussen de buitengewone regeling van artikel 29, lid 2, en de gewone regeling van artikel 29, lid 1. Dit verklaart waarom het Parlement de paritaire commissie over de gekozen procedure heeft geraadpleegd en ervoor heeft gezorgd dat een vertegenwoordiger van het personeelscomité zitting had in het selectiecomité.
b)
Doch het Parlement beroept zich eveneens op het arrest-Marenco, volgens hetwelk „de toepassing van artikel 29, lid 2, niet afhankelijk is van enige publikatievoorwaarde, doch alleen van de vraag of het gaat om de aanwerving van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2 of om ambten waarvoor bijzondere kundigheden zijn vereist” (arrest van 29. 10. 1975, gevoegde zaken 81-88/74, Marenco, Jurispr. 1975, blz. 1247, r.o. 23).
Het leidt daaruit af, dat het gerechtigd was publikatie achterwege te laten, maar dat het anderzijds niet kan worden verweten de betrokken vacature toch bekend te hebben gemaakt, zij het zonder vermelding van leeftijdsvereisten. Het Parlement beroept zich in dat verband op het Franse adagium „Qui peut Ie plus” (de kennisgeving van vacature niet bekendmaken) „peut le moins” (een kennisgeving van vacature bekendmaken die niet alle aanwervingsvoorwaarden vermeldt).
Het komt mij nochtans voor, dat een instelling die er de voorkeur aan geeft de vacatures waarin met toepassing van artikel 29, lid 2, moet worden voorzien, bekend te maken zonder evenwel uitdrukkelijk te stellen dat het een aanwerving van dat soort betreft, toch alle aanwervingsvoorwaarden moet vermelden. Het Hof heeft de gronden waarop die verplichting is gebaseerd, uiteengezet in het arrest-Grassi van 30 oktober 1974 (zaak 188/73, Jurispr. 1974, blz. 1099, r.o. 39, 40 en 43) betreffende een kennisgeving van vacature, en in de arresten-Costacurta, Anselme en Ruske, betreffende aankondigingen van vergelijkende onderzoeken. Die overwegingen, die betrekking hadden op gewone aanwervingsprocedures bij wege van een vergelijkend onderzoek, zijn mijns inziens in het onderhavige geval even relevant. Ik ben van oordeel dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich in casu „reeds bij de opstelling van de aankondiging van vacature rekenschap [diende] te geven van de kwalificaties die voor de vervulling van het [vacante] ambt in het bijzonder zijn vereist”, en dat de procedure onregelmatig is „wanneer het zich eerst na de bekendmaking van de aankondiging, bij aanschouwing van de kandidaten die zich hebben gemeld, over deze voorwaarden beraad en de bewoordingen van de aankondiging van vacature uitlegt in de zin die het acht in de behoeften van de dienst het beste te voorzien” (arrest-Grassi, r.o. 39). Ik meen ook dat het niet opgaat de uitsluiting van bepaalde sollicitanten te rechtvaardigen „met een beroep op aanwervingsvoorwaarden die tevoren niet behoorlijk aan alle belanghebbenden [waren] medegedeeld” (arrest-Costacurta, r.o. 8). „Ofschoon het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de voorwaarden ... vast te stellen” van een aanwervingsprocedure — ongeacht om welke procedure het gaat —, kom ik tot het besluit dat een selectiecomité zich moet houden aan de gepubliceerde tekst van de kennisgeving van vacature, zoals een jury zich moet houden aan de aankondiging van vergelijkend onderzoek. De essentiële rol die een aankondiging moet spelen, ongeacht of zij al dan niet in het statuut is voorzien, „is immers de belanghebbenden zo juist mogelijk te informeren over de aard van de vereiste kwalificaties voor de vervulling van het desbetreffende ambt, ten einde hen in staat te stellen te beoordelen of er voor hen aanleiding is te solliciteren” (arrest-Ruske, r.o. 9; in dezelfde zin arrest-Anselme, r.o. 9).
Zoals het Parlement ter terechtzitting erkende, geldt dit a fortiori in het onderhavige geval, daar het verschil tussen de gepubliceerde kennisgeving van vacature en een aankondiging van vergelijkend onderzoek licht ontgaat aan iemand die niet vertrouwd is met de aanwervingsprocedures bij de gemeenschapsinstellingen.
V —
Mavridis stelt voorts schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen van de particulier ten opzichte van de administratie.
1.
Hij betoogt dat elke sollicitant die naar een ambt bij de gemeenschapsinstellingen dingt, moet kunnen vertrouwen pp de door deze instellingen verspreide mededelingen. Inzonderheid is vereist dat, wanneer een kennisgeving van vacature wordt gepubliceerd, de belangstellenden daarin de nodige informatie aantreffen om te kunnen uitmaken of zij althans aan de formele vereisten voldoen en bijgevolg of hun sollicitatie in aanmerking komt en kans van slagen heeft. Daar zij hun gedragingen richten naar die mededelingen, en het daarvan afhangt of zij zich al dan niet kandidaat zullen stellen en vervolgens alle stappen doen die zij met het oog op hun sollicitatie noodzakelijk achten, moeten die mededelingen juist en volledig zijn.
2.
Het Parlement repliceert dat het beginsel van het gewettigd vertrouwen in dit geval niet van toepassing is.
Het beroept zich daarvoor op de rechtspraak van het Hof, zoals advocaat-generaal Capotorti die in zijn conclusies in de zaken 167/80 (Curtis, Jurispr. 1981, blz. 1551) en 268/80 (Guglielmi, Jurispr. 1981, blz. 2306) heeft samengevat. Aldaar verklaarde hij, dat het vertrouwen rechtens alleen relevant is wanneer het berust op nauwkeurige toezeggingen van de administratie aan de betrokkenen.
In het onderhavige geval had de administratie van het Parlement ten aanzien van de sollicitanten evenwel geen enkele verplichting aangegaan. De kennisgeving had zij alleen gepubliceerd om ter kennis van de belangstellenden te brengen dat zij voornemens was een ambtenaar aan te werven voor het voorlichtingsbureau van het Parlement te Athene.
Hiertegenover stelt Mavridis dat het Parlement, door in de kennisgeving van vacature een aantal toelatingsvoorwaarden op te sommen, de sollicitanten de verzekering heeft gegeven dat deelneming aan de aanwervingsprocedure slechts van die toelatingsvereisten, met uitsluiting van alle andere, afhankelijk was.
3.
Om de redenen die het Hof in de ar-resten-Costacurta, Grassi, Anselme en Ruske heeft uiteengezet, komt het mij voor, dat de afwijzing van de sollicitaties op grond van een vereiste dat in de kennisgeving van vacature niet voorkwam, inderdaad een schending oplevert van het gewettigd vertrouwen van de sollicitanten in de volledigheid van de in die kennisgeving opgenomen inlichtingen.
Dit zal mijns inziens slechts anders zijn, indien de instelling in de kennisgeving vermeldt dat in de vacature zal worden voorzien via de procedure van artikel 29, lid 2, en dat derhalve de normale aanwervingsregels buiten toepassing zullen blijven. In zulk een geval zou de instelling de betrokken publikatie een vorm moeten geven die duidelijk verschilt van die van een aankondiging van vergelijkend onderzoek, zodat de sollicitanten deze procedure niet kunnen verwarren met de gewone aanwervingsprocedure.
Derhalve geef ik het Hof in overweging, de besluiten waarbij Mavridis en Verros van deelneming aan de litigieuze aanwervingsprocedure zijn uitgesloten, op grond dat zij niet voldeden aan een in de kennisgeving van vacature niet vermelde voorwaarde, nietig te verklaren. Daarentegen lijkt het mij nutteloos de gehele aanwervingsprocedure en het daaruit voortgekomen benoemingsbesluit nietig te verklaren. Ook al zou het Parlement de procedure overdoen en ditmaal een kennisgeving van vacature publiceren, waarin alle door het selectiecomité vastgestelde aanvullende voorwaarden waren vermeld, dan nog zouden de verzoekers van deelneming uitgesloten blijven. Verder zouden alleen de kandidaten die overeenkomstig de door het comité vastgestelde criteria zijn geselecteerd, tot het mondeling examen worden toegelaten en zou er aan de uiteindelijke keuze, inclusief de erop gevolgde benoeming, niets worden veranderd. Met andere woorden, „de uitsluiting van verzoekers van de lijst van kandidaten” is, zoals in de zaak-Anselme, „niet van invloed geweest op de opneming in deze lijst van de ... geselecteerde personen”, zodat er geen aanleiding bestaat de aanwervingsprocedure zoals zij na die uitsluiting is verlopen, nietig te verklaren (arrest-Anselme, r.o. 15).
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
—
enkel nietig te verklaren de besluiten van het selectiecomité houdende afwijzing van de sollicitaties van V. Mavridis en C. Verros naar het ambt van afdelingshoofd belast met de leiding van het voorlichtingsbureau van het Europees Parlement te Athene;
—
het Europees Parlement te verwijzen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy