CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 DECEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Ook in de twee zaken waarin ik thans heb te concluderen, gaat het om de vraag of de heffing van rechten voor administratieve diensten bij invoer van goederen uit GATT-landen krachtens de Italiaanse wet van 15 juni 1950, verenigbaar is met de bepalingen van de GATT.
In eerste aanleg, voor het Tribunale te Milaan, hadden verzoeksters in de hoofdgedingen gedeeltelijk succes met hun stelling, dat de heffing onrechtmatig was en dat de betrokken bedragen derhalve moesten worden terugbetaald. Op grond van het uit andere procedures (zaken 267, 268 en 269/81) al bekende artikel II, lid 1, sub b, van de GATT werd de Administratie van de Staatsfinanciën tot terugbetaling veroordeeld, voor zover de belaste goederen voorkwamen in de Italiaanse concessielijst XXVII, zoals deze bij de toetreding van Italië tot de GATT was overeengekomen. De vordering werd evenwel afgewezen voor zover zij betrekking had op goederen die voor het eerst waren vermeld in lijst XLEEG, die — naar uit de andere procedures bekend is — pas in het begin van de jaren zestig met medewerking van de Gemeenschap tot stand kwam. Het Tribunale volgde daarmee kennelijk de opvatting van de Administratie; bij de beoordeling van het recht voor administratieve diensten was volgens haar enkel van belang of de betrokken goederen al dan niet in de oorspronkelijke concessielijst voorkwamen, aangezien bij lijst XLEEG nieuwe invoerrechten waren vastgesteld, die een eerder bestaande heffingregeling onverlet lieten.
Daarop stelden verzoeksters hoger beroep in bij de Corte d'Appello te Milaan. Zij betoogden dat de verplichting tot terugbetaling niet afhankelijk was van de vraag of de belaste goederen in de concessielijsten voorkwamen, aangezien de Italiaanse wet niet verenigbaar was met het in de preambule van de GATT neergelegde verbod, heffingen op te leggen die voor de toetreding van Italië tot de GATT nog niet bestonden. Zelfs indien moest worden aangenomen dat de belaste goederen nog niet in de oorspronkelijke Italiaanse concessielijst voorkwamen, was in ieder geval artikel II, sub b, van de GATT geschonden, aangezien lijst XLEEG in de plaats van de oorspronkelijke nationale lijsten was gekomen.
In verband met deze vraagstukken omtrent de uitlegging van de GATT heeft de Corte d'Appello bij beschikkingen van 6 juli 1981 de behandeling van de zaken geschorst en de volgende, in beide zaken gelijkluidende, prejudiciële vragen gesteld:
„1.
Is, gelet op de verklaringen in de preambule van de GATT — zowel in haar oorspronkelijke versie, waarin de verdragsluitende staten verklaarden te worden ‚geleid door de wens’ (désireux), de douanetarieven en de andere handelsbelemmeringen te verminderen en de discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer af te schaffen, alsook in de redactie van het protocol van Genève van 10 maart 1955 (door Italië geratificeerd bij wet nr. 1307 van 7 november 1957), waarin de verdragsluitende staten hun aanvaarding van voormelde verbintenissen met het woord ‚erlangen’ (désirent) tot uitdrukking brachten —, het recht voor administratieve diensten, ingesteld bij wet nr. 330 van 15 juni 1950 (dus na de toetreding van Italië tot de GATT, doch vóór het protocol van Genève), met de bepalingen van de GATT verenigbaar te achten, om het even of de ingevoerde goederen in de oorspronkelijke concessielijsten zijn vermeld en ongeacht het feit dat de standstill-clausule betreffende reeds bestaande, met de invoer verband houdende belastingen uitdrukkelijk slechts voor de vermelde goederen geldt?
2.
Is, wegens de vervanging van lijst XXVII door lijst XL (gemeenschappelijk douanetarief), de in artikel II, lid 1, sub b, van de GATT vervatte standstill-clausule betreffende reeds bestaande, met de invoer verband houdende belastingen, verenigbaar — vanaf het tijdstip van die vervanging: voor Italië 13 mei 1963 — met het voordien al bestaande recht voor administratieve diensten, indien toegepast op de niet in de oorspronkelijke lijst XXVII, doch enkel in lijst XL opgenomen goederen?”
Over deze vragen wil ik het volgende opmerken.
1.
Anders dan in de zaken 267-269/81 heeft de Corte d'Appello niet gevraagd vanaf welk tijdstip de thans aan de orde zijnde GATT-verbintenissen als verbintenissen krachtens het gemeenschapsrecht zijn te beschouwen.
Het is niet uitgesloten dat deze vraag ook in casu relevant is, aangezien uit de ingediende opmerkingen niet duidelijk is geworden wanneer precies de betrokken importen hebben plaatsgevonden en met het recht voor administratieve diensten zijn belast. Wat zaak 291/81 betreft, is alleen bekend dat terugbetaling wordt gevorderd over het tijdvak 1960-1970, zodat mag worden aangenomen dat de goederen in die periode zijn geïmporteerd.
Wanneer de feiten waarop de hoofdgedingen betrekking hebben, zich geheel of gedeeltelijk vóór 1 juli 1968 hebben voorgedaan — dus vóór de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief —, dan zou in zoverre gelden hetgeen reeds in de zaken 267-269/81 op de uitdrukkelijke vraag van de verwijzende rechter is uiteengezet: aangezien de Gemeenschap in die tijd op douanerechtelijk gebied nog niet volledig in de plaats van de Lid-Staten was getreden, moet de heffing van het litigieuze recht uitsluitend naar Italiaans recht in samenhang met de relevante GATT-bepalingen worden beoordeeld. Ik hoef dit standpunt hier niet nader toe te lichten en volsta met te verwijzen naar hetgeen ik dienaangaande in mijn conclusie in de zaken 267-269/81 heb uiteengezet.
2.
De eerste vraag kan niet worden beantwoord in de vorm waarin zij is gesteld, aangezien het Hof zich níet rechtstreeks over de verenigbaarheid van een nationale wet met gemeenschapsrechtelijke bepalingen kan uitspreken, dat wil zeggen over de geldigheid van nationale voorschriften. De vraag moet derhalve in dier voege worden aangepast, dat de preambule en de andere bepalingen van de GATT moeten worden uitgelegd in het licht van de na de toetreding tot de GATT ingevoerde Italiaanse heffingregeling. Aangezien het verbod van artikel II van de GATT om hogere invoerrechten te heffen uitdrukkelijk betrekking heeft op de concessielijsten, moet in het bijzonder worden nagegaan of de belaste goederen in de oorspronkelijke concessielijsten waren opgenomen.
Naar uit de opmerkingen van verzoeksters in de hoofdgedingen duidelijk naar voren is gekomen, gaat het in wezen om de vraag, of het volgens de GATT verboden is na de toetreding nieuwe heffingen in te stellen, ongeacht of de betrokken goederen al dan niet in concessielijsten zijn vermeld. Mijn standpunt in deze heb ik reeds uiteengezet in mijn conclusie in de zaken 267-269/81. Alle daaromtrent aangevoerde argumenten zorgvuldig afwegend, ben ik tot de slotsom gekomen, dat de GATT in feite niet de „standstill”-verplichting kent die verzoekers erin willen lezen.
Evenmin als in de genoemde zaken, kan derhalve de rechtmatigheid van het Italiaans recht voor administratieve diensten in casu in twijfel worden getrokken op de enkele grond dat de Italiaanse regeling is ingesteld nadat Italië tot de GATT was toegetreden.
3.
De tweede vraag betreft — na een ook hier noodzakelijke aanpassing — de uitlegging van artikel II, lid 1, sub b, van de GATT in verband met het Italiaanse recht voor administratieve diensten. Met name moet opheldering worden verschaft over de vraag, of in geval de ingevoerde goederen niet in de oorspronkelijke concessielijst XXVII, maar eerst in lijst XLEEG waren vermeld, het verbod om hogere invoerrechten te heffen, in zoverre eerst bij de inwerkingtreding van de nieuwe concessielijst is ingegaan. Niet geheel duidelijk is, of de betrokken goederen eveneens in lijst XLEEG waren opgenomen zoals deze na de zogenoemde Kennedy-ronde was vastgesteld.
Indien men uitgaat van dit laatste — hetgeen de Commissie juist acht —, is de onderhavige tweede vraag volkomen gelijk aan de laatste van de in de zaken 267-269/81 gestelde vragen. Ik kan derhalve ook op dit punt volstaan met te verwijzen naar de uiteenzetting in mijn conclusie in die zaken. Kort gezegd, ben ik van mening dat de heffing van het Italiaanse recht voor administratieve diensten niet in strijd lijkt te komen met de GATT-bepalingen indien het goederen betreft die nog niet in de Italiaanse concessielijst XXVII, maar eerst in latere concessielijsten waren opgenomen.
4.
Mitsdien stel ik voor, de vragen van de Corte d'Appello te Milaan te beantwoorden als volgt:
a)
De bepalingen van de GATT behelzen geen verbod om over ingevoerde goederen — om het even of zij al dan niet in concessielijsten waren vermeld — rechten te heffen die ten tijde van de toetreding van de importerende staat tot de GATT nog niet bestonden.
b)
Indien de ingevoerde goederen niet in de oorspronkelijke Italiaanse concessielijst XXVII, maar eerst in de daarvoor in de plaats gekomen lijst XLEEG waren opgenomen, geldt het verbod van artikel II, lid 1, sub b, om hogere invoerrechten te heffen eerst vanaf de inwerkingtreding van het op lijst XLEEG betrekking hebbende protocol.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy