CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 15 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
International Flavors and Fragrances (Deutschland) GmbH („IFF”) importeerde in oktober 1974 in de Bondsrepubliek Duitsland 40 vaten geconcentreerd sap en vier vaten essence van weichselkersen uit Joegoslavië. In maart 1975 importeerde zij 28 vaten geconcentreerd sap en vier vaten essence van zwarte aalbessen. De Duitse douane deelde deze goederen voorlopig in als volgt:
1.
het geconcentreerde kersesap onder postonderverdeling 20.07 B II a 6 aa van het gemeenschappelijk douanetarief (GOT);
2.
het geconcentreerde sap van zwarte aalbessen onder postonderverdeling 20.07 B II a 6 bb;
3.
de twee essences onder postonderverdeling 33.04.
Monsters van de waren werden voor analyse naar het douanelaboratorium gezonden. Daar werd vastgesteld dat de dichtheid van het geconcentreerde kersesap bij een temperatuur van 15oC 1,37 bedroeg en dat van het geconcentreerde bessesap 1,381. Daarop wijzigde de douane op respectievelijk 30 januari en 22 mei 1975 de oorspronkelijke inklaringsbeschikkingen en deelde zij de sapconcentraten in onder postonderverdeling 20.07 A III a. IFF betwistte de wijze waarop de monsters ter bepaling van de dichtheid waren genomen, maar dit punt is in het onderhavige geding niet aan de orde.
Omdat IFF niet had aangetoond dat zij met betrekking tot de kersenessence recht had op een preferentiële behandeling, werd hierop het gewone tarief toegepast. Op de essence van zwarte aalbessen werd echter het preferentiële tarief toegepast, vastgesteld bij 's Raads verordening nr. 3054/74/EEG van 2 december 1974 (PB L 329 van 1974, blz. 70). Een en ander betekende voor IFF een extra belasting van DM 34791,31 voor het geconcentreerde kersesap, DM 744,59 voor de kersenessence en DM 28585,60 voor de bessenessence. Zij diende bezwaar in tegen deze aanslag en toen dit werd verworpen, spande zij een geding aan tegen de douane. Het Finanzgericht besliste ten gunste van deze laatste, waarop IFF hoger beroep instelde bij het Bundesfinanzhof.
Volgens de gegevens waarover het Bundesfinanzhof beschikte, worden de betrokken produkten vervaardigd als volgt. De vruchten worden geperst en het aldus verkregen sap wordt in een warmtewisselaar snel tot boven het kookpunt verhit om het aroma te verkrijgen. De damp die tijdens deze behandeling uit de verdamper vrijkomt, wordt in een fractioneerkolom geleid, waarin het aroma wordt verrijkt. Deze damp wordt dan door trapsgewijze distillatie gesplitst in geconcentreerd vruchtesap en water. Het overblijvende vruchtesap wordt in condensors geconcentreerd.
Het aldus verkregen geconcentreerde vruchtesap kan blijkbaar worden gebruikt bij de bereiding van diverse produkten, zoals roomijs en likeuren. De essence die bij dit procédé aan het vruchtesap wordt onttrokken, kan ook als afzonderlijke aromastof worden gebruikt, bijvoorbeeld in gebak, frisdranken en yoghurt.
De hiervoren beschreven behandeling wordt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats toegepast om twee voor afzonderlijk gebruik geschikte produkten, namelijk geconcentreerd vruchtesap en essence, te verkrijgen. Het vervoer van vruchtesap in bulk is volgens IFF veel te duur. Daarom wordt het vruchtesap geconcentreerd. Maar aangezien er bij het concentreren aroma verloren zou gaan, moet dit er eerst volgens het beschreven procédé aan worden onttrokken. Het wordt afzonderlijk opgeslagen en vervoerd en pas onmiddellijk vóór het gebruik of bij het bottelen weer aan het sapconcentraat toegevoegd. Volgens de aan het Hof verstrekte inlichtingen wordt het vruchtesap opnieuw samengesteld door in een centrifugeermachine sapconcentraat, essence en water in hun oorspronkelijke verhouding te vermengen. Als het sapconcentraat en de essence voor afzonderlijk gebruik bestemd zijn, kunnen zij zeer wel afzonderlijk op de markt worden gebracht, maar als zij zijn bestemd om het vruchtesap opnieuw samen te stellen, worden zij normalerwijze samen op de markt gebracht.
Gelet hierop, overwoog het Bundesfinanzhof dat de wettigheid van de door IFF bestreden beschikkingen afhing van de vraag welke de juiste interpretatie is van Algemene Bepaling 2a voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. Deze luidde gedurende de gehele van belang zijnde periode, als volgt: „De vermelding van een goed in een post ... heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevindt” (verordening nr. 1/74 van de Raad van 17 december 1973, PB L 1 van 1974, blz. 11, en verordening nr. 2658/74 van de Raad van 15 oktober 1974, PB L 295 van 1974, blz. 1).
De in de verwijzingsbeschikking gestelde vraag luidt als volgt: „Is Algemene Bepaling 2a, tweede volzin, voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief in die zin te verstaan, dat als gedemonteerde of niet gemonteerde goederen ook zijn te beschouwen uit sap van wechselkersen of aalbessen gewonnen geconcentreerd kersesap respectievelijk geconcentreerd aalbessesap enerzijds, en kersenessence respectievelijk aalbessenessence anderzijds, wanneer de voor dezelfde prijs verhandelde sapconcentraten en essences onmiddellijk vóór het verbruik of het bottelen weer met elkaar worden vermengd?”
Indien de sapconcentraten en de essences niet zijn te beschouwen als een goed „in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat” (namelijk vruchtesap), moeten zij onder afzonderlijke posten worden ingedeeld, de eerste onder postonderverdeling 20,07 A III a omdat hun dichtheid hoger is dan 1,33 bij 15oC, en de laatste onder postonderverdeling 33.04. Zijn zij wel als zodanig te beschouwen, dan moeten zij volgens IFF tezamen als vruchtesap worden ingedeeld en wel onder postonderverdeling 20.07 B II a 6 aa of bb (respectievelijk kersesap en aalbessesap). De essences hebben een geringere dichtheid dan de geconcentreerde vruchtesappen, zodat de dichtheid lager wordt wanneer men beide produkten tezamen beschouwt.
De begrippen „gedemonteerd” en „niet gemonteerd” worden in de andere taalversies van de verordeningen als volgt Weergegeven:
—
Deens:„i adskilt eller ikke samlet stand”;
—
Duits:„zerlegt”;
—
Engels:„unassembled or disassembled”;
—
Frans:„à l'état démonté ou non monté”;
—
Italiaans:„smontato o non montato”.
In zaak 165/78 (Imco, Jurispr. 1979, blz. 1837, 1844) besliste het Hof dat Algemene Bepaling 2a zowel betrekking heeft op nog niet gemonteerde als op gedemonteerde artikelen.
Het Finanzgericht overwoog dat men de sapconcentraten niet tezamen met hun respectieve essences als één goed kon indelen, omdat zij geen goed zijn „in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat”, of om de Duitse term te gebruiken, niet „zerlegt” zijn. „Zerlegt” kan in het gewone spraakgebruik blijkbaar duiden op de separatie van de bestanddelen van een vloeistof langs natuurkundige weg. Het Finanzgericht steunde evenwel op de Engelse en de Franse tekst, die, zo meende het, een engere betekenis hebben en doelen op goederen waarvan de onderdelen na het monteren weer uit elkaar zijn genomen of bestemd zijn om gemonteerd te worden. Dit zou echter niet het geval zijn bij vruchtesap, dat vanaf het begin een natuurlijk produkt is dat niet wordt samengesteld om vervolgens weer in zijn verschillende bestanddelen te worden gesplitst.
De Commissie gaat van dezelfde opvatting uit en stelt dat het begrip „in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat”, gelet op de verschillende taalversies van de verordeningen, lijkt te wijzen op een artikel bestaande uit tenminste twee onderdelen, die zowel vóór als na de montage identificeerbaar zijn. Dit zou niet het geval zijn bij de goederen in geding, want het procédé waarmee vruchtesap wordt verwerkt, levert twee nieuwe produkten op. Het zou hier dus niet gaan om een goed in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat, maar om verschillende produkten met verschillende eigenschappen.
De laatste volzin van Algemene Bepaling 2a heeft betrekking op twee verschillende categorieën goederen:
(1)
complete of afgewerkte goederen die zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevinden, en
(2)
goederen in niet complete of in niet afgewerkte staat, die de essentiële kenmerken van het complete of afgewerkte goed vertonen, maar zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevinden.
Het is niet nodig te bepalen tot welke categorie de onderhavige goederen behoren. De vraag is echter gesteld of zij, nu het element water ontbreekt, nog als een compleet of afgewerkt goed, namelijk vruchtesap, kunnen worden beschouwd. Maar ook al zouden zij om die reden niet meer als een compleet of afgewerkt goed kunnen worden aangemerkt, dan zijn zij mijns inziens toch te beschouwen als een niet compleet of niet afgewerkt goed dat de essentiële kenmerken van het complete en afgewerkte goed vertoont, want sapconcentraat en essence bevatten tezamen de essentiële bestanddelen van vruchtesap. Het probleem beperkt zich dus tot de vraag, of zij kunnen worden aangemerkt als een goed dat zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevindt.
De uitdrukking „in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat” (met haar equivalenten in de andere geciteerde talen, behalve in het Duits) geeft in de eerste plaats aanleiding tot de vraag wat er allemaal kan worden gemonteerd. Men zou kunnen zeggen dat „monteren” eenvoudig betekent het samenbrengen of vermengen van twee of meer stoffen. Maar zelfs als het deze betekenis heeft, kan men mijns inziens bezwaarlijk zeggen dat vruchtesap kan worden „gemonteerd” in zijn twee bestanddelen, sapconcentraat en essence. Naar mijn mening impliceert het begrip „demonteren” het weer uit elkaar nemen van dingen die eerst afzonderlijk waren en later zijn samengevoegd. Het oorspronkelijke produkt, de kers, is echter nooit „gemonteerd” en het geconcentreerde vruchtesap en de essence die eruit zijn verkregen, kunnen mijns inziens onmogelijk worden beschouwd als de „gemonteerde” onderdelen van het door het persen van de kers verkregen sap, evenmin als men een boom demonteert wanneer men de takken afhakt en de stam in stukken zaagt.
Aan het woord „monteren” kan men mijns inziens met betrekking tot de onderdelen van een artikel niet de ruime betekenis toekennen van het met elkaar vermengen of het samenvoegen van verschillende stoffen. In het gewone spraakgebruik wordt „monteren” niet in verband gebracht met hutspot of pudding. Het doelt voornamelijk op een mechanisch proces, waarbij afzonderlijke onderdelen zo in elkaar worden gepast of samengevoegd, dat ze ook na de montage nog identificeerbaar blijven, ook al kunnen ze niet meer zo uit elkaar worden genomen, dat zij volledig hun oorspronkelijke staat herkrijgen.
In de Toelichtingen op de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief is niets te vinden wat aan een oplossing van het probleem kan bijdragen. In de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur evenwel wordt over de eerste volzin van Algemene Regel 2a gezegd dat „in verband met de draagwijdte van de posten van de afdelingen I tot VI van het tarief deze regel praktisch niet van toepassing is op de onder de posten van deze afdelingen vallende goederen”. De hoofdstukken 20 en 33 van de IDR-nomenclatuur behoren respectievelijk tot de afdelingen IV en VI. Over de tweede volzin van Algemene Regel 2a (artikelen aangeboden in gedemonteerde of in niet gemonteerde staati wordt eveneens gezegd, dat deze „praktisch niet van toepassing is op de onder de posten van deze afdelingen vallende goederen”. Volgens de Franse tekst zijn beide delen van de regel „en général” niet van toepassing op de onder de posten van deze afdelingen vallende goederen. Het is dus mogelijk (hoewel ik dit betwijfel) dat er onder deze posten bepaalde produkten voorkomen waarop Algemene Regel 2a kan worden toegepast. Onder VI van de toelichting bij Algemene Regel 2a wordt echter gezegd: „Voor de toepassing van deze regel moet als een gedemonteerd of een niet gemonteerd artikel worden aangemerkt, een artikel waarvan de verschillende elementen zijn bestemd om te worden samengevoegd, hetzij met behulp van eenvoudige middelen (bouten en moeren, schroeven, enz.), hetzij bijvoorbeeld door klinken of lassen, dit echter onder de voorwaarde dat het om eenvoudige montagebewerkingen gaat. Ongeacht of de woorden „eenvoudige montagebewerkingen” zowel betrekking hebben op de eenvoudige samenvoegingsmiddelen als op het klinken en lassen — gelijk ik meen — dan wel enkel op dit laatste, de wezenlijke bedoeling is duidelijk. Wat vereist is, is eenvoudig mechanisch samenvoegen. Deze opvatting vindt steun in de in de algemene toelichtingen genoemde gevallen waarin deze regel van toepassing is (bijvoorbeeld hoofdstuk 44, afdeling XVI, hoofdstukken 86, 87 en 89).
Volgt men de toelichtingen, dan is het duidelijk dat het weer samenstellen van het vruchtesap geen samenvoeging met behulp van eenvoudige middelen is. En al is het eenvoudig, het is ook geen „eenvoudige montagebewerking”, waaronder mijns inziens een eenvoudige mechanische montagebewerking moet worden verstaan. Evenmin zijn naar gewoon spraakgebruik sapconcentraten en essences gedemonteerde of nog niet gemonteerde vruchtesappen, want zij zijn nooit „samengevoegd” of „losgemaakt” en evenmin zullen zij bij wedersamenstelling weer „in elkaar worden gepast”.
Bij de uitlegging van een gemeenschapstekst waarvan de verschillende taalversies niet geheel overeenstemmen, mag men de versies niet elk op zich beschouwen, maar moet men ze alle naast elkaar bezien en daarbij letten op het doel en de algemene structuur van de gehele tekst (zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaatgeneraal Capotorti in zaak 165/78, Imco, Jurispr. 1979, blz. 1849; zaak 816/79, Mecke, Jurispr. 1980, blz. 3029, r.o. 7; gevoegde zaken 824 en 825/79, Folci, Jurispr. 1980, blz. 3053; zaak 160/80, Smuling-de Leeuw, Jurispr. 1981, blz. 1767).
Deze benadering leidt er mijns inziens toe, dat men aan het Duitse woord „zerlegt” eerder de meer beperkte betekenis van „gedemonteerd” en „nog niet gemonteerd” dient te geven dan de ruimere betekenis die IFF eraan wil toekennen.
In geen geval kan ik aanvaarden dat het sapconcentraat en de essence enkel wegens het feit dat ze als één partij werden verzonden (en voor één prijs werden gefactureerd) zouden moeten worden behandeld op dezelfde wijze als aangegeven in het arrest-Imco (zaak 165/78, zie boven). Daar de afzonderlijke stoffen op verscheidene manieren kunnen worden gebruikt, kan men niet zeggen dat zij, enkel omdat zij tezamen zijn verzonden, als bij elkaar horende waren moeten worden behandeld, zelfs niet wanneer het juist zou zijn dat zij enkel dan als één partij worden verzonden wanneer het de bedoeling is er weer vruchtesap van te maken.
Ik concludeer derhalve dat het Hof in antwoord op de gestelde vraag voor recht verklare, dat het respectievelijk uit het sap van weichselkersen en zwarte aalbessen verkregen geconcentreerde kersesap en bessesap enerzijds en de essence van weichselkersen en zwarte aalbessen anderzijds, niet kunnen worden aangemerkt als goederen die zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevinden.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy