CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN3 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Franco Colussi heeft bij het Hof een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Europees Parlement, waarbij een ander via bevordering is benoemd tot taalkundig adviseur bij de Italiaanse vertaalafdeling.
I — Overzicht van de feiten
Op 14 juli 1980 werd in het Europees Parlament aankondiging van vacature nr. 2690 gepubliceerd met het oog op de bezetting van 7 posten voor „taalkundig adviseurs” in de loophaan LA 3, één post voor elke officiële taal behalve het Grieks; de zevende post was bestemd voor de dienst terminologie.
Het betrof hier zeven posten die in maart 1978 door het Parlement aan het organigram van het directoraatgeneraal Griffie en algemene diensten waren toegevoegd, maar waren gereserveerd om „het rechtstreeks gekozen Parlement in staat ... [te stellen] om terstond na de verkiezingen in de gebruikelijke vergaderplaatsen zijn activiteiten te ontplooien en zijn taken normaal te vervullen”; het gekozen Parlament zou ze naar behoefte kunnen deblokkeren.
Overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, Ambtenarenstatuut, was besloten deze posten via overplaatsing of bevordering te bezetten.
Binnen de gestelde termijn kwamen drie sollicitaties binnen van réviseurs van de rang LA 4, waaronder die van verzoeker.
Op 3 september 1980 solliciteerde Colussi; in een begeleidende brief aan het directoraatgeneraal Personeelszaken wees hij, volledigheidshalve, onder meer op het feit, dat hij sinds 1978 in het bezit was van een graad in de rechtsgeleerdheid.
Op 1 oktober 1980 wendde hij zich tot de voorzitter van het Europees Parlement met een verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, om de aankondiging van vacature zodanig te redigeren, dat discriminatie of onzekerheid was uitgesloten, en om de keuze te doen op basis van een werkelijke vergelijking van de schriftelijke bewijstukken en verdiensten en niet in hoofdzaak van de leeftijd van de kandidaten.
Op 1 december 1980 benoemde de voorzitter van het Europees Parlement een andere kandidaat.
Colussi verklaart op 21 januari 1981 van deze benoeming kennis te hebben getregen; in elk geval heeft het benoemingsbesluit van 23 januari tot 5 februari 1981 uitgehangen en is afwijzing van zijn sollicitatie aan Colussi bevestigd door een op 28 januari 1981 op zijn sollicitatieformulier aangebrachte vermelding. Bij schrijven van 15 april 1981, ingekomen op 21 april daaropvolgende, diende Colussi een klacht in in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut tegen de afwijzing van zijn verzoek van 1 oktober 1980; deze klacht was eveneens gericht tegen de afwijzing van zijn sollicitatie.
De klacht werd op 4 september 1981 door de voorzitter van het Parlement afgewezen.
Op 27 november 1981 heeft Colussi het onderhavige beroep ingesteld, waarin hij in essentie nietigverklaring vordert van de afwijzing van zijn klacht en nietigverklaring van de benoeming van de geslaagde mededinger.
II — Ontvankelijkheid
Het beroep is tijdig ingesteld. Het Europees Parlement trekt de ontvankelijkheid ervan niet in twijfel; het erkent dat verzoekers klacht was gericht tegen de impliciete afwijzing van zijn verzoek betreffende de aankondiging van vacature, tegen de bevordering van zijn mededinger en tegen de afwijzing van zijn eigen sollicitatie.
Niettemin meent het, dat het middel betreffende de nietigheid van de aankondiging van vacature niet ontvankelijk is, aangezien het niet in het verzoekschrift is opgeworpen.
III — Bespreking
Verzoeker doet zijn beroep steunen op verschillende formele en inhoudelijke middelen die ik opnieuw heb gegroepeerd.
A — Formele middelen
Colussi betwist de bevoegdheid van de verschillende organen die tijdens de bevorderingsprocedure zijn opgetreden. Hij stelt, dat niet vaststaat dat het Parlement de uitoefening van zijn bevorderingsbevoegdheid aan het bureau heeft gedelegeerd, en dat het bewijs van de subdelegatie van deze bevoegdheden door het bureau aan de voorzitter evenmin is geleverd.
Ook al zou de voorzitter wel bevoegd zijn, dan staat volgens hem nog niet vast dat hij de statutair voorgeschreven onderlinge vergelijking van de verdiensten en van de beoordelingsrapporten zelf heeft verricht. Bovendien is niet bewezen, dat het bureau vooraf is ingelicht over het bevorderingsbesluit van de voorzitter. Tenslotte stelt hij vast, dat de instantie die op zijn klacht heeft beslist, dezelfde is als die welke het bezwarend besluit heeft genomen, hetgeen in strijd zou zijn met een regel van „billijkheid”.
Ik acht geen van deze stellingen houdbaar.
a)
Op grond van artikel 2 Ambtenarenstatuut moet iedere instelling bepalen welke gezagsorganen bij haar de aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomende bevoegdheden uitoefenen.
Artikel 49 van het Reglement van het Europees Parlement omschrijft, zowel in de ten tijde van de bestreden bevordering als in de voordien geldende versie, de rol van de secretarisgeneraal, de voorzitter en het bureau. Het bureau heeft onder meer tot taak om, na raadpleging van de bevoegde commissie van het Parlement, het aantal personeelsleden en de regeling betreffende hun administratieve en financiële positie vast te stellen.
Ingevolge een besluit van dit orgaan van 12 december 1962 (nr. 175/62) worden de bevoegdheden die volgens het Ambtenarenstatuut toekomen aan het tot aanstelling bevoegd gezagd, uitgeoefend door de voorzitter op voorstel van de secretarisgeneraal, voor zover het gaat om de toepassing van onder meer de artikelen 29 en 45 op ambtenaren van de categorie A tot en met de rang A 7 en van de groep voor de talendienst tot en met de rang LA 6.
Uit deze bepalingen volgt, dat het bureau wel degelijk bevoegd was het tot aanstelling bevoegde gezag aan te wijzen, en dat de voorzitter, die in dat kader was aangewezen, dientengevolge zelf bevoegd was om over bevorderingen te beslissen.
b)
De verplichting van de voorzitter om het bureau van zijn besluiten op de hoogte te stellen alvorens in vacatures te voorzien, geldt volgens besluit n. 175/62 overigens bij ambtenaren van de categorie A.
Zoals het Hof overwoog in het arrest van 13 juli 1972 (Bernardi, zaak 90/71, Jurispr. 1972, blz. 603), vindt het in dit besluit gemaakte onderscheid tussen de ambtenaren van de categorie A en van de groep voor de talendienst, anders dan verzoeker meent, geenszins zijn verklaring in een verschrijving. In rechtsoverweging 19 van dit arrest overwoog het Hof, „dat in de aangevoerde bepaling allereerst onderscheid wordt gemaakt tussen ambtenaren van de categorie A en ambtenaren van de talendienst, waaruit volgt dat het voorbehoud in fine voor besluiten betreffende ambten van de categorie A aldus moet worden uitgelegd, dat het niet slaat op ambten van de talendienst.”
c)
Colussi voert ook aan, dat niet is komen vast te staan dat de voorzitter de verdiensten en beoordelingsrapporten van de kandidaten werkelijk zelf heeft onderzocht; hij zou enkel zijn afgegaan op een dienstnota van 8 oktober 1980 van het hoofd van de Italiaanse vertaalafdeling aan de directeur van de vertaaldienst, waarin de getuigschriften en bekwaamheden van de kandidaten onvolledig en onnauwkeurig waren weergegeven. Zijns inziens moet het Parlement bewijzen, dat het persoonlijk onderzoek van de voorzitter reëel van aard is geweest.
De brief van 4 september 1981 vermeldt, dat de klacht van verzoeker door de voorzitter is afgewezen na „diepgaand onderzoek door zijn diensten.” Uit deze opmerking mag niet worden afgeleid, dat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden: integendeel, zij staat borg voor de ernst van het onderzoek dat is verricht om de voorzitter in staat te stellen met volledige kennis van zaken tot zijn beslissing te komen; het formele bewijs dat Colussi schijnt te verlangen, is hoe dan ook onmogelijk te leveren.
d)
Verzoeker stelt vast, dat de instantie die op de klacht besliste, in casu dezelfde was als die welke het besluit heeft genomen waartegen de klacht was gericht. Dit is het gevolg van het feit, dat de in titel VII van het Statuut voorziene procedure zuiver administratief van aard is en elk contentieus karakter mist. Wijziging van deze situatie moge wenselijk zijn, maar de situatie strookt met de regeling in zijn huidige vorm.
B — Middelen ten gronde
In de aankondiging van vacature wordt de bij de te bezetten post behorende taak omschreven als volgt:
„Taalkundig adviseur, meer in het bijzonder belast met gespecialiseerde revisie- en vertaalwerkzaamheden alsmede met de beroepsopleiding van ambtenaren en stagiairs in de afdeling;
Vervangt het afdelingshoofd bij diens afwezigheid.”
a)
Het gebruik van de bevorderingsprocedure in plaats van een intern vergelijkend onderzoek levert volgens Colussi misbruik van bevoegdheid op. Via de aankondiging van vacature wilde men de vacatures reserveren voor de oudste of dienstoudste ambtenaar binnen elke vertaalafdeling, om deze „bij wijze van beloning” de zekerheid te geven dat zij hun loopbaan in de hoogste rang binnen de groep van de talendienst zouden kunnen beëindigen. Hiertoe bediende men zich van een aankondiging die bij de uit te oefenen taken de beroepsopleiding van de ambtenaren en stagiairs noemde, en koos men voor de toepassing van artikel 29, lid 1, sub a, (bevordering naar keuze) in plaats van voor een intern vergelijkend onderzoek.
Aan het begin van mijn uiteenzetting vermeldde ik al, dat dit tegen de aankondiging van vacature gerichte middel volgens het Europees Parlement niet ontvankelijk is, omdat verzoeker pas in zijn repliek formeel heeft geconcludeerd tot nietigverklaring van deze aankondiging.
Mijns inziens bestaat er een enge samenhang tussen dit middel en de beoordeling van de vraag of de afwijzing van Colussi geldig was, want die beoordeling impliceert noodzakelijkerwijs dat wordt onderzocht of aan de in de artikelen 29 en 45 Ambtenarenstatuut gestelde voorwaarden is voldaan. Bij het verzoek tot nietigverklaring van de afwijzing van zijn sollicitatie kan verzoeker dan ook de onregelmatigheid inroepen van een stuk dat voor deze beslissing medebepalend heeft moeten zijn.
Desondanks acht ik het middel niet gegrond.
Allereerst moet worden opgemerkt, dat het oogmerk dat verzoeker de administratie toedicht, niet met het aangevallen besluit alleen kon worden bereikt, maar enkel met alle op grond van de aankondiging van vacature genomen besluiten tezamen. Dat hier geen sprake is van een integraal plan, blijk reeds uit het feit dat in ieder geval bij de Deense vertaalafdeling de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag niet op de oudste ambtenaar is gevallen. Naar aanleiding hiervan geeft verzoeker toe „dat men zich in feite kan afvragen, of de leeftijd van de kandidaten niet eerder een negatieve factor vormt voor zijn kwalificatie”, maar daarmee ontkracht hij zijn eigen stelling.
In werkelijkheid is niet de oudste kandidaat of de dienstoudste gekozen, maar degene met de meeste dienstjaren in de rang LA 4, ook bij de Italiaanse vertaaiafdeling: van de drie kandidaten kwam de oudste in rang niet in aanmerking omdat hij sinds acht jaar was gedetacheerd bij een politieke groepering; de gekozen kandidaat had inderdaad een hogere anciënniteit in de rang dan verzoeker.
Als men met Colussi aanneemt, dat de ambtenaren van de rang LA 4 die voor bevordering in aanmerking kwamen, nooit betrokken zijn geweest bij de beroepsopleiding van ambtenaren en stagiairs — een onderdeel van de aan de te bezetten posten verbonden taak —, kan over dit criterium inderdaad niet op basis van de beoordelingsrapporten van de kandidaten worden geoordeeld. Maar niet valt in te zien hoe men door middel van een intern vergelijkend onderzoek de kandidaten beter had kunnen selecteren naar hun geschiktheid voor deze bijzondere taken.
Volgens de rechtsspraak van het Hof (laatstelijk het arrest van 28 oktober 1982, Giannini), is het tot aanstelling bevoegd gezag gehouden allereerst na te gaan of in de vacature kan worden voorzien door middel van overplaatsing of bevordering. Pas in een later stadium doet zich de noodzaak van een intern vergelijkend onderzoek voor.
b)
Colussi stelt verder, dat de bij artikel 45 voorgeschreven onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten niet op juiste wijze is uitgevoerd: zijn eigen verdiensten of bekwaamheden legden meer gewicht in de schaal dan die van de geslaagde kandidaat, die niet aan de vereisten voldeed.
In het kader van het onderhavige beroep kan ik niet anders doen dan dit laatste punt geheel voor rekening van verzoeker laten. Wat de beoordeling van zijn verdiensten betreft, zij echter opgemerkt dat verzoeker, blijkens een van het dossier deel uitmakende nota van 8 oktober 1980 van het hoofd van de Italiaanse vertaalafdeling aan de directeur van de vertaaldienst, evenals zijn mededinger uitstekend was beoordeeld. Het was het hoofd van de afdeling bekend, dat verzoeker herhaaldelijk deel had uitgemaakt van jury's voor vergelijkende onderzoeken, waarin hij ook zelf zitting had gehad of die hij had voorgezeten. Nu Colussi zo verstandig was geweest hem op 3 september 1980 hieraan te herinneren, moest hij ook weten dat Colussi een graad had behaald in buitenlandse taaien letterkunde en in de rechtsgeleerdheid.
Bij gelijke capaciteiten kan en mag de leeftijd wel als subsidiair criterium dienen. In het arrest van 21 maart 1972 (zaak 78/71, Costacurta, Jurispr. 1972, blz. 163, r.o. 9) overwoog het Hof dat „de leeftijd een belangrijke factor kan zijn ter beoordeling van de kwaliteit en de arbeidsprestaties van de aan te werven ambtenaar.”
Daar in het bijzonder de beroepsopleiding van ambtenaren en stagiairs in de afdeling en de vervanging van het afdelingshoofd bij diens afwezigheid deel uitmaken van de functie, komt het mij niet volledig misplaatst voor om met de anciënniteit in de rang rekening te houden.
Gelet op het bovenstaande, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag een keuze gemaakt die het Hof in het algemeen niet aan een diepgaand onderzoek wenst te onderwerpen.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep en verwijzing van verzoeker in zijn eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy