CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 OKTOBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De bij het Bundesfinanzhof aanhangige procedure die tot de heden te bespreken prejudiciële vragen heeft geleid, gaat over de vraag of voor uit Australië geïmporteerd vlees van zogenoemde wilde buffels heffingen en monetair compenserende bedragen kunnen worden opgelegd.
Men moet hierbij het volgende weten.
In het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) in de versie van verordening nr. 950/68 (PB L 172 van 1968, blz. 1) vallen onder post 01.02 („levende runderen, buffels daaronder begrepen”) zowel „huisdieren” (onder A) als „andere” (onder B), hetgeen volgens de toelichtingen op het GDT wil zeggen „wilde runderen”. Onder post 02.01 („vlees en eetbare slachtafvallen, van dieren bedoeld bij de posten 01.02 tot en met 01.04 vers, gekoeld of bevroren”) viel aanvankelijk onder punt A II („vlees van runderen”) vlees van huisdieren sub a en ander rundvlees (sub b).
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (verordening nr. 805/68, (PB L 148 van 1968, blz. 24) gold aanvankelijk, voor zover thans van belang, enkel voor „eetbaar vlees van runderen, van huisdieren ...” (post 02.01 A II a). Post 02.01 A II b (vlees van runderen, ander) was daarentegen opgenomen in de bijlage bij verordening nr. 827/68 (PB L 151 van 1968, blz. 16) en viel daarmee onder de door die verordening geschapen bijzondere gemeenschappelijke marktordening voor bepaalde in bijlage II van het Verdrag vermelde produkten.
Op 14 februari 1977 werd vastgesteld verordening nr. 425/77 van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees en tot aanpassing van verordening (EEG) nr. 827/68 alsmede van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 61 van 1977, blz. 1). Daarbij werd artikel 1, lid 1, van verordening nr. 805/68, voor zover thans van belang, aldus gewijzigd, dat de gemeenschappelijke marktordening thans geldt voor „vlees van runderen” (posten 02.01 AII en 02.06 C Ia). Ingevolge artikel 9, lid 2, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij artikel 3 van verordening nr. 425/77, is onder meer op dergelijke produkten een heffing van toepassing. Post 02.01 A II werd bij artikel 5, sub 4, van verordening nr. 425/77 aldus gewijzigd, dat geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen vlees van huisrunderen en ander rundvlees, doch enkel nog wordt gesproken van „vlees van runderen”, met een onderverdeling in a), „vers of gekoeld” en b) „bevroren”. Tenslotte werden bij artikel 6 van verordening nr. 425/77 de op post 02.01 A II betrekking hebbende woorden „II van runderen: b) ander” in de bijlage bij verordening nr. 827/68 geschrapt.
In december 1977 liet verzoekster in het hoofdgeding uit Australië ingevoerde ontbeende, bevroren delen van voorvoeten en achtervoeten van wilde buffels, vallend onder post 02.01 A II b 4 bb 33 van het gemeenschappelijk douanetarief inklaren. Omdat genoemde post zowel voorkomt in de bijlage bij verordening nr. 2599/77 van de Commissie van 25 november 1977 tot vaststelling van de heffingen bij de invoer van bevroren rundvlees (PB L 302 van 1977, blz. 19), als in bijlage I, deel 3, van verordening nr. 938/77 van de Commissie van 29 april 1977 tot vaststelling van de monetair compenserende bedragen en van sommige koersen voor de toepassing daarvan (PB L 110 van 1977, blz. 6), werden daarop heffingen opgelegd en monetair compenserende bedragen geheven.
Volgens verzoekster was dit niet geoorloofd. Weliswaar konden volgens haar op de produkten bedoeld in artikel 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 805/68 zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77, heffingen worden toegepast en konden daarover overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 1380/75 (PB L 139 van 1975, blz. 37) monetair compenserende bedragen worden geheven, doch bij juiste lezing zou artikel 1 van verordening nr. 805/68 enkel betrekking hebben op vlees van huisrunderen en niet op vlees van wilde buffels. Dit zou in de eerste plaats volgen uit de bij verordening nr. 425/77 aan artikel 1 van verordening nr. 805/68 toegevoegde definitie van runderen, namelijk „levende runderen (huisdieren), andere dan fokdieren van zuiver ras, van onderverdeling 01.02 A II van het gemeenschappelijk douanetarief”. Een tweede argument zou zijn, dat in de considerans van verordening nr. 425/77 nergens wordt gezegd dat ook vlees van wilde buffels onder de gemeenschappelijke marktordening werd gebracht. Zou dit laatste echter moeten worden aangenomen, dan was verordening nr. 425/77 in zoverre ongeldig wegens gebrek aan motivering, dat wil zeggen wegens schending van artikel 190 EEG-Verdrag; de oude rechtstoestand, waarbij ondubbelzinnig vaststond dat enkel vlees van huisrunderen onder de marktordening voor rundvlees viel, zou dus in beide gevallen ongewijzigd zijn gebleven.
In de bezwaarschriftprocedure had zij. met dit standpunt even weinig succes als bij het Finanzgericht Hamburg. Dit laatste stelde in zijn vonnis van 7 november 1978 vast, dat de Commissie in de verordeningen op grond waarvan de heffingen en monetair compenserende bedragen waren geheven, volledig binnen de grenzen was gebleven van de bevoegdheid die de Raad haar had toegekend bij verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77, en bij verordening nr. 974/71 (PB L 106 van 1971, blz. 1) juncto verordening nr. 1380/75 (PB L 139 van 1975, blz. 37). Gelet op artikel 38, lid 3, juncto bijlage II EEG-Verdrag en op de omstandigheid dat vlees van
wilde buffels een substitutieprodukt is voor rundvlees, zou namelijk niet slechts moeten worden aangenomen, dat de marktordening voor rundvlees kon worden uitgebreid tot vlees van wilde buffels, maar ook dat dit bij verordening nr. 425/77 inderdaad was gebeurd. Hiervoor zou van belang zijn, dat thans in post 02.01 A II niet meer werd gesproken van „vlees van runderen (huisdieren)”, doch enkel nog van „vlees van runderen”, en dat — waar post 02.01 geldt voor vlees van dieren van de posten 01.01 tot en met 01.04 — wilde buffels volgens de toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief zonder meer onder post 01.02 vielen. Uit de nieuwe definitie van het begrip runderen in artikel 1 van verordening nr. 805/68 kon anderzijds niet worden afgeleid, dat enkel rundvlees van huisdieren onder de marktordening voor rundvlees viel; met deze bepaling zou men enkel duidelijk hebben willen maken dat overal waar elders in de verordening van runderen werd gesproken, bijvoorbeeld in artikel 10, enkel levende runderen (huisdieren) zijn bedoeld. Met betrekking tot verzoeksters twijfel aan de geldigheid van Verordening nr. 425/77 wegens het ontbreken van een motivering voor de uitbreiding van de werkingssfeer ervan, stelde het Finanzgericht, dat volgens de rechtspraak van het Hof de motiveringsplicht enkel inhoudt dat de situatie als geheel en de algemene doelstellingen worden vermeld en dus zeker niet de omstandigheden die juist tot de opneming van vlees van wilde buffels hebben geleid, en dat verder zonder meer viel aan te nemen dat de wetgever inderdaad de bedoeling had vlees van wilde buffels onder de marktordening te brengen.
Verzoekster stelde daarop beroep tot cassatie in bij het Bundesfinanzhof.
Dit gaf verzoekster aanvankelijk gelijk bij interlocutoire beschikking (Vorbescheid) van 7 mei 1981 en vernietigde het vonnis van het Finanzgericht Hamburg. Het Bundesfinanzhof geloofde namelijk niet, dat verordening nr. 425/77 enige wijziging had gebracht in de rechtstoestand zoals die onder verordening nr. 805/68 bestond en waarin enkel rundvlees van huisdieren onder de marktordening viel. In de motivering van verordening nr. 425/77 werd namelijk niet gesproken van een uitbreiding van de werkingssfeer van de marktordening tot vlees van andere runderen dan huisdieren; voor een dergelijke uitbreiding had ook geen duidelijke aanleiding bestaan, daar vlees van wilde buffels tot dan toe niet in grote hoeveelheden heffingvrij in de Gemeenschap was ingevoerd. En gezien de reeds genoemde wettelijke definitie van het begrip „runderen” in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 805/68, lag de conclusie voor de hand, dat ook enkel vlees van dergelijke runderen onder de marktordening viel, juist zoals bij levende runderen enkel de huisdieren en niet de wilde buffels binnen de werkingssfeer van de marktordening vielen.
Na een mondelinge behandeling — volgens het Duitse recht heeft een dergelijk „Vorbescheid” enkel kracht van arrest als geen van de betrokkenen een mondelinge behandeling verlangt — rezen bij het Bundesfinanzhof echter twijfels aan de juistheid van zijn oorspronkelijke standpunt. Het schorste daarom bij beschikking van 27 oktober 1981 de behandeling van de zaak en verzocht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1.
Beoogde verordening nr. 425/77 vlees van wilde buffels onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees te brengen?
2.
Zo ja, is verordening nr. 425/77 dan in zoverre ongeldig wegens schendingvan artikel 190 EEG-Verdrag?”
Mijn standpunt in deze is het volgende.
1.
De eerste vraag
Men kan deze vraag ook aldus formuleren: heeft verordening nr. 425/77 inderdaad geleid tot uitbreiding van de werkingssfeer van de marktordening voor rundvlees in die zin, dat deze ordening niet meer enkel vlees van huisrunderen omvat — zoals oorspronkelijk onder verordening nr. 805/68 —, doch vlees van runderen zonder meer, hetgeen op grond van de onderverdeling van post 01.02 en de toelichtingen daarop slechts kan betekenen, dat thans ook vlees van wilde buffels binnen de werkingssfeer van de marktordening valt.
Na alles wat hierover tijdens de procedure naar voren is gebracht, lijdt het voor mij geen twijfel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
a)
Van belang hierbij is in de eerste plaats een vergelijking met de oorspronkelijke tekst van artikel 1 van verordening nr. 805/68, die de werkingssfeer van de marktordening definieert.
Deze definitie noemt onder a) in de eerste plaats „levende runderen, huisdieren, andere dan fokdieren van zuiver ras”. Dit is ook na de vaststelling van verordening nr. 425/77 zo gebleven. In twee verdere posten was vroeger sprake van „eetbaar vlees van runderen, van huisdieren”, eerst als „vers, gekoeld of bevroren” (02.01 A II a) en vervolgens als „gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt” (02.06 C I a). Op dit punt heeft zich een wijziging voorgedaan; in verordening nr. 425/77 wordt namelijk niet meer gesproken van „runderen, huisdieren”, doch enkel nog van „runderen”.
Bedenkt men dat de eerste post ongewijzigd is gebleven, dan moet daaruit en uit het wegvallen van het woord „huisdieren” bij de twee andere posten worden geconcludeerd, dat die wijziging zeer bewust is aangebracht, en gezien het feit dat in post 01.02 onderscheiden wordt tussen runderen (huisdieren) en andere runderen — dat wil zeggen wilde runderen — kan de wijziging enkel zijn bedoeld om thans ook vlees van laatstgenoemde onder de ordening te brengen.
b)
Ook van belang is het verband tussen verordening nr. 805/68 en verordening nr. 827/68, de zogenoemde restverordening, die passende bepalingen bevat voor alle andere in bijlage II van het Verdrag vermelde produkten waarvoor geen bijzondere marktordeningen zijn vastgesteld. Door de vermelding van post 02.01 AII b in de bijlage bij de restverordening viel hieronder oorspronkelijk ook „vlees van runderen: ander”, hetgeen, gelet op het GDT, dat onder post 02.01 A II a vlees „van runderen, van huisdieren” vermeldt, slechts kon betekenen dat het hier ging om vlees van wilde runderen. Hieruit blijkt dat Ook voor dat produkt behoefte bestond aan een gemeenschapsregeling. Zoals ik aan het begin reeds opmerkte, zijn bij artikel 6 van verordening nr. 425/77 de- op post 02.01 A II betrekking hebbende woorden „II van runderen: b) ander” uit de bijlage bij verordening nr. 827/68 geschrapt; hiermee werd duidelijk gemaakt, dat dergelijke produkten niet meer binnen de werkingssfeer van verordening nr. 827/68 vielen.
Mede gelet op de omstandigheid dat op dit terrein kennelijk behoefte bestaat aan een regeling, en op de ruimere formulering die artikel 1 van verordening nr. 805/68 bij verordening nr. 425/77 heeft gekregen — „vlees van runderen” zonder meer —, kan dit slechts betekenen dat dergelijk vlees van andere runderen thans onder de marktordening voor rundvlees zelf valt.
c)
Tenslotte is nog van belang, dat post 02.01 AII bij artikel 5, sub 4, van verordening nr. 425/77 expliciet aldus is gewijzigd, dat thans enkel nog wordt gesproken van vlees van runderen en dus, anders dan onder de eind 1976 geldende versie van het GDT (PB L 314 van 1976, blz. 17), geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen vlees van runderen, huisdieren (02.01 A II a) en ander vlees van runderen (02.01 A IIb). Niet alleen de door verzoekster ingeroepen elfde overweging van verordening nr. 425/77 — waar wordt verklaard dat de wijziging van de regeling in de sector rundvlees een wijziging van de omschrijvingen van bepaalde goederen met zich meebrengt — vormt hiervoor een mogelijke verklaring, doch ook de omstandigheid dat wegens de wijziging van de werkingssfeer van de marktordening een aanpassing van het GDT geboden leek.
d)
Ook enige andere door verzoekster aangevoerde argumenten kunnen hieraan niet afdoen.
i)
Dit geldt voor de opmerking, dat in de overwegingen van verordening nr. 425/77 geen bijzondere motivering is te vinden voor juist deze uitbreiding van de werkingssfeer van de marktordening, terwijl wel wat wordt gezegd over een andere uitbreiding, namelijk die tot fokdieren van zuiver ras. Wanneer immers de analyse van de eigenlijke tekst van een regeling tot een bepaalde conclusie leidt, dan kan een eventueel motiveringsgebrek toch moeilijk de gevolgtrekking rechtvaardigen, dat de duidelijke consequenties in werkelijkheid niet gewild zijn.
ii)
Hetzelfde geldt voor de opmerking, dat bij levende dieren alles kennelijk bij het oude is gebleven, dat wil zeggen dat de marktordening niet tot levende wilde buffels is uitgebreid. Hieruit kan stellig niet worden afgeleid, dat voor vlees noodzakelijkerwijs hetzelfde heeft te gelden, vooral niet wanneer er redelijke gronden voor een differentiatie bestaan. In dit verband kan ten eerste worden opgemerkt, dat — zoals valt af te leiden uit het hierboven weergegeven vonnis — het reeds voor het Finanzgericht Hamburg duidelijk was, dat vlees van wilde buffels als vervangingsprodukt voor rundvlees is te beschouwen en dat het daarom voor de hand lag het onder de marktordening te brengen. Plausibel is ook wat de Commissie opmerkt, namelijk dat bij levende dieren de situatie niet enkel in zoverre anders ligt, dat wilde buffels gemakkelijk van huisdieren kunnen worden onderscheiden — hetgeen voor vlees uiteraard niet geldt —, doch dat er ook geen behoefte aan bestond ze onder de marktordening te brengen, aangezien de invoer van levende wilde dieren oneconomisch is en ze in de Gemeenschap zelf enkel in dierentuinen of circussen voorkomen.
iii)
Hetzelfde geldt tenslotte nog voor de door verzoekster aangehaalde definitie van het begrip „runderen”, die bij verordening nr. 425/77 in artikel 1, lid 2, sub a, van verordening nr. 805/68 is opgenomen. Ook al wordt hierin gezegd dat de definitie voor de verordening als geheel geldt, toch valt moeilijk aan te nemen dat ook artikel 1, lid 1, op gelijke wijze moet worden opgevat. Het zou toch wel vreemd zijn als verordening nr. 425/77 eerst in artikel 1, lid 1, sub a, een wijziging aanbrengt door het woord' „huisdieren” te schrappen, om vervolgens via de definitie van lid 2 juist dit element weer op te nemen in de omschrijving van de produkten. Indien de wetgever zoiets voor ogen had gestaan, had hij wel direct in artikel 1, lid 1, gesproken van „vlees van runderen, huisdieren”, en niet van vlees van runderen. Ook zal men moeten erkennen, dat de uitbreiding van de definitie van lid 2 tot lid I van artikel 1 niet zinvol is, omdat men dit lid dan zou moeten lezen als: „vlees van levende runderen (huisdieren)”. Men moet ervan uitgaan dat de definitie enkel voor de rest van de verordening van belang is en met name in samenhang met artikel 3 van verordening nr. 805/68 moet worden gelezen. Daar werd vroeger onderscheid gemaakt tussen kalveren en volwassen runderen, waarvoor verschillende oriëntatieprijzen en heffingen golden. Daar dit onderscheid — zoals in de zesde overweging van verordening nr. 425/77 wordt opgemerkt — dikwijls moeilijk was gebleken, werd het afgeschaft en werd de hierover ingevolge het vroegere artikel 3, lid 3, geldende definitie vervangen door de nieuwe definitie van artikel 1, lid 2.
2.
De tweede vraag
Nu uit de exegese van verordening nr. 425/77 is gebleken, dat hiermee inderdaad een uitbreiding van de werkingssfeer van de marktordening voor rundvlees, als bedoeld in de eerste vraag, tot stand is gekomen, moet nog worden onderzocht of verordening nr. 425/77 niet ongeldig moet worden geacht omdat zij hiervoor geen bijzondere motivering bevat en bijgevolg artikel 190 EEG-Verdrag schendt.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft erop gewezen, dat verordening nr. 425/77 een reeks verschillende maatregelen bevat en dat voor elk daarvan, ook voor de uitbreiding van de werkingssfeer tot fokdieren van zuiver ras, een bijzondere motivering is gegeven. Zowel voor de uitbreiding van de marktordening tot ander vlees dan dat van runderen (huisdieren) als zodanig, als voor de reden van een dergelijke uitbreiding mist men echter een dergelijke motivering.
Ook op dit punt kan ik verzoeksters opvatting niet delen.
Ik heb reeds laten zien, dat een tekstanalyse volstrekt duidelijk maakt, dat de werkingssfeer van de marktordening inderdaad is uitgebreid. Dit maakt — en daarmee kom ik tot het eerste element van verzoeksters redenering — de opneming van een bijzondere opmerking in de motivering, over het feit dat thans ook vlees van andere runderen dan van huisdieren onder de regeling valt, overbodig.
Met betrekking tot het waarom van de uitbreiding van de werkingssfeer van de marktordening, is het veelzeggend, dat het Finanzgericht in zijn vonnis op blz. 6 onderaan opmerkt, dat het ervan uitgaat dat vlees van wilde buffels een substitutieprodukt van rundvlees van huisdieren is en dat de opneming ervan in de marktordening voor rundvlees daarom voor de hand lag. Dit moet dus ook voor de betrokken economische kringen duidelijk zijn geweest. Men mocht aannemen dat een bijzondere toelichting voor hen — het gaat hier, zoals de Commissie heeft aangetoond, praktisch uitsluitend om verzoekster, die op dit terrein alleszins ervaring heeft — zonder meer overbodig was, en dit niet in de laatste plaats omdat de leidende gedachte indirect kan worden afgeleid uit de negende overweging van verordening nr. 425/77 — voorkoming van heffingvrije invoer van produkten die vlees van post 02.01 kunnen vervangen.
Overigens hebben de gemeenschapsorganen gelijk als zij zich, met een beroep op de rechtspraak over de motiveringsplicht, op het standpunt stellen, dat het ontbreken van een bijzondere, expliciete motivering voor het onderhavige punt niet zo ernstig kan worden geacht, dat het de nietigheid van de wettelijke regeling zou meebrengen. Volgens deze rechtspraak hangt de omvang van de motiveringsplicht inderdaad af van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder zij is vastgesteld (arresten van 11 januari 1973, zaak 13/72, Nederland t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 27,
en 14 januari 1981, zaak 819/79, Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1981, blz. 21). Verder kan volgens de rechtspraak bij verordeningen worden volstaan met een toelichting op de wezenlijke elementen van de maatregel en is een specifieke redengeving voor álle mogelijke detailpunten niet vereist (arrest van 12 juli 1979, zaak 166/78, Italië t. Raad, Jurispr. 1979, blz. 2575). Bovendien is in het arrest van 14 januari 1981 (zaak 35/80, Denkavit Nederland, Jurispr. 1981, blz. 45) uitgemaakt, dat de motivering van een verordening moet worden gezien in het kader van de gehele regeling, hetgeen volgens de Raad zo moet worden opgevat, dat het op de essentie van een regeling aankomt.
Van belang is dus, dat het hoofddoel van verordening nr. 425/77 bestond in een wijziging van de in titel II van verordening nr. 805/68 neergelegde regeling voor de handel met derde landen. Bovendien is het doel van de uitbreiding waar het hier om gaat, in de negende overweging van verordening nr. 425/77 ten minste aangeduid. Tenslotte kan als „omstandigheid” die in de zin van genoemde rechtspraak van belang is, het feit worden genoemd dat de onderhavige uitbreiding van de werkingssfeer van verordening nr. 805/68 economisch gezien van betrekkelijk gering belang is — in het „Vorbescheid” van het Bundesfinanzhof wordt opgemerkt, dat vlees van wilde buffels economisch gezien een quantité négligeable is — en dat, zoals de Commissie onder verwijzing naar de huidige praktijk (enkel produkten van oorsprong uit Australië worden erkend) heeft aangetoond, in de praktijk slechts één importeur, verzoekster, hierdoor wordt geraakt.
3.
Gezien dit resultaat, dat een duidelijke beslissing in het hoofdgeding mogelijk maakt, hoeft mijns inziens niet ook nog te worden ingegaan op het probleem dat de Commissie heeft aangeduid als een voorvraag die de gestelde vragen overbodig maakt, namelijk of het produkt in geding — vlees van Australische wilde buffels — niet hoe dan ook als „vlees van runderen (huisdieren)”, valt aan te merken, waarvoor ongeacht de draagwijdte van verordening nr. 425/77, heffingen en monetair compenserende bedragen gelden. In dit verband hebben de gemeenschapsorganen de stelling verdedigd, dat het zoölogisch geslacht van de dieren waarvan het vlees afkomstig is, beslissend is voor de tariefindeling; dit zou duidelijk blijken uit de tekst van het douanetarief in de andere talen en uit de toelichtingen daarop. Australische buffels nu zouden „runderen (huisdieren)” zijn, aangezien zij door de kolonisten als Aziatische huis- of waterbuffels het land zijn binnengebracht en pas later ten dele zijn verwilderd. Bovendien moest worden aangenomen, dat zij ten dele in extensieve veeteelt worden gehouden, terwijl ook van belang zou zijn, dat zij in ieder geval niet worden gejaagd, doch in abattoirs worden gedood.
Na de desbetreffende discussie in de onderhavige procedure — zoals bekend trekt verzoekster niet enkel het juridisch uitgangspunt van de Commissie in twijfel en haar bewering met betrekking tot het zoölogisch geslacht van de Australische buffel, doch stelt zij ook uitdrukkelijk, dat deze in werkelijkheid in groten getale als een res nullius in het wild leeft en dus een jaagbaar dier is, hetgeen van belang zou zijn voor het begrip „wild” (arrest van 12 december 1973, zaak 143/73; Otto Witt KG, Jurispr. 1973, biz. 1587) — begrijp ik heel goed dat dit gecompliceerde probleem door de verwijzende rechter niet op de voorgrond is geplaatst, ook al behoort het logisch wellicht wel op de eerste plaats.
Mocht het Hof echter bij de behandeling van de vragen tot een ander dan het door mij voorgestane resultaat komen — hetzij omdat het zou menen dat ook na de vaststelling van verordening nr. 425/77 enkel vlees van huisrunderen onder de werkingssfeer van de gemeenschappelijke marktordening valt, hetzij omdat het verordening nr. 425/77 voor wat de uitbreiding van de werkingssfeer van de gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees betreft, ongeldig zou achten wegens motiveringsgebreken —, dan zou stellig ook op deze aanvullende vraag moeten worden ingegaan. Het ingevoerde produkt kan immers slechts dan worden geacht te zijn vrijgesteld van heffingen en monetair compenserende bedragen, wanneer vaststaat dat het niet reeds onder de oorspronkelijke versie van verordening nr. 805/68 viel.
4.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
a)
Door verordening nr. 425/77 is ook vlees van runderen (buffels) die geen huisdieren zijn, onder de marktordening voor rundvlees gebracht.
b)
Niet kan worden aangenomen dat verordening nr. 425/77, voor zover zij voorziet in de onder a) vermelde uitbreiding, ongeldig is wegens schending van de motiveringsplicht.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy