CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN29 SEPTEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
U hebt thans te beslissen op een beroep tot schadevergoeding, door de Ente italiana di servizio sociale (hierna: EISS) ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen. De EISS beklaagt zich erover, dat hij een gedeelte van een financiering die op de begroting van het Europees Sociaal Fonds (ESF) was voorzien, niet heeft ontvangen, en vordert vergoeding van rentekosten die hij heeft moeten maken doordat betrokken bedrag niet tijdig is aangewend.
De feiten: de Italiaanse Republiek had bij de Commissie bijstand van het ESF aangevraagd voor de beroepsopleiding van „werknemers van beide geslachten in de leeftijdsgroep van 21 tot 45 jaar, die werkloos zijn of zich in een precaire arbeidssituatie bevinden.” Bij beschikking van 27 december 1973 willigde de Commissie deze aanvraag in, maar zij beperkte de groep van begunstigden tot „ongeveer 1150 werkloze jongeren uit de Mezzogiorno, die in het arbeidsleven gereïntegreerd zullen worden als sociaal werker of sociaal assistent in de Mezzogiorno of in streken met een groot aantal uit de Mezzogiorno geëmigreerde werknemers.” In de beschikking werd de EISS aangewezen als de voor de actie verantwoordelijke instantie en werd het totaal van de ÉSF-steun bepaald op LIT 1726207592. Gespreid over de jaren 1973 en 1974 vertegenwoordigde dit bedrag de helft van de begrote totale kosten; de andere 50 % zouden worden gedragen door het Italiaanse ministerie van Arbeid en door de sociale-zekerheidsfondsen.
Naderhand vroeg de Italiaanse regering, dat de verdeling van de bijstand over de twee genoemde begrotingsjaren zou worden gewijzigd, in verband met de vertraging die zich in de uitvoering van het programma had voorgedaan. Dit werd door de Commissie toegestaan bij haar beschikkingen van 30 december 1974 en 18 mei 1976; de eerste hiervan vermeldde echter niet het op de begroting 1973 opgevoerde bijstandbedrag, maar verdeelde enkel het aanvankelijk voor dat jaar voorziene gedeelte ervan over de jaren 1974 en 1975. Een controle ter plaatse, tussen 25 juni en 3 juli 1974 verricht door ambtenaren van de Commissie en van het ministerie van Arbeid, had namelijk aan het licht gebracht dat de acties die in 1973 waren uitgevoerd, geheel dan wel gedeeltelijk afweken van de voorwaarden van de beschikking waarbij de bijstand was toegezegd.
Daarbij was, zoals gezegd, bepaald dat de begunstigden „werkloze jongeren uit de Mezzogiorno” moesten zijn. Bij de controle bleek echter:
a)
tal van begunstigden waren al lang geen „jongeren” meer;
b)
anderen waren niet werkloos, want op grond van overeenkomsten met de EISS verleenden zij als sociaal assistent diensten tegen beloning bij de buitenkantoren van het ministerie van Arbeid, bij Alitalia en andere organisaties;
c)
weer anderen waren niet uit de Mezzogiorno afkomstig;
d)
aantal, inhoud en verloop van de opleidingscursussen waren niet in overeenstemming met het vastgestelde programma.
Bij brieven van 25 juli 1974 en 16 januari 1981 deed de Commissie de resultaten van de controle, vergezeld van toelichtingen, aan het ministerie van Arbeid toekomen.
Bij verzoekschrift van 5 december 1981 heeft de EISS beroep ingesteld bij het Hof en gevorderd dat de Commissie zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden a) doordat hij niet, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de beschikking van 27 december 1973, het bedrag heeft ontvangen dat hem als saldo vanaf april 1978 was verschuldigd; b) doordat hij, nu bedoeld bedrag niet voor zijn bestemming kon worden aangewend, een grote bankschuld heeft moeten aangaan, die tot verdere schade in de vorm van aanzienlijke rentelasten heeft geleid.
2.
Het lijkt mij wenselijk, eerst de regeling in herinnering te roepen betreffende de aanwending van bijstand van het ESF, zoals die ten tijde van de feiten bestond. De bronnen zijn het besluit van de Raad van 1 februari 1971 betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds (PB L 28 van 1971, blz. 15), de bijbehorende uitvoeringsverordening nr. 2396/71, verordening nr. 2397/71 betreffende de vormen van steun die in aanmerking kunnen komen voor bijstand van het Europees Sociaal Fonds (beide PB L 249 van 1972, blz. 54 en 58), en verordening nr. 858/72 betreffende een aantal administratieve en financiële bepalingen nopens de werkwijze van het Europees Sociaal Fonds (PB L 101 van 1972, blz. 3).
Kort gezegd, verloopt de procedure voor ESF-financiering als volgt: a) bijstandaanvragen worden door de Lid-Staten ingediend bij de Commissie; b) als deze meent dat de aanvraag in de doelstelling van het ESF past en prioriteit heeft, richt zij een beschikking tot de Lid-Staat, na het ESF-comité te hebben geraadpleegd. Deze beschikking is de parameter waaraan de acties moeten worden getoetst, en zij behelst een aantal verplichtingen voor de aanvragende Lid-Staat. Inzonderheid verbindt de Lid-Staat zich om ter dekking van de aan de acties verbonden kosten een even groot bedrag ter beschikking te stellen als zij aan de Commissie heeft gevraagd; om een documentatie over de acties aan te leggen en de juistheid van de daarin vervatte gegevens te controleren; om het ESF om uitbetaling van voorschotten en van het eindsaldo te vragen op basis van de voortgang van de acties; om mee te werken aan de controles die de Commissie verricht om vast te stellen of de uitgevoerde of nog lopende acties in overeenstemming zijn met de gestelde voorwaarden.
Uit dit alles volgt, dat de EISS, teneinde vergoeding voor de gemaakte kosten te verkrijgen, ervoor had moeten zorgen, dat de aan haar toevertrouwde acties in overeenstemming waren met de beschikkingen van de Commissie en de gemeenschapsregeling inzake ESF-bijstand. Anderzijds had op die overeenstemming controle kunnen worden uitgeoefend op grondslag van de door de Italiaanse regering aangelegde documentatie en door middel van verificaties ter plaatse.
3.
In zijn repliek verklaart de EISS, dat zijn beroep een actie tot schadevergoeding is in de zin van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag. Dat ontslaat ons van de plicht, een standpunt te bepalen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, die op de gedachte berustte dat het hier ging om een beroep wegens stilzitten als bedoeld in artikel 175 EEG-Verdrag.
De beginselen die de aansprakelijkheid van de gemeenschapsinstellingen beheersen, zijn door het Hof herhaaldelijk gepreciseerd. Wil er aansprakelijkheid zijn, aldus het Hof, dan moet het bewijs worden geleverd van: de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de realiteit van de schade, en het oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (laatstelijk arrest van 4. 3. 1980, zaak 49/79, Pool, Jurisprudentie 1980, blz. 569, r. o. 7).
De EISS nu stelt dat er schade is in re (werkelijke schade), omdat hij een gewettigde verwachting had, dat de op de begroting geplaatste bedragen hem zouden worden uitbetaald. De redenering waarmee hij tot de conclusie komt, dat het gedrag van de Commissie onrechtmatig was, is wat ingewikkelder. Bij de goedkeuring van de bijstandaanvragen die zij van de Lid-Staten ontvangt — aldus de EISS —, heeft de Commissie geen enkele discretionaire bevoegdheid; men kan dus zeggen dat de Commissie, wanneer zij die aanvragen inwilligt, ze onvoorwaardelijk accepteert en dat de projecten die de staten te zamen met die aanvragen voorleggen, tot een integrerend onderdeel van haar beschikkingen worden. Men leze maar wat dit betreft, de beschikking van 27 december 1973: het is evident dat de opmerkingen van de gemeenschapsambtenaren over de dooide EISS uitgevoerde acties niet gemotiveerd zijn. De EISS heeft zich immers strikt gehouden aan de opzet van het project dat de Italiaanse regering met haar aanvraag had voorgelegd. Het is integendeel de Commissie, die die aanvraag heeft goedgekeurd, die onrechtmatig handelde toen zij op grond van die opmerkingen het voorziene en op de begroting geplaatste bedrag verminderde.
Dit betoog lijkt mij volstrekt onhoudbaar. In de eerste plaats is het niet waar, dat de Commissie geen discretionaire bevoegdheid zou hebben bij het goedkeuren van de aanvragen van de Lid-Staten. Het tegendeel is waar, en voor het bewijs daarvan hoeft men maar te zien naar de regels betreffende de ESF-bijstand. Zoals wij zagen, ontleent de Commissie daaraan tal van bevoegdheden: nagaan of de gevraagde bijstand terechtkomt in een sector waarvoor het ESF competent is; beoordelen of de aanvraag verenigbaar is met de economische en sociale doelstellingen van de EEG; de aanvragen van de Lid-Staten geheel of gedeeltelijk goedkeuren; de voorwaarden vaststellen waaronder de bijstand wordt verleend. In casu staat het buiten kijf, dat de Italiaanse aanvraag slechts gedeeltelijk is geaccepteerd, want de Commissie heeft de zeer ruime categorie van personen die in de aanvraag was omschreven, teruggebracht tot „werkloze jongeren uit de Mezzogiorno.”
Met het wegvallen van de premisse waarop de EISS zijn redenering baseert, komen de daaruit getrokken conclusies in de lucht te hangen. Zo is de verwijzing naar de door de Lid-Staat voorgestelde projecten irrelevant, omdat uitsluitend de beschikking van de Commissie het referentiekader is — en kan zijn — voor iedere beoordeling van de opzet en inhoud van de uitgevoerde acties. Evenzo mist de opmerking, dat de ambtenaren van de Commissie de acties van de EISS „verkeerd” hebben beoordeeld, iedere grond.
Op dit laatste punt wordt de opvatting van de EISS trouwens uitdrukkelijk weerlegd door een juist dit punt betreffende aanwijzing in de wettelijke regeling. Met betrekking tot de controlebevoegdheid van de Commissie bepaalt voornoemde verordening nr. 858/72, dat de voor de verificatie ter plaatse gemachtigde ambtenaren kunnen nagaan: „a) of de administratieve werkwijzen in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften; b) of de nodige bewijsstukken voorhanden zijn en of deze in overeenstemming zijn met de door het Fonds gefinancierde activiteiten; c) op welke wijze de door het Fonds gefinancierde activiteiten worden uitgevoerd en geverifieerd” (artikel 5, lid 2). Volgens dezelfde verordening kan de Commissie de betaling van bijstand opschorten, indien bij controle onregelmatigheden aan de dag treden of een belangrijke wijziging in de aard of de opzet van de activiteit aan het licht komt (artikel 4, lid 3).
Vaststaat, dat het verschil tussen het op de begroting geplaatste bedrag en het bedrag dat daadwerkelijk aan de EISS is uitbetaald, enkel verband houdt met de bij de meermaals vermelde controle gebleken verschillen. Voor deze verschillen is de EISS als enige verantwoordelijk. Het verwijt dat de Commissie onrechtmatig zou hebben gehandeld, mist dus iedere grond.
4.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, het beroep, op 5 december 1981 tegen de Commissie ingesteld door de Ente Italiana di Servizio Sociale, te verwerpen en laatstgenoemde overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy