CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 23 FEBRUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Onder vigeur van beschikking nr. 1831/81 van 24 juni 1981 (PB L 180 van 1981, blz. 1 e.v.) ontving de firma Klöckner, die in zaak 244/81 haar quotatoewijzing voor het derde kwartaal van 1981 heeft aangevochten, overeenkomstige mededelingen voor het vierde kwartaal van 1981 en de twee eerste kwartalen van 1982.
Het gaat daarbij om de brief van 26 oktober 1981, die wat de voor het vierde kwartaal van 1981 geldende verminderingspercentages betreft, op beschikking nr. 2979/81 (PB L 298 van 1981, blz. 11) berustte, de brief van 4 december 1981 die op beschikking nr. 3328/81 (PB L 334 van 1981, blz. 34) voor het eerste kwartaal van 1982 berustte, alsook om de brief van 24 maart 1982, waaraan voor de verminderingspercentages beschikking nr. 532/82 (PB L 65 van 1982, blz. 5) ten grondslag gelegd was.
Ook deze besluiten werden bij beroepschriften van respectievelijk 8 december 1981, 15 januari 1982 en 28 april 1982 aan het Hof van Justitie voorgelegd.
In eerstgenoemde zaak (311/81) wordt geconcludeerd dat het den Hove behage:
1.
de beschikking van 26 oktober 1981 nietig te verklaren,
2.
subsidiair:
a)
de in die beschikking vastgelegde produktiequota nietig te verklaren, voor zover zij, wat de produktencategorieën Ia en Ib betreft, beneden bepaalde waarden blijven,
b)
de produktiequota nietig te verklaren, voor zover de produktie aantoonbaar voor derde landen bestemd is,
c)
de beschikking nietig te verklaren, voor zover daarin een gedeelte van de produktiequota is vastgelegd, dat op de markt van de Gemeenschap mag worden geleverd.
Analoge vorderingen zijn ingesteld in de zaken 30/82 en 136/82, behoudens dat de primaire vorderingen telkens op een andere beschikking betrekking hebben, terwijl sub 2a andere waarden zijn genoemd.
Ook in deze zaken acht de Commissie de sub 2 en 2b geformuleerde subsidiaire vorderingen niet-ontvankelijk en wenst zij de primaire vordering en de sub 2c geformuleerde subsidiaire vordering ongegrond te zien verklaard.
Ik meen in déze drie zaken als volgt mijn standpunt te moeten bepalen.
1.
De redengeving van de primaire vordering is dezelfde als in zaak 244/81.
Verzoekster komt ertegen op, dat de quotaregeling bij haar, naar zij stelt, dat daling van de werkgelegenheid beneden het in het artikel 58 EGKS-Verdrag voorgeschreven minimum heeft geleid, hetgeen haar na het in zaak 119/81 gewezen arrest (7 juli 1982, Klöckner, Jurispr. 1982) de grief deed voordragen dat er in de quotaregeling ten onrechte niet een clausule ter verhindering van een noodtoestand voorkomt, waardoor aan verzoekster het overleven zou zijn verzekerd. Voorts zou er van schending van wezenlijke vormvoorschriften mogen worden gesproken, omdat niet zou zijn gemotiveerd dat verzoekster bij beschikking nr. 1831/81 in een slechtere toestand mocht worden gebracht dan waarin zij sedert beschikking nr. 2794/80 verkeerde. Wij registreren verder de oude middelen dat de gevolgen van het in artikel 4, sub c, EGKS-Verdrag besloten liggende verbod van steunverlening niet in aanmerking zijn genomen, de export naar derde landen op ongeoorloofde wijze is beperkt en er op ontoelaatbare wijze leveringsquota voor de gemeenschappelijke markt zijn vastgesteld. Tenslotte voert verzoekster wederom aan, dat de toestemming van de Raad van Ministers voor beschikking nr. 1831/81 ontbreekt.
Ik behoef bij dit alles niet verder stil te staan, vooral niet nu ik in mijn conclusie in zaak 244/81 al bij voorbaat met de nuances en bijzonderheden van de onderhavige beroepen rekening heb gehouden. Onder verwijzing naar hetgeen ik in genoemde zaak heb betoogd, kom ik samenvattend tot de conclusie, dat enkel gegrond zijn te achten de grief dat de quotaregeling onvoldoende mogelijkheid biedt rekening te houden met noodsituaties, en het middel dat beschikking nr. 1831/81 geen genoegzame motivering bevat voor het feit dat ondernemingen die onder de vroegere regeling op bijzondere aanpassingen van hun referentieproduktiecijfers aanspraak konden maken, thans ongunstiger worden behandeld, terwijl men voorts van mening kan zijn dat deze laatste consequentie van de nieuwe regeling noodzakelijk niet gerechtvaardigd is.
Ook in deze drie zaken moet de primaire vordering dus worden toegewezen, hetgeen wil zeggen dat de tot verzoekster gerichte quotamededelingen moeten worden nietigverklaard, omdat beschikking nr. 1831/81 ze rechtens niet kan dragen.
2.
In de zaken 30/82 en 136/82 is voorts, voor het eerst bij repliek, in samenhang met het sub 1 gevorderde betoogd, dat de Commissie aan artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 juncto artikel 6, lid 1, sub b, van beschikking nr. 1831/81 een onjuiste toepassing zou hebben gegeven en wel door voor de jaren 1977-1979, wat verzoekster betreft, van een te geringe capaciteit uit te gaan, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat de referentieproduktiecijfers, langs de weg van toepassing van de aanpassingsregel van artikel 4, sub 3, niet voldoende zijn verhoogd. Zou de Commissie voor verzoeksters walsstraat II te Bremen van de juiste capaciteit van 459000 ton per maand zijn uitgegaan, dan had zij verzoekster in het kader van beschikking nr. 2794/80 hogere produktiequota moeten toekennen, hetgeen bij de berekening van het rekenkundig gemiddelde van artikel 6 van beschikking nr. 1831/81 dan weer tot voor haar gunstiger uitkomsten had moeten leiden; in mijn conclusie in zaak 244/81 heb ik die regeling uitvoerig besproken.
Ik ben er niet zeker van of verzoekster deze grief na het arrest in zaak 119/81, dat na haar laatste memorie werd gewezen, wenst te handhaven. Het lijkt mij twijfelachtig, vooral omdat zij er tijdens de mondelinge behandeling niet meer over heeft gesproken.
Hoe dan ook, het is niet moeilijk te be-, wijzen dat hetgeen verzoekster te dezen betoogde, geen nadere grond tot nietigverklaring oplevert.
Terecht heeft de Commissie erop gewezen dat het, wat artikel 6 van beschikking nr. 1831/81 betreft, alleen aankomt op de produktiequota voor het vierde kwartaal van 1980 en het eerste kwartaal van 1981, alsook dat de desbetreffende mededelingen, wat de toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 betreft, door verzoekster niet zijn aangevochten. De Commissie kon dus van de destijds vastgelegde waarden uitgaan, en het gaat — bij individuele beschikkingen — niet aan daarop terug te komen nadat de beroepstermijnen zijn verstreken. Van belang is ook dat een desbetreffende grief — met betrekking tot het tweede kwartaal van 1981 — reeds in zaak 119/81 is voorgedragen en dat het Hof daaromtrent heeft beslist dat er van een onjuiste toepassing van artikel 4, sub 3, van beschikking nr. 2794/80 — wegens onjuiste vaststelling van verzoeksters capaciteit over de jaren 1977-1979 — geen sprake was. Van nieuwe feiten of bewijsmateriaal is in zoverre ook thans niet gebleken; veeleer beroept verzoekster zich in hoofdzaak op stukken die reeds in zaak 119/81 zijn overgelegd. Waar die stukken destijds al niet vermochten te staven dat verzoeksters capaciteit in de jaren 1977-1979 hoger moest worden aangeslagen, valt bezwaarlijk aan te nemen dat het Hof met betrekking tot dat tijdvak thans tot een ander oordeel zou komen.
Aan vorenstaande overwegingen zou in dit verband hoogstens nog het volgende kunnen worden toegevoegd: mocht het Hof mijn opvatting in zaak 303/81 tot de zijne maken en uitspreken dat verzoekster bij juiste toepassing van artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 in het eerste kwartaal van 1981 recht op een hoger produktiequotum had gehad, dan zouden daaraan tenminste gevolgen moeten worden verbonden in het kader van artikel 6 van beschikking nr. 1831/81, waarin het immers om alle toegestane aanpassingen gaat; derhalve zouden de haar volgens beschikking nr. 1831/81 toekomende quota opnieuw moeten worden berekend.
3.
In de onderhavige zaken kan ik ook voor de subsidiaire vorderingen — die, van de cijfers afgezien, met de subsidiaire vorderingen 2a, c, en d in zaak 244/81 overeenkomen — zonder meer naar mijn in laatstgenoemde zaak genomen conclusie verwijzen. Het mag er derhalve enerzijds voor, worden gehouden dat subsidiaire vordering 2a na wijziging van de redengeving niet is gehandhaafd, terwijl anderzijds dient te worden vastgesteld dat de subsidiaire vorderingen 2b en c in geen geval gegrond zijn.
4.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging, ook de beroepen in de zaken 311/81, 30/82 en 136/82 toe te wijzen, de tot verzoekster gerichte quotabeschikkingen voor het vierde kwartaal 1981 en de twee eerste kwartalen van 1982 nietig te verklaren en de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uil het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy