CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 15 JULI 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op het verzoek van Howe & Bainbridge BV om een verbindend tariferingsadvies voor goederen die zij voornemens was in Duitsland in te voeren, deelde de Oberfinanzdirektion Frankfurt am Main bij beschikking van 22 mei 1975 de goederen in onder post 51.04 A, „weefsels van synthetische continuvezels”. De vennootschap bracht hiertegen in, dat zij moesten worden ingedeeld onder post 59.08, „weefsels, geïmpregneerd met, voorzien van een deklaag van of bekleed met cellulosederivaten of andere kunstmatige plastische stoffen, alsmede weefsels met inlagen van deze stoffen”.
Na afwijzing van haar bezwaar bracht de vennootschap het geschil voor het Bundesfinanzhof. In het middelpunt van de discussie staat de juiste uitlegging van aantekening 2.A.a bij hoofdstuk 59 van het gemeenschappelijk douanetarif, waarmee, gelijk algemeen erkend, rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van de tariefpost. Volgens die aantekening worden onder post 59.08 niet ingedeeld „weefsels waarvan de impregnering, de deklaag of de bekleding niet met het blote oog kan worden waargenomen (in het algemeen hoofdstukken 50 tot en met 58 of hoofdstuk 60); voor de toepassing van deze bepaling worden de door de bedoelde bewerkingen veroorzaakte kleurveranderingen buiten beschouwing gelaten.” Ten overvloede wijs ik erop, dat volgens de Franse versie van die aantekening niet onder post 59.08 worden ingedeeld goederen waarvan de impregnering, de deklaag of de bekleding „ne sont pas perceptibles à l'œil nu”.
Het Bundesfinanzhof verzoekt het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een beslissing over de juiste uitlegging van deze aantekening. Met name wil het het volgende weten: a) moet worden uitgegaan van de waarneming van een willekeurig beoordelaar, van de gemiddelde of van een bijzonder ervaren douanebeambte of van een deskundige; b) betekend de uitdrukking „niet met het blote oog waarneembaar” dat enkel een vlak op een onderlaag uitgespreid stuk weefsel visueel moet worden beoordeeld, of laat zij ook het gebruik toe van andere, indirecte visuele methoden waarmee kan worden vastgesteld dat de stijfheid van het weefsel het gevolg is van impregneren, bedekken of bekleden (bijvoorbeeld het feit dat de snijranden niet rafelen of dat kreuken niet verdwijnen); en c) wanneer het aankomt op het waarnemingsvermogen van een willekeurige beoordelaar of van een douanebeambte met weinig ervaring, is de aantekening dan geldig „voor zover zij genoemde personen voor nauwelijks oplosbare indelingsproblemen stelt”.
Eerdere versies ván de aantekeningen, die gebaseerd zijn op de aantekeningen bij hoofdstuk 59 van de IDR-nomenclatuur sloten van de post uit de goederen waarvan de impregnering „niet zichtbaar” was, wat volgens het IDR-Comité voor de nomenclatuur betekende „niet zichtbaar met het blote oog” (zie bijlage E bij stuk 13.810E, NC/17/Noy/66, opgenomen in het dossier). De huidige formulering, „niet met het blote oog [waarneembaar]” is, toen zij in de aantekeningen werd opgenomen, door het IDR-comité voor de nomenclatuur geïnterpreteerd — en wel „strikt” — in de zin van onmiddellijke waarneming bij het inspecteren van het weefseloppervlak. Het feit dat een onzichtbare deklaag het materiaal een zekere stijfheid had gegeven, volstond niet om het onder de post in te delen.
Ter terechtzitting heeft verzoekster in het hoofdgeding gesteld, dat deze uitdrukking in de context waarin zij is geplaatst, zoveel mogelijk haar gewone en natuurlijke betekenis moet krijgen, maar zo alle in aanmerking genomen overwegingen in een andere richting zouden wijzen, dat er dan een andere betekenis aan moet worden gegeven. Verzoekster is van mening dat de uitdrukking hier haar gewone letterlijke betekenis niet kan hebben. Een groot deel van de inwoners van de EEG, en dus ook van de douanebeambten, is brildrager, zodat bij een letterlijke uitlegging, deze personen het onderzoek niet zouden kunnen verrichten. Bovendien, om het materiaal te kunnen inspecteren, is het nodig het uit te pakken en af te rollen. Zou men op de letter van de aantekening afgaan, dan zou dus enkel de buitenverpakking bekeken kunnen worden.
Zij vervolgt dan dat, daar men het produkt moet aanraken alvorens het te kunnen bekijken, de woorden wel een andere betekenis moeten hebben. Daarom moet het de douanebeambte zijn toegestaan het materiaal niet enkel met het blote oog te bekijken, maar al zijn zintuigen te gebruiken — zoals tast — en smaakzin — en het tegen het licht te houden.
Mijns inziens moeten de woorden „niet met het blote oog waarneembaar” in deze context hun natuurlijke en gewone betekenis krijgen, en deze betekenis lijkt mij volstrekt duidelijk. Wil het goed onder de post vallen, dan dient de impregnering of de deklaag met het blote oog te kunnen worden waargenomen. Wanneer de deklaag zelf niet waarneembaar is, dan is het naar mijn mening niet voldoende dat het materiaal er stijf uitziet, of dat het, indien gesneden of om een cylinder gerold, kenmerken vertoont die erop wijzen dat het inderdaad geïmpregneerd of van een deklaag voorzien is. Het volstaat niet dat men na bekijken of betasten van het materiaal kan concluderen dat er een — niet-waarneembare — deklaag op is aangebracht. Mijns inziens doelen de gebezigde woorden op een eenvoudige test, met uitsluiting van chemische of technische analyses. Ik ben geneigd mij aan te sluiten bij het standpunt van de Commissie, dat wanneer die eenvoudige test negatief uitvalt, de goederen niet onder de post vallen, ook al zijn zij feitelijk wel geïmpregneerd of voorzien van een deklaag.
Ik kan mij niet verenigen met de opvatting dat wanneer bekend is dat in het materiaal een deklaag is verwerkt, men andere tests dient te verrichten dan de eenvoudige beoordeling met het blote oog. De tekst is duidelijk: enkel het blote oog mag worden gebruikt. En bedoeld wordt hier het blote oog van iemand die zonder bril op normale gezichtsafstand kan zien. Indien dus de met het onderzoek belaste persoon een bril nodig heeft om op de normale gezichtsafstand te zien, dan mag hij die bril bij het bekijken van de goederen dragen. De gebruikte uitdrukking verbiedt mijns inziens niet daarbij een bril te dragen. De beambte of de persoon die het onderzoek verricht, mag evenwel geen gebruik maken van een vergrootglas of van een ander wetenschappelijk of technisch instrument. Ik verwerp het vernuftige argument, dat van alle zintuigen gebruik kan worden gemaakt omdat het materiaal moet worden aangeraakt om het te kunnen afrollen en onderzoeken. Wat bedoeld wordt is duidelijk genoeg: wanneer het materiaal eenmaal zichtbaar is gemaakt voor de inspectie, dan dient daarbij enkel het blote oog te worden gebruikt.
Verzoekster gaat er kennelijk van uit dat hier niet de waarneming van een willekeurig beoordelaar is bedoeld. En terecht. Het gaat om de waarneming van een douanebeambte, en wel de waarneming met het blote oog van een douanebeambte die door zijn meerderen (die verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de invoerrechten) te goeder trouw wordt beschouwd als redelijk bekwaam en voldoende ervaren om te kunnen beslissen welke post van toepassing is. Hij behoeft geen echte deskundige op het gebied van plastic coatings te zijn, maar het mag ook geen man zijn zonder enige ervaring. Gezien de aard van het eenvoudige visuele onderzoek dat wordt vereist, en ook al kunnen er grensgevallen zijn, kan ik niet aannemen dat deze uitlegging tot onoplosbare tariferingsproblemen leidt of moeilijkheden veroorzaakt die de ongeldigheid van de aantekening zouden kunnen meebrengen. In zoverre kan ik het eens zijn met het betoog van de Raad, dat ook al zouden er zich moeilijkheden voordoen, deze op zichzelf de aantekening niet ongeldig maken. Wanneer het inderdaad gaat om een zo eenvoudige beoordeling als ik denk, dan kan ik niet geloven dat die moeilijkheden de omvang hebben die de verwijzende rechter op het oog lijkt te hebben.
Mitsdien concludeer ik dat de gestelde vraag worde beantwoord in die zin, dat voor indeling onder post 59.08 is vereist dat het produkt is voorzien van een impregnering, een deklaag of een bekleding die een redelijk bekwaam en ervaren douanebeambte met het blote oog kan waarnemen, eventueel met behulp van een bril om op normale gezichtsafstand te kunnen zien, en dat aantekening 2.A.a bij hoofdstuk 59 van het gemeenschappelijk douanetarief geldig is.
( 1 ) Vertaald uil het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy