CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCIN
van 1 april 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Op 28 december 1981 stelden negen bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) te Ispra (Italië) tewerkgestelde ambtenaren beroep in bij het Hof (zaak 323/81) tot nietigverklaring van de salarisafrekeningen over februari en maart 1981, die de Commissie had vastgesteld overeenkomstig verordening (EEG) nr. 397/81 van 10 februari 1981 (PB 1981, L 46, blz. 1). J. Amesz, R. Bauch, J. Flamm, H. Hoffmann, H. Knoeppel, H. Nijman, Α. Birke, Η. Henrichs en Β. Weckermann betoogden, dat de Raad bij de aanpassing van de salaristabellen en de andere onderdelen van de bezoldiging de aanpassingscoëfficiënten voor Italië had vastgesteld zonder rekening te houden met de in oktober 1980 geconstateerde prijsstijgingen en met het aanzienlijke verschil tussen de kosten van levensonderhoud in de provincie Varese en te Rome. Derhalve verzochten zij het Hof: a) te verklaren voor recht, dat zij ten minste sedert 1 juli 1980 aanspraak hebben op een salaris dat is aangepast aan de koopkracht in de provincie Varese, en b) de Commissie te veroordelen om hun het verschil in salaris, vermeerderd met rente, te betalen.
Bij beschikking van 20 januari 1982 besloot de president van de Tweede kamer met instemming van partijen, de procedure sine die te schorsen totdat de Eerste kamer arrest zou hebben gewezen in twee overeenkomstige zaken, die twee jaar eerder door zeven van genoemde ambtenaren aanhangig waren gemaakt (zaak 543/79, Birke/Commissie, en gevoegde zaken 532, 534, 567, 618 en 660/79, Amesz e. a./Commissie).
Daarmee begon het lange wachten. Op 15 december 1982 besliste het Hof in twee tussenarresten (Jurispr. 1982, blz. 4425 e. v.): „Verordening nr. 3087/78 [op basis waarvan de bestreden salarisafrekeningen waren vastgesteld] is niet toepasselijk, voor zover daarin niet de kosten van levensonderhoud te Varese in aanmerking zijn genomen en aan de aanpassing van de aanpassingscoëfficiënt slechts tot 1 januari 1978 terugwerkende kracht is toegekend. De Commissie zal het Hof verslag uitbrengen over de maatregelen die ter uitvoering van dit arrest zijn genomen.” De Commissie voldeed in februari 1984 aan deze opdracht, door het Hof mee te delen dat de Raad bij verordening nr. 3681/83 van 19 december 1983 (PB 1983, L 368, blz. 1) de aanpassingscoëfficiënten voor de bezoldigingen van de ambtenaren in Italië met uitzondering van Varese enerzijds en van de te Varese werkzame ambtenaren anderzijds met ingang van 1 januari 1976 had gewijzigd. Op basis van deze regeling had de Commissie aan alle verzoekers de hun toekomende bedragen aan achterstallig salaris uitbetaald.
De betrokken ambtenaren namen echter geen genoegen met deze nabetaling. Zij stelden, dat zij daarnaast recht hadden op vergoeding van, in de eerste plaats, de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de late aanpassing van de aanpassingscoëfficiënt, en, in de tweede plaats, de schade die het gevolg is van de waardevermindering van de Italiaanse lire tot het moment waarop het achterstallig salaris was uitbetaald (hierover meer in mijn conclusie van 11 december 1984 in zaak 158/79, Jurispr. 1985, blz. 39). In de eindarresten (15 januari 1985, Jurispr. 1985, blz. 55) werd slechts één dezer vorderingen toegewezen. De Commissie werd namelijk veroordeeld, „over het bedrag van het achterstallig salaris dat zij ter uitvoering van verordening nr. 3681/83 heeft uitbetaald, moratoire interessen op de voet van 6% ,s jaars te betalen”. Daarentegen werd de vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van de waardevermindering, als „nieuwe” vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2.
Ofschoon men redelijkerwijs had mogen verwachten dat deze arresten voor de verzoekers van 1981 aanleiding zouden zijn om ook een punt achter zaak 323/81 te zetten, gebeurde dat niet. Bij memorie van 19 juni 1985 deelden zij het Hof mee, dat zij hun beroep wensten te handhaven. Weliswaar was goeddeels aan hun vorderingen voldaan, doch er waren nog enkele strijdpunten overgebleven. In de schriftelijke procedure werden deze punten toegelicht als volgt:
a)
in tegenstelling tot de overige verzoekers zijn de verzoekers Henrichs en Weckermann geen partij bij de door genoemde arresten beslechte zaken en hebben zij derhalve recht op betaling van moratoire interessen vanaf de datum van indiening van de klacht;
b)
in die arresten is het vraagstuk van de aanpassingscoëfficiënten voor Italië slechts gedeeltelijk opgelost. Na de vaststelling van verordening nr. 3681/83 moet nog worden bepaald, volgens welke methode de aanpassingscoëfficiënt voor de provincie Varese in het kader van het vijfjaarlijks onderzoek moet worden aangepast;
c)
de door de waardevermindering van de lire veroorzaakte schade is tot dusver niet vergoed;
d)
de door het Hof in de arresten van 15 januari 1985 op 6% vastgestelde rentevoet kan niet ook gelden voor de rente die na dat onderzoek moet worden betaald. Deze rente, met inbegrip van de compensatoire interessen, zou dus niet moeten lopen vanaf de dag waarop de klacht is ingediend, maar vanaf het tijdstip waarop het recht ontstond;
e)
de Commissie dient in ieder geval de kosten van de gehele procedure te betalen.
3.
Het beroep kan niet worden toegewezen, Met betrekking tot punt a heeft de Commissie verklaard, dat zij moratoire interessen heeft betaald aan alle ambtenaren die in 1979 beroep hebben ingesteld. Henrichs en Weckermann waren weliswaar niet rechtstreeks betrokken bij de arresten van 15 januari 1985, doch zij hadden geklaagd over de salarisafrekeningen over dat jaar in de zaken 594 en 719/79 (waarvan zij in hun brief van 12.3.1986 zelf hebben verklaard dat zij „afgedaan” waren) en zijn uit dien hoofde schadeloos gesteld. Hun vorderingen tot nietigverklaring van de salarisafrekeningen over februari ert maart 1981, tot betaling van achterstallig salaris en rente daarover, zijn derhalve zonder voorwerp geraakt.
Met betrekking tot het vijfjaarlijks onderzoek van de aanpassingscoëfficiënten (punt b) wijst de Commissie er terecht op, dat de negen ambtenaren geen belang hebben bij een uitspraak van het Hof over een nog niet verrichte handeling. Daar komt bij, dat dat onderzoek niet betrekking heeft op de door verzoekers bestreden verordening nr. 397/81; deze noemt namelijk als referentiedatum 1 juli 1980, terwijl het onderzoek de periode vanaf 1 januari 1981 betreft. Ook in zoverre is de vordering derhalve zonder voorwerp.
Hetzelfde geldt met betrekking tot punt d. Verzoekers' vordering met betrekking tot het tijdstip met ingang waarvan moratoire interessen verschuldigd zijn, lijkt mij in beginsel gerechtvaardigd; maar evenals de vordering om een ander percentage vast te stellen, heeft zij betrekking op bedragen die in concreto niet kunnen worden berekend, aangezien een verordening waarin het onderzoek wordt geregeld, ontbreekt. Wat ten slotte de compensatoire interessen betreft (punt c), kan worden volstaan met de vaststelling, dat de desbetreffende vordering eerst in repliek is ingesteld; krachtens artikel 19 van het Statuut en artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering is zij derhalve niet-ontvankelijk.
4.
Mitsdien geef ik in overweging, het beroep van J. Amesz, R. Bauch, J. Flamm, H. Hoffmann, H. Knoeppel, H. Nijman, A. Birke, H. Henrichs en B. Weckermann van 28 december 1981 te verwerpen, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten overeenkomstig artikel 70, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy