CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 19 MEI 1983
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
In onderhavige zaak wordt opnieuw een aantal vragen in verband met een bevorderingsprocedure aan U voorgelegd. Ditmaal gaat het om een vacaturemededeling voor een zevental posten van hoofdvertaler in de rang LA 5/4 in de Deense vertaalsectie bij de Commissie. Zowel verzoekers als de overige in deze zaak genoemden zijn ¡n die sectie werkzaam vanaf 1974, met een verschil van enkele maanden. Verzoekers kandidatuur werd, met nog andere, door de Commissie afgewezen, terwijl onder anderen mevrouw T. Bye Rasmussen en de heer A. Rasmussen werden bevorderd tot de vermelde vacante posten.
Verzoekers concluderen tot vernietiging van de door de Commissie per brief van 3 april 1981 medegedeelde afwijzing van hun verzoek om benoeming tot hoofdvertaler ingevolge de vacaturemededeling (COM/1134-1140/80). Voorts verzoeken zij U te gelasten hen tot hoofdvertalers met anciënniteit vanaf 1 maart 1981 te benoemen, ofwel na instelling van twee nieuwe vaste ambten van hoofdvertaler, ofwel na annulering van de benoeming van T. Bye Rasmussen en A. Rasmussen. Daar het gemeenschapsrecht niet in een dergelijke injunctiemogelijkheid voorziet, dient dit tweede verzoek niet ontvankelijk te worden geacht. Ik ga derhalve in het vervolg van mijn conclusie uitsluitend in op het eerste verzoek.
De voornaamste middelen van verzoekers komen op het volgende neer:
Mevrouw T. Bye Rasmussen voldoet niet aan de voorwaarden van de mededeling van de vacature aangezien haar opleiding niet gelijk te stellen is met een opleiding op universitair niveau, afgesloten met een diploma of een overeenkomstige beroepservaring.
De heer A. Rasmussen voldoet niet aan de tweede voorwaarde van de vacaturemededeling aangezien hij pas recentelijk een academisch diploma heeft behaald en dus geen langdurige beroepservaring daarna kan hebben verworven.
Tenslotte menen verzoekers dat zij op die posten benoemd hadden moeten worden, aangezien zij aan de vereisten van de vacaturemededeling voldoen en geschikter zijn dan de hiervoor genoemde benoemden omdat zij, gelet op hun opleidingsniveau, beter gekwalificeerd zijn.
Voor de feiten en het verloop van de procedure verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
2. De vacaturemededeling
De relevante vereisten van de vacaturemededeling (COM/1134-1140/80) luiden als volgt:
„—
kennis op universitair niveau afgesloten met een diploma of gelijkwaardige beroepservaring;
—
lange ervaring met vertaalwerk; ervaring met revisiewerk.”
Gebleken is, dat zich 13 kandidaten voor de zeven vacatures hebben gemeld, waaronder verzoekers, mevrouy T. Bye Rasmussen en de heer A. Rasmussen. Deze laatsten zijn op 1 maart 1981 in de rang LA 5 bevorderd en op de vacante posten geplaatst. De verzoekers werden, als vermeld, daarentegen afgewezen.
3. Beoordeling van de zaak
Als aangegeven, komt het eerste middel neer op de stelling dat mevrouw Bye Rasmussen niet voldoet aan het eerste vereiste van de vacaturemededeling, aangezien zij niet over een academische titel beschikt. De heer Rasmussen zou niet aan het tweede vereiste voldoen.
Ik moet U bekennen, dat ik de stelling van verzoekers maar moeilijk kan volgen. Bij een eerste lezing van de vacaturemededeling is toch reeds duidelijk, dat het daar gaat om een academische titel „of” een gelijkwaardige beroepservaring. De vereisten zijn dus alternatief gesteld.
Ingeval verzoekers er op uit zijn de vereisten van de vacaturemededeling als zodanig aan te vechten met de stelling, dat een dergelijke vacature slechts bezet dient te worden door ambtenaren met een academisch diploma, aangezien deze beter gekwalificeerd zijn dan diegenen die slechts op beroepservaring kunnen steunen, dient een dergelijk argument met verwijzing naar artikel 5, leden 1 en 2 van het Statuut, resoluut van de hand te worden gewezen. In lid 1, tweede alinea, wordt uitdrukkelijk gesteld, dat voor A-functies en, gelet op lid 2, ook voor LA-functies, „kennis op universitair niveau of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is”. Uit de arresten Orlandi, zaak 117/78 (Jurispr. 1979, blz. 1619) en Szemerey, zaak 178/78 (Jurispr. 1979, blz. 2861) volgt dat het gestelde in artikel 5 als minimumvoorwaarde begrepen dient te worden. Zoals ik in mijn conclusie van 24 maart jongstleden in de zaak Lipman, 143/82 (nog niet gepubliceerd) heb gesteld, dient het dienstbelang het algemene richtsnoer te vormen voor de vraag welke vereisten in de vacaturemededeling daadwerkelijk kunnen worden gesteld. Vanzelfsprekend komt het tot aanstelling bevoegde gezag hier een ruime discretionaire bevoegdheid toe.
4. Het eerste middel
Wat betreft het eerste middel dient in de eerste plaats gewezen te worden op 's-Hofs vaste rechtspraak dat „het tot aanstelling bevoegde gezag een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het vergelijken van de verdiensten der kandidaten en dat er slechts in geval van kennelijke dwaling sprake kan zijn van toetsing van zijn oordeel dat een kandidaat voldoet aan de in de kennisgeving van de vacature gestelde voorwaarden” (zaak 151/80, De Hoe, Jurispr. 1981, blz. 3173, overweging 9). In de geciteerde zaak ging het ook om een beroep waarin gesteld werd dat de ambtenaar die was benoemd niet aan één van de in de kennisgeving van de vacature gestelde voorwaarden voldeed.
Gelet op deze rechtspraak lijkt het me juist, dat U het middel van verzoeker niet a priori verwerpt, zoals de Commissie heeft voorgesteld. Het beweerde nietvoldoen aan de vereisten van de kennisgeving zou immers op een kennelijke dwaling kunnen wijzen.
Ik meen echter, dat het middel inderdaad moet worden verworpen. Hiervoor is naar mijn mening niet nodig, dat U de informatie die door verzoekers in de schriftelijke, maar ook in de mondelinge procedure is verschaft over de waarde van de verschillende Deense opleidingen, nader bestudeert. Bedacht dient namelijk te worden, dat mevrouw Bye Rasmussen en de heer Rasmussen reeds sinds 1974 als vertaler werkzaam zijn op de Deense vertaalafdeling van de Commissie. Aangesteld in de rang LA 7, werden zij in 1978 bevorderd tot LA 6. Op het moment van aanstelling werd hun praktijkervaring blijkbaar gelijkgesteld met een academisch diploma, zoals gerechtvaardigd door artikel 5 van het Statuut. Het staat namelijk vast, dat zij toen niet over een academisch diploma beschikten.
Het gaat niet aan om 7 jaar later te stellen dat het niveau van hun beroepservaring niet gelijk zou staan aan een academisch niveau, terwijl zij sinds die tijd vertaalwerk van het vereiste niveau hebben verricht. In dit verband verwijs ik naar de zaken 18 en 19/64, Alvino e.a. (Jurispr. 1965, blz. 851), waarin gesteld werd dat het feit dat ambtenaren die geen academisch diploma hebben, maar werkzaamheden van categorie A uitvoeren, op zichzelf reeds bewijst dat deze ambtenaren over een beroepservaring beschikken, welke gelijk staat met een academisch diploma. Het vereiste van de vacaturemededeling is dan ook niet geschonden op dit punt.
5. Het tweede middel
Op dezelfde grond dient ook het volgende middel ten opzichte van de heer A. Rasmussen te worden verworpen. Volgens verzoekers had deze pas in 1979 een academisch diploma verworven en kon hij derhalve pas vanaf dat moment zijn beroepservaring opbouwen. Derhalve zou hij niet aan het tweede vereiste van een lange ervaring als vertaler voldoen. Gezien het feit dat hij sinds 1974 vertaalwerk van LA-niveau heeft gedaan, is zijn ervaring op dit terrein zeker sindsdien van het vereiste niveau. De door verzoekers verdedigde eis, dat de praktijkervaring ná het behalen van het academisch diploma moet zijn verworven, pleegt slechts te worden gesteld, wanneer cumulatief een academisch diploma en praktijkervaring worden voorgeschreven. Ik verwijs hiervoor wederom naar mijn conclusie in de zaak Lipman.
Concluderend meen ik dat beide middelen dienen te worden verworpen, daar niet is aangetoond, dat de vereisten van de vacaturemededeling door de benoeming van mevrouw Bye Rasmussen, respectievelijk van de heer Rasmussen, zijn geschonden.
6. Het derde middel
In het volgende middel wordt gesteld, dat ingeval het Hof, anders dan verzoekers, zou menen dat de benoemde ambtenaren wel voldoen aan de vereisten in de vacaturemededeling, verzoekers alsnog de betrokken posten zouden dienen te bezetten, aangezien hun kwaliteiten beter zijn dan die van eerstgenoemden. Zij wijzen hierbij op het niveau van hun opleiding en de tijdstippen waarop die werd beëindigd.
Allereerst ga ik in op het juridische betoog van verzoekers ten aanzien van dit middel, zoals met name in de mondelinge procedure voorgedragen. Hierbij ging het vooral over de vraag in hoeverre Uw vaste rechtspraak terzake van een ruime beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegde gezag in geval van vergelijking van kwaliteiten van kandidaten in het kader van een promotieprocedure, ook van toepassing is op onderhavige zaak. Verzoekers meenden dat Uw genoemde rechtspraak betrekking heeft op bevorderingen in het kader van artikel 45 van het Statuut, maar niet zou opgaan voor onderhavige zaak, aangezien die gebaseerd is op artikel 29 van het Statuut.
Een dergelijke redenering kan niet gevolgd worden. Artikel 29, lid 1, geeft de verschillende procedures aan die onderzocht dienen te worden om een vacature te vervullen. Ingeval het tot aanstelling bevoegde gezag meent, na onderzoek van de mogelijkheden sub a) van dit artikel, dat de vacature door bevordering bezet kan worden, vindt deze vervolgens plaats op basis van artikel 45. Hiervoor verwijs ik naar Uw vaste rechtspraak o.m. in de zaken Kiister (123/75, Jurispr. 1976, blz. 1709) en recentelijk Colussi (298/81, arrest van 24. 3. 1983, nog niet gepubliceerd, overwegingen 17 en 20). In dit laatste arrest is de ruime beoordelingsvrijheid bij een vergelijking van de kwaliteiten van de kandidaten van het tot aanstelling bevoegde gezag nogmaals uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een promotieprocedure op basis van de artikelen 29 jo. 45.
Het middel kan voorts niet aanvaard worden voorzover daarin betoogd wordt, dat verzoekers meer recht op bevordering hebben dan de benoemden aangezien hun opleidingsniveau hoger is. In artikel 45 wordt niet over een vergelijking van diploma's gesproken als criterium vor bevordering, maar wordt gesteld, dat het daarbij gaat om een onderzoek naar de verdiensten der ambtenaren, alsmede van de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht.
De Commissie heeft op vragen van het Hof bevestigd, dat voor promoties, ná aanstelling, ruimere beoordelingscriteria van belang zijn dan diploma's. Dit beleid werd recentelijk door Uw Hof instemmend beoordeeld in de zaken 298/81, Colussi, reeds genoemd en 280/81, Hoffmann, arrest van 17 maart 1983, nog niet gepubliceerd. In dit laatste arrest werd een vergelijking van diploma's als enige maatstaf voor een bevordering afgewezen. Overwogen werd, dat voor promoties rekening wordt gehouden met ruimere beoordelingscriteria voor de beoordeling van verdiensten van de ambtenaren dan enkel diploma's, zoals onder meer het algemene niveau waarop de werkzaamheden worden verricht. Het lijkt ook mij inderdaad evident, dat bij bevordering de in de praktijk gebleken verdiensten van betrokkenen de doorslag moeten geven.
Tenslotte stelden verzoekers dat het persoonlijk verlof, dat hen werd toegekend van 1 januari 1976 tot 1 juli 1977, in feite in hun nadeel werkte, aangezien hun anciënniteit tijdens deze periode niet was doorgelopen en zij derhalve niet benoemd werden in plaats van de daadwerkelijk benoemden. Zij meenden dat hierdoor in strijd werd gehandeld met artikel 24, nu zij deze tijd besteedden aan een verbetering van hun opleidingsniveau in Denemarken, en het verlof hun derhalve in het belang van de dienst was verleend.
De Commissie ontkende deze feiten niet. Zij was echter van mening, dat het niet doorlopen van de anciënniteit niet in strijd was met artikel 24 en met name met de vierde alinea, waar slechts gesteld wordt, dat voor de verdere loopbaan rekening wordt gehouden met de verdere bij- en nascholing. Een plicht tot het doen doorlopen van de anciënniteit kon daaruit worden afgeleid. Ik voeg daaraan toe, dat artikel 40 van het Statuut, dat het „verlof om redenen van persoonlijke aard” regelt, in zijn lid 3 onder meer uitdrukkelijk bepaalt: „Gedurende het verlof van de ambtenaren neemt zijn salarisanciënniteit niet toe en komt hij niet in aanmerking voor bevordering ...”. Voor zover de anciënniteit een rol bij de benoeming heeft gespeeld, is het derhalve juist, dat die van verzoekers tijdens het verlof niet is doorgelopen. Bovendien werden de benoemden in 1978 tot LA 6 bevorderd, terwijl verzoekers wat later op 1 januari 1979 tot die rang werden bevorderd, eveneens in overeenstemming met artikel 40. Overigens ben ik van mening, dat de anciënniteit een minder belangrijk beoordelingscriterium dient te vormen, dan de verdiensten van betrokkenen en dus vooral van belang is bij gelijke verdiensten van verschillende kandidaten.
7. Misbruik van bevoegdheid ,
Tenslotte hebben verzoekers in de repliek het middel van misbruik van bevoegdheid opgebracht dat, naar gesteld werd, gebaseerd is op nieuwe informatie welke pas uit de memorie van antwoord van de Commissie is gebleken. De Commissie meent, dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien het te laat is ingediend, conform artikel 42, lid 2, van het procesreglement. Verzoekers hebben dit middel nauwelijks uitgewerkt. Zij hebben ook niet aangegeven, op welke nieuwe informatie zij zich baseren, noch welk niet gerechtvaardigd doel het tot aanstelling bevoegde gezag met de promotieprocedure zou hebben nagestreefd. Derhalve meen ik dat het middel inderdaad als niet ontvankelijk conform artikel 42, lid 2, dient te worden afgewezen.
Overigens is, gelet op het geheel van het voorgaande, door verzoekers op geen enkele wijze aangetoond, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in strijd met enige bepaling van het Statuut en niet overeenkomstig het dienstbelang heeft gehandeld.
8. Conclusie
Concluderend meen ik dat de middelen van verzoekers niet kunnen slagen en het beroep verworpen dient te worden.
Conform artikel 69 en 70 van het procesreglement dienen beide partijen in hun eigen kosten te worden veroordeeld.
Full & Egal Universal Law Academy