CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 26 OKTOBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De Politierechtbank van het eerste kanton te Verviers (België) heeft zich tot het Hof gewend met een verzoek om een prejudiciële beslissing over „de overeenstemming van de Belgische wettelijke regeling en het EEG-Verdrag.”
Dit zijn de feiten:
I —
1.
Joseph Trinon, als beheerder strafrechtelijk en burgerrechtelijk aansprakelijk voor de vennootschap Translac te Dison (België), werd voor de rechtbank gedaagd wegens overtreding van de Belgische rechtsvoorschriften inzake de minimumprijzen voor het vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland.
Bij een steekproefsgewijze tariefcontrole ten kantore van de vennootschap werd vastgesteld dat in november 1980 voor drie vervoersprestaties tussen Duitsland en België prijzen waren gefactureerd, die duidelijk lagen beneden het minimumtarief dat voor het betrokken vervoer was neergelegd in het koninklijk besluit van 24 september 1971 (zoals gewijzigd), houdende vaststelling van het tarief voor het vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding tussen het Koninkrijk België en dé Bondsrepubliek Duitsland, ook indien het vervoer gedeeltelijk over het grondgebied van een derde land plaatsvindt. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat de factuurprijs van BFR 10000 voor het vervoer op 14 november van 24100 kg bakstenen over 383 km 39,3 % lager was dan de verplichte minimumprijs van BFR 16500.
Voor de Politierechtbank vroeg Trinon de zaak naar het Hof te verwijzen met de vraag, of artikel 8 van de Belgische wet van 1 augustus 1960 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, alsmede de daaropvolgende wettelijke bepalingen houdende minimum- en maximumprijzen voor het vervoer, in overeenstemming zijn met een gemeenschappelijk vervoerbeleid en met de totstandbrenging binnen de EEG van een mededingingseconomie waarin geen plaats is voor de beperkende praktijk van verplichte prijzen.
De Politierechter verklaarde zich tot een prejudicieel verzoek bereid, maar verkoos de hem voorgestelde vraag anders te formuleren en wel in de algemene bewoordingen die ik al citeerde.
Het openbaar ministerie kwam van dit vonnis in beroep bij de Correctionele Rechtbank, zonder echter schriftelijk te concluderen.
De beklaagde daarentegen vroeg de rechter in hoger beroep, het Hof de aldus gewijzigde vraag voor te leggen:
„Wordt verordening nr. 2831/77 geschonden door een vervoerder die een retourvracht aanvaardt beneden het wettelijk tarief en zonder te voldoen aan de materiële en formele voorwaarden van artikel 14 van die verordening, wanneer de vrachtprijs wordt vastgesteld rekening houdend met de wederzijdse belangen van gebruiker en vervoerder, en met name met het tijdstip, de plaats alsmede de kostprijs berekend in een stelsel van vrije mededinging dat aan de vervoerder een billijke beloning verzekert?”
Aangezien appellante geen opmerkingen maakte, bevestigde de Correctionele Rechtbank te Verviers op 27 november 1981 het vonnis a quo in al zijn onderdelen en verwees zij de zaak terug naar de Politierechtbank „voor uitspraak na de beslissing van het Hof van Justitie,”
2.
Tot staving van zijn verweer voerde Trinon argumenten aan die vóór de gestelde vraag moeten worden onderzocht. Hij acht de toegepaste, inderdaad lagere tarieven gerechtvaardigd door het feit dat het ging om zogenoemde retourvrachten. Artikel 14 van verordening nr. 2831/77 van de Raad van 12 december 1977 betreffende de prijsvorming voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten, dat met name de wettigheid van uitzonderlijk tegen beneden het toepasselijke minimumtarief gelegen prijzen gesloten vervoerovereenkomsten aan strikte vormvoorwaarden verbindt, is volgens hem ongeldig omdat het blijk geeft van een overdreven formalisme, dat zich niet verdraagt met de concrete situatie van een vervoerder die terstond een retourvracht wil bemachtigen.
Dit probleem wordt weliswaar in de prejudiciële vraag zelf niet aangeraakt en kan evenmin worden afgeleid uit de overwegingen die tot verwijzing hebben geleid, zodat het niet behoeft te worden onderzocht (arrest van 9 december 1965, zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1154-1155). Ter terechtzitting hebben echter zowel de vertegenwoordiger van de Commissie als de deskundige van de Belgische regering uiteengezet, dat er geen termen aanwezig zijn om in de relevante communautaire verordeningen of de Belgische uitvoeringsbesluiten specifieke bepalingen inzake de tarieven voor retourvracht op te nemen.
Krachtens de verordening wordt er in de door de betrokken Lid-Staten in onderlinge overeenstemming vastgestelde tarieven immers rekening mee gehouden dat een deel van de retourtrajecten leeg wordt afgelegd. Daarenboven gaat het om bilaterale tarieven die in casu gelden voor alle vervoer tussen België en de Bondsrepubliek; een traject van Duitsland naar België is tegelijkertijd een retourtraject voor een Belgisch vervoerder en een heentraject voor een Duits vervoerder, en dus in beide gevallen aan hetzelfde tarief onderworpen. Een uitlegging van verordening nr. 2831/77, die ertoe zou leiden dat retourvrachten van haar werkingssfeer worden uitgesloten, zou dus ingaan tegen het doel zelf van deze verordening, namelijk het voorkomen van ruïneuze concurrentie. Daardoor zouden op een bepaald traject de vervoerders voor wie dit een „retourtraject” is, onrechtmatig worden bevoordeeld ten opzichte van hun concurrenten voor wie het een „heentraject” is.
Deze opmerkingen verdienen aandacht.
3.
Ik kom thans tot de vraag van de Politierechtbank van het eerste kanton te Verviers.
In haar overwegingen citeert de Rechtbank bepalingen van Belgisch recht naast teksten uit het EEG-Verdrag en vraagt zij zich af of de eerste zich verdragen met de tweede. Zo vermeldt zij artikel 8 van de wet 1 augustus 1960, dat een nationale autoriteit toestaat eenzijdig prijzen vast te stellen, en de koninklijke besluiten van 24 september 1971, 8 september 1978 en 18 juli 1979, die de tussen twee Lid-Staten bilateraal vastgestelde prijzen verplicht stellen. Zij plaatst deze teksten naast artikel 3, sub e, van het Verdrag, dat voorziet in de totstandbrenging van een gemeenschappelijk vervoersbeleid, en artikel 75 van het Verdrag, dat de Raad de bevoegdheid verleent om gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer van of naar een Lid-Staat vast te stellen. Daarom overweegt zij, dat hier een prejudiciële vraag rijst inzake de overeenstemming van de desbetreffende Belgische wettelijke regeling met het EEG-Verdrag, die overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag het Hof ter beoordeling moet worden voorgelegd. Zij herhaalt dit verzoek in het dictum van haar vonnis, waar zij het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt inzake de overeenstemming van de Belgische wettelijke regeling met het EEG-Verdrag.
De Belgische regering heeft hiertegen twee excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
—
De eerste steunt op het feit dat het Hof in prejudiciële zaken niet bevoegd is zich uit te spreken over de geldigheid van een nationale wettelijke regeling;
—
De tweede is de „exceptio obscuri libelli”, wegens de te algemene formulering van de vraag.
Op beide excepties kan aan de hand van's Hofs rechtspraak worden geantwoord.
Het staat weliswaar niet aan het Hof om zich „in het kader van een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ingeleide procedure uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale rechtsregels met bepalingen van gemeenschapsrecht”, maar het kan wel „de nationale rechter alle gegevens met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaffen, die deze in staat stellen om over de verenigbaarheid van de nationale voorschriften met de desbetreffende regel van gemeenschapsrecht te oordelen” (arrest van 17 december 1981, zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3290, r.o. 9; zie met name ook het arrest van 6 oktober 1970, zaak 9/70, Grad, Jurispr. 1970, blz. 842, r.o. 17).
Met betrekking tot de tweede exceptie zij er enkel aan herinnerd, dat in zaak 10/71 („Haven van Mertért”) het vonnis van het Tribunal d'Arrondissement de Luxembourg de bepalingen van het gemeenschapsrecht waarvan de uitlegging werd gevraagd, niet vermeldde. Het Hof volgde echter de conclusie van advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe (Jurispr. 1971, blz. 734) en antwoordde dat „ondanks de onnauwkeurige vraagstelling het oogmerk der verwijzing uit de redengeving van het vonnis duidelijk blijkt” (arrest van 14 juli 1971, zaak 10/71, Jurispr. 1971, blz. 723, r.o. 4).
Gelet op de overwegingen van de Politierechter te Verviers, stel ik voor zijn vraag als volgt te begrijpen: „Moet's Raads verordening nr. 2831/77 in die zin worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat toestaat verplichte prijzen vast te stellen voor het vervoer van goederen over de weg tussen een andere en deze Lid-Staat?”
Laten wij dan nu de betrokken bepalingen eens bezien.
II —
1.
Verordening nr. 2831/77 „is van toepassing op het vervoer van goederen over de weg voor rekening van derden tussen de Lid-Staten” (artikel 1). Zij bepaalt, dat „voor de prijzen van het in artikel 1 bedoelde vervoer een stelsel van tarieven geldt” (artikel 2, lid 1), die „of wel referentietarieven, of wel verplichte tarieven zijn” (artikel 2, lid 2). De betrokken Lid-Staten beslissen in gezamenlijk overleg over de keuze van één van beide tariefstelsels (artikel 2, lid 3). België en de Bondsrepubliek Duitsland opteerden in hun onderlinge betrekkingen voor het stelsel van verplichte tarieven.
„De verplichte tarieven worden door de bevoegde instanties van de Lid-Staten van kracht verklaard en gepubliceerd” (artikel 8). Zij „worden in onderling overleg vastgesteld of gewijzigd door de rechtstreeks betrokken Lid-Staten, dat wil zeggen de Lid-Staten op het grondgebied waarvan de goederen worden geladen en gelost” (artikel 11, lid 1). „Iedere Lid-Staat verklaart deze tarieven van kracht binnen twee maanden na de afsluiting van de onderhandelingen over de vaststelling of de wijziging van de tarieven of, in voorkomend geval, de voltooiing van de in artikel 13 ... bedoelde procedure” (artikel 11, lid 2).
Deze laatste bepaling voorziet in een procedure tot regeling van de geschillen die kunnen ontstaan „als de onderhandelingen voor de vaststelling of de wijziging van de tarieven geen resultaat opleveren.” In een dergelijk geval „wordt het geschil op verzoek van een Lid-Staat aan de Commissie voorgelegd” (lid 1, eerste alinea).
Deze geeft, na raadpleging van een Comité samengesteld uit regeringsdeskundigen, „een beschikking die ter kennis van de betrokkenen wordt gebracht en gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen” (lid 1, tweede alinea) en „een maand na de bekendmaking uitvoerbaar wordt” (lid 2).
Tenslotte bepaalt artikel 17 van de verordening dat „de Lid-Staten, na raadpleging van de Commissie, tijdig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen die nodig zijn voor de uitvoering ervan.”
2.
België is laatstgenoemde verplichting nagekomen bij koninklijk besluit van 17 oktober 1979 houdende uitvoering van verordening (EEG) nr. 2831/77 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 betreffende de prijsvorming voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten. Het is vergelijkbaar met het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, houdende onder meer uitvoering van de aan's Raads verordening nr. 2831/77 voorafgaande verordening nr. 1174/68 van 30 juli 1968 betreffende de invoering van een stelsel van margetarieven voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten.
Met name voor het vervoer tussen België en Duitsland werden in België tot 1980 achtereenvolgens drie koninklijke besluiten houdende vaststelling van verplichte tarieven uitgevaardigd.
Elk van deze besluiten — in de dagvaarding van Trinon voor de Politierechter vermeld en door deze laatste in de overwegingen van zijn verwijzingsvonnis overgenomen — vermeldt in zijn considerans de verordening van de Raad waaraan het uitvoering geeft.
Het koninklijk besluit van 24 september 1971 werd vastgesteld ter uitvoering van verordening nr. 1174/68, waarvan artikel 4, lid 1, reeds de verplichting bevatte die woordelijk terugkomt in artikel 11, leden 1 en 2, van verordening nr. 2831/77.
Dit besluit werd voor het eerst gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 september 1978, ter uitvoering van de door de Commissie krachtens artikel 13 van verordening nr. 2831/77 verleende beschikking tot regeling van het onder meer tussen België en Duitsland gerezen geschil over de herziening van de op het vervoer tussen deze twee landen toepasselijke tarief. (Beschikking van de Commissie van 12 juni 1978 tot regeling van het geschil tussen de Bondsrepubliek Duitsland enerzijds en België en Nederland anderzijds over de vaststelling van het niveau van de verplichte tarieven voor het goederenvervoer over de weg tussen de betrokken Lid-Staten.) Bij koninklijk besluit van 8 september 1978 werden alle tarieven met 15 % verhoogd.
Tenslotte heeft het koninklijk besluit van 18 juli 1979, dat van kracht was ten tijde van de litigieuze feiten, voornamelijk de in Belgische frank uitgedrukte prijzen met 15 % verhoogd om rekening te houden met de ontwaarding van de Belgische frank ten opzichte van de Duitse mark.
Deze drie besluiten houdende vaststelling van het tarief voor het vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding tussen België en de Bondsrepubliek Duitsland, vormen een juiste toepassing van de bepalingen der relevante verordeningen van de Raad, en met name van artikel 11, leden 1 en 2, van verordening nr. 2831/77.
3.
Is artikel 8 van de Belgische wet van 1 augustus 1960 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, die tezamen met de aangehaalde koninklijke besluiten de rechtsgrond voor de telastelegging vormt, onverenigbaar met de verordening, zoals Trinon betoogt en de verwijzende rechter geneigd is te denken?
Dat artikel luidt als volgt:
„De Koning kan, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, voorschriften inzake prijzen en voorwaarden van het vervoer van zaken tegen vergoeding bepalen.
Hij kan eveneens de bevoegdheid, samenstelling en werking vaststellen van een adviserende commissie voor wegtarieven.”
De onverenigbaarheid van deze bepaling met verordening nr. 2831/77 zou voortvloeien uit het feit dat zij een nationale autoriteit het recht geeft eenzijdig tarieven vast te stellen, terwijl deze — zoals gezegd — volgens de communautaire verordening in onderling overleg door de rechtstreeks betrokken Lid-Staten moeten worden vastgesteld.
Dit standpunt kan mijns inziens niet worden bijgetreden.
Wat ook de juiste rol is van de wet van 1 augustus 1960 in de interne Belgische procedure tot invoering van de vervoertarieven — een punt waarover het Hof zich in het kader van een prejudiciële procedure niet kan uitspreken (zie met name arresten van 19 maart 1964, zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 387, en 6 mei 1980, zaak 152/79, Lee, Jurispr. 1980, blz. 1507, r.o. 11) — wij kunnen volstaan met vast te stellen dat uit de koninklijke besluiten van 1971, 1978 en 1979 blijkt dat België ten volle heeft voldaan aan zijn in de artikelen 11 en 13 van de verordening van 1977 neergelegde verplichting om met de Bondsrepubliek Duitsland te onderhandelen over verplichte vervoertarieven tussen beide landen, om in geval van geschil de Commissie in te schakelen, en om de in overleg met de Bondsrepubliek respectievelijk na de beschikking van de Commissie vastgestelde tarieven op zijn grondgebied van kracht te verklaren.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de vraag van de Politierechtbank van het eerste kanton te Verviers te antwoorden, dat's Raads verordening nr. 2831/77 aldus moet worden uitgelegd, dat zij elke Lid-Staat die in zijn betrekkingen met een andere Lid-Staat voor het stelsel van verplichte tarieven heeft gekozen, niet alleen de mogelijkheid biedt, maar ook de verplichting oplegt om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, zijn tarieven eenzijdig vast te stellen, hetzij met toepassing van een bilaterale overeenkomst met de andere rechtstreeks betrokken Lid-Staat, hetzij in voorkomend geval, ter uitvoering van een door de Commissie in een geschil met deze Lid-Staat gegeven beschikking.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy