CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
F. CAPOTORTI
VAN6 OKTOBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Opnieuw wordt het Hof door de Franse rechters geconfronteerd met de vraag of de gemeenschapsverordeningen die de visserij door Spaanse schepen in de Franse economische zone aan bepaalde voorwaarden hebben gebonden door de invoering van voor die schepen geldende overgangsmaatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visstand, geldig zijn in het licht van de eerdere internationale verbintenissen en zo ja, of zij aan Spaanse burgers kunnen worden tegengeworpen.
De precedenten waarmee op dit terrein rekening moet worden gehouden, zijn de arresten van 8 december 1981 (zaak 181/80, Arbelaiz-Emazabel, Jurispr. 1981, blz. 2961, en gevoegde zaken 180 en 266/80, Crujeiras Tome en Yurrita, Jurispr. 1981, blz. 2997). Sindsdien zijn twee groepen zaken bij het Hof aanhangig gemaakt (gevoegde zaken 137 en 140/81, Campandeguy Sagarzazu en Echevarría Sagasti, en gevoegde zaken 138 en 139/81, Marticorena-Otazo en Prego Parada). In beide procedures heb ik op 27 mei 1982 conclusie genomen; het Hof heeft er echter nog geen uitspraak in gedaan.
Opgemerkt zij, dat de in de onderhavige zaken gestelde vragen overeenkomen met die welke in de gevoegde zaken 180 en 266/80 aan de orde waren, en dat ook de omstandigheden grote gelijkenis vertonen. Nieuw in de onderhavige zaken zijn alleen enkele argumenten van verdachten ter ondersteuning van de stelling dat voornoemde verordeningen ongeldig zijn.
2.
De feiten kunnen worden samengevat als volgt:
A —
In de periode 1980-1981 werden Arantzamendi-Osa en andere Spaanse vissers door het Tribunal de grande instance te Lorient en te Quimper tot uiteenlopende geldstraffen veroordeeld omdat zij in de wateren gelegen tussen 12 en 200 mijl vanaf de Franse Atlantische kust, hadden gevist zonder in het bezit te zijn van de voor Spaanse schepen vereiste communautaire vergunning. Verdachten stelden beroep in bij de Cour d'appel te Rennes, stellende dat de gemeenschapsbepalingen waarvan de Franse strafwet de naleving beoogde te verzekeren, ongeldig waren wegens strijd met eerdere internationale verbintenissen. Bij een reeks vonnissen van 3 december 1981 besloot de Cour d'appel te Rennes de behandeling van de procedures te schorsen en de door mij inhoudelijk weergegeven vraag aan het Hof voor te leggen.
B —
In de tweede helft van 1981 werden Dorca Marina en andere Spaanse vissers voor het Tribunal de grande instance te Bayonne gedagvaard ter zake dat zij in de zone tussen 12 en 200 mijl vanaf de Franse Atlantische kust hadden gevist zonder communautaire vergunning. Tussen 17 september en 5 november 1981 besloot het Tribunal bij een reeks vonnissen de behandeling van de procedures te schorsen en het Hof een vraag ter prejudiciële beslissing voor te leggen, welke gelijkluidend was aan die van de Cour d'appel te Rennes.
3.
De verordeningen van de Raad, waarvan de geldigheid in geding is, bepalen, dat schepen die onder Spaanse vlag varen, voor de visserij in de wateren van de Lid-Staten binnen een straal van 200 zeemijl vanaf de kust in het bezit moeten zijn van een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen afgegeven vergunning en zich tot de toegestane vangst moeten beperken. De betrokken verordeningen hebben alle een beperkte geldigheidsduur, met het gevolg dat in de verschillende zaken verschillende verordeningen van toepassing zijn, afhankelijk van het moment waarop de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden. Inhoudelijk vertonen de litigieuze verordeningen echter geen voor de onderhavige prejudiciële zaken significante verschillen; bovendien dient te worden bedacht, dat de vraag van de Franse rechters betrekking heeft op het geheel van communautaire overgangsmaatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visstand. In de laatste in aanmerking komende verordening (verordening nr. 1569 van 1 juni 1981) komen overigens veel verschillende elementen voor: ik kom hier nog op terug.
Wat de „eerdere internationale verbintenissen” betreft, met de inhoud waarvan voornoemde verordeningen in strijd zouden zijn, noemt het Tribunal de grande instance te Bayonne in de motivering van zijn verwijzingsbeschikkingen het verdrag van Genève van 29 april 1958 inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee, het JLondense visserijverdrag van 9 maart 1964 en de visserijovereenkomst tussen Frankrijk en Spanje van 20 maart 1967, precies dezelfde bronnen dus als waarop in de eerdere zaken beroep is gedaan en waarover het Hof zich reeds heeft kunnen uitspreken in genoemde arresten van 8 december 1981:
Ik moge eraan herinneren, dat het Hof in genoemde arresten overwoog, dat „niet [behoeft] te worden onderzocht of het Verdrag van Londen, dat luidens zijn bewoordingen slechts van toepassing is in de zone tot 12 mijl uit de basislijnen, eventueel van toepassing kon worden geacht in de zone van 12 tot 200 mijl; [en evenmin] of de door de Gemeenschap vastgestelde overgangsregeling voor de instandhouding van de visbestanden voldeed aan de in het Verdrag van Genève gestelde voorwaarden, zoals het plegen van vooroverleg.” Deze opvatting berustte op de overweging, dat „de door de Gemeenschap volgens haar eigen voorschriften getroffen overgangsregelingen ... passen in het kader van de betrekkingen die de Gemeenschap en Spanje zijn aangegaan om de problemen in verband met de instandhoudingsmaatregelen en de uitbreiding van exclusieve visserijzones op te lossen en de vissers wederzijds toegang te verlenen tot de wateren waarvoor deze maatregelen golden. Deze betrekkingen zijn in de plaats getreden van de voordien in deze zones geldende regeling, teneinde rekening te houden met de algemene ontwikkeling van het volkenrecht op het gebied van de visserij in volle zee en met de steeds dringender noodzaak van het behoud van de biologische rijkdommen van de zee.” Het Hof leidde hieruit af, dat de door de Gemeenschap vastgestelde overgangsregeling paste „in de geleidelijke totstandbrenging van nieuwe wederzijdse betrekkingen tussen de Gemeenschap en Spanje op het gebied van de zeevisserij, die in de plaats zijn getreden van de voorheen geldende regeling van de visserij in volle zee”, met als, gevolg dat „Spaanse vissers zich, ingeval eerdere internationale verbintenissen tussen Frankrijk en Spanje onverenigbaar zijn met de door de Gemeenschap getroffen overgangsregeling, niet met een beroep op bedoelde verbintenissen aan de toepassing van die overgangsregeling kunnen onttrekken” (zie r. o. 17-20 van het arrest-Crujeiras Tome; in gelijke zin arrest-Arbelaiz-Emazabei, r. o. 29-31).
Gezien deze rechtspraak die, hoewel ze naar bepaalde verordeningen verwijst, in feite betrekking heeft op de gehele overgangsregeling voor de visserij, die de Gemeenschap sinds 1977 voor Spaanse schepen heeft vastgesteld, lijkt het mij niet nodig het betoog te herhalen dat ik in mijn conclusie van 15 september 1981 in de zaken 180, 181 en 266/80 heb ontwikkeld (Jurispr. 1981, blz. 2984) en later in mijn conclusie van 27 mei 1982 in de zaken 137-140/81 heb herhaald. Bovendien zitten de twee arresten van het Hofvan 8 december 1981 goed in elkaar en heeft de verwijzende rechter geen enkel nieuw element aangedragen met betrekking tot de verhouding tussen de communautaire visserijregeling in de betroKKen penoae en ae „eeraere internationale verbintenissen”. Dit brengt mij tot de overtuiging, dat bij de beslissingen in de onderhavige zaken, zowel met betrekking tot de geldigheid van de verordeningen als tot de vraag of zij aan Spaanse vissers kunnen worden tegengeworpen, de lijn van de bestaande rechtspraak van het Hof moet worden doorgetrokken.
4.
Tijdens de nationale procedures die zijn uitgemond in de zaken 13-28/82, is naar voren gekomen, dat de Spaanse schepen zonder vergunning hebben gevist op 2 respectievelijk 14 februari 1981, dat wil zeggen in een periode c(van 1 februari tot 3 maart 1981) waarin geen enkele gemeenschapsverordening van kracht was die overgangsmaatregelen bevatte voor de instandhouding en het beheer van de visstand. Bij verordening nr. 3305 van 17 december 1980 was de geldigheidsduur van reeds op grond van verordening nr. 1719/80 van 30 juni 1980 toegekende visvergunningen voor Spaanse schepen verlengd van 31 december 1980 tot 31 januari 1981, doch pas bij de volgende verordening, nr. 554/81 van 27 februari 1981, werd het vergunningenstelsel weer ingevoerd met ingang van 4 maart. Deze bijzondere situatie heeft de vraag doen rijzen, of de Spaanse vissers zich tijdens deze onderbreking van het communautaire vergunningenstelsel vrij mochten achten in de betrokken visserijzones te vissen.
Ik heb deze vraag uitgebreid besproken in mijn conclusie van 27 mei jl. in de gevoegde zaken 137-140/81 (punten 3, 4, 5 en 6). Ik herhaal, dat mijns inziens de omstandigheid dat tussen 1 februari en 3 maart 1981 specifieke bepalingen over visvergunningen ontbraken, door de rechters in de hoofdgedingen moet worden beoordeeld; zij hebben het Hof níet gevraagd hoe het communautaire rechtsstelsel moet worden uitgelegd voor de visserij door Spaanse schepen in de betrokken periode. ík ben er nog steeds van overtuigd, dat indien het Hof zich over dit punt zou uitspreken, het op de stoel van de nationale rechter zou gaan zitten, door daar waar deze een toetsing van de geldigheid van bepaalde verordening vraagt, zich te gaan verdiepen in de vraag naar de toepasselijke bepalingen; en ik herhaal, dat het Hof niet moet ingaan op de poging van partijen, de prejudiciële vraag te verruimen.
Wat de vraag zelf betreft, meen ik dat de Spaanse schepen in de periodes waarin geen communautaire maatregelen tot instandhouding en beheer van de visstand van kracht waren, niettemin niet in de wateren van de Lid-Staten van de EEG mochten vissen. Dit standpunt berust op het exclusieve karakter dat de 200-mijlszone krachtens het geldende algemene volkenrecht heeft, en vindt bevestiging in de analyse van de visserijovereenkomst tussen de EEG en Spanje van 15 april 1980. Ik verwijs in dit verband naar mijn conclusie van 27 mei en merk op, dat partijen geen nieuwe elementen hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun respectieve stellingen.
5.
De raadsman van verdachten in de hoofdgedingen in de zaken 50-58/82 stelt, dat de op de Spaanse vissers toepasselijke gemeenschapsverordeningen ook ongeldig zijn wegens schending van enkele fundamentele rechten: het recht op gelijke behandeling, het recht van wederhoor, het recht op arbeid en beroepsuitoefening, en de bescherming tegen sancties met terugwerkende kracht.
Ter weerlegging van deze grieven zou ik kunnen volstaan met de opmerking, dat deze geen enkel verband houden met de vraag van de Franse rechters, die enkel is toegespitst op de verenigbaarheid van de betrokken gemeenschapsregeling met de eerdere internationale verbintenissen. Het lijkt míj niettemin dienstig, kort op genoemde grieven ín te gaan, om hun ongegrondheid aan te tonen.
A —
Op het gelijkheidsbeginsel wordt een beroep gedaan in verband met de stelling, dat de betrokken gemeenschapsverordeningen discrimineren tussen Spaanse vissers en vissers uit de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap door enkel van eerstgenoemden een visvergunning te verlangen. Ter weerlegging van deze stelling is opgemerkt, dat de visvergunningen niet meer zijn dan een instrument om de inachtneming van het stelsel van vangstquota te verzekeren; genoemd stelsel wordt ook op communautaire vissers toegepast, zij het dat in hun geval de naleving wordt verzekerd door de controle op de vangsten in de aanlongingshavens. Een meer fundamentele kritiek is, dat de mensenrechten geen beginsel kennen dat de Gemeenschap verplicht, met betrekking tot het gebruik van de economische zone langs de kust van de Lid-Staten aan Spaanse onderdanen dezelfde rechten te verzekeren als aan gemeenschapsonderdanen. Weliswaar verbieden zowel artikel 14 van het Europese Verdrag als de overeenkomstige bepalingen in de twee internationale verdragen inzake de rechten van de mens (artikel 2, lid 1, van het verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; artikel 2, lid 2 van het verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten) discriminatie met betrekking tot het genot van de ín elk van deze internationale juridische instrumenten erkende rechten, maar een recht om in de economische zone van een bepaald land te vissen wordt noch door het Europese Verdrag noch door de internationale verdragen erkend! Ook het beginsel van gelijkheid van allen voor de wet en het recht op een gelijke bescherming door de wet (artikel 26 van het internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) verzekert een formele gelijkheid van personen ten aanzien van elke rechtsregeling als geheel, doch het doet dit enkel om te voorkomen dat de wetgever willekeurige discriminaties invoert, dat wil zeggen verschillen in behandeling, die elke objectieve rechtvaardiging missen.
Met name het verbod van discriminatie op grond van nationale afkomst staat er niet aan in de weg, dat de wet een groot aantal verschillen kan bevatten tussen de behandeling van onderdanen en vreemdelingen, vooral op publiekrechtelijk terrein, zolang dergelijke bepalingen een redelijke basis hebben (hetgeen ongetwijfeld kan worden gezegd van de eis van een vangstvergunning in het kader van de regeling tot instandhouding van de rijkdommen van de zee, en van het hiermee verbonden stelsel van vangstcontingenten).
B —
De gestelde schending van het recht yan wederhoor zou hierin hebben bestaan, dat de administratieve sancties die door de Commissie op de Spaanse vissers zijn toegepast (intrekking van de vergunning en schorsing van de afgifte van nieuwe vergunningen voor een bepaalde periode), zouden zijn opgelegd zonder dat de betrokkenen de mogelijkheid was gegeven vooraf te worden gehoord. Dit zou in strijd zijn met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat zoals bekend elke verdachte het recht toekent zich, persoonlijk of met bijstand van een raadsman, te verdedigen (lid 3, sub c). Ook wordt in dit verband het arrest van het Hof van 27 oktober 1977 genoemd (zaak 121/76, Moli, Jurispr. 1977, bJz. 1971), waarin sprake is van „het algemeen beginsel ... volgens hetwelk een bestuursorgaan bij het nemen van een maatregel waardoor individuele belangen ernstig kunnen worden gekwetst, gehouden is betrokkene in staat te stellen zijn standpunt kenbaar te maken” (r, o. 20).
Deze grief treft geen doel. Duidelijk dient te worden vooropgesteld, dat artikel 6 van het Europese Verdrag niet op andere dan gerechtelijke procedures van toepassing is: de Commissie voor de rechten van de mens had de gelegenheid dit te verduidelijken in haar rapport van 25 januari 1976 in de zaak Ierland/Verenigd Koninkrijk. In de tweede plaats kunnen particulieren die door sancties van de Commissie worden getroffen, de betrokken beschikkingen altijd aanvallen op grond van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag: de contradictoire procedure die daarmee op gang komt, stelt betrokkenen in staat hun verweer te voeren. Het betreft hier enkel een mogelijke contradictoire procedure, nu de beslissing hierover aan het initiatief van betrokkenen is overgelaten, en een contradictoire procedure achteraf, nu zij plaatsvindt na de vaststelling van de bezwarende regeling, doch dit vindt zijn rechtvaardiging in de eis dat de Commissie snel moet kunnen optreden om ernstiger schade voor de communautaire belanghebbenden te voorkomen. Anderzijds zijn er zoals bekend ook verschillende vormen van overheids- (en zelfs rechterlijk) optreden waarbij de wederpartij niet wordt gehoord en de contradictoire procedure en daarmee de uitoefening van de rechten van verdediging naar een tweede fase van de procedure worden verschoven.
Het beroep op het arrest-Moli acht ik tenslotte niet juist, omdat het Hof in die zaak het bestaan erkende van een voor de relatie overheid/ambtenaar geldend beginsel, dat echter niet automatisch kan worden getransponeerd op iedere relatie tussen de overheid en particulieren.
C —
Het beroep op het recht op arbeid en de vrije ontplooiing van economische initiatieven lijkt mij binnen de context van de onderhavige zaken evenzeer misplaatst. Eerstgenoemd recht is vrij algemeen van strekking en omvat „het recht van eenieder op de mogelijkheid in zijn onderhoud te voorzien door middel van vrijelijk gekozen of aanvaarde werkzaamheden” (artikel 6, lid 1, van het internationale verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten). Het is duidelijk dat de vele, feitelijke of juridische, beperkingen of voorwaarden die deze mogelijkheid begrenzen, niet kunnen worden beschouwd als even zovele schendingen van het beginsel! Ook al moge de gemeenschapsregeling in concreto de uitoefening van de visserij door Spaanse vissers in bepaalde visserijzones beperken, hun recht om met visserij in hun onderhoud te voorzien, staat buiten kijf.
Een analoge redenering geldt voor het recht op vrije ontplooiing van economische initiatieven, waaraan, zoals ik reeds in mijn conclusie in de zaak-Hauer opmerkte (zaak 44/79, Jurispr. 1979, blz. 3764, punt 10), „een bepaalde ontplooiingssfeer niet werd gewaarborgd.” De onderhavige verordeningen raken de mogelijkheid tot exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van bepaalde visserijzones; de Spaanse ondernemingen kunnen hun visserijactiviteiten echter vrij ontplooien, hetzij in deze zones, met inachtneming van de in de bedoelde verordeningen neergelegde voorwaarden, hetzij elders.
D —
Tenslotte klagen appellanten in de zaken welke door het Tribunal de grande instance te Bayonne zijn verwezen, over schending van artikel 7 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, doordat verordening nr. 1569/81 van 1 juni 1981 de door de Commissie bij niet-naleving van de communautaire visserijregeling op te leggen sancties met terugwerkende kracht verzwaart. Inderdaad bevat artikel 13 van deze verordening strengere sancties dan dé oudere verordeningen (intrekking van de visvergunning en schorsing van de afgifte van nieuwe vergunningen: beide uit te breiden tot andere schepen van dezelfde reder); ook is er sprake van een bepaling met terugwerkende kracht, want de hele verordening geldt vanaf 1 januari 1981, terwijl de voorgaande verordening, nr. 554/81, die tot 31 mei van kracht zou zijn, met zoveel woorden wordt ingetrokken.
Hoezeer men deze aspecten van de gemeenschapsregeling ook mag betreuren, ze kunnen niet in strijd worden geacht met genoemde bepaling van het Europese Verdrag, om de eenvoudige reden dat deze alleen het oog heeft op strafsancties. Men hoeft alleen maar te kijken naar artikel 7, lid 1, tweede volzin („Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het bestaan van het strafbare feit van toepassing was”) om te beseffen dat dit beginsel niet kan worden uitgebreid tot sancties van administratieve aard. In die zin ook de Europese Commissie voor rechten van de mens in haar beslissingen op de beroepen nr. 4274/69 en 4519/70 (Annuaire de la Convention européenne des droits de l'homme, volume 13, blz. 889, 890; volume 14, blz. 616, 622).
6.
Tenslotte nog een laatste door de verdachten in de aan de zaken 50-58/82 ten grondslag liggende strafzaken voorgedragen middel tegen de geldigheid van de litigieuze verordeningen: Deze zouden onverenigbaar zijn met de bepalingen van de op 15 april 1980 gesloten Visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje, welke ingevolge artikel 12 vanaf die datum voorlopig werd toegepast en op 22 mei 1981 definitief in werking is getreden.
In de eerste plaats zij opgemerkt, dat de verwijzende Franse rechters bij de vraag of de voorlopige gemeenschapsregeling inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden geldig was en aan Spaanse onderdanen kon worden tegengeworpen, zeker niet hebben gedacht aan de overeenkomst Spanje-EEG, toen zij spraken van „eerdere internationale verbintenissen”. Dit blijkt duidelijk uit de motivering van de verwijzingsbeschikkingen, en bovendien is deze overeenkomst natuurlijk enkel een „eerdere” ten opzichte van verordening nr. 1569/81, die op 1 juni 1981 is uitgevaardigd (dat wil zegen negen dagen na de inwerkingtreding van de overeenkomst), terwijl zij ten opzichte van het overgrote deel van de litigieuze gemeenschapsregeling een latere regeling is (niet geheel duidelijk is, of zij als parameter kan worden gehanteerd voor de geldigheid van de verordeningen die zijn vastgesteld toen zij voorlopig van toepassing was).
In ieder geval dacht ik niet dat bovengenoemde stelling juist is. Volgens betrokkenen verzekert de overeenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje de Spaanse vissers de toegang tot de exclusieve economische zone overeenkomstig een in artikel 3, lid 1, sub b, neergelegd beginsel van evenwichtigheid en non-discriminatie, en erkent zij hun historische visrechten die reeds bij eerdere internationale overeenkomsten waren erkend, terwijl de gemeenschapsverordeningen (en met name verordening nr. 554/81 van 27 februari 1981) met beide beginselen in strijd zouden zijn. Ik blijf echter bij mijn reeds in mijn conclusie van 27 mei 1982 in de gevoegde zaken 137-140/81 uitgesproken opvatting, dat de visserijovereenkomst tussen de EEG en Spanje de vissersvaartuigen van beide partijen volstrekt geen vrije toegang geeft tot eikaars visserijzones; deze toegang is mogelijk dankzij een speciale toestemming waarvoor eerst de omvang van de toegestane vangst door de andere partij moet worden vastgesteld en dç afgifte van speciale vergunningen moet worden geregeld. Hierbij zij opgemerkt dat, een bevredigend evenwicht tussen de vangstmogelijkheden van beide partijen in eikaars visserijzone het doel is dat aan het eind van het in artikel 3, lid 1, sub b, bedoelde overleg moet zijn bereikt; de hoeveelheid echter die door de vissersvaartuigen van de ene partij mag worden gevangen (en de zones waar de vangst is toegestaan) wordt — weliswaar na vooroverleg — eenzijdig door de andere partij vastgesteld (zie nogmaals artikel 3, lid 1, sub b).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Franse regering terecht opgemerkt, dat ingevolge artikel 7 van de overeenkomst „elke partij overeenkomstig het internationale recht binnen de visserijzone die onder haar jurisdictie valt, maatregelen kan treffen om te waarborgen dat vaartuigen van de andere partij zich aan de bepalingen van deze overeenkomst houden.” Een van de internationale bepalingen die — onder meer op grond van de verwijzing in artikel 7 — in aanmerking komen, is ongetwijfeld artikel 56, lid 1, sub a, van het ontwerpverdrag dat door de derde Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties is uitgewerkt en volgens hetwelk de kuststaat in de exclusieve economische zone soevereine rechten bezit met betrekking tot het onderzoek en de exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke, biologische of niet-biologische rijkdommen van de zeebodem. Alleen al op grond van deze duidelijke erkenning van het recht van de kuststaat op een exclusieve exploitatie en op het behoud van de natuurlijke rijkdommen van de exclusieve economische zone is het ondenkbaar dat de Spaanse vissers de gestelde historische rechten zouden hebben. Met betrekking tot dit punt moge ik verder verwijzen naar mijn beschouwingen onder punt 6 van mijn conclusie van 27 mei 1982.
7.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, op de vragen gesteld door de Cour d'appel te Rennes bij vonnissen van 3 december 1981 (gevoegde zaken 13-28/82) en door het Tribunal de grande instance te Bayonne bij vonnissen van 17 september 1981 (zaak 50/82), 22 oktober 1981 (zaken 51, 52 en 58/82) en van 5 november 1981 (zaken 53, 54, 55, 56 en 57/82) te verklaren voor recht:
a)
bij onderzoek van de verordeningen van de Raad tot vaststelling van bepaalde voorlopige maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, welke gelden voor schepen die de Spaanse vlag voeren, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de geldigheid daarvan afbreuk kunnen doen;
b)
genoemde verordeningen konden aan Spaanse onderdanen worden tegengeworpen.
Mocht het Hof tenslotte menen zich te moeten uitspreken over de onderbreking van het stelsel van visvergunningen tussen 1 februari en 3 maart 1981, dan stel ik voor te dien aanzien te verklaren:
In de periode dat het vergunningenstelsel voor Spaanse vissers was onderbroken — tussen 1 februari en 3 maart 1981 — was elke vorm van visserij in de territoriale wateren van de Lid-Staten en de respectieve exclusieve zones waarvoor de gemeenschapsregeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden gold, hun verboden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy