CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 15 JULI 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of operatiedoeken van de door de verwijzingsrechter omschreven samenstelling vallen onder tariefpost 30.04 dan wel onder tariefpost 48.21 D van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals dat in het relevante tijdvak gold.
Onder de eerstgenoemde tariefpost vallen: „watten, gaas, verband en dergelijke artikelen, geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden of opgemaakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden (zwachtels en pleisters, mosterdpleisters, enz.), andere dan de in aantekening 3 op Hoofdstuk 30 genoemde artikelen”.
Het staat blijkens het dossier vast, dat indien deze eerste tariefpost niet van toepassing is, alleen de tweede genoemde tariefpost voor toepassing in aanmerking komt (andere werken van papierstof, van papier, van karton of van cellulosewatten, restcategorie D, in de versie van Raadsverördening nr. 3000/79 van 20 december 1979 (PB L 342 van 31. 12. 1979).
Schriftelijke opmerkingen zijn alleen ingediend door de Commissie. Met de Commissie ben ik van oordeel, dat de in het geding zijnde operatiedoeken anders dan watten, gaas, verband en andere door de Commissie in dit verband genoemde artikelen in elk geval niet dienen om de genezing van de wond te bevorderen. Zij kunnen dus niet geacht worden bestemd te zijn voor geneeskundige doeleinden.
Zoals de Commissie erkent, is het echter minder evident, dat de onderhavige operatiedoeken evenmin beschouwd kunnen worden als „bestemd voor chirurgische doeleinden”. Dit is naar mijn oordeel zelfs niet evident, wanneer men hier met de Commissie beslissend acht, dat het daarbij moet gaan om artikelen die direct bij de uitoefening van de operatieve geneeskunde gebruikt worden en niet om artikelen die een geheel andere functie hebben, zoals de bevordering van de hygiëne. De Commissie sluit bij de formulering van dit criterium nauw aan bij een door de Tariefcommissie in een eerdere uitspraak van 20 september 1976, nr. 11308 T in een soortgelijk geval als beslissend gehanteerde rechtsoverweging.
Ik acht genoemd criterium op twee gronden niet beslissend voor het onderhavige probleem. In de eerste plaats zijn operatiedoeken als hier aan de orde stellig veel directer bij de uitoefening van de operatie betrokken dan de in dit verband door de Commissie genoemde lakens en slopen. Anders dan genoemde lakens en slopen is ieder operatiedoek opgemaakt voor één concrete operatie. In die zin zijn operatiedoeken wel degelijk voor een chirurgisch doel opgemaakt, zoals de formulering van tariefpost 30.04 vereist. In de tweede plaats kunnen de onderhavige operatiedoeken zowel naar samenstelling als naar functie of bestemming gemakkelijker onder het basisbegrip „watten, gaas, verband en dergelijke artikelen” van tariefpost 30.04 worden gebracht dan genoemde lakens en slopen. Zij hebben tijdens de operatie onder meer een bloed, schadelijke stoffen en vocht opnemende functie, zoals ook de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft toegegeven. Anders dan de Commissie meen ik dat deze functie vergaand vergelijkbaar is met de funcie van niet met farmaceutische zelfstandigheden geïmpregneerde of daarmede bedekte watten, gaas en verband, opgemaakt voor chirurgische doeleinden (wèl te onderscheiden van hun in tariefpost 30.04 afzonderlijk genoemde geneeskundige functie). In dit verband acht ik ook het beroep van de Commissie op de verordening nr. 1484/70 van 24 juli 1970 (PB L 163 van 25. 7. 1970, blz. 19) zwak. De daarin behandelde incontinentiedoeken hebben niet alleen klaarblijkelijk geen geneeskundige of chirurgische functie, maar kunnen ook naar hun samenstelling onmogelijk als met watten, gaas en verband verwante („dergelijke”) artikelen worden beschouwd.
Het argument dat de Commissie ter afsluiting van haar schriftelijk betoog ontleent aan de opsomming van artikelen in aantekening 3 op Hoofdstuk 30 van het GDT, pleit naar mijn oordeel juist veeleer voor het standpunt, dat operatiedoeken wél onder tariefpost 30.04 vallen. De opsomming van artikelen als steriel catgut en andere steriele hechtmiddelen, steriele laminaria en steriele bloedstelpende artikelen en zelfs tandcement in deze aantekening impliceert immers een ruime uitleg van de basisbegrippen van tariefpost 30.04, daar deze artikelen even weinig of nog minder verwantschap in samenstelling en functie met watten, gaas en verband vertonen als operatiedoeken.
Ondanks deze onduidelijke verwantschap in samenstelling en bestemming, heeft de wetgever het nodig geacht al deze artikelen („de” in aantekening 3 op Hoofdstuk 30 genoemde artikelen) van aantekening 3 uitdrukkelijk uit te zonderen van tariefpost 30.04 ten gunste van een andere tariefpost (in casu post 30.05). Daaruit volgt duidelijk, dat tariefpost 30.04 in beginsel ruim moet worden uitgelegd. Het gaat zeker niet aan, uit de uitdrukkelijke uitzondering voor deze kennelijk in beginsel eveneens met „watten, gaas en verband” gelijksoortig geachte artikelen ten gunste van een andere tariefpost af te leiden, dat niet uitdrukkelijk in deze uitzonderingslijst genoemde, maar eveneens onder de aldus kennelijk ruim uit te leggen begripsomschrijvingen van tariefpost 30.04 vallende artikelen ineens onder de hogere tarieven van post 48.21 D zouden vallen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Commissie getracht onder deze implicaties van de uitdrukkelijke uitzondering uit te komen door te betogen, dat de uitzondering in tariefpost 30.04 voor de in aantekening 3 genoemde artikelen nodig zou zijn, omdat enkele van deze artikelen, met name de onder c) genoemde bloedstelpende artikelen en de onder g) genoemde tassen en dergelijke, gevuld met artikelen voor eerste hulp bij ongelukken, wél met watten, gaas en verband gelijksoortig zouden zijn. Daar de uitzondering spreekt van „de artikelen” en niet van (enkele)„artikelen” uit genoemde aantekening, zal dit betoog echter mijns inziens moeten falen. Tariefpost 30.04 sluit duidelijk alle artikelen, opgesomd in aantekening 3 van deze tariefpost uit.
Een globale vergelijking van de aard van de onder tariefpost 30.04 vallende produkten en de aard van de onder tariefpost 48.21 vallende produkten leert voorts, dat de onderhavige operatiedoeken duidelijk meer samenstellings- en functieverwantschap vertonen met de produkten van eerstgenoemde dan met de „andere produkten” van laatstgenoemde tariefpost en dat eerstgenoemde tariefpost bovendien een duidelijk meer specifieke omschrijving kent. Ingevolge algemene bepaling A 3a) van het gemeenschappelijk douanetarief (laatste, in dit opzicht ongewijzigde versie in PB L 335 van 23. 11. 1981) dient dus in casu tariefpost 30.04 toegepast te worden, nu op de aangegeven gronden operatiedoeken behalve als produkten van papier ook beschouwd kunnen worden als „dergelijke artikelen, opgemaakt voor ... chirurgische doeleinden”, als bedoeld in laatstgenoemde tariefpost..
Tenslotte dien ik thans nog te onderzoeken of andere pas tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen argumenten van de Commissie in casu tot een ander standpunt zouden moeten leiden. De Commissie heeft haar standpunt toen aldus gepreciseerd, dat uitsluitend door de chirurg in direct contact met de wond gebruikte artikelen onder tariefpost 30.04 kunnen worden gebracht, met inbegrip van artikelen die na de operatie dienen om de wond te bedekken. Ik geef toe, dat aldus inderdaad een duidelijk onderscheidingscriterium tegenover tariefpost 48.21 D kan worden verkregen, dat zich ook zeer wel verdraagt met de tekst van tariefpost 30.04. Gelet op de handelspolitieke bestemming van tariefposten acht ik de grotere verwantschap in samenstelling en bestemming van de onderhavige operatiedoeken met de in tariefpost 30.04 genoemde artikelen dan met de in tariefpost 48.21 D genoemde artikelen naast de andere door mij genoemde argumenten toch doorslaggevend. Daar lakens, slopen, operatiehandschoenen, mondfilters en haarkappen een andere functie hebben en ook niet of in mindere mate voor de verkoop in het klein voor telkens één concrete operatie worden opgemaakt, wordt hun indeling door deze conclusie niet geprejudicieerd.
De tijdens de mondelinge behandeling ter sprake gebrachte nieuwe post 48.21 F I (artikelen voor chirurgisch, medisch of hygiënisch gebruik, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein) die bij verordening (EEG) nr. 3002/81 van de Raad van 19 oktober 1981 werd ingevoerd (PB L 301 van 22. 10. 1981, blz. 1) kan mij evenmin tot een ander standpunkt doen concluderen. Indien deze nieuwe precisering van tariefpost 48.21 al zou gelden voor het onderhavige geding (quod non), dan onderstreept zij slechts door een andere tariefpost aan te wijzen voor artikelen voor onder meer chirurgisch gebruik (maar niet opgemaakt voor de verkoop in het klein), dat tariefposten voor handelspolitieke doeleinden worden opgesteld. In casu was daarbij het verschil in opmaak voor de groothandel of voor de detailhandel kennelijk beslissend. Niet daarentegen een operatietechnisch criterium als door de Commissie tijdens de mondelinge behandeling bepleit.
Ik concludeer derhalve, dat de U voorgelegde vraag anders dan door de Commissie voorgesteld, als volgt beantwoord dient te worden:
Post 30.04 van het gemeenschappelijk douanetarief dient zodanig te worden uitgelegd dat steriele doeken ter afdekking rond een wond tijdens een operatieve ingreep als in dit geding aan de orde, moeten worden aangemerkt als „dergelijke artikelen als watten, gaas of verband, opgemaakt voor de verkoop in het klein voor chirurgische doeleinden”.
Full & Egal Universal Law Academy