CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 26 JANUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Met het onderhavige beroep, ingesteld krachtens artikel 169 EEG-Verdrag, verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat de Franse regering haar verplichtingen krachtens de gemeenschapsregeling voor de wijnsector en krachtens artikel 30 EEG-Verdrag niet is nagekomen, door
—
voor de inklaring van Italiaanse tafelwijn aanzienlijk meer tijd te gebruiken dan voor het verrichten van de vereiste formaliteiten noodzakelijk is, en eerst in te klaren na een systematische analyse;
—
na te laten onverwijld een aanvang te maken met de regularisatieprocedure voor de transporten van een zeker aantal partijen Italiaanse wijn, zodra de geleidedocumenten ter inklaring aan de grensposten waren voorgelegd;
—
in tal van gevallen de regularisatie van Italiaanse wijntransporten die aan de grensposten waren opgehouden, afhankelijk te stellen van de toezending, door de Italiaanse instanties, van de stukken en documenten waarop de door deze instanties afgegeven certificaten waren gebaseerd;
—
de inklaring zelfs in de geregulariseerde gevallen te vertragen.
De feiten die tot het geschil hebben geleid, kunnen in grote trekken als volgt worden weergegeven. Sedert enkele jaren worden grote hoeveelheden Italiaanse tafelwijn in bulk in Frankrijk ingevoerd. Volgens cijfers door de Franse regering aan het Hof voorgelegd, was het invoervolume in elk van de eerste negen maanden van 1980 aanzienlijk lager dan in dezelfde maand van het jaar voordien. Vanaf oktober 1980 begon het invoervolume evenwel zo te groeien, dat het dat van het voorafgaande jaar ruimschoots overtrof. Deze situatie bleef zonder veel wijzigingen bestaan tot juli 1981. Van april 1980 tot juli 1980 deden de Franse instanties hun Italiaanse collega's een aantal klachten toekomen over beweerde schendingen van de voorschriften betreffende de vereiste documenten en de hygiëne bij wijntransport in bulk. Het ging om ernstige klachten, waarbij onder meer werd gesteld dat voor het transport van wijn gebruik was gemaakt van tanks waarin ook andere produkten waren vervoerd, en dat bij het filtreren van de wijn asbesthoudend materiaal was gebruikt, welke praktijken ofwel gevaar konden opleveren voor de verbruikers, of in elk geval leidden tot verontreiniging van de wijn. Overigens moet hieraan worden toegevoegd, dat het aantal klachten klein was en dat zij veeleer betrekking hadden op specifieke gevallen dan op een algemene praktijk. De Italiaanse autoriteiten verklaarden trouwens dat het daarbij ging om overtredingen van de Italiaanse voorschriften.
Op 10 juli 1981 kwam het Comité national du Commerce communautaire des Vins et Spiritueux, een Franse ondernemersvereniging, tweemaal bijeen. Volgens de notulen van die vergaderingen, door de Commissie aan het Hof overgelegd, werd tijdens de eerste vergadering gesproken over het probleem dat de invoer van buitensporige hoeveelheden wijn van minder dan 13o in Frankrijk had veroorzaakt; er werd voorgesteld dat de leden zich tot eind augustus 1980 vrijwillige beperkingen zouden opleggen, op voorwaarde dat de Franse overheid vóór 15 juli 1980 formeel zou garanderen dat alle Italiaanse wijn van minder dan 13o, of ingevoerd door handelaars die geen lid waren van de vereniging, vier maanden lang zou worden opgehouden. Op 20 juli 1981 nam het Comité een resolutie aan, waarin melding wordt gemaakt van een onderhoud van zijn voorzitter met de minister van Landbouw, waarna het Comité een beperking op maandbasis tot ongeveer 425000 hl Italiaanse rode wijn en rosé van meer dan 13o voorstelde, en te kennen gaf dat het bereid was het aantal vergunningen voor in de loop van de maand augustus in te klaren wijn te halveren; als tegenprestatie verzocht het Comité de Franse autoriteiten, ervoor te zorgen dat het beleid van vrijwillige beperking niet zou worden gesaboteerd door niet-leden van die vereniging.
In augustus 1981 werd in de wijnbouwgebieden in Zuid-Frankrijk gedemonstreerd tegen de lage prijzen en de omvang van de invoer van Italiaanse wijn, en het kwam daarbij tot gewelddadigheden tegen tankauto's en schepen die die wijn vervoerden. Medio augustus begonnen de Franse instanties met systematische oenologische onderzoeken van alle in bulk geïmporteerde wijn uit Italië (wat tot aanzienlijk tijdverlies leidde), en weigerden zij sommige partijen Italiaanse wijn in te klaren op grond dat de documenten niet in orde waren, in het bijzonder omdat op het geleidedocument VA 1 het woord „Italië” ontbrak; er waren ook klachten dat op het stuk dat de wijn vergezelde, het officiële stempel hetzij ontbrak hetzij onleesbaar was, en dat onder meer het alcoholgehalte en de naam van de vervoerder op dat stuk niet voorkwamen. Zo stuurden de Franse autoriteiten bijvoorbeeld op 14 augustus 1981 een telexbericht aan hun Italiaanse collega's met een verzoek om inlichtingen over de herkomst van 21167 hl wijn, bedoeld in 35 formulieren. Op 25 en 27 augustus 1981 antwoordden de Italiaanse autoriteiten bij telexbericht, dat de wijn inderdaad van Italiaanse oorsprong was. Op 27 augustus 1981 vroegen de Franse autoriteiten evenwel om de geleidedocumenten. Bijlbrieven van 26 augustus en 2 en 11 september 1981 vroegen de Franse autoriteiten hun Italiaanse collega's alweer om meer bijzonderheden, ditmaal over 2237 formulieren betreffende 1068000 hl wijn, en vorderden zíj de documenten op die de wijn tijdens het vervoer vanuit Italië hadden vergezeld. Het ligt voor de hand, dat het de Italiaanse instanties niet mogelijk was, snel alle van hen verlangde inlichtingen te verstrekken. Intussen bleef de wijn aan de grens geblokkeerd.
Bij brief van 7 september 1981 aan de Franse Republiek gaf de Commissie als haar mening te kennen, dat het Franse beleid van systematische invoercontroles in strijd was met Frankrijks verplichtingen krachtens verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 54 van 1979, blz. 1).
In een andere brief aan de Franse Republiek, gedagtekend 9 september 1981, gaf de Commissie te kennen dat de Franse maatregel om bij wijnimport in bulk uit Italië de geleidedocumenten te verifiëren, een schending opleverde van artikel 30 EEG-Verdrag en van afgeleid gemeenschapsrecht, waaronder verordening nr. 355/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm, van wijn en druivemost (PB L 54 van 1979, blz. 99).
Op dezelfde datum beantwoordde de Italiaanse minister van Landbouw de Franse brieven met verzoeken om inlichtingen van 26 augustus en 2 september 1981. Hij sprak echter zijn verbazing uit over het feit dat die verzoeken betrekking hadden op het merendeel van de Italiaanse exporten in bulk naar Frankrijk gedurende een periode van verschillende maanden, en dat het grootste deel van de wijn aan de grens geblokkeerd bleef, afgezien van enkele partijen die waren vrijgegeven en waarvoor de opgeworpen vragen niet relevant leken te zijn.
In zijn schriftelijk antwoord van 21 en 24 september 1981 op de mededelingen van de Commissie van respectievelijk 7 en 9 september, hield Frankrijk in elk afzonderlijk geval staande, dat de voortzetting van het Franse beleid gerechtvaardigd was. Flet betoogde, dat de vergissingen of onvolledigheden in de documenten VA 1 substantiële gebreken waren, dat zij een redelijke grond opleverden voor het vermoeden dat de wijn niet voldeed aan de gemeenschapsregeling inzake wijn, zodat Frankrijk gerechtigd was de maatregelen te nemen waarin artikel 3 van verordening nr. 359/79 voorzag, en dat de Italiaanse autoriteiten sommige vragen na zes maanden nog steeds niet hadden beantwoord. Op 2 oktober 1981 gaf de Commissie een met redenen omkleed advies, waarin zij stelde dat de Franse praktijk met betrekking tot de aan de documenten te stellen eisen een schending van het gemeenschapsrecht opleverde; op 12 oktober 1982 gaf zij een tweede met redenen omkleed advies van dezelfde strekking, betreffende de systematische analyse van de importen.
Op 13 oktober 1981 kwamen de Franse en de Italiaanse autoriteiten te Pisa tot een akkoord, waarbij werd overeengekomen dat 1068000 hl Italiaanse wijn, die aan de grens waren vastgehouden, uiterlijk op 15 december 1981 zouden worden vrijgegeven. Op 20 oktober 1981 deelde de Franse Republiek de Commissie mee, dat zij had besloten de geïmporteerde Italiaanse wijn te onderwerpen aan steekproeven — naderhand werd een frequentie van 1 op 10 genoemd — in plaats van aan systematische analyse. Dezelfde dag zond het Comité national du Commerce communautaire des Vins et Spiritueux zijn leden een circulaire met de mededeling dat de Franse autoriteiten de aan de grens geblokkeerde wijn tussen 19 oktober en 13 december 1981 zouden vrijgeven in hoeveelheden van 120000 hl per week, en dat het Comité daartegenover had besloten, alle importen in bulk van Italiaanse wijn te verbieden van 25 oktober tot 30 november respectievelijk 7 december, naar gelang van de -invoerhaven. De Franse Republiek zegt nu dat er nooit een dergelijke overeenkomst met het Comité is geweest.
Dan volgde een periode van betrekkelijke rust. In november 1981, toen er een invoerverbod voor leden van het Comité national van kracht zou zijn geweest, was de hoeveelheid Italiaanse wijn die in Frankrijk werd ingeklaard, inderdaad veel geringer dan in gelijk welke andere periode waarvoor het Hof over cijfers beschikt. Later nam het invoervolume weer toe, en in januari 1982 lag het dicht bij het hoogste peil sedert mei 1979. Op 2 februari 1982 deelden de Franse autoriteiten de Commissie mee, dat in de Zuidfranse wijnbouwgebieden ernstig ongenoegen was ontstaan naar aanleiding van de toegenomen Italiaanse invoer in januari tegen prijzen beneden de toenmalige marktprijzen. Bijgevolg had de Franse regering besloten het aantal kwaliteitskeuringen van uit Italië ingevoerde wijn op te voeren. Naar het Hof thans weet, hebben de Franse autoriteiten in die periode analyses verricht bij ongeveer driekwart van de Italiaanse wijnimporten in bulk. In een tweede telexbericht van dezelfde datum, gericht aan de vice-voorzitter van de Commissie, wezen de Franse autoriteiten op het toenemend gevaar voor gewelddadige betogingen en vestigden zij andermaal de aandacht op de lage prijzen van Italiaanse wijn.
Zo was de situatie op 5 februari 1982, toen de Commissie het onderhavige beroep instelde. Bij beschikking van 4 maart 1982 beval het Hof voorlopige maatregelen; vanzelfsprekend prejudiciëren zij niet op de uitspraak ten gronde.
Krachtens artikel 36 EEG-Verdrag staat het de Franse regering vrij, de invoer van wijn uit Italië te beperken, door middel van oenologische analyses of anderszins, wanneer die beperkingen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van het leven van personen en geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel vormen. In zijn arrest van 15 december 1976 (zaak 35/76, Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1871, r.o. 24) wees het Hof er evenwel op, dat artikel 36 niet ten doel heeft bepaalde onderwerpen voor te behouden aan de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staten, doch slechts toelaat dat in de nationale wetgevingen een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel van het vrije verkeer, voor zover zulks gerechtvaardigd is en blijft ter bereiking van de in dat artikel genoemde doelstellingen. De nationale autoriteiten hebben bijgevolg geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de vraag of een bepaalde beperking gerechtvaardigd is dan wel een middel tot willekeurige discriminatie vormt. Het is integendeel het gemeenschapsrecht, zoals uitgelegd door het Hof, dat bepaalt of een specifieke beperking gerechtvaardigd kan zijn dan wel een discriminatie oplevert. Het Hof heeft voor recht verklaard, dat een beperking niet gerechtvaardigd is op grond van artikel 36, zolang zij niet „noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van personen”, inzonderheid „wanneer de gezondheid en het leven van personen even doeltreffend kunnen worden beschermd door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken” (arrest van 20 mei 1976, zaak 104/75, de Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613, r.o. 16 en 17; arrest van 8 november 1979, zaak 251/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3369, r.o. 23). Voorts heeft het Hof het mogelijk geacht, dat ook in het belang van de volksgezondheid toegelaten incidentele keuringen van ingevoerde produkten onverenigbaar kunnen zijn met artikel 36 indien zij „zo veelvuldig voorkomen dat zij een verkapte beperking van de handel tussen Lid-Staten vormen” (zaak 35/76, Simmenthal, reeds aangehaald, r.o. 38).
Op basis van de gegevens waarover het Hof beschikt, kunnen de Franse autoriteiten naar mijn mening in casu niet aannemelijk maken dat er in de relevante periode een algemeen en ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestond als gevolg van de importen van Italiaanse wijn. Ter terechtzitting heeft de Franse regering met zoveel woorden erkend, dat zijzelf en de Italiaanse regering het erover eens waren, dat de gevallen waarin Italiaanse wijn in verontreinigde tanks was vervoerd, eerder uitzonderingen waren.
Het argument, dat de gewraakte maatregelen in het belang van de gezondheid en van de bescherming van de verbruiker waren genomen, overtuigt niet in het licht van de constatering dat toen de systematische analyse werd vervangen door analyses met een frequentie van één op tien, dit geen enkel schadelijk gevolg blijkt te hebben gehad. Dat plotseling weer ertoe werd overgegaan om drie van elke vier partijen aan analyse te onderwerpen, blijkt ook niet in verband te staan met het ontdekken van wijn van slechte kwaliteit. Evenmin is gesteld dat het nemen van maximaal 15 % steekproeven bij de ter inklaring aangeboden partijen, overeenkomstig de door het Hof bevolen voorlopige maatregelen, tot klachten over wijn van bedenkelijke kwaliteit zou hebben geleid.
Bovendien is ter terechtzitting in kort geding al komen vast te staan, dat Franse wijn, na zijn verlading op vrachtauto's, niet stelselmatig op zijn oenologische eigenschappen wordt gecontroleerd. Er worden steekproefsgewijs vrachtwagens onderzocht om te voorkomen dat wijn in verontreinigde tanks wordt vervoerd, die keuringen worden evenwel niet in alle gevallen verricht, en het gecontroleerde voertuig met zijn lading wordt niet vastgehouden tot het resultaat van de analyse bekend is. Ofschoon de Franse wijn grondige kwaliteitscontroles ondergaat, waren deze naar verhouding veel minder talrijk dan de keuringen van Italiaanse wijn in de betrokken periodes. De Italiaanse wijnproducenten werden dus benadeeld ten opzichte van hun Franse concurrenten, omdat zij de last droegen van de vertraging waartoe de systematische algemene, of tenminste zeer uitgebreide, analyse van hun produkt leidde. Het is opvallend, dat in 1979 partijen die aan steekproeven werden onderworpen, in 14 dagen konden worden ingeklaard, terwijl de nieuwe maatregelen vier maanden vertraging veroorzaakten voor wijn van minder dan 13o, en één maand vertraging voor wijn van meer dan 13o. Artikel 36, tweede volzin, EEG-Verdrag verbiedt dat soort discriminatie. Het percentage controles, hetzij bij alle, hetzij bij driekwart van de partijen, staat in geen verhouding tot de maatregelen die nodig waren wegens het betrekkelijk geringe aantal vastgestelde gebreken van de tanks of de filtreermethode.
De Franse regering stelt, dat zij het recht had grote hoeveelheden Italiaanse wijn op te houden of buiten te sluiten wegens schending van de gemeenschapsvoorschriften inzake documenten. Zij tilt vooral zwaar aan het feit dat de importeurs de Lid-Staat van oorsprong van de wijn niet op de geleidedocumenten hadden vermeld.
De modellen van de geleidedocumenten voor wijnbouwprodukten die tussen Lid-Staten worden vervoerd, zijn vastgesteld bij verordening nr. 1153/75 van de Commissie van 30 april 1975 (PB L 113 van 1975, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 2617/77 van de Commissie van 28 november 1977 (PB L 304 van 1977, blz. 33). Formulier VA 1, waarvan het model in bijlage bij de verordening van 1975 is gevoegd, bevat een vak (nr. 11) met als opschrift „Omschrijving overeenkomstig de terzake geldende bepalingen”. Dat hierin de naam van de Lid-Staat van oorsprong moet worden ingevuld, blijkt niet onmiddellijk uit dat opschrift, te meer daar een ander vak (nr. 15) voorzien is van het opschrift „Wijnbouwgebied”. Het kan dan ook niemand verbazen dat de Italiaanse exporteur of zijn gemachtigde op een groot aantal van de aan het Hof overgelegde VA 1-formulieren in vak 11 iets heeft ingevuld in de aard van „Vino rosato da Tavola”. Zo is het evenmin verwonderlijk dat bij de export van Franse wijn naar Italië in vak 11 zeer vaak een algemene beschrijving van de wijn of de naam van de streek van herkomst wordt ingevuld, zonder vermelding van het land van oorsprong. Dat het wijnbouwgebied streken in meer dan één Lid-Staat kan omvatten, ligt niet voor de hand. Daarentegen is wel duidelijk, en door alle partijen aanvaard, dat de „terzake geldende bepalingen” waarvan sprake in het opschrift van vak 11, de bepalingen zijn van verordening nr. 355/79, waarvan artikel 9, lid 1, sub c, 1o, voorschrijft dat de omschrijving in de officiële documenten (de geleidedocumenten bedoeld in artikel 1, lid 2, sub b, van dezelfde verordening inbegrepen) voor wijn die naar een andere Lid-Staat wordt verzonden, de vermelding omvat van de Lid-Staat op wiens grondgebied de druiven zijn geoogst en de wijnbereiding heeft plaatsgevonden. Dus moest in vak 11 van de VA 1-geleidedocumenten voor wijnexporten van Italië naar Frankrijk het woord „Italië” worden ingevuld.
Volgens mij gaat het niet op, dat de Franse autoriteiten het fout invullen van vak 11 in de onderhavige zaak konden aangrijpen om aanzienlijke hoeveelheden Italiaanse wijn aan de grens vast te houden. In de gegeven omstandigheden was het evenmin gerechtvaardigd, alle desbetreffende documenten die de Franse [autoriteiten nodig achtten, op te vorderen. Uit de aan het Hof overgelegde exemplaren van formulier VA 1 blijkt duidelijk, dat het in de periode juist voorafgaande aan die waarop dit geding betrekking heeft, zoals trouwens ook in Vroeger jaren niet ongewoon was dat de vermelding van de Lid-Staat van oorsprong werd weggelaten, zowel bij exporten van Frankrijk naar Italië als in omgekeerde richting, en dat dat door de autoriteiten van de invoerhavens in beide Lid-Staten door de vingers werd gezien. In de praktijk stelde de douane zich stellig tevreden met een onderzoek van het formulier in zijn geheel, en ging zij uit van de pragmatische veronderstelling, al leverde die geen onomstotelijk bewijs op, dat wijn vergezeld van een in het Italiaans ingevuld formulier, met de naam van een Italiaanse afzender en transporteur, met de vermelding van een wijnbouwgebied dat Italië omvatte, en van de Italiaanse minister van Landbouw als bevoegde instantie, met de naam van een Italiaanse stad als identificatie van het douanekantoor van vertrek, tot bewijs van het tegendeel Italiaanse wijn was, en andersom wat Frankrijk betreft. Er was niet de geringste valabele aanwijzing dat een deel van de wijn niet van Italiaanse oorsprong was, zodat de oorsprong van. de wijn redelijkerwijs boven elke verdenking stond.
Een Lid-Staat die in die situatie verandering had willen brengen, had gebruik kunnen maken van de mogelijkheden geboden door verordening nr. 337/79, waarvan artikel 65 bepaalt dat de Lid-Staten en de Commissie elkaar de voor de toepassing van die verordening benodigde gegevens verstrekken, terwijl bij artikel 66 een Comité van beheer voor wijn wordt ingesteld, dat bevoegd is om elk vraagstuk te onderzoeken dat op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat te berde wordt gebracht. Die bepalingen zijn aangevuld door verordening nr. 359/79 van de Raad van 5 februari 1979 betreffende de rechtstreekse samenwerking tussen de door de Lid-Staten aangewezen instanties (PB L 54 van 1979, blz. 136), dat in artikel 8 bepaalt dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten regelmatig bijeenkomen in het kader van het Comité van beheer voor wijn, om van gedachten te wisselen over de uniforme controle op de naleving van de communautaire bepalingen in de wijnbouwsector. Die regeling is bedoeld om de uniforme toepassing van de communautaire bepalingen in de wijnbouwsector te waarborgen en de ontwrichting van de handel te voorkomen, die een voorspelbaar gevolg was van de houding van de Franse autoriteiten.
Indien de Franse douane een kennelijk ingeburgerde gewoonte wilde veranderen, had zij er beter aan gedaan de Italiaanse autoriteiten te waarschuwen dat zij na een voldoende lange periode om de exporteur op de hoogte te brengen, de in de verordeningen neergelegde eisen streng zou doen naleven, op straffe van weigering partijen Italiaanse wijn in bulk in Frankrijk in te klaren.
Ofschoon de Italiaanse autoriteiten strikt gesproken de bal missloegen met hun argument, dat wanneer het effectief alcoholgehalte (vak 12) is ingevuld, het totaal alcoholgehalte (vak 13) bij droge wijnen daaraan gelijk is, zodat het van buitensporige ijver zou getuigen om ook vak 13 in te vullen, is het wel begrijpelijk waarom dat vak werd overgeslagen. En ofschoon het officiële stempel zowel op het dubbel als op het origineel moet worden aangebracht, is er werkelijk geen reden voor wantrouwen wanneer de Italiaanse autoriteiten kort kunnen bevestigen dat het origineel naar behoren is afgestempeld.
De door Frankrijk tot de Italiaanse autoriteiten gerichte verzoeken om inlichtingen betreffende in Frankrijk aangekomen partijen wijn, kunnen volgens mij in dit geval niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 3 van verordening nr. 359/79, noch op grond van verordening nr. 1714/81 van de Commissie van 26 juni 1981 (PB L 170 van 1981, blz. 28). Eerstgenoemde verordening voorziet in rechtstreekse samenwerking tussen nationale autoriteiten, met name indien er „een gegrond vermoeden is dat (het) produkt niet overeenstemt met de wijn-bouwvoorschriften”, of indien documenten of boekingen twijfel doen rijzen. De tweede verordening voorziet vooral in snelle communicatiemiddelen tussen de nationale autoriteiten, teneinde overtredingen te voorkomen of op te sporen en bedrog te bestraffen. Naar deze twee verordeningen werd verwezen in het telexbericht van 14 augustus 1981, waarin de Fransen de Italiaanse autoriteiten verzochten hun alle nodige informatie te verstrekken om de oorsprong te kunnen vaststellen van de wijn die de dag voordien aan boord van vier schepen in de haven van Séte was aangekomen. Uit dat telexbericht noch uit enig vertoog voor het Hof is gebleken van een gegrond vermoeden dat het produkt niet overeenstemde met de gemeenschapsvoorschriften inzake wijn, van twijfels waartoe de geleidedocumenten aanleiding zouden geven, of van omstandigheden die een overtreding of bedrog konden laten vermoeden. In het telexbericht wordt niet gezegd dat de exporteur had nagelaten formulier VA 1, vak 11, naar behoren in te vullen; gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak, onder meer de gewoonte — zowel bij de Franse als bij de Italiaanse instanties — dergelijke verzuimen door de vingers te zien, wettigt dat verzuim, gesteld al dat er hier sprake van was, mijns inziens niet de conclusie dat de documenten of de vermeldingen twijfels deden rijzen.
Een Lid-Staat die gebruik wil maken van de bij verordening nr. 359/79 ingevoerde regeling, moet dat, zo meen ik, wel met redelijke spoed doen. Hij heeft niet het recht de wijn langere tijd in de invoerhaven vast te houden alvorens overeenkomstig artikel 3 van die verordening een onderzoek in te stellen. In casu staat evenwel vast, dat de Franse verzoeken van augustus en september 1981 aan de Italiaanse autoriteiten om een onderzoek van meer dan 2200 VA 1-formulieren, betrekking hadden op wijn die in de loop van een periode van verschillende maanden in Franse havens was aangekomen. Een gedeelte blijkt in januari te zijn aangekomen; de rest in mei, juni en juli. De Franse regering verklaarde, dat een aantal verzoeken om inlichtingen ofschoon achteraf gedaan, „heel goed betrekking konden hebben” op partijen wijn die door de Franse douane tenminste reeds gedeeltelijk waren ingeklaard. Maar dat doet niet af aan het feit, dat de wijn in een aantal gevallen langere tijd in de haven werd vastgehouden voordat er inlichtingen werden gevraagd. De Franse regering heeft dit niet serieus betwist, en het blijkt duidelijk uit de antwoorden van Italië op de vragen van het Hof. En ofschoon de Italiaanse autoriteiten in enkele gevallen nogal wat tijd nodig hadden om aan de Franse verzoeken om inlichtingen te voldoen, kon dit hun bezwaarlijk kwalijk worden genomen gezien het zeer grote aantal verzoeken om inlichtingen betreffende wijntransporten in bulk.
Ook moeten de autoriteiten van het land van invoer, zodra de documenten zijn gecontroleerd en in orde bevonden, de wijn dadelijk inklaren. In de onderhavige zaak is het evenwel voorgekomen dat de wijn, ook na die akkoordbevinding niet werd ingeklaard. Zo vroegen de Fransen bij telexbericht van 20 augustus 1981 nadere inlichtingen over bepaalde partijen wijn. Het Italiaanse antwoord met de gevraagde inlichtingen kwam bij telexberichten van 25 en 27 augustus. Toch werd die wijn eerst in oktober, na het akkoord van Pisa, vrijgegeven.
Tenslotte moet erop worden gewezen, dat verordening nr. 359/79 betreffende de samenwerking tussen de nationale instanties belast met de controle op de naleving van de communautaire en de nationale bepalingen in de wijnbouwsector, gebaseerd is op artikel 64, lid 2, van verordening nr. 337/79, dat de Raad bevoegd verklaart om „maatregelen vast (te stellen) welke nodig zijn voor een uniforme toepassing van de communautaire bepalingen.” De bepalingen van verordening nr. 359/79 mogen dan ook alleen voor dat specifieke doel worden aangewend en niet om het ritme van de wijnimport te regelen, ook al is een Lid-Staat van mening dat dat ritme te hoog ligt. Dat in augustus, september en oktober 1981 Italiaanse wijntransporten in bulk bij de Franse douane werden ingeklaard volgens een ritme dat overeenkomt met wat het Comité national in zijn resolutie van 20 juli 1981 had voorgesteld, kan niet worden genegeerd zonder de waarheid geweld aan te doen. De Commissie toonde ter terechtzitting aan, dat de in de loop van die maanden ingeklaarde hoeveelheden nagenoeg overeenkwamen met de intussen opgelopen achterstand. Evenmin mag uit het oog worden verloren, dat de Franse regering in haar telex van 2 februari 1982 aan de Commissie verklaarde, dat de maatregelen die zij zojuist had genomen, het gevolg waren van de onrust in de Midi na de sterk toegenomen importen van Italiaanse wijn in januari. Volgens de cijfers van de Franse regering brachten die maatregelen de hoeveelheden door de Franse douane ingeklaarde Italiaanse wijn ongeveer terug tot het door het Comité national voorgestelde niveau. Ofschoon ik bereid ben aan te nemen dat er in de eerste helft van 1981 gegronde redenen waren om de tanks waarin een klein aantal partijen werd vervoerd, te onderzoeken, en ofschoon de exporteurs zich niet nauwgezet aan de voorschriften hielden, zijn de Franse autoriteiten er mijns inziens niet in geslaagd hun stelling waar te maken, dat die feiten de door hen genomen maatregelen rechtvaardigden, dat de Italiaanse autoriteiten, ondanks de vertraging bij het beantwoorden van sommige vragen, in hun samenwerking zijn tekortgeschoten, dat er overtuigende bewijzen van bedrog waren of dat het vermoeden bestond dat de opgaven omtrent kwaliteit, soort of oorsprong van de wijn niet met de _ werkelijkheid overeenstemden. Het feit dat de Franse autoriteiten terzelfdertij d problemen hadden met de wijnbouwers in de Midi, en de formulering van de telexberichten van 2 februari 1982, moeten, tezamen met andere omstandigheden, onontkoombaar tot de gevolgtrekking leiden dat, hoeveel begrip men daarvoor ook kan opbrengen, de Franse autoriteiten aanzienlijke hoeveelheden Italiaanse wijn hebben vertraagd of tegengehouden in een poging die problemen op te lossen. De maatregelen die zij hebben genomen, stonden buiten iedere proportie, waren dus onverenigbaar met het Verdrag en leverden een schending op van artikel 30.
De moeilijkheden waarmee de wijnbouwers in de Midi te kampen hadden in de economische situatie van begin 1981 en januari 1982, waren reëel, maar zoals de Franse regering in haar telexbericht van 2 februari 1982 aan de vice-voorzitter van de Commissie zelf toegaf, zij dienden in communautair kader te worden opgelost; daarvoor bestaat er nu eenmaal een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt.
Op grond van het voorgaande, concludeer ik tot toewijzing van het beroep van de Commissie, met verwijzing van de Franse regering in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy