CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 4 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I —
Op 8 februari 1982 heeft de Bondsrepubliek Duitsland beroep ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, tot nietigverklaring van beschikking nr. 81/1034 van de Commissie van 16 november 1981, waarbij een bedrag van DM 32894745,37 was uitgesloten van financiering door de afdeling „Garantie” van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL).
Dit bedrag omvatte onder meer de twee volgende posten: DM 945,51 voor steun aan de particuliere opslag van tafelwijn en DM 16978093,28 voor monetair compenserende bedragen (mcb's) voor tarwe en tarwemeel, in het kader van de Duitse voedselhulp uitgevoerd voor rekening van het Duitse interventiebureau, de Einfuhr- und Vorratsstelle.
De Commissie weigerde dit beroep ten laste van het EOGFL te aanvaarden omdat het gebracht kan worden onder „restituties bij uitvoer naar derde landen” en „interventies ter regulering van de landbouwmarkt”, „welke volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten respectievelijk werden verleend en uitgevoerd.”
In haar verzoekschrift verklaart de Bondsregering dat zij, hoewel onverkort vasthoudend aan het standpunt dat zij aan de Commissie heeft meegedeeld, zich tot deze twee bedragen beperkt, „hoofdzakelijk uit doelmatigheidsoverwegingen en met het oog op een rationeel procesverloop”.
In de loop van de schriftelijke procedure heeft de Commissie ingestemd met de financiering van de uitgaven ter zake van steun aan de wijnopslag (DM 945,51). Dit is bevestigd bij beschikking nr. 83/34 van de Commissie van 14 januari 1983 betreffende de goedkeuring van de door de Bondsrepubliek Duitsland uit hoofde van het dienstjaar 1976 ingediende rekeningen.
Ik zal mij derhalve beperken tot het vraagstuk van de mcb's.
II —
Laat ik echter eerst het juridisch kader schetsen van de voedselhulp met graan in de tijd dat de betrokken leveringen plaatsvonden.
De door de Gemeenschap verleende voedselhulp is als zodanig niet geregeld in het EEG-Verdrag. Bij de onderhandelingen over de „Kennedy-ronde” hebben de Gemeenschap en de zes toenmalige Lid-Staten de internationale graanregeling van 18 augustus 1967 ondertekend. Zij omvatte een tarwehandelsverdrag en een voedselhulpverdrag (voor het besluit van de Raad van 17 maart 1970 houdende sluiting van deze beide verdragen, zie PB L 66 van 1970, blz. 1). Deze regeling, die tot 30 juni 1971 gold, is vervangen door de Internationale tarweovereenkomst van 1971, die namens de Gemeenschap eerst op 25 juni 1974 werd gesloten (PB L 219 van 1974, blz. 24), maar krachtens een besluit van de Raad al sinds 7 juni 1971 werd toegepast.
Evenals de regeling van 1967 bestaat de Internationale tarweovereenkomst van 1971 uit een tarwehandelsverdrag en een voedselhulpverdrag.
Ingevolge dit laatste is de Gemeenschap verplicht gedurende een bepaalde periode jaarlijks een bepaalde hoeveelheid te leveren, hetzij door gemeenschappelijke acties, hetzij door nationale acties van geringere omvang.
De nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen vindt plaats door de aankoop van graan of meel op de markt van de Gemeenschap of de aanwending van graan uit de voorraad van interventiebureaus, dan wel — in uitzonderlijke omstandigheden — door aankoop van graan op de wereldmarkt (artikel 22 bis van verordening nr. 120/67 van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, ingevoegd bij verordening nr. 289/69 van de Raad van 17 februari 1969; artikel 28, lid 1, van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975).
Voor de thans in geding zijnde transacties werd gebruik gemaakt van de eerste mogelijkheid, namelijk de aanwending van interventievoorraden.
De criteria voor de beschikbaarstelling van granen voor voedselhulp in de Gemeenschap en de financiering daarvan verschillen naar gelang het om nationale dan wel communautaire voedselhulp gaat.
a) Nationale voedselhulp
In dit geval wordt het graan beschikbaar gesteld via nationale aanbestedingen van interventievoorraden van de staat die de steun verleent, volgens de op het betrokken tijdstip geldende regeling ( 2 ).
Het gaat hier om een produkt dat onder een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten valt. De kosten ervan komen ten laste van de begroting van de schenkende Lid-Staat, maar de normale uitvoerrestituties, die het verschil tussen de prijs in de Gemeenschap en de wereldmarktprijs overbruggen, worden — onder aftrek van de na de fob-fase optredende kosten — gefinancierd door de afdeling Garantie van het EOGFL (hoofdstuk 6 van de begroting, „Restituties”). Men noemt dit de „communautaire financiering van de restituties fob.”
b) Voedselhulp van gemeen-schapswege
In dit geval wordt meestal overgegaan tot aanbesteding van de bij een interventiebureau opgeslagen voorraden. Dit is dan een communautaire aanbesteding, die openstaat voor iedere belangstellende, waar hij ook gevestigd is, en die betrekking heeft op levering fob of, een enkele maal, op levering in een verder stadium.
De steun komt dan geheel ten laste van de gemeenschapsbegroting: niet enkel de levering fob en, in voorkomend geval, de kosten van vervoer, verzekering (levering cif) en distributie, doch ook de waarde van het produkt zelf, afhangend van de interventieaankoopprijs op de datum van uitslag van de voorraden, worden ten laste gebracht van artikel 9 van de begroting („Samenwerking met de ontwikkelingslanden en andere derde landen”, hoofdstuk 92 „Voedselhulp”). Dit heet „financiering van schenkingen door de Gemeenschap.”
De levering van voedselhulp beantwoordt zodoende in bepaalde opzichten aan de specifieke criteria van het nationale of communautaire beleid inzake ontwikkelingshulp, terwijl er in andere opzichten verband bestaat met de steunmaatregelen op de landbouwmarkten.
Dit dualisme vond destijds uitdrukking in de verschillende budgettaire behandeling van de kredieten voor voedselhulp. De indeling van de begroting liet geen duidelijke splitsing toe tussen de uitgaven voor interventies op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de uitgaven voor interventies op grond van de eigenlijke communautaire voedselhulp. Naar gelang van de produkten — want de voedselhulp is uitgebreid tot alle landbouwprodukten, inzonderheid zuivelprodukten — en naar gelang van de wijze van beschikbaarstelling en de aard van de hulp, werden deze uitgaven hetzij volledig gefinancierd uit titel 9 van de algemene gemeenschapsbegroting, hetzij uit het hoofdstuk Garantie van het EOGFL (titel 6), hetzij gedeeltelijk uit elk van beide (zie de tweede overweging van verordening nr. 2681/74 van de Raad van 21 oktober 1974, PB L 288 van 1974, blz. 1; in deze verordening zijn de bepalingen van verordening nr. 1700/72 nagenoeg geheel overgenomen, hoewel laatstgenoemde verordening nimmer formeel is afgeschaft).
Verordening nr. 2681/74 van de Raad van 21 oktober 1974, die van toepassing is op de uitgaven in verband met de levering van landbouwprodukten, welke door de Lid-Staten na 1 januari 1975 zijn betaald, bevat bepalingen die duidelijkheid in de situatie brengen:
—
onder titel 9 (Uitgaven voor voedselhulp) vallen de kosten die de waarde van het produkt vertegenwoordigen; deze komen ten laste van de Gemeenschap krachtens de verplichtingen die uit door de Raad gesloten overeenkomsten of akkoorden voortvloeien;
—
onder titel 6 (EOGFL, afdeling Garantie) valt het gedeelte van de kosten, dat met de uitvoerrestituties overeenkomt.
Sedert de instelling van de mcb's in het handelsverkeer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen (verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, PB L 106 van 1971, blz. 1), worden in het laatste geval de bij invoer toegekende compenserende bedragen in mindering gebracht op de heffingen, terwijl de bij uitvoer toegekende bedragen aan de restituties worden toegevoegd.
De vraag is dus of, in het geval van voedselhulpleveringen door een Lid-Staat met een „dure” munt, compenserende bedragen bij het uitvoeren uit die staat kunnen worden toegekend en, zo ja, onder welke voorwaarden die bedragen, op gelijke voet als de uitvoerrestituties, door de Gemeenschap kunnen worden gefinancierd.
III —
In opdracht van de Duitse regering stelde de Einfuhr- und Vorratsstelle zekere hoeveelheden tarwe en tarwemeel uit zijn voorraden beschikbaar voor levering in het kader van de nationale voedselhulp. Na desbetreffende aankondigingen in de Bundesanzeiger, die geen uitdrukkelijke verwijzing naar de gemeenschapsregelingen bevatten, werd tot aanbesteding overgegaan. Gegadigden moesten hun aanbiedingen doen in DM; de geboden prijs moet een nettoprijs fob of cif zijn. De handelaar die het laagste bod had gedaan, kreeg het contract gegund en de leveringen vonden plaats tussen 1 juli 1972 en 18 maart 1975.
Tussen deze twee data diende de Einfuhr- und Vorratsstelle 200 restitutieaanvragen in bij het douanekantoor Hamburg. In de meeste gevallen werd geen restitutie betaald, want wegens de stijging van de graanprijzen op de wereldmarkt gold van november 1973 tot maart 1975 hiervoor een nultarief.
Bij de restitutieaanvragen waren de zogenoemde controle-exemplaren gevoegd; deze zijn vereist wanneer de toepassing van een gemeenschapsmaatregel (in casu toekenning van restitutie) afhankelijk is van het bewijs dat de betrokken goederen een bepaald gebruik of een bepaalde bestemming hebben gekregen (verordening nr. 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969 betreffende het gebruik van de documenten voor comunautair douanevervoer met het oog op de toepassing van communautaire maatregelen welke een controle op het gebruik en/of de bestemming van goederen met zich brengen).
De algemene regel en toepassingsmodaliteiten voor uitvoerrestituties (artikel 16 van verordening nr. 120/67) zijn van overeenkomstige toepassing op de mcb's.
Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de aanvrager aan bepaalde verplichtingen voldoen: door overlegging van een controle-exemplaar het bewijs leveren dat de goederen zijn uitgevoerd, een schriftelijk verzoek indienen, eventueel op een speciaal formulier indien de betrokken Lid-Staat dit voorschrijft, en op straffe van verval van recht — behoudens overmacht — binnen zes maanden na de vervulling van de douaneformaliteiten een betalingsdossier inzenden (artikel 14 van verordening nr. 1463/73).
IV —
Bij verordening nr. 456/75 van de Commissie van 26 februari 1975 (PB L 51 van 1975, blz. 5) werd verordening nr. 1463/73 aangevuld met het volgende artikel 16 bis:
„1.
Ten aanzien van produkten die als communautaire of nationale voedselhulp worden geleverd, wordt geen monetair compenserend bedrag toegepast
—
in het intracommunautaire handelsverkeer en bij uitvoer naar derde landen, als het produkten uit interventievoorraden betreft;
—
bij uitvoer naar derde landen, als het op de markt van de Gemeenschap beschikbaar gestelde produkten betreft.
2.
Over uitvoer naar derde landen in het kader van de volgens de procedure van artikel 6 van verordening (EEG) nr. 974/71 goedgekeurde voedselhulpacties van humanitaire organisaties wordt geen monetair compenserend bedrag geheven.”
Deze bepalingen traden in werking twintig dagen na 27 februari 1975 (de datum van bekendmaking in het PB); wanneer de belanghebbende erom verzocht, werd artikel 16 bis, lid 1, echter al met ingang van 1 januari 1974 toegepast (artikel 3 van verordening nr. 456/75; deze bepalingen zijn overgenomen in artikel 18 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen, in werking getreden op 1 juni 1975).
Uit deze regeling volgt, dat wanneer mcb's waren geheven bij de uitvoer van produkten uit interventievoorraden in het kader van nationale voedselhulp aan derde landen, de exporteur achteraf vrijstelling van die heffing kon vragen.
De Duitse instanties hebben er echter a contrario nog een andere conclusie uit getrokken, namelijk dat voor de inwerkingtreding van de verordening de toekenning van mcb's geoorloofd was bij export van produkten uit interventievoorraden in het kader van nationale voedselhulp aan derde landen. Het was dus mogelijk de tussen 1 juli 1972 en 18 maart 1975 verrichte exporten tot het bedrag van de compenserende bedragen te laten financieren door het EOGFL, want dat die exporten inderdaad hadden plaatsgevonden, bleek uit de controle-exemplaren; waar het echter om draaide, was of de belastingsdossiers konden gelden als formele verzoeken om toekenning van mcb's. Daar de laatste betalingsdossiers betreffende de leveringen die tussen 1 juli 1972 en 18 maart 1975 hadden plaatsgevonden, in augustus 1975 door de Einfuhr- und Vorratsstelle bij het Hauptzollamt Hamburg waren ingediend, ging deze instantie ervan uit, dat aan deze voorwaarde was voldaan, en betaalde zij de Einfuhr- und Vorratsstelle in totaal een bedrag van DM 16978093,28, waarvan thans wordt gevorderd dat zij door het EOGFL zouden worden gefinancierd.
Toen de diensten van de Commissie controleerden of de uitvoercertificaten bij de betalingsdossiers waren gevoegd, stelden zij vast dat een schriftelijk verzoek om toekenning van mcb's ontbrak.
Ter uitvoering van artikel 13 van verordening nr. 1463/73 was bij mededeling van de Bondsminister van Landbouw van 30 mei 1973, in de Bundesanzeiger verschenen op 5 juni 1973, echter voorgeschreven dat de mcb's bij uitvoer schriftelijk moesten worden aangevraagd met gebruikmaking van een formulier volgens een door het ministerie van Financiën vastgesteld model.
Aanvankelijk stelden de diensten van de Commissie zich op het standpunt, dat het eigenlijke verzoek om toekenning van mcb's was ingediend na de inwerkingtreding van verordening nr. 456/75, en dat de overlegging van het controleexemplaar enkel als een dergelijk verzoek kon worden beschouwd wanneer de Einfuhr- und Vorratsstelle bij de indiening Van het betalingsdossier voor de restituties tevens formeel te kennen, had gegeven dat het aanspraak maakte op de mcb's.
De diensten van de Commissie sloten zich daarmee aan bij een opmerking in het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 1980 (PB C 344 van 1981, blz. 110, hoofdstuk 9, punt 17):
„Aan de exporteurs van de voedselhulpgoederen mogen geen restituties of monetair compenserende bedragen worden betaald, daar zij de normale prijs van de communautaire markt ontvangen ... Om dergelijke fouten te vermijden, lijkt het noodzakelijk dat de nationale instanties die belast zijn met de betaling van de voedselhulp, van de leverancier overlegging vereisen van het uitvoercertificaat (formulier T 5 of EX 16), ten einde te beletten dat de leverancier bij een andere dienst de restituties int, die tegen overlegging van dat certificaat worden afgerekend ...”
Onder verwijzing naar's Hofs arrest van 6 juni 1972 (zaak 94/71, Schlüter, Jurispr. 1972, blz. 307) betoogden de Duitse instanties, dat uit het feit dat de Einfuhr- und Vorratsstelle het controleexemplaar binnen de in artikel 14 van verordening nr. 1463/73 gestelde termijn, bij het voor de restituties bevoegde douanekantoor had ingediend, objectief de bedoeling sprak om alle voordelen (restituties en mcb's) te verkrijgen, waarop de exporteur op grond van de in dat document geleverde bewijzen aanspraak kan maken, en dat het moest worden beschouwd als een verzoek om toekenning van mcb's in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1463/73.
Tijdens de schriftelijke behandeling heeft de Commissie erkend, dat de overlegging van controle-exemplaren kon gelden als een verzoek om toekenning van mcb's. Zij deed deze concessie echter enkel voor die gevallen, waarin die exemplaren een door haar voor volstrekt noodzakelijk gehouden verwijzing — al was het maar indirect — naar de mcb's bevatten. Zo aanvaardde zij dat voor exporten, waarbij de handelaar had verklaard dat hij kennis had genomen van de mededeling van de Bondsminister van 30 mei 1973 of op enigerlei andere wijze aan de mcb's had gerefereerd, aanspraak op deze bedragen bestond. Zij bracht derhalve een positieve correctie aan voor een bedrag van DM 11570202,60 doch handhaafde haar weigering ten aanzien van het restbedrag (DM 5407890,68).
V —
Men zou het probleem dus kunnen formuleren als volgt: kan de tijdige indiening door een overheidsorgaan van een betalingsdossier inzake restituties achteraf gelden als een verzoek om toekenning van mcb's, ook wanneer geen restituties zijn uitbetaald en het speciaal voor dat verzoek voorgeschreven formulier niet is ingevuld?
De Duitse regering beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe aan, dat de controle-exemplaren T 5 tijdig door de Einfuhr- und Vorratsstelle zijn ingediend; deze documenten nu bewijzen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op mcb's, zodat de overlegging ervan gelijkstaat met een verzoek om betaling (de Commissie zou dit later overigens althans ten dele hebben erkend).
Het vereiste evenwel dat deze controleexemplaren althans een indirecte verwijzing naar de mcb's moeten bevatten, als bewijs dat de handelaar op het tijdstip van de export zich bewust was van zijn recht erop en dit recht ook wilde doen gelden, getuigt naar de mening van de Duitse regering van een buitensporig en discriminerend formalisme.
Buitensporig ten aanzien van het te bereiken doel, omdat de goederen de bestemming of de aanwending hebben gekregen waarvoor zij waren bedoeld, en omdat er geen enkel gevaar van dubbele betaling van de mcb's bestaat.
Discriminerend, omdat in andere Lid-Staten geen speciaal aanvraagformulier is vereist en de mcb's die bij de graanuitvoer naar derde landen in het kader van de nationale voedselhulp zijn toegekend, ten laste van het EOGFL zijn gebracht.
Na zich op een wat ruimer standpunt te hebben gesteld door te aanvaarden dat een verwijzing naar de ministeriële mededeling betreffende een speciaal aanvraagformulier of naar de mcb's in het algemeen, kan gelden als een verzoek in de zin van artikel 14 van verordening nr. 1463/73, wijkt de Commissie geen duimbreed meer en houdt staande dat, wanneer niet aan deze minimumeis is voldaan, er zelfs geen „begin” is van een verzoek.
Zij merkt voorts op dat in bepaalde gevallen, waarin aanvankelijk een „monetaire coëfficiënt” (zie artikel 4, lid 3, en artikel 18 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975; arrest van 9 maart 1978, zaak 79/77, Kühlhaus, Jurispr. 1978, blz. 611) op de restitutie was toegepast, dit later ongedaan is gemaakt. Aangezien de monetaire coëfficiënt enkel dan niet van toepassing is wanneer geen mcb verschuldigd is (artikel 4 van verordening nr. 1463/73) blijkt uit de ongedaanmaking duidelijk, dat naar het oordeel van de bevoegde Duitse instanties voor de betrokken leveringen geen mcb's verschuldigd waren. De Einfuhr- und Vorratsstelle deelde blijkbaar deze opvatting, aangezien zij niet heeft geprotesteerd tegen de niet-toepassing van de monetaire coëfficiënt en de daaruit stilzwijgend voortvloeiende niet-toepassing van mcb's. Deze conclusie zou bevestiging vinden in het feit dat de Einfuhr- und Vorratsstelle eerst in juni en augustus 1975 een formeel verzoek tot betaling van mcb's heeft ingediend.
Ook toen het Hauptzollamt voor het tijdvak november 1973 — maart 1975 geen restituties toekende, heeft de Einfuhr- und Vorratsstelle niet geprotesteerd tegen de daarin besloten liggende weigering van mcb's.
VI —
Ik weifel tussen deze twee stellingen.
Logisch gezien, zouden de mcb's alleen door het EOGFL moeten worden gefinancierd, wanneer het gaat om aanbestedingen van gemeenschapswege. De mcb's dienen alleen maar om de aanbiedingen vergelijkbaar te maken. Volgens de voorwaarden van de hier bedoelde aanbestedingen konden enkel ondernemingen uit één Lid-Staat deelnemen; zij hadden betrekking op graan van het interventiebureau van die Lid-Staat, hoewel de uitvoerformaliteiten in de Benelux-landen zijn vervuld.
Bovendien worden in het handelsverkeer met derde landen de mcb's — al naar het geval — opgeteld bij of afgetrokken van de heffingen en restituties; zij worden bij de restituties opgeteld indien de uitvoer plaatsvindt vanuit een Lid-Staat met een dure munt. Wordt geen restitutie toegekend, dan zou er in beginsel ook geen aanleiding zijn voor toekenning van mcb's.
Tenslotte weten wij niet, of de inschrijvers bij hun aanbieding al dan niet rekening nebben gehouden met de factor „mcb's” of dat daarmee ambtshalve rekening is gehouden.
In een arrest van 6 oktober 1982 (zaak 302/81, Eggers, Jurispr. 1982, blz. 3443), heeft het.Hof, hierin het voorstel van de Commissie volgend, evenwel beslist dat de overlegging van een controle-exemplaar geen dwingende voorwaarde is om in aanmerking te komen voor mcb's, en dat de nationale autoriteiten zowel het communautaire als het nationale controle-exemplaar moeten afgeven, die vereist zijn om toekenning van mcb's bij uitvoer te kunnen verkrijgen. Hieruit lijkt logisch te volgen, dat overlegging van een controle-exemplaar, ook wanneer het geen uitdrukkelijke verwijzing naar mcb's bevat, geldt als een verzoek om toekenning daarvan.
Met betrekking tot uitvoerrestituties verklaarde het Hof in zijn arrest van 22 januari 1975 (zaak 55/74, Unkel, Jurispr. 1975, blz. 9), dat enkel aan de hand van de rubrieken van het controle-exemplaar ( 3 ) niet in alle gevallen kan worden vastgesteld, of aan alle voorwaarden voor restitutieverlening is voldaan, en dat het aan de nationale instanties staat, in elk afzonderlijk geval vast te stellen of de vermeldingen op het controle-exemplaar voldoende bewijskracht hebben.
De Duitse instanties konden dus overlegging van verdere bewijsstukken verlangen. Krachtens artikel 13 van verordening nr. 1463/73 hadden zij daartoe inderdaad bij mededeling van 30 mei 1973 een speciaal formulier ingevoerd. In die mededeling stond ook dat een afzonderlijk verzoek om toekenning van monetair compenserende bedragen moest worden ingediend, ook wanneer een verzoek om uitvoerrestitutie was gedaan. Dit vereiste werd eerst bij mededeling van 2 juli 1976 met ingang van 17 mei 1976 afgeschaft.
Ik meen echter, dat het uitsluitend een zaak van de Duitse instanties is om zich er eventueel op te beroepen dat niet aan deze formaliteit is voldaan. Zij doen dit niet, wanneer zij ervan overtuigd zijn dat het bewijs is geleverd, dat aan de voorwaarden voor toekenning van mcb's is voldaan. Zij staan in voor de goede trouw van de exporteurs en van hun eigen diensten, en met name garanderen zij dat de mogelijkheid om twee maal betaling te verkrijgen of om de waar weer in het normale circuit te brengen, was uitgesloten.
De enige wijze waarop de Commissie zich met succes teweer kon stellen tegen de vordering tot terugbetaling voor de gevallen die nog in geding zijn, zou zijn dat zij het bewijs leverde dat niet aan die voorwaarden is voldaan en dat de goederen niet de beoogde of voorgeschreven bestemming hebben gekregen.
Daar dit bewijs niet is geleverd, concludeer ik tot nietigverklaring van beschikking nr. 81/1034 van 16 november 1981, voor zover daarin wordt geweigerd een bedrag van DM 5407890,68 ter betaling van mcb's bij de uitvoer van goederen in het kader van de nationale voedselhulp ten laste van het EOGFL te brengen, en tot verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Verordening nr. 1693/72 van de Raad van 3 augustus 1972 tot vaststelling van de criteria voor de beschikbaarstelling van de voor voedselhulp bestemde granen (PB L 178 van 1972, blz. 3), ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 2750/75 van 29 oktober 1975 (PB L 281 van 1975, blz. 89); de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1693/72 zijn vastgesteld bij verordening nr. 522/73 van de Commissie van 14 februari 1973 (PB L 50 van 1973, blz. 33). Verordening nr. 1703/72 van de Raad van 3 augustus 1972 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2052/69 voor wat betreft de communautaire financiering van de uitgaven voor de uitvoering van het vocdselhulpverdrag van 1967 en tot vaststelling van de voorschriften met betrekking tot de communautaire financiering van de uitgaven voor de uitvoering van het vocdselhulpverdrag van 1971 (PB L 180 van 1972, blz. 1). Verordening nr. 2681/74 van de Raad van 21 oktober 1974 betreffende de communautaire financiering van de uitgaven in verband met de levering van landbouwprodukten als voedselhulp (PB L 288 van 1974, blz. 1).
( 3 ) Artikel 1 van verordening nr. 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969, later als artikel 10 opgenomen in verordening nr. 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer, in de versie van verordening nr. 2105/81 van de Commissie van 16 juli 1981 (PB L 207 van 1981, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy