CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 10 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Commissie heeft zich krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag tot het Hof gewend, met het verzoek vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden zijn verdragsverplichtingen niet is nagekomen door in strijd met artikel 1 van richtlijn nr. 71/235 van de Raad van 21 juni 1971 (PB L 143 van 1971, blz. 28) toe te laten dat boter uit derde landen in douane-entrepôts wordt verpakt.
Het stelsel van douane-entrepots is geharmoniseerd bij richtlijn nr. 69/74 van de Raad van 4 maart 1969 (PB L 58 van 1969, blz. 7). Artikel 2, lid 1, bepaalt dat het stelsel van douane-entrepôts tot gevolg heeft „dat gedurende de opslag van de goederen de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen niet worden geheven.” Bij de uitslag uit entrepot moeten de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, onder een ander douanestelsel worden geplaatst of worden uitgevoerd (zie artikel 2, lid 2). In de considerans wordt overwogen „dat, aangezien de goederenopslag de wezenlijke functie van de douane-entrepots vormt, slechts die behandelingen gedurende de opslag kunnen worden toegelaten, welke worden verricht ter verzekering van het in goede staat bewaren van de goederen of ter verbetering van hun presentatie of handelskwaliteit en dat op opgeslagen goederen die andere behandelingen ondergaan het stelsel van douane-entrepots niet langer van toepassing kan zijn en deze goederen derhalve niet meer onder de regels van deze richtlijn dienen te vallen.”
Het stelsel van douane-entrepots kan worden geplaatst tegenover de regelingen „actieve” en „passieve veredeling”, die respectievelijk bij richtlijn nr. 69/73 van de Raad van 4 maart 1969 (PB L 58 van 1969, blz. 1) en richtlijn nr. 76/119 van de Raad van 18 december 1975 (PB L 24 van 1976, blz. 58) zijn geharmoniseerd. Onder de regeling actieve veredeling wordt verstaan de regeling krachtens welke ingevoerde goederen „mogen worden veredeld zonder betaling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landouwheffingen wanneer de goederen bestemd zijn om... uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden uitgevoerd” (artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 69/73); de regeling passieve veredeling is de overeenkomstige regeling „krachtens welke goederen van elke soort en elke oorsprong tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap mogen worden uitgevoerd ten einde met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer... te worden wederingevoerd, nadat zij buiten het douanegebied van de Gemeenschap één of meer... veredelingshandelingen hebben ondergaan” (artikel 2, lid 1, van richtlijn nr. 76/119; veredelingsprodukten zijn de produkten verkregen door één of meer van de in artikel 3 omschreven veredelingshandelingen, bijvoorbeeld de bewerking, daaronder begrepen het monteren, het samenbouwen of het aanbrengen aan andere goederen, de verwerking en de herstelling).
Hoewel de heffing van douanerechten zowel krachtens het stelsel van douane-entrepots als krachtens de regelingen actieve en passieve veredeling gedurende een bepaalde tijd kan worden opgeschort, streven deze regelingen verschillende doelstellingen na. De regeling actieve veredeling biedt de mogelijkheid om goederen die niet voor de gemeenschappelijke markt bestemd zijn, belastingvrij in te voeren, teneinde ze door in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen te laten veredelen en dan wederom uit te voeren. De regeling passieve veredeling is van toepassing wanneer de veredeling van voor de gemeenschappelijke markt bestemde goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap plaatsvindt. Het stelsel van douane-entrepots daarentegen is eenvoudig een regeling voor de opslag van goederen, zodat een importeur bijvoorbeeld een voorraad kan vormen en de belastingen en andere heffingen pas behoeft te betalen wanneer de goederen op de gemeenschappelijke markt worden gebracht.
Vaststaat dat gedurende de opslag van de goederen in een douane-entrepot bepaalde behandelingen kunnen worden verricht. Dit blijkt duidelijk uit de considerans van richtlijn nr. 69/74 en uit artikel 9, dat luidt als volgt:
„1.
De in een entrepot opgeslagen goederen, moeten er, onder de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde voorwaarden, de gebruikelijke behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat of ter verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit kunnen ondergaan. Uiterlijk één jaar na de kennisgeving van deze richtlijn stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de gemeenschappelijke lijst vast van de in de eerste alinea bedoelde gebruikelijke behandelingen die in de verschillende typen entrepots mogen worden verricht.
2.
Goederen die andere behandelingen ondergaan dan de in lid 1 bedoelde gebruikelijke behandelingen, zijn onderworpen aan de voorschriften die voor actieve veredeling gelden.”
De gemeenschappelijke lijst van gebruikelijke behandelingen is opgenomen in richtlijn nr. 71/235. Krachtens richtlijn nr. 74/147 van 4 maart 1974 (PB L 84 van 1974, biz. 1) mogen deze handelingen ook onder de regeling actieve veredeling worden verricht. Omgekeerd vallen bepaalde handelingen die onder de regeling actieve veredeling mogen worden verricht, niet onder de bepalingen inzake de douane-entrepots.
Ingevolge artikel 6 van richtlijn nr. 71/235 moesten de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om deze richtlijn uiterlijk per 31 december 1971 ten uitvoer te leggen. In Nederland gebeurde dit bij het — op 9 februari 1976 gewijzigde — Besluit Douane en Accijnzen. Artikel 210 van het Besluit verwijst voor de omschrijving van de gebruikelijke behandelingen naar artikel 1 van richtlijn nr. 71/235. Lid 1 van dit artikel bevat de gemeenschappelijke lijst, die luidt als volgt:
„1.
Het controleren, inventariseren en bemonsteren;
2.
Het herstellen van schade die tijdens het vervoer of de opslag is ontstaan, voor zover het eenvoudige handelingen betreft;
3.
Het schoonmaken;
4.
Het verwijderen van beschadigde delen;
5.
Het sorteren, zeven, wannen, mechanisch klaren, filteren, aftappen, overtappen of elke andere soortgelijke eenvoudige behandeling;
6.
Het aanbrengen op de goederen zelf of op de verpakking daarvan van merken, stempels, etiketten of andere soortgelijke herkenningstekens, op voorwaarde dat deze aanbrenging niet van dien aard is dat de goederen daardoor ogenschijnlijk van andere oorsprong zijn dan in werkelijkheid het geval is;
7.
Het wijzigen van de merken en de nummers van de colli, op voorwaarde dat deze wijziging niet van dien aard is dat de goederen daardoor ogenschijnlijk van andere oorsprong zijn dan in werkelijkheid het geval is;
8.
Het verpakken, uitpakken, ompakken en repareren van verpakkingen en het weer in de vereiste toestand brengen door het eenvoudig overgieten of overbrengen in andere verpakkingen;
9.
Het op steunen bevestigen van de goederen met het oog op hun verpakking of presentatie;
10.
Het eenvoudig sorteren en rangschikken;
11.
Het controleren, beproeven en bedrijfsklaar maken van machines, apparaten en voertuigen voor zover het eenvoudige handelingen betreft;
12.
Het door elkaar mengen van andere goederen dan likeuren, brandewijnen, wijnen en sterke dranken, voor zover het eenvoudige handelingen betreft;
13.
Het door elkaar mengen van likeuren;
14.
Het door elkaar mengen van brandewijnen;
15.
Het versnijden van wijn en andere gangbare oenologische praktijken;
16.
Het verdunnen met water van sterke dranken ten einde hun alcoholgehalte te verlagen;
17.
Het ontzouten, schoonmaken en crouponneren van huiden;
18.
Het breken van peulvruchten;
19.
Het splitsen van goederen voor zover het eenvoudige handelingen betreft;
20.
Elke behandeling die dient ter verzekering van de bewaring in goede staat van de goederen tijdens hun opslag, zoals het luchten, drogen, ook met behulp van kunstmatige warmte, koelen en bevriezen, toevoegen van conserveringsmiddelen, roken en zwavelen (behandeling tegen parasieten), smeren en antiroestbehandeling en het aanbrengen van een beschermende laag voor het vervoer.”
Er is op gewezen dat krachtens verordening nr. 3066/75 van de Raad van 24 november 1975 (PB L 307 van 1975, blz. 3) de toepassing van de regeling actieve veredeling kan worden verboden voor boter en dat de geldigheidsduur van deze verordening bij 's Raads verordeningen nrs. 875/77 van 26 april 1977 (PB L 106 van 1977, blz. 23) en 1363/80 van 5 juni 1980 (PB L 140 van 1980, blz. 15) tot 1981 is verlengd. Dit gold echter alleen wanneer de boter „bestemd was voor de vervaardiging van de in artikel 1 van verordening nr. 804/68 (PB L 148 van 1968, blz. 13) bedoelde produkten of van goederen welke voorkomen in de bijlage van genoemde verordening.” Bij verordening nr. 3352/75 van 23 december 1975 (PB L 330 van 1975, blz. 28) verbood de Commissie de toepassing van de regeling actieve verdeling voor boter bestemd voor de vervaardiging van dergelijke produkten, maar zij voegde eraan toe „en met name... de verpakking van losse boter in kleine verpakkingen voor de verkoop in het klein.” Deze bepaling werd gewijzigd bij verordening nr. 2119/78 van de Commissie van 7 september 1978 (PB L 246 van 1978, blz. 12) die „het verpakken in kleine pakjes” verbood van uit derde landen afkomstige boter waarvoor de heffing niet was toegepast. Ofschoon partijen dit punt niet hebben uitgediept, toch komt het mij voor, dat het verpakken van losse boter in kleine pakjes het vervaardigen is van een produkt als bedoeld in artikel 1 of in de bijlage van verordening nr. 804/68. Ik geloof echter niet dat deze bepalingen van belang zijn voor het probleem waarover het Hof in deze zaak heeft te beslissen.
Tussen partijen is in geschil, of de opmaak voor verpakking van in douane-entrepôts opgeslagen boter een van de in de lijst bedoelde gebruikelijke behandelingen is. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt dat de boter, die voor een deel afkomstig is uit Finland, Noorwegen en Zweden, en voor een deel uit het vrije verkeer in Nederland, in de douane-entrepots wordt opgeslagen in dozen van 15 of 25 kilogram bij een temperatuur van ongeveer — 18o C. In die toestand is zij te hard om te worden bewerkt of gesneden. Men neemt ze dus uit de vriesruimte en laat ze ontdooien tot op een temperatuur van ongeveer + 10o C, waarna de buitenste verpakking, die normaal van karton is, en de binnenste verpakking bestaande uit een speciaal soort papier, wordt verwijderd. De boterklompen worden dan met de hand in een machine geplaatst die ze tot een homogene massa kneedt en in een bepaalde vorm perst, gewoonlijk die van een lange staaf met een rechthoekige dwarsdoorsnede. Het kneden is blijkbaar noodzakelijk omdat de boterklompen aan de buitenkant een wat andere kleur hebben dan binnenin en het binnenste ook harder is. Zij worden dan mechanisch in een verpakkingsmachine gebracht die ze volgens het gewenste gewicht in stukken snijdt en in wikkels of blikken verpakt. De boter wordt doorgaans verpakt in pakjes van 10, 15 of 250 gram of in blikken van 1000 gram. Via een transportband belanden de pakjes of blikken op een paktafel, waar ze met de hand in kartonnen dozen worden geplaatst. Deze verrichtingen vormen blijkbaar één doorlopend proces. Alle verpakte boter wordt verkocht en afgeleverd ten behoeve van de bevoorrading van zeeschepen.
Volgens de Commissie is de gemeenschappelijke lijst van gebruikelijke behandelingen niet opgesteld om een opsomming te krijgen van de door de Lid-Staten toegelaten handelingen, doch om deze te harmoniseren. De lijst is bijgevolg uitputtend en de Lid-Staten mogen geen andere vormen van behandeling in de douane-entrepôts toelaten. Bovendien moet de lijst strikt worden uitgelegd, omdat de in artikel 9, lid 1, van richtlijn nr. 69/74 gegeven toelating om goederen dergelijke behandelingen te laten ondergaan „ter verzekering van hun bewaring in goede staat of ter verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit”, een afwijking is van het grondbeginsel dat douane-entrepots enkel bedoeld zijn voor opslag. Op grond hiervan stelt de Commissie, dat de betrokken verrichtingen niet vallen onder de in de lijst, inzonderheid onder punt 8, opgenomen behandelingen, aangezien
1.
er andere verrichtingen (wegen, kneden en vormen) dan het enkele verpakken van de boter in pakjes of blikken aan te pas komen, en
2.
de lijst enkel het oog heeft op „eenvoudige” behandelingen, wat het door elkaar mengen of het van elkaar scheiden, het kneden, vormen en wegen — waarvoor een gecompliceerder uitrusting nodig is dan voor het enkele verpakken — uitsluit.
Bovendien worden deze handelingen volgens de Commissie uitgevoerd met behulp van fabrieksmachines, die men in een entrepot gewoonlijk niet aantreft, en is de kostprijs hoger dan die van de verwerking van boter tot butteroil.
De Nederlandse regering daarentegen beweert, dat de gemeenschappelijke lijst van gebruikelijke behandelingen is opgesteld met het doel de traditionele praktijken van de Lid-Staten te inventariseren; de onderhavige bewerkingen nu zouden in Nederland traditioneel handelsgebruik zijn. Zij zouden in één arbeidsgang worden verricht ter verzekering van de bewaring in goede staat van de goederen of ter verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit, en zonder meer vallen onder artikel 1, sub 8, dat in elk geval slechts zou vereisen dat het overbrengen in andere verpakkingen een „eenvoudige” handeling vormt.
In dit verband is verwezen naar het verslag van de vergadering van 4-5 februari 1970, waar ambtenaren van de Commissie en vertegenwoordigers van de Lid-Staten overlegden over de opstelling van de lijst, en naar het voorstel van de Commissie van 20 oktober 1970. Uit het eerste blijkt duidelijk dat een bepaalde harmonisatie nodig werd geacht omdat bepaalde handelingen in sommige Lid-Staten als actieve veredeling werden beschouwd terwijl ze in andere onder het stelsel van douane-entrepôts vielen, en omdat sommige handelingen die in een Lid-Staat gebruikelijk waren, niet op de lijst voorkwamen. Volgens de toelichting bij het voorstel van de Commissie is voor de lijst van gebruikelijke behandelingen uitgegaan van de in de Lid-Staten toegestane behandelingen, waarbij niet alleen rekening is gehouden met de traditionele handelsgebruiken, maar ook met de eisen van de gebruikers van douane-entrepôts en vrije zones alsmede met de evolutie van de technieken van de controlemiddelen. Ik zie in deze stukken geen aanvaardbare leidraad voor de uitlegging van de verordening, maar er blijkt wel uit, dat de opstelling van de lijst het resultaat was van overeenstemming en dat het niet de bedoeling was daarin elke destijds in een Lid-Staat toegelaten behandeling op te nemen. Het feit dat de betrokken handelingen in Nederlandse douane-entrepots gebruikelijk waren, betekent daarom nog niet dat zij door de lijst worden gedekt.
Uit de considerans van richtlijn nr. 69/74 van de Raad blijkt duidelijk dat met de opstelling van de lijst werd beoogd tot harmonisatie te komen. Mijns inziens volgt daaruit, dat — zoals de Commissie heeft gesteld — de lijst als uitputtend moet worden beschouwd en dat de Lid-Staten dus enkel de daarin genoemde behandelingen mogen toelaten.
Hoewel de regeling actieve veredeling en het stelsel douane-entrepots een verschillend doel hebben, sluiten zij elkaar niet uitdrukkelijk uit en, zoals wij zagen, zijn er handelingen die onder beide zijn toegelaten. De scheidingslijn is echter niet geheel duidelijk. Niettemin komt het mij voor dat, wanneer goederen duidelijk in de Gemeenschap zijn binnengebracht met de bedoeling ze te veredelen en daarna weer uit te voeren, en niet primair om ze op te slaan en incidenteel te behandelen, de regeling actieve veredeling van toepassing is. Ik ben derhalve van mening dat boter, voor zover zij daadwerkelijk is ingevoerd om te worden veredeld en daarna weer te worden uitgevoerd, niet onder het stelsel van douane-entrepots, maar onder de regeling actieve veredeling valt.
Gesteld echter dat de goederen in entrepots zijn geplaatst, dan rijst de vraag of de verrichte bewerking of bewerkingen van dien aard zijn, dat de goederen nog steeds in aanmerking komen voor uitstel van de belastingheffing. Anders dienen zij krachtens artikel 9, lid 2, van richtlijn nr. 69/74 te worden onderworpen aan de voor de actieve veredeling geldende regels.
De enige behandelingen die in dit verband aanvaardbaar zijn, zijn die welke nodig zijn „ter bewaring in goede staat of ter verbetering van de presentatie of de handelswaarde.” De in artikel 1 van richtlijn nr. 71/235 vermelde behandelingen moeten dus zo worden uitgelegd, dat zij met oog op een van die doelen worden verricht, ook indien dit ertoe zou leiden dat sommige ervan restrictief worden opgevat.
„Bewaring in goede staat” is in casu niet relevant. De daaropvolgende tekst luidt in het Engels „to improve packaging” en in het Frans „améliorer la présentation.” Dit laatste lijkt, zoals enkele van de andere taalversies, ruim genoeg om mede te omvatten de verpakking van de goederen in een vorm die niet noodzakelijk dezelfde behoeft te zijn als deze waarin zij zijn aangekomen. Aan het begrip „ter verbetering van hun handelskwaliteit” kan een beperkte betekenis worden gegeven, zoals de Commissie wil, in die zin dat het enkel doelt op de wezenlijke kwaliteit van de goederen, maar ook een ruimere, in die zin dat het doelt op een verbetering van hun verhandelbaarheid, waaronder ook is te verstaan een verandering van hun afmetingen of vorm, waardoor zij gemakkelijker kunnen worden verkocht. Alles samengenomen lijkt de laatste uitlegging mij de juiste te zijn. Anders zouden een aantal in de richtlijn van de Raad vermelde behandelingen mijns inziens ongewettigd of alleszins zo beperkt zijn, dat zij nog nauwelijks enig nut hebben. Nemen wij bijvoorbeeld het splitsen, sorteren en rangschikken. Ik ben het niet eens met het standpunt van de Commissie, dat de hier bedoelde handelingen moeten worden beperkt tot wat nodig is voor het behoud van de kwaliteit, zoals bijvoorbeeld het verwijderen van bedorven goederen. Dat valt immers onder het begrip „bewaring in goede staat”. Bovendien wordt in die opvatting te weinig gewicht toegekend aan het woord „verbetering”. Mitsdien ben ik van mening dat, zo het verdelen van goederen in kleinere verpakkingen door een of meer punten van de in de richtlijn opgenomen lijst wordt gedekt, het binnen de in artikel 9 van richtlijn nr. 69/74 gespecificeerde doelstellingen kan vallen.
Er is gesteld dat de op deze lijst voorkomende handelingen restrictief moeten worden uitgelegd omdat zij in feite vrijstelling van belasting of heffing verlenen. Dit argument kan ik moeilijk aanvaarden. De lijst omvat een breed scala van behandelingen zonder een duidelijk onderling verband, die veel verder gaan dan het „behandelen” in de zin van opslaan in een entrepot, het verplaatsen binnen het entrepot en het weer uitslaan. Het breken van peulvruchten, het schoonmaken van huiden, het versnijden van wijn en andere gangbare oenologische praktijken, het mechanisch klaren zijn duidelijke voorbeelden van behandelingen die niet minder verrassend zijn als in een douane-entrepôt toegelaten behandelingen dan de bewerking waar het in casu om gaat.
Al evenmin aanvaard ik, dat de bewerkingen „eenvoudig” moeten zijn om toelaatbaar te zijn, tenzij die voorwaarde in de tekst uitdrukkelijk, wordt gesteld, en ook niet dat de bewerking ontoelaatbaar wordt door het gebruik van andere machines dan elementaire werktuigen. Waarop het aankomt, is veeleer de aard van de bewerking dan die van de werktuigen waarmee zij wordt verricht. Of twee soorten zaden nu met behulp van een geperfectioneerde machine dan wel met de hand worden gesorteerd, het blijft mijns inziens „eenvoudig sorteren”. Evenmin is het „verpakken” beperkt tot een minimale vorm van inwikkelen; het komt mij voor, dat onder „verpakken” ook moderne, wellicht ingewikkelde vormen en methodes van verpakking of presentatie kunnen worden begrepen.
Als het — zoals ik denk — juist is wat de Nederlandse regering stelt, namelijk dat het verpakken van boter in kleinhandelsverpakking één behandeling is, die uit verscheidene fasen bestaat, dan zijn de enige behandelingen van punt 8, waaronder het kan vallen „ompakken” en „eenvoudig overbrengen in andere verpakkingen”.
Ik beschouw de wikkels die rond de boter worden aangebracht, in casu niet als „een verpakking”, zodat er hier geen sprake is van overbrengen in andere verpakkingen. Men kan onbezwaard stellen dat aan het begrip „ompakken” de restrictieve betekenis moet worden gegeven van het afnemen van de ene wikkel en het aanbrengen van een andere, zonder meer. Gelet op de in artikel 9 van richtlijn nr. 69/74 genoemde doelen en inzonderheid op de omvang en de uitgebreidheid van bepaalde bewerkingen in de context van de gehele lijst, ben ik, alles welbeschouwd, van mening dat deze uitlegging niet de juiste is, en dat onder het begrip „ompakken” ook kan vallen het verpakken van goederen in pakjes van verschillende grootte en het uitvoeren van bijkomende bewerkingen die voor het verpakken nodig zijn, op voorwaarde dat de aard en de samenstelling van het produkt niet wordt veranderd. Een okshoofd wijn behoeft niet per se in een ander okshoofd te worden overgegoten om toegelaten te zijn, het mag ook in flessen worden overgegoten. Zakken van vierentwintig appels ompakken in zakjes van zes appels, is geen zuivere splitsing, het is tevens ompakken in de zin van punt 8. Het splitsen van een produkt en het afzonderlijk verpakken van elk stuk is mijns inziens evenzeer ompakking in de zin van dit punt. Het feit dat de boter voor het ompakken moet worden ontdooid, gekneed en gesneden, lijkt in casu niets hieraan af te doen. Dit zijn bijkomende bewerkingen die enkel met het oog op het ompakken worden verricht. De boter zelf ondergaat daardoor geen verandering.
Al hebben wij in casu goed beschouwd niet met één bewerking te doen, toch bevat de richtlijn geen enkele bepaling die belet dat er meer dan één bewerking wordt verricht als onderdeel van een toegelaten behandeling. Zo gezien, hebben wij hier te doen met uitpakken (punt 8) wellicht met door elkaar mengen (punt 12), zo het kneden om een gelijkmatige kleur te bekomen als een afzonderlijke bewerking kan worden beschouwd, met splitsen (punt 19) en met herverpakken (punt 8). Dit zijn allemaal toegelaten behandelingen.
Hoewel voor beide opvattingen dus goede argumenten zijn aan te voeren, ben ik van mening dat met betrekking tot in douane-entrepots opgeslagen boter (behalve boter die is ingevoerd om binnen de Gemeenschap te worden veredeld en daarna weer uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden uitgevoerd, en waarop richtlijn nr. 69/73 van toepassing is) het verpakken in kleine hoeveelheden, waartoe bijkomende bewerkingen als ontdooien, kneden en snijden nodig zijn, maar waardoor de samenstelling of de kwaliteit van de boter zelf niet wordt gewijzigd, onder het begrip „ompakken” in de zin van punt 8 van artikel 1, lid 1, van richtlijn nr. 71/235 van de Raad valt, en dat het Koninkrijk der Nederlanden met betrekking tot die boter derhalve niet is tekortgeschoten in haar uit richtlijn nr. 71/235 voortvloeiende verplichtingen. Ik ben derhalve van mening, dat in die zin uitspraak dient te worden gedaan, met verwijzing van de Commissie in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy