CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
van 18 januari 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De regering van de Italiaanse Republiek heeft twee beroepen ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van respectievelijk beschikking nr. 81/1043/EEG en nr. 81/1044/EEG van de Commissie van 16 november 1981 betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor de in de dienstjaren 1974 en 1975 door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven.
Om herhalingen te voorkomen, ben ik zo vrij, mijn opmerkingen in één conclusie te vervatten; omville van de duidelijkheid heb ik echter besloten om in mijn betoog te onderscheiden naar de produkten die tot de litigieuze uitgaven hebben geleid (in beide beroepen gaat het namelijk om interventiegraan, melk en zuivelprodukten, wijn en varkensvlees).
I — Interventiegraan
Bij beschikking nr. 81/1043/EEG heeft de Commissie geweigerd een bedrag van LIT 2264702642, dat betrekking had op de verkoop van interventiegraan, ten laste van het EOGFL te brengen.
Krachtens verordening nr. 2104/73 van de Raad van 1 augustus 1973 betreffende de overdracht aan en de verkoop door het Italiaanse interventiebureau van zachte tarwe in het bezit van het Duitse, Franse en Belgische interventiebureau, is 200000 ton zachte tarwe ter beschikking gesteld van het Italiaanse interventiebureau, de AIMA, ter voorkoming van speculatieve opkoop in verband met de ernstige bevoorradingsmoeilijkheden in verschillende delen van Italië. De verkoopprijs moest door de AIMA worden vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 4, van voornoemde verordening juncto artikel 3, lid 2, van verordening nr. 360/70 van de Commissie van 27 februari 1970. Blijkens deze bepalingen moet:
—
indien het graan is opgeslagen in een commercialisatiecentritm, de verkoopprijs ervan minstens overeenkomen met de plaatselijke marktprijs en mag hij niet lager zijn dan de voor dit centrum geldende interventieprijs verhoogd met 1,50 rekeneenheid per ton (artikel 3, lid 2, sub a);
—
indien het graan elders is opgeslagen, de verkoopprijs minstens overeenkomen met de plaatselijke marktprijs of bij gebreke hiervan met die van de dichtstbij gelegen markt en mag hij niet lager zijn dan de voor die plaats berekende prijs, eveneens verhoogd met 1,50 rekeneenheid per ton (artikel 3, lid 2, sub b);
—
indien het verkochte graan moet worden geleverd op een andere plaats dan de plaats van opslag, de verkoopprijs overeenkomen met de marktprijs van de plaats waar het produkt is opgeslagen, verhoogd met de kosten voor het vervoer van deze plaats naar de plaats van levering (artikel 6, lid 4, tweede alinea, verordening nr. 2104/73 van de Raad).
In het eerste halfjaar van 1974 is de AIMA echter overgegaan tot de verkoop van dit graan op de Italiaanse markt tegen prijzen die ver onder de plaatselijke marktkoersen lagen,
Terwijl de Commissie voor Milaan bijvoorbeeld prijzen noteerde van gemiddeld LIT 9500 per 100 kg, varieerden de prijzen van de AIMA van LIT 8000 tot LIT 8200, dus ongeveer 15 % lager.
Italië verdedigt de toepassing van lagere prijzen met de volgende argumenten:
—
de kenmerken van het graan uit de andere Lid-Staten zouden niet alleen onderling hebben verschild, maar ook anders zijn geweest dan die van Italiaans graan; overeenkomstig verordening nr. 376/70 moesten de prijzen daarom worden aangepast in verband met de kenmerken van de ten verkoop aangeboden granen;
—
de gevonden prijzen voor de Italiaanse markten zouden slechts indicatieve waarde hebben en van plaats tot plaats verschillen. De Italiaanse overheid had zich gebaseerd op overzichten van een gespecialiseerd marktonderzoekbureau;
—
de prijzen op de markt zouden kunstmatig zijn opgedreven door speculatie, verband houdende met de prijsstop.
De Commissie merkt op, dat de in Italië heersende schaarste in het tweede halfjaar van 1973 had geleid tot aankoop van Franse zachte tarwe en dat er destijds dus wel degelijk een referentieprijs bestond voor granen met dezelfde kenmerken als de overgedragen granen. Bovendien zou, Franse tarwe regelmatig op de markt van Milaan worden genoteerd en was bijna 39 % van het overgedragen en verkochte graan uit Frankrijk afkomstig. Het uit Italië afkomstige interventiegraan zou overigens in dezelfde periode (eerste halfjaar van 1974) zijn verkocht tegen ruwweg gelijke en zelfs lagere prijzen dan het overgedragen graan.
Bij latere openbare inschrijvingen (onder meer in januari, maart en april 1975) vond toewijzing plaats tegen prijzen die het niveau van de marktprijzen, dat de Commissie was meegedeeld, zeer dicht benaderden. De overgedragen granen hadden evenals de inheemse granen de standaardkwaliteit waarvan wordt uitgegaan bij het doorgeven van koersen door de Italiaanse overheid aan de Commissie.
De abnormaal lage prijs waartegen de overgedragen granen zijn vervreemd, blijkt in feite het gevolg te zijn van de toepassing van de bij besluitwet nr. 427 van 24 juli 1973 ingevoerde prijsstop. Op 7 september 1973 besloot het interdepartementale comité voor economische planning (CIPE) de voorkoopprijs van zachte tarwe vast te stellen op LIT 8000 à 8200 per 100 kg; bij dit prijsniveau werd onder meer uitgegaan van de broodprijs en de economische toestand in de verschillende provincies. Volgens de Italiaanse regering heeft de AIMA met zijn verkooppraktijk ertoe bijgedragen dat ernstige marktverstoringen en verstoringen van de openbare orde zijn vermeden. Als verklaring van het speculatieve karakter van de noteringen voor zachte tarwe noemt zij onder meer de prijsstop voor deegwaren. Deegwaren blijken echter, althans in Italië, uitsluitend met durum-tarwe te kunnen worden vervaardigd.
Maar door de erkenning dat de Italiaanse regeling van de consumptieprijzen voor bepaalde levensmiddelen doelstellingen van sociaal beleid nastreeft, vallen deze overwegingen buiten het kader van de gemeenschapsregeling inzake wederverkoop van interventiegraan.
In een analoog geval heeft het Hof in het arrest van 22 januari 1976 (zaak 60/75, Russo, Jurispr. 1976, blz. 45) overwogen dat:
„het optreden van een Lid-Stäat bestaande in het aankopen van durumtarwe op de wereldmarkt en het doorverkopen daarvan op de gemeenschappelijke markt tegen een [lagere] prijs... onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen” (r.o. 5).
Nu de Italiaanse regering niet heeft kunnen aantonen, dat de vastgestelde prijzen voor door de AIMA verkochte granen overeenkwamen met de marktnoteringen, mocht de Commissie de post „nettoverlies” corrigeren door verhoging van de inkomsten uit de verkoop van door andere Lid-Staten overgedragen interventiegraan op de beurzen van Middenen Noord-Italië in het eerste halfjaar van 1974.
II — Melk en zuivelprodukten
De Commissie heeft geweigerd voor haar rekening te nemen:
—
een bedrag van LIT 721953004 (dienstjaar 1974) en van LIT 880058997 (dienstjaar 1975) betreffende steun voor in mengvoeder verwerkte melkpoeder,
—
een bedrag van LIT 1143616575 (dienstjaar 1974) en van LIT 3727568990 (dienstjaar 1975) betreffende steun aan particuliere opslag van Grana-Padano-kaas en Parmigiano-Reggianokaas.
A — Verwerkte magere melk
1.
In het stelsel van steunmaatregelen spelen twee verordeningen van de Raad en één van de Commissie een rol.
—
Verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, voorziet in de toekenning van steun voor de verwerking van magere-melkpoeder tot mengvoeder.
—
Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en sub d, van verordening nr. 986/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden, wordt steun verleend voor magere-melkpoeder en in een zuivelfabriek geproduceerde en bewerkte ondermelk die zijn gebruikt voor de vervaardiging van mengvoeder. De steun voor een bepaalde hoeveelheid ondermelk die is gebruikt voor de vervaardiging van bestanddelen van mengvoeder, is gelijk aan de steun die zou zijn verleend voor de hoeveelheid magere-melkpoeder die uit genoemde hoeveelheid ondermelk kan worden verkregen.
—
Ten slotte bepaalt artikel 1 van verordening nr. 990/72 van de Commissie van 15 mei 1972 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk (en voor mageremelkpoeder, bestemd voor veevoeder) :
„1)
Steun wordt slechts toegekend voor magere-melkpoeder, dat onder de in artikel 4 bedoelde voorwaarden tot mengvoeder is verwerkt (utilisé dans la fabrication d'aliments composé, pour animaux).
2)
Steun voor tot mengvoeder verwerkte melk (utilisé dans la fabrication) wordt slechts toegekend indien het mengvoeder beantwoordt aan de in artikel 4 bedoelde eisen...”
Bij de toekenning van deze steun heeft de AIMA in de gesubsidieerde hoeveelheid verliezen opgenomen tot 2 % van de in het mengvoeder verwerkte poeder. Deze verliezen zouden zijn ontstaan door behandelingen in de loop van de produktiecyclus en moesten als normaal worden beschouwd.
Volgens de Italiaanse regering impliceert het woord „utilisé” in artikel 2, lid 1, sub d, van verordening nr. 968/68 en in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 990/72, dat steun kan worden verleend voor melk die bij de vervaardiging van mengvoeder is gebruikt. De hoeveelheid poeder die tijdens het produktieproces door zuiver technische oorzaken verloren is gegaan en die ook niet voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het was bestemd, zou dan ook — tot maximaal 2 % — voor steun in aanmerking kunnen komen. Zij wijst in dit verband op de nationale praktijk vóór de inwerkingtreding van de gemeenschapsregeling en citeert een circulaire van de AIMA van 10 juli 1974 (nr. 19), volgens welke „de gemeenschapssteun slechts wordt verleend voor melkpoeder die werkelijk bij de bereiding van veevoeder is gebruikt.”
De gemeenschapsregeling beoogt haars inziens het gebruik van melkpoeder voor dit doel concurrerend te maken en de opstelling van de Commissie zou het nuttig effect van deze regeling in gevaar brengen; de landbouwer zal als eindgebruiker immers moeten opdraaien voor de kosten van deze produktieverliezen, welke van gemeenschapssteun zijn uitgesloten.
Subsidiair stelt de Italiaanse regering, dat het door de AIMA geaccepteerde verliespercentage in 1974 en 1975 ongeveer 1,5 % bedroeg; zij baseert deze stelling op een controle van 25 % van de in Italië verwerkte melkpoeder.
De Commissie meent daarentegen, dat enkel ondermelk die werkelijk is verwerkt tot het in artikel 4 van verordening nr. 990/72 bedoelde mengvoeder, voor gemeenschapssteun in aanmerking komt: van de resthoeveelheid die weliswaar voor de produktie was bestemd en tijdens het produktieproces is „gebruikt”, doch „verloren gegaan”, kan zelfs als zij minder dan 2 % bedraagt, niét worden gezegd dat zij is verwerkt.
Bij onderzoek van de teksten blijkt de uitlegging van de Italiaanse regering niet juist te zijn.
Magere-melkpoeder die is gebruikt voor de vervaardiging van mengvoeder en waarvoor steun wordt verleend, mag namelijk slechts als voeder voor dieren worden gebruikt (artikel 2, lid 5, van verordening nr. 986/68, in de versie van verordening nr. 1038/72 van de Raad van 18 mei 1972). Deze toevoeging is aangebracht „teneinde voor de Lid-Staten de uitoefening van de controle op de bestemming van de produkten te vergemakkelijken” (laatste overweging van verordening nr. 1038/72).
Ook verordening nr. 990/72 van de Commissie beoogt te verzekeren, dat de ondermelk en de magere-melkpoeder waarvoor steun wordt toegekend, daadwerkelijk worden gebruikt voor veevoeder (derde overweging).
Zij verplicht erkende mengvoederfabrikanten die voor steun in aanmerking wensen te komen, tot het voeren van een maandelijkse voorraadboekhouding die onder meer gegevens moet bevatten over:
„verliezen, monsters, retourzendingen en omruiling van ondermelk, magere-melkpoeder eņ mengvoeder” (artikel 8, lid 3, aanhef en sub h, van verordening nr. 990/72).
De Commissie merkt terecht op, dat voor melkpoeder die bij de vervaardiging van monsters of retourzendingen wordt gebruikt, geen steun wordt verleend. Voor „verliezen” moet hetzelfde gelden.
Vóór het dienstjaar 1974 heeft zij geen bezwaar gemaakt tegen deze tolerantie, omdat dit soort uitgaven met betrekking tot Italië, die als enige Lid-Staat een dergelijke faciliteit kent, nooit waren gecontroleerd.
De Italiaanse overheid heeft hoe dan ook geen stukken overgelegd aan de hand waarvan exact — en niet enkel forfaitair — kan worden vastgesteld, welke bedragen zijn uitgekeerd voor poeder die tijdens de vervaardiging van veevoeder „verloren is gegaan”.
De goedkeuring is verricht overeenkomstig verordening nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en verordening nr. 1723/72 van de Commissie van 26 juli 1972 inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie.
De uitgaven van de AIMA in de dienstjaren 1974 en 1975 voor verliezen bij de verwerking van magere-melkpoeder tot mengvoeder zijn dus niet terecht gedaan en het beroep van de Italiaanse regering faalt dan ook op dit punt.
B — Particuliere opslag van Grana-Pa-dano-kaas en Parmigiano-Reggiano-kaas
De toegekende steun is voorzien bij artikel 8, lid 3, van verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968.
In verband met de problemen om op korte termijn deugdelijke opslagcontracten af te sluiten, beschouwde de AIMA een door een overheidsambtenaar opgemaakt en door de voorraadhouder gecontrasigneerd procesverbaal van inslag, waarop de begindatum van de opslag stond vermeld, gelijkwaardig aan een contract.
Deze gelijkstelling verklaart waarom de contracten voor de particuliere opslag van de betrokken kaas enkele maanden later zijn gedateerd dan de inslag van de goederen en waarom ze soms zelfs pas daags vóór de afloop van de opslagperiode zijn getekend.
Volgens de AIMA werden de contracten enkel getekend om de relatie interventie-bureau-voorraadhouder boekhoudkundig in orde te maken en te regulariseren. Volgens het Italiaans Burgerlijk Wetboek moest op grond van briefwisseling voor en na de inslag van het produkt niettemin het bestaan van een contractuele relatie worden aangenomen. De omrekeningskoers voor de steun in nationale valuta is berekend naar evenredigheid van de representatieve koersen die tijdens de opslag golden.
De AIMA heeft de Commissie steeds op de hoogte gesteld van het bestaan van deze contracten, door haar op basis van de gegevens uit de door de provinciale landbouwinspecteurs opgestelde processenverbaal de ingeslagen en uitgeslagen hoeveelheden mee te delen.
Het interventiebureau heeft zich later geschikt naar de uitlegging van de Commissie en is van plan in het vervolg de steun in nationale valuta om te rekenen tegen de op de laatste dag van opslag geldende koers.
Dit geschil moet mijns inziens worden opgelost aan de hand van het op 27 januari 1981 door het Hof gewezen arrest inzake steun voor de opslag van tafelwijn voor het dienstjaar 1973 (Italië t. Commissie) waarin de vraagstelling verwant was aan de onderhavige.
De gemeenschapsregeling bevat geen vormvoorschriften voor het opslagcontract.
Wel moeten de contracten, ingevolge artikel 11 van verordening nr. 971/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de interventiemaatregelen op de markt voor Grana-Padano-kaas en Parmigiano-Reggianokaas, enkele bepalingen bevatten over de opslagperiode en de controlemaatregelen.
Artikel 16, sub c, van verordening nr. 1107/68 van de Commissie van 27 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de interventiemaatregelen op de markt voor de betrokken kaas, verlangt van de voorraadhouder dat hij zich verplicht de samenstelling van de partij tijdens de duur van het opslagcontract niet te wijzigen zonder toestemming van het interventiebureau.
De voorraadhouder verliest zijn recht op steun indien vóór de afloop van het contract de hierin vermelde hoeveelheden kaas geheel of gedeeltelijk worden uitgeslagen (artikel 17, lid 2, verordening nr. 1107/68).
Elke particuliere opslag moet dus worden voorafgegaan door een deugdelijk schriftelijk contract, wil hij recht geven op de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 971/68 voorziene steun: de ondertekening, van het lastenkohier is een wezenlijk vereiste.
Volgens artikel 2, van het besluit van het bestuur van de AIMA, dat door de Italiaanse wetgever is gemachtigd opslagcontracten te sluiten, komt een overeenkomst tussen de AIMA en de voorraadhouder tot stand „op het moment van ondertekening door laatstgenoemde van de akte van aanvaarding, waarmee hij zich verplicht de in het lastenkohier genoemde voorwaarden na te komen.” Artikel 5 eist dat deze akte op straffe van nietigheid binnen vijf dagen van een gewaarmerkte handtekening wordt voorzien (GU RI nr. 225 van 2. 10. 1973).
III — Opslag van wijn
In de aangevallen beschikkingen wordt goedkeuring onthouden aan een uitgave van LIT 10852510 betreffende steun voor langdurige opslag van tafelwijn voor het wijnoogstjaar 1971/1972 (dienstjaar 1974, goedkeuring vond plaats na vernoemd arrest van 27 januari 1981, Italië t. Commissie); een uitgave van LIT 3610555765 betreffende steun voor korte en langdurige opslag voor de wijnoogstjaren 1973/1974 en 1974/1975 (goedkeuring 1975) en aan een uitgave van LIT 98951625 betreffende steun voor opslag elders van tafelwijn tijdens het wijnoogstjaar 1974/1975 (goedkeuring 1975).
1.
Verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, voorziet in de toekenning van steun voor particuliere opslag wanneer daarvoor opslagcontracten zijn afgesloten met een looptijd van 9 maanden (langlopende contracten, lid 1) of van 3 maanden (kortlopende contracten, leden 2 en 3). Eerstgenoemde contracten mogen alleen worden gesloten in de periode van 1 december tot en met 31 januari van een zelfde wijnoogstjaar.
De diens ten van de Commissie hebben vastgesteld, dat de langlopende opslagcontracten voor de wijnoogstjaren 1971/72, 1973/74 en 1974/1975 na afloop van de voorgeschreven termijnen zijn gesloten en dat zij, evenals de kortlopende contracten voor de wijnoogstjaren 1973/74 en 1974/1975 terugwerkende kracht hadden hetgeen in strijd is met artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1437/70 van de Commissie van 20 juli 1970 betreffende de opslagcontracten voor tafelwijn. Genoemd artikel 8 bepaalt, dat geen contract wordt afgesloten.
Het sluiten van kortlopende contracten met terugwerkende kracht was, anders dan in de wijnoogstjaren 1970/71 en 1971/72, niet meer geoorloofd.
Bovendien zijn enkele hoeveelheden wijn waarvoor contracten waren gesloten of aangevraagd, tijdens de opslagperiode verkocht, hetgeen in strijd was met artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1437/70, dat bepaalt:
„gedurende het tijdvak waarvoor het contract geldt, mag de producent de wijn waarvoor het contract is afgesloten, niet te koop aanbieden, noch verkopen, of op enig andere wijze in de handel brengen.”
Deze onregelmatigheden kwamen voort uit het feit dat de in de gemeenschapsregeling voorziene kwartaalbetalingen voor langlopende contracten in Italië niet waren uitgevoerd en dat de termijn van 30 dagen voor de betaling bij kortlopende contracten en voor de laatste betaling bij langlopende contracten niet in acht was genomen; deze betalingen vonden pas na gemiddeld twee jaar plaats.
De Italiaanse regering stelt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de „formele vastlegging” van een opslagcontract en de „afsluiting” daarvan; voor dit laatste zouden geen vormvereisten gelden: de..schriftelijke afsluiting zou niet meer zijn dan een soort formele bevestiging. Zij beroept zich hiervoor op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1437/70, volgens hetwelk
„gedurende het tijdvak waarvoor het contract is afgesloten de producent te allen tijde de in lid 1 bedoelde controle moet toestaan”.
Deze stelling is reeds door het Hof verworpen in het arrest van 27 januari 1981 (Italië t. Commissie, Jurispr. 1981, blz. 205), waarin een beroep van de Italiaanse regering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om geen goedkeuring te verlenen voor uitgaven van de AIMA betreffende steun aan particuliere opslag van tafelwijn voor het dienstjaar 1973, werd verworpen.
In dit arrest overwoog het Hof, dat de overeenkomst pas perfect is op het ogenblik dat de schriftelijke akte wordt opgesteld, na verificatie van alle relevante gegevens door het interventiebureau (r.o. 13); ik sluit mij hierbij gaarne aan.
2.
Hieruit volgt, dat voor de toekenning van de steun voor opslag elders van tafelwijn eveneens een geldig, dat wil zeggen op het moment van de opslag elders schriftelijk vastgelegd, contract is vereist.
Hetzelfde geldt voor de steunmaatregelen op grond van de verordeningen van de Commissie van 9 augustus 1971 (nr. 1748/71), 8 augustus 1972 (nr. 1718/72) en 7 augustus 1974 (nr. 2083/74) die alle een opslagcontract eisen, dat uiteraard geldig moet zijn.
In Italië voldeden noch de langlopende contracten voor het wijnoogstjaar 1971/1972 noch de kortlopende en langlopende contracten voor de wijnoogstjaren 1973/1974 en 1974/1975 aan deze voorwaarde.
IV — Opslag van gedroogd of gedroogd en gerookt varkensvlees
De Commissie heeft haar goedkeuring onthouden aan een bedrag van LIT 78596145 betreffende steun voor deze produkten in het dienstjaar 1975.
Artikel 7 van verordening nr. 121/67 van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, voorziet in de toekenning van steun voor particuliere opslag; deze verordening is uitgewerkt in verordening nr. 289/71 van de Commissievan 10 februari 1971.
Volgens laatstgenoemde verordening komen voor steunverlening slechts in aanmerking produkten afkomstig van kort tevoren geslachte dieren, die zijn opgeslagen
„in de vorm van gedroogde of gedroogde en gerookte hammen waarvan de bereiding een rijpingstijd van ten minste 5 maanden vergt, voordat het produkt gereed is voor consumptie...” (artikel 2, lid 2, van verordening nr. 289/71 van de Commissie van 10 februari 1971 in de versie van verordening nr. 2600/74 van de Commissievan 11 oktober 1974),
waarbij wordt gepreciseerd dat
„de werkelijke opslagtermijn begint te lopen op de eerste dag van de zesde maand nadat met het drogen of het drogen en roken een aanvang is gemaakt”,
en dat
„in het contract het aantal stuks en het gewicht dienen te worden opgegeven, en het gewicht van het afgewerkte produkt niet meer mag bedragen dan 70 % van het vóór de aanvang van het drogen of het drogen en roken geconstateerde gewicht van het verse produkt” (artikel 3, lid 4, van verordening nr. 289/71 in de versie van artikel 2 van verordening nr. 2600/74 van 11 oktober 1974).
De AIMA beschouwde de datum op het borderel van weging bij binnenkomst in het drooghuis van de eerste partij verse produkten waarop de respectieve opslagcontracten betrekking hadden, als het moment waarop „met het drogen een aanvang is gemaakt” en de vijf maanden en één dag later gelegen datum dus als het „begin van de opslagtermijn”.
De diensten van de Commissie meenden daarentegen dat voor de totale hoeveelheid vlees waarop het contract betrekking had, en dus niet slechts voor een deel hiervan, moest zijn voldaan aan de minimumvoorwaarden betreffende de duur van de droging. De opslagtermijn kon volgens haar dus niet beginnen vóór het eind van de periode van 5 maanden na de dag van inslag van de laatste partij.
De Italiaanse regering beroept zich ter ondersteuning van haar stelling op een werkdocument van de diensten van de Commissie, dat overigens van later datum is dan de onderhavige feiten, namelijk van 1 april 1982. Dit stuk blijkt in werkelijkheid betrekking te hebben op een ander vraagstuk, namelijk dat van de vaststelling van regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden.
De Commissie heeft een telexbericht van 14 oktober 1975 overgelegd, dat een antwoord is op een telexbericht van de Italiaanse overheid van 26 september 1975. Doch dit lijkt geen betrekking te hebben op de rijpingsvoorwaarden.
Het opslagcontract moet in elk geval de hoeveelheid en het gewicht van de opgeslagen partijen aangeven en moet aan de eigenlijke inslag voorafgaan.
De opslagtermijn begint immers op de dag van de voltooiing van de inslag (artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1637/74 van de Commissie betreffende de bijzondere voorwaarden voor de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector (vers) varkensvlees),
Men moet niet vergeten, dat deze steun bij opslag is gedacht als compensatie voor de kosten, veroorzaakt door het uit de markt nemen van produkten die reeds gedurende de overeengekomen periode de minimaal vereiste rijping hebben ondergaan. De uitlegging van de Italiaanse regering zou ertoe leiden, dat het uit de markt nemen tijdens de rijping zou worden gesubsidieerd; de kosten die verband houden met de immobilisering van het produkt gedurende deze periode worden echter gecompenseerd door de hieruit voortvloeiende waardestijging.
Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 289/71 vormt dus niet een eenvoudig onderdeel van de omschrijving van de opgeslagen produkten, doch de voorwaarde waaronder de opslagtermijnen gaan lopen.
Ook uit de stukken van het dossier blijkt niet van een formele goedkeuring door de Commissie van de praktijk van de AIMA.
In vernoemd arrest van 27 januari 1981 heeft het Hof aangegeven, onder welke voorwaarden de Commissie gehouden was in geval van onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht kosten ten laste van het EOGFL te brengen.
In casu volstaat de gestelde stilzwijgende goedkeuring niet om de gevolgen van een onregelmatige praktijk ten laste van het EOGFL te brengen.
Ten slotte meent de Italiaanse regering, dat, zelfs als men aanneemt dat uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van de gemeenschapssteun niet juist zijn uitgelegd, alle uitgaven die de Commissie buiten beschouwing laat, zijn gedaan voor handelingen die de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar hebben gebracht.
Mijns inziens geeft echter enkel een strikte naleving van deze bepalingen aanspraak op met het oog op deze doelstellingen toegekende gemeenschapsfinanciering.
Sommigen menen, dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid de Europese belastingbetaler reeds teveel kost. Helaas zijn in verschillende Lid-Staten onregelmatigheden begaan en is fraude gepleegd ten koste van de communautaire middelen in bepaalde sectoren. Een nauwgezette toepassing van de gemeenschapsregeling vormt een onmisbare garantie.
In het arrest van 7 februari 1979 (Nederland t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 245) heeft het Hof duidelijk verklaard dat
„het voeren van een gemeenschappelijk landbouwbeleid waarbij de bedrijven der Lid-Staten gelijk worden behandeld, niet toelaat dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat met behulp van een ruime uitlegging van een bepaald voorschrift de bedrijven van deze staat bevoordelen ten koste van de bedrijven van andere Lid-Staten waar een engere uitlegging wordt toegepast”,
Waaraan het toevoegde, dat
„indien zich een dergelijke concurrentievervalsing tussen de Lid-Staten voordoet, ondanks de beschikbare middelen om de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht in de gehele gemeenschap te verzekeren, deze niet kan worden gefinancierd door het EOGFL maar in elk geval ten laste van de betrokken Lid-Staten moet blijven” (r.o. 9).
Ik kan hier slechts herhalen wat het Hof in het arrest van 7 februari 1979 (Frankrijk t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 321) heeft overwogen:
„Anderzijds beoogt de procedure van de goedkeuring der rekeningen bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet alleen het werkelijke bestaan en de regelmatigheid van de uitgaven, maar ook de juiste verdeling tussen de Lid-Staten en de Gemeenschap van de uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid voortvloeiende financiële lasten vast te stellen, waarbij de Commissie niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid die haar in staat stelt af te wijken van de regels welke deze verdeling van de lasten beheersen” (r.o. 28).
Mitsdien concludeer ik tot afwijzing van de vorderingen in de zaken 61 en 62/82 en tot veroordeling van de Italiaanse Republiek in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy