CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN17 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Volgens artikel 13 van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB L 281 van 1975, blz. 1) wordt bij de invoer van maïs en enige andere onder de gemeenschappelijke ordening der graanmarkten vallende produkten een heffing toegepast. Deze door de Commissie vastgestelde heffing dient gelijk te zijn aan de krachtens artikel 5 van de verordening vastgestelde drempelprijs voor de Gemeenschap, verminderd met de cif-prijs. De cif-prijs wordt berekend voor Rotterdam op basis van de gunstigste aankoopmogelijkheden op de wereldmarkt, welke voor elk produkt worden vastgesteld op basis van de noteringen of de prijzen van deze markt, na een aanpassing voor de eventuele kwaliteitsverschillen ten opzichte van de standaardkwaliteit waarvoor de drempelprijs wordt vastgesteld. Gedetailleerde regels voor de vaststelling van de cif-prijzen waren neergelegd in verordening nr. 156/67 van de Commissie van 23 juni 1967 (PB van 1967, blz. 2533), die haar geldigheid onder verordening nr. 2727/75 had behouden. De grondregel luidt, dat de Commissie „voor het bepalen van de cif-prijzen rekening houdt met alle aanbiedingen die op de wereldmarkt zijn gedaan en waarvan zij via de Lid-Staten of door eigen informaties op de hoogte kan zijn, alsmede met de noteringen op de voor de internationale handel belangrijke beurzen. De Commissie bepaalt de cif-prijzen op basis van de volgens de door haar verkregen inlichtingen meest gunstige werkelijke aankoopmogelijkheden”, behoudens bepaalde uitzonderingen en correcties. De Commissie is bevoegd bepaalde aanbiedingen buiten beschouwing te laten, bijvoorbeeld indien zij kleine, voor de markt niet representatieve hoeveelheden betreffen, of indien de algemene prijsontwikkeling of de ter beschikking staande informaties de Commissie aanleiding geven aan te nemen dat de desbetreffende aanbiedingsprijs niet representatief is voor de werkelijke marktontwikkeling.
De Commissie moet de cif-prijzen dus vaststellen op basis van de haar ter beschikking staande informaties, ofschoon dit mijns inziens impliceert dat zij ervoor moet zorgen dat zij over voldoende informaties beschikt om haar taak naar behoren te kunnen verrichten. Maar overigens heeft de Commissie een zekere discretionaire bevoegdheid bij het vaststellen van de cif-prijs. Wanneer deze eenmaal vaststaat, kan de heffing door middel van een eenvoudig rekensommetje daarvan worden afgeleid.
Bij brief van 12 oktober 1981, blijkbaar ten vervolge op een eerder telefoongesprek, deelde de raadsman van NV Tradax Graanhandel de Commissie mee, dat zijn cliënt zich van tijd tot tijd, wanneer zij een heffing op granen moest betalen, afvroeg hoe de Commissie in de praktijk te werk ging bij het bepalen van de cif-prijzen als noodzakelijke stap naar de vaststelling van de heffing. In het bijzonder had zij zich afgevraagd, hoe en volgens welke methode de Commissie was gekomen tot een cif-prijs van USD 164 voor 28 oktober 1980 en USD 167 voor de drie daaropvolgende dagen. Na de aandacht van de Commissie te hebben gevestigd op de elementen die volgens de verordening in aanmerking moesten worden genomen, vroeg hij a) of enige correcties waren toegepast krachtens de bepalingen van de verordening, b) of hem de precieze elementen konden worden meegedeeld welke bij het vaststellen van deze prijzen in aanmerking waren genomen, en c) of hij de betrokken documenten mocht inzien.
Toen antwoord uitbleef, schreef verzoeksters raadsman op 24 november 1981 een brief van gelijke inhoud, waarin hij zich voorbehield om bij het Hof een beroep krachtens artikel 175 EEG-Verdrag in te stellen, indien de Commissie niet binnen twee maanden haar standpunt had bepaald.
Bij brief van 14 december 1981 (ondertekend door de heer Williamson, toenmalig adjunct-directeur-generaal voor Landbouw) antwoordde de Commissie enkel, dat de prijzen geheel in overeenstemming met de voorschriften waren vastgesteld.
Daarop wendde Tradax zich tot het Hof met verzoek: a) krachtens artikel 175 EEG-Verdrag vast te stellen, dat de Commissie had nagelaten ten aanzien van Tradax een handeling te verrichten na te zijn uitgenodigd haar standpunt te bepalen; b) op grond van artikel 173 de brief van de Commissie van 14 december, welke een tot Tradax gerichte beschikking zou zijn, nietig te verklaren, en c) krachtens artikel 215 vast te stellen, dat de Commissie, door te weigeren de feiten bekend te maken en de documenten ter inzage te geven, een dienstfout had begaan waardoor Tradax een — door haar op één gulden gestelde — schade heeft geleden.
De Commissie betoogt dat alle vorderingen niet-ontvankelijk of ongegrond zijn, en dat in elk geval, indien de eerste vordering niet-ontvankelijk is, ook de overige niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij subsidiair zijn ten opzichte van de eerste. Dit laatste lijkt mij hoe dan ook onaanvaardbaar. Het komt mij voor, dat het verzoekster vrij staat de drie vorderingen als alternatieven voor te dragen. Vanzelfsprekend kunnen niet zowel de eerste als de tweede vordering slagen, maar als de eerste faalt omdat de Commissie wel een standpunt heeft bepaald, kan het nog steeds de vraag zijn of de desbetreffende beschikking wel wettig is. Ik zie dan ook niet, waarom de drie vorderingen niet als alternatieven zouden kunnen worden gevoegd: eerst de primaire vordering en vervolgens de beide andere, indien de eerste zou worden afgewezen.
Volgens de Commissie is de vordering krachtens artikel 175 niet-ontvankelijk, omdat de Commissie niet verplicht was aan Tradax' verzoek te voldoen; subsidiair stelt zij, dat in Williamsons brief wel een standpunt werd bepaald voor zover daarin werd verklaard dat de voorschriften waren nageleefd, en dat het niet nodig was nadere inlichtingen te verstrekken, vooral omdat Williamsons brief de deur niet sloot voor een eventueel verzoek van Tradax om meer bijzonderheden. Bovendien zou dit antwoord vergelijkbaar zijn met een aanbeveling of een advies en derhalve zou de procedure van artikel 175 in dit geval niet benut kunnen worden. In elk geval zou het gaan om een verzoek om inlichtingen of een besluit van algemene strekking, dat tot de Raad had moeten worden gericht, en niet om een verzoek dat inzonderheid Tradax betrof.
Essentieel voor elk van de drie vorderingen is de vraag, of er een wettelijke verplichting bestond om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, en deze vraag lijkt mij eerder de grond van de zaak te betreffen dan de ontvankelijkheid. Ik zou de vordering ex artikel 175 dan ook niet niet-ontvankelijk willen verklaren door een preliminaire beslissing over het bestaan van de verplichting. Evenmin wens ik het argument te aanvaarden, dat deze vordering niet-ontvankelijk is omdat het antwoord vergelijkbaar is met een advies of een aanbeveling. Voor mij was het geen van beide en ik zie geen goede grond om een nieuwe categorie van niet voor beroep vatbare handelingen te creëren, bestaande uit „handelingen gelijkgesteld met aanbevelingen of adviezen”. Ofschoon uit Tradax' verzoeken duidelijk blijkt, dat de onderneming geïnteresseerd was in de algemene praktijk van de Commissie, valt bovendien aan te nemen — ofschoon dit nergens uit blijkt —, dat Tradax op de vier genoemde dagen heeft geïmporteerd, verplicht was heffing te betalen en van mening is dat de door de Commissie vastgestelde cif-prijzen, op basis waarvan de heffingen waren bepaald, te laag waren. Bijgevolg zou ik het argument, dat de vordering wegens haar algemene karakter niet-ontvankelijk is, van de hand willen wijzen.
De vraag of de Commissie een standpunt heeft bepaald, lijkt mij er in zekere zin één die zowel de ontvankelijkheid als de grond kan betreffen. Aangezien een vaststelling van nalatigheid overeenkomstig artikel 175 op haar plaats zou kunnen zijn indien geen standpunt is bepaald, zou ik deze vraagį waarvan de beantwoording enkel mogelijk is op grond van een interpretatie van de brief, liever als een vraag ten gronde willen aanmerken.
Ik geloof niet dat men de brief kan zien als een bijdrage in een nog niet gesloten discussie, of als een uitnodiging aan Tradax, nadere details te vragen betreffende de met name genoemde dagen. Evenmin kan zij worden gezien als een minzame bevestiging van wat te verwachten viel, namelijk dat de Commissie zich aan de regels had gehouden, doch zonder dat er een besluit in vervat is met betrekking tot het verzoek om inlichtingen en documenten.
Mijns inziens moet de brief worden gelezen als een weigering die inlichtingen te verstrekken — een standpunt dat consistent is met het betoog van de Commissie, dat zij in dat stadium niet verplicht was de inlichtingen te geven. Zo gezien, ben ik van mening dat de Commissie inderdaad haar standpunt heeft bepaald en niet heeft nagelaten ten aanzien van verzoekster een besluit te nemen. Om die reden moet, zo meen ik, de vordering krachtens artikel 175 worden verworpen.
Voor wat artikel 173 betreft, betoogt de Commissie (naast het reeds genoemde argument betreffende de voeging van de vorderingen), dat deze vordering niet-ontvankelijk is, omdat er geen sprake is van een „beschikking” in de zin van dit artikel; de brief had geen bindend karakter, was niet bestemd om rechtsgevolgen in het leven te roepen, omschreef geen — aan het einde van een interne procedure ingenomen — standpunt van de instelling en was in elk geval niet ondertekend door een bevoegd ambtenaar.
Ofschoon de brief niet de vorm heeft van een formele beschikking, moet zij naar mijn mening worden gelezen als een weigering om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, en als een stilzwijgende ontkenning van enig recht van verzoekster om in dat stadium die inlichtingen te krijgen. Ik aanvaard het argument van de Commissie, dat wanneer bewezen wordt geacht dat de Commissie een handeling heeft verricht in de zin van artikel 175, dit nog niet betekent dat hetgeen zij deed, een beschikking was in de zin van artikel 173. Niettemin, en in weerwil van alle argumenten van de Commissie met betrekking tot de bewoordingen van de brief en de elementen die volgens haar aanwezig moeten zijn om een handeling als een „beschikking” te kunnen kwalificeren — de brief maakte het standpunt van de Commissie duidelijk, bepaalde Tradax' positie ten opzichte van de Commissie, en kon, zo al überhaupt, enkel in rechte worden aangevochten. Naar mijn mening was het een beschikking in de zin van artikel 173. Voorts heeft de Commissie niet genoegzaam aangetoond, dat Williamson niet bevoegd was de brief te ondertekenen. Het beantwoorden van de onderhavige brieven van verzoekster lijkt nu juist iets waarvan men zou verwachten dat hij het namens de Commissie mocht doen. Ik ben dan ook geneigd, de vordering krachtens artikel 173 ontvankelijk te achten.
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding betoogt de Commissie, dat zij niet-ontvankelijk is, gezien een aantal uitspraken van het Hof, inhoudende dat schadevergoeding enkel mogelijk is in geval van schending van een hogere rechtsregel of althans in geval van een kennelijke en ernstige dienstfout van de Commissie. Ik dacht niet dat de uitspraken van het Hof betreffende aangelegenheden van economisch beleid per se ook in de onderhavige zaak van toepassing moeten zijn. In elk geval geef ik er de voorkeur aan, om in een zaak als deze dit probleem in verband te zien met de gegrondheid van het beroep en niet met de ontvankelijkheid ervan. Ik geloof niet, dat het feit dat de door het achterhouden van de inlichtingen veroorzaakte schade op slechts één gulden is gesteld, al aanstonds tot afwijzing van de vordering moet leiden. Indien een partij een zaak enkel bij het Hof aanhangig kan maken door een symbolische schadevergoeding te eisen, heeft hij het recht dat te doen. Ik zou de vordering tot schadevergoeding dan ook niet als volstrekt niet-ontvankelijk willen afwijzen.
De kernvraag bij artikel 173 (indien er een beschikking is) en bij artikel 215 (ongeacht of er een vordering krachtens artikel 173 bestaat of niet) is (gelijk het ook bij artikel 175 zou zijn indien het Hof zou beslissen dat er geen standpunt is bepaald) of de Commissie wettelijk verplicht was de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Verzoekster stelt zich in wezen op het standpunt, dat het in casu gaat om een heffing die slechts op de in de verordeningen bepaalde wijze wettig kan worden opgelegd. Degene die de heffing moet betalen, moet er zeker van kunnen zijn dat de Commissie rechtmatig handelt; die zekerheid kan hij enkel verkrijgen indien hij de elementen kent op basis waarvan de cif-prijs is vastgesteld, waaruit de heffing dan automatisch voortvloeit. Het is tijdverlies en een misbruik van procedure, indien hij een proces moet aanspannen om een heffing aan te vechten, wanneer hij niet bekend is met de aan de Commissie ter beschikking staande gegevens, waaruit zou kunnen blijken dat wat zij deed, juist was, ook al leek de vastgestelde cif-prijs voor zover hijzelf kon nagaan, onjuist. Dit alles is van bijzonder belang in verband met het feit dat het besluit moet worden genomen op basis van gegevens waarover de Commissie beschikt, in plaats van gegevens die bij een externe bron kunnen worden geverifieerd.
De Commissie brengt daartegen in, dat deze heffingen snel, vaak, en voor vele, onder de verschillende marktordeningen vallende produkten moeten worden vastgesteld. Het zou een administratieve chaos veroorzaken indien alle elementen op basis waarvan een cif-prijs is vastgesteld, aan iedere aanvrager moesten worden meegedeeld. Bovendien zouden sommige inlichtingen wellicht met speculatief oogmerk worden opgevraagd, hetgeen in de toekomst tot moeilijkheden zou kunnen leiden indien handelaren buiten de Gemeenschap er minder voor zouden gaan voelen om informatie door te geven.
Het is duidelijk dat de wettigheid van een besluit van de Commissie waarbij overeenkomstig de in de verordeningen gestelde regels een cif-prijs wordt vastgesteld, door de rechter moet kunnen worden getoetst, zelfs wanneer men rekening houdt met de aan de Commissie toegekende beleidsvrijheid bij het verzamelen en beoordelen van inlichtingen en het aanbrengen van correcties. Daarbij moet de rechter die deze toetsing verricht, kunnen beschikken over de gegevens waarop de Commissie zich heeft gebaseerd. De Commissie heeft er geen twijfel over laten bestaan, dat die inlichtingen ter beschikking zouden worden gesteld indien de wettigheid van een bepaalde heffing voor een bevoegd gerecht werd betwist.
Is zij verplicht tot meer dan dat? Er kan geen sprake van zijn dat de Commissie die inlichtingen aan iemand anders zou moeten geven dan aan een importeur die de heffing moet betalen, en de vraag is of deze daarop ook buiten rechte aanspraak heeft. De verordeningen zelf bevatten geen bepaling dat zij op aanvraag moeten worden verstrekt, doch verzoekster betoogt dat het recht van een importeur om informatie, zowel met betrekking tot de algemene praktijk als tot bijzondere gevallen, te verkrijgen kan worden afgeleid uit bepaalde hogere beginselen van gemeenschapsrecht. De weigering om deze inlichtingen te verstrekken, leverde een schending op van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van het legaliteitsbeginsel en het beginsel inzake rechtsbescherming, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen lijken mij niet relevant in een zaak als de onderhavige, waarin enkel een recht op informatie geldend wordt gemaakt en niet, bijvoorbeeld, een recht dat de wet, behoudens dwingende noodzaak, niet of althans niet zonder overgangsmaatregelen zodanig wordt gewijzigd, dat handelstransacties welke zijn aangegaan in de veronderstelling dat de wet niet zou worden gewijzigd, worden geschaad, of een recht op duidelijk geformuleerde wettelijke voorschriften. Evenmin ben ik van mening dat er, zoals gesteld, een algemeen rechtsbeginsel bestaat, inhoudende dat wat om redenen van behoorlijk bestuur is vereist, noodzakelijkerwijze ook voor de rechter kan worden afgedwongen. Het bijhouden van goed geordende dossiers kan van essentieel belang zijn voor een behoorlijk bestuur, maar kan daarom nog niet in rechte worden afgedwongen. Wettelijke voorschriften en behoorlijk bestuur kunnen gedeeltelijk samenvallen (bijvoorbeeld in de noodzaak te zorgen voor fair play en evenredigheid) en de vereisten van het laatste kunnen een factor vormen bij de verheldering van het eerste, maar de twee zijn niet noodzakelijk synoniem. Trouwens, wanneer rechtbanken er soms op aandringen, dat iets zou moeten worden gedaan om redenen van behoorlijk bestuur, dan doen zij dat omdat er geen precies wettelijk voorschrift bestaat waarvan een procederende partij de naleving kan afdwingen. Evenmin geloof ik, dat er, zoals gesuggereerd, een algemeen of absoluut beginsel van gemeenschapsrecht bestaat, inhoudende dat de instellingen van de Gemeenschap, ook wanneer een uitdrukkelijke bepaling ontbreekt en het niet gaat om een geding, verplicht zijn inlichtingen te geven aan personen die door gemeenschapshandelingen worden geraakt. De aangehaalde wettelijke bepalingen van Lid-Staten, die de regeringen verplichten bepaalde gegevens toegankelijk te maken in het belang van een grotere openbaarheid van bestuur, bieden veeleer steun aan de opvatting, dat desbetreffende regels vervat moeten zijn in bijzondere of algemene maatregelen, maar er blijkt mijns inziens niet uit, dat er een algemeen beginsel van „ongeschreven recht” zou bestaan, waarop verzoekster zich in casu kan beroepen. Ook uit het feit dat het Hof in mededingings- en ambtenarenzaken heeft erkend, dat een justitiabele alvorens een hem bezwarend besluit wordt genomen, het recht heeft te worden gehoord en de tegen hem ingebrachte bezwaren te kennen, kan mijns inziens niet worden geconcludeerd dat nadat er een voor alle handelaren geldende heffing is vastgesteld (er wordt immers niet beweerd dat vóór de vaststelling van de heffing een recht op informatie bestaat), de informatie aan individuele handelaren moet worden verstrekt.
De vraag waar het werkelijk om lijkt te gaan, is of het legaliteitsbeginsel en het beginsel inzake de rechtsbescherming vereisen dat de handelaar deze inlichtingen moet krijgen indien hij erom vraagt, zodat hij zich ervan kan overtuigen, dat de Commissie zich bij het vaststellen van de prijzen aan de wettelijke regels houdt.
Het verweer dat er, misschien wel elke dag, onder tijddruk inlichtingen moeten worden verzameld en beoordeeld, is geen antwoord op de stelling dat er nadien inlichtingen moeten worden verstrekt; ook de opmerking dat de inlichtingen voor speculatieve doeleinden zouden kunnen worden gebruikt, legt niet veel gewicht in de schaal indien er enige tijd ligt tussen de datum van de contracten of offertes waarom het gaat, en de datum waarop de informatie wordt verstrekt. Anderzijds, ook al zijn overheidsinstanties al snel geneigd om op rechterlijke beslissingen over het vrijgeven van informatie op dit gebied, te reageren met de kreet dat „daarmee het hek van de dam is” — een vrees die maar al te vaak ongegrond blijkt te zijn —, het lijdt weinig twijfel dat, indien de Commissie verplicht was alle details van wat haar met betrekking tot alle betrokken produkten op elke willekeurige dag bekend is, mee te delen aan elke importeur die een heffing moet betalen, dit tot administratieve problemen zou kunnen leiden.
Deze problemen mogen mijns inziens echter niet de doorslag geven indien het recht van de burger om de geldigheid van een besluit aan te vechten, niet op een andere bevredigende wijze kan worden beschermd. Verzoekster stelt dat het voor de handelaar moeilijk kan zijn om de geldigheid aan te vechten, a) omdat hij individueel geen beroep krachtens artikel 173 kan instellen om de wettigheid van een beschikking tot vaststelling van de heffing te betwisten, en b) omdat hij, indien hij niet weet over welke inlichtingen de Commissie beschikte, zijn zaak niet behoorlijk kan bepleiten. Aangezien de Commissie niet noodzakelijkerwijze partij zal zijn bij een procedure voor de nationale rechter, zal hij wellicht niet in staat zijn een vonnis te verkrijgen, dat de inlichtingen hem moeten worden verstrekt.
Aangenomen dat het eerste aangevoerde bezwaar terecht is — ik wil mij daarover niet uitlaten —, dan komt het mij voor, dat wanneer voor de nationale rechter de onwettigheid van de vastgestelde heffing wordt gesteld door iemand die tot betaling daarvan is aangesproken of die het vorderingsrecht van het interventiebureau betwist, de Commissie, omdat het om een kwestie van gemeenschapsrecht gaat, verplicht is de rechter en de betrokken handelaar alle inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk of nuttig zijn voor de beslechting van het geschil. In bepaalde gevallen kunnen er bijzondere redenen zijn voor geheimhouding, doch afgezien daarvan lijkt het mij juist om datgene wat de Commissie bereid is in de praktijk te doen, namelijk het openbaar maken van de informaties, aan te merken als een rechtsregel.
Theoretisch betekent dit, dat een handelaar een procedure zal moeten aanspannen om de openbaarmaking af te dwingen van documenten die, zo hij ze had gehad, hem duidelijk hadden gemaakt dat hij geen kans van slagen heeft. Dat is vervelend, maar minder lastig dan een onbeperkt recht op informatie. De oplossing ligt ih de handen van de Commissie. Indien een handelaar de wettigheid van een bepaalde heffing of cif-prijs ter discussie stelt en daarbij voldoende redenen of feiten aanvoert om een reactie noodzakelijk te maken, dan zou de Commissie, niet op grond van een wettelijke verplichting, doch als een zaak van behoorlijk bestuur, hem de gegevens moeten meedelen waarop haar beoordeling was gebaseerd. De Commissie is blijkbaar bereid dit te doen indien zij na verificatie ontdekt dat zij een fout heeft gemaakt, maar ik meen dat zij het ook moet doen indien zij tot de conclusie komt dat zij gelijk heeft. In elk geval is het voor een handelaar een moeilijke opgave om op een dergelijk gebied een rechtsdwaling aan te tonen, maar de wetenschap dat het stelsel behoorlijk werkt, kan even bevredigend zijn als te weten dat zijn vermoedens juist waren. Krijgt de handelaar niet voldoende inlichtingen of een bevredigend antwoord, dan worden zijn rechten mijns inziens beschermd door de overlegging van informatie tijdens de procedure waarin de wettigheid van de heffing wordt betwist.
Het is niet uitgesloten dat in bijzondere omstandigheden al vóór de fase van de gerechtelijke procedure een verplichting ontstaat om informatie als hier in geding te verstrekken, bijvoorbeeld wanneer de feiten op grond waarvan om uitleg wordt gevraagd, zo sterk zijn, dat de Commissie rechtens verplicht is de gegevens bekend te maken waarop zij haar vaststelling had gebaseerd. Het is echter niet gemakkelijk
een dergelijke regel in algemene termen te vatten zonder de deur open te zetten voor grotere problemen dan die welke bestaan indien de wettelijke verplichting in het gewone geval pas ontstaat nadat een procedure aanhangig is gemaakt, al kan de Commissie natuurlijk altijd geschillen voorkomen door de gevraagde informatie te verstrekken wanneer de zaak daartoe aanleiding geeft.
Hoe dan ook, het lijkt mij niet, dat de Commissie in de onderhavige zaak een wettelijke verplichting heeft geschonden.
In de eerste plaats waren de gestelde vragen van algemene aard en betroffen zij de methodes waarmee de prijs werd vastgesteld. Het zou mijns inziens beter zijn geweest een vollediger verklaring van de gevolgde praktijk te geven, zelfs wanneer daarbij geen specifieke feiten en cijfers waren vermeld. In de tweede plaats hadden de vragen betrekking op vier met name genoemde data. De twee briefen bevatten niets wat erop wees, dat de aangevoerde feiten of argumenten bedoeld waren om de wettigheid van het besluit van de Commissie aan de orde te stellen.
Mijns inziens is verzoekster er dan ook niet in geslaagd, haar vorderingen krachtens artikel 173, 175 of 215 EEG-Verdrag hard te maken. Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met verwijzing van verzoekster in de kosten van de Commissie.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy