CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 14 FEBRUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De weduwe van een ambtenaar of een gewezen ambtenaar van de Europese Gemeenschappen heeft in de regel recht op een overlevingspensioen ten bedrage van 60 °/o van het ouderdomspensioen of het invaliditeitspensioen dat haar echtgenoot genoot of zou hebben genoten. Het overlevingspensioen wordt toegekend zonder dat rekening wordt gehouden met de mate waarin de weduwe financieel afhankelijk was van haar echtgenoot, of met haar arbeidsgeschiktheid. Sinds 1972 kan het weduwenpensioen worden gecumuleerd met een salaris ten laste van een gemeenschapsinstelling (artikel 79 Ambtenarenstatuut en hoofdstuk 4 van bijlage VIII bij dit Statuut, met name artikel 17).
De positie van de overlevende echtgenoot van een vrouwelijke ambtenaar is afzonderlijk geregeld. Artikel 23 van bijlage VIII bepaalt, voor zover relevant:
„Behalve indien hij over eigen inkomsten beschikt, kan de echtgenoot van een overleden vrouwelijke ambtenaar, die aantoont dat hij op het tijdstip van overlijden van zijn echtgenote gebrekkig is of aan een ernstige ziekte lijdt, waardoor het hem voorgoed onmogelijk is een winstgevende bezigheid uit te oefenen, in het genot worden gesteld van:
—
hetzij de helft van het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad indien zij ongeacht haar diensttijd op het tijdstip van overlijden daarop aanspraak had kunnen maken, mits op dat tijdstip het huwelijk ten minste één jaar heeft geduurd;
—
hetzij de helft van het invaliditeitspensioen dat de ambtenaar op de dag van overlijden genoot, mits de datum van het huwelijk ligt vóór het tijdstip waarop zij in het genot van invaliditeitspensioen werd gesteld.”
Razzouk en Beydoun waren gehuwd met ambtenaren van de Commissie. Na het overlijden van hun echtgenoten dienden zij een aanvraag om overlevingspensioen in op grond van artikel 79 Ambtenarenstatuut. Dit pensioen werd hun geweigerd. Zij kregen te horen dat zij zich enkel op artikel 23 van bijlage VIII hadden kunnen beroepen doch niet aan de voorwaarden daarvan voldeden. Bijgevolg kregen zij niets. Waren zij in plaats van weduwnaars weduwen geweest, dan zou hun een aanzienlijk pensioen zijn uitgekeerd. Met de onderhavige beroepen vragen zij het Hof in hoofdzaak, de besluiten van de Commissie nietig te verklaren op grond dat deze ongelijke behandeling op grond van hun geslacht onwettig is. Beydoun voert voorts aan, dat de Commissie artikel 23 onjuist heeft uitgelegd en hem ten onrechte zelfs op grond van dat artikel een pensioen heeft geweigerd. Beiden stellen subsidiair dat, indien zij geen recht hebben op pensioen, zij aanspraak kunnen maken op terugbetaling van de door hun echtgenoten betaalde pensioenbijdragen. Tenslotte wordt pensioen gevorderd voor kinderen van de overledenen.
Volgens de Commissie is het beroep van Beydoun klaarblijkelijk niet ontvankelijk; het zou te laat zijn ingesteld. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de hoofdvordering van Razzouk werpt de Commissie vragen op waarover het Hof zich zal dienen uit te spreken. In ieder geval zijn volgens de Commissie de vorderingen van beide verzoekers tot terugbetaling van pensioenbijdragen en tot toekenning van wezenpensioenen niet ontvankelijk. Daarom zullen wij eerst in bijzonderheden moeten ingaan op de geschiedenis van de vorderingen, alvorens over te gaan tot de problemen ten gronde, ten aanzien waarvan de Commissie staande houdt, dat geen van beide verzoekers aanspraak kan maken op pensioen.
Razzouk diende een aanvraag om overlevingspensioen in bij brief van 3 april 1981. Deze aanvraag werd afgewezen bij brief van 3 juli. Bij brief van 24 juli diende Razzouk een klacht in krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, met aanvoering van dezelfde argumenten als in zijn brief van 3 april 1981. Bij brief van 25 november stelde de Commissie hem in kennis van haar met redenen omkleed besluit tot afwijzing van de klacht. Op 22 februari 1982 werd beroep ingesteld bij het Hof. Bijgevolg zijn de bij artikel 90 Ambtenarenstatuut vastgestelde termijnen nageleefd en is het beroep bij hèt Hof ingesteld overeenkomstig artikel 91, leden 2 en 3.
Aangezien, indien Razzouk recht heeft op pensioen, hij dit recht in zijn hoedanigheid van weduwnaar van een overleden ambtenaar aan het Ambtenarenstatuut ontleent (vgl. zaak 24/71, Meinhardt, Jurispr. 1972, blz. 269, r.o. 3), is hij een „in dit Statuut bedoelde persoon” in de zin van artikel 90, leden 1 en 2. Bijgevolg heeft hij veeleer dan binnen de twee maanden na het besluit van 3 juli 1981 een beroep ex artikel 173 EEG-Verdrag in te stellen terecht een klacht ingediend.
De Commissie voert echter aan dat Razzouks hoofdvordering, die is geformuleerd als strekkende tot nietigverklaring van het in de brief van 25 november 1981 vervatte besluit, niet ontvankelijk zou kunnen zijn, omdat dit besluit louter een herhaling van dat van 3 juli was.
Artikel 91, lid 1, Ambtenarenstatuut bepaalt, dat het Hof bevoegd is uitspraak te doen in elk geschil dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor de betrokkene zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. In casu was dat het besluit vervat in de brief van 3 juli. Artikel 91, lid 2, bepaalt evenwel, dat tegen een dergelijk besluit niet rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij het Hof: de betrokkene moet eerst een klacht indienen tegen het besluit waardoor hij zich bezwaard acht, en kan zich eerst na afwijzing van de klacht tot het Hof wenden. Razzouk heeft aan de vereisten van de artikelen 90 en 91 voldaan. Het enige probleem is, dat hij in het verzoekschrift tot inleiding van het beroep nietigverklaring heeft gevorderd van het besluit tot afwijzing van de klacht, en niet van het besluit waardoor hij zich bezwaard achtte. Dit is geen wezenlijk gebrek, aangezien de bij de artikelen 90 en 91 vastgestelde termijnen in acht zijn genomen. Razzouk heeft alleen zijn vordering verkeerd geformuleerd, hetgeen begrijpelijk is, gelet op de bewoordingen van het Ambtenarenstatuut. Dezelfde situatie deed zich voor in zaak 186/80 (arrest van 14. 7. 1981, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2041). Op grond van de overwegingen in mijn conclusie in die zaak (ibid., blz. 2051, blz. 2058) en van de overwegingen van het Hof ten aanzien van een verschillende doch vergelijkbare situatie in zaak 156/80 (arrest van 21. 5. 1981, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357) meen ik dat een dergelijk gebrek geen reden is om het beroep niet ontvankelijk te verklaren.
Razzouk vordert ook wezenpensioen voor zijn zoon Michel. Volgens de Commissie heeft deze vordering geen zin, omdat een dergelijk pensioen is toegekend bij besluit van 3 april 1981. Ofschoon dit niet geheel duidelijk is, lijkt deze vordering tot doel te hebben, te voorkomen dat het aan Michel toegekende pensioen gevolgen ondervindt van de eventuele toewijzing van Razzouks hoofdvordering; volgens artikel 80 Ambtenarenstatuut wordt het wezenpensioen immers tot de helft verminderd, indien de overlevende echtgenoot van een overleden ambtenaar recht heeft op overlevingspensioen. Bijgevolg kan de vordering niet als niet ontvankelijk worden beschouwd op grond dat zij overbodig is.
Tenslotte is volgens de Commissie de alternatieve vordering tot terugbetaling van de door mevrouw Razzouk betaalde pensioenbijdragen niet ontvankelijk, omdat (1) daarvan geen sprake was in Razzolilo klacht en (2) Razzouk geen recht heeft op terugbetaling daarvan. Het doel van de in artikel 90, lid 2, bedoelde klacht en het verband tussen die klacht en het latere beroep bij het Hof werden in het arrest in zaak 58/75 (arrest van 1 juli 1976, Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1139, r.o. 32 en 33) verklaard als volgt: „... dit voorschrift [namelijk dat een klacht moet zijn ingediend en afgewezen alvorens beroep kan worden ingesteld bij het Hof] (heeft) tot doel ... een minnelijke schikking van [het] geschil tussen ambtenaren of andere personeelsleden en de administratie mogelijk te maken en te bevorderen, en ... daartoe (is het) van belang ... dat de administratie kennis kan nemen van de grieven of verlangens van de betrokkene; ... dit voorschrift (beoogt) evenwel niet... de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijziging ondergaat”. Bijgevolg kan het beroep bij het Hof betrekking hebben op vorderingen die niet in de klacht naar voren zijn gebracht maar de daarin vermelde vorderingen aanvullen of er het logische uitvloeisel van zijn: zie onder meer de arresten van 9 maart 1978 (zaak 54/77, Herpels, Jurispr. 1978, blz. 585, r.o. 17) en 20 november 1980 (zaak 806/79, Gerin, Jurispr. 1980, blz. 3515, r.o. 7).
Razzouks vordering tot terugbetaling van de door zijn overleden echtgenote betaalde pensioenbijdragen is een alternatieve vordering, ingesteld voor het geval dat zijn hoofdvordering mocht worden afgewezen. Zij berust op het argument dat, indien hij geen recht heeft op pensioen onder dezelfde voorwaarden als de weduwe van een overleden mannelijke ambtenaar, de Commissie zich onrechtmatig heeft verrijkt met een gedeelte van de door zijn echtgenote betaalde pensioenbijdragen, die zijn berekend op dezelfde grondslag als die van een mannelijke ambtenaar maar, ex hypothesi, niet dezelfde pensioenrechten doen ontstaan. Aangevoerd wordt, met andere woorden, dat de verplichting tot terugbetaling een gevolg is van een eventuele afwijzing van de hoofdvordering. Het is niet verwonderlijk, dat die vordering niet was vermeld in de klacht, aangezien Razzouks eigenlijke bezwaar is, dat hem geen pensioen wordt toegekend, en niet dat de door zijn echtgenote betaalde bijdragen niet worden terugbetaald. De ene vordering dient slechts voor het geval dat de andere mocht worden afgewezen. Derhalve zou het mijns inziens overdreven formalistisch zijn, de vordering tot terugbetaling van de pensioenbijdragen niet ontvankelijk te verklaren op grond dat zij niet uitdrukkelijk in de klacht was vermeld.
Ook het tweede argument van de Commissie moet worden verworpen. In geval van afwijzing van de hoofdvordering moet worden vastgesteld of, indien er een recht op terugbetaling van pensioenbijdragen bestaat en dit recht toekomt aan de ambtenaar die de bijdragen heeft betaald, het overgaat op de echtgenoot of op de erfgenamen van die ambtenaar. Bijgevolg moet mijns inziens Razzouks vordering ontvankelijk worden verklaard.
Beydoun diende een aanvraag om overlevingspensioen in bij brief van 16 juli 1980. Bij brief van 12 augustus 1981 wees de Commissie de aanvraag af op grond dat Razzouk, nu hij ouder was dan 65 en een ouderdomspensioen genoot, niet als beschikbaar voor de arbeidsmarkt kon worden beschouwd. Bijgevolg voldeed hij niet aan de voorwaarden van artikel 23 van bijlage VIII, omdat het hem niet wegens een gebrek of ernstige ziekte voorgoed onmogelijk was een winstgevende bezigheid uit te oefenen. Bij brief van 9 september 1981 diende Beydoun een klacht in tegen het besluit van de Commissie. De Commissie wees de klacht af bij brief van 9 maart 1982 en het verzoekschrift tot inleiding van het beroep werd neergelegd op 2 april.
De situatie na de indiening van de klacht stelt geen problemen in verband met de ontvankelijkheid (artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut). Het argument van de Commissie is, dat het beroep te laat is ingesteld, omdat Beydoun de klacht niet tijdig heeft ingediend. Ingevolge artikel 90, lid 1, gold het uitblijven van een antwoord van de Commissie op de aanvraag van 16 juli 1980 na vier maanden als een stilzwijgend besluit tot afwijzing van die aanvraag. Beydoun had daarop drie maanden tijd om de klacht in te dienen, dat wil zeggen tot februari 1981. In plaats daarvan wachtte hij tot de Commissie de aanvraag had afgewezen bij uitdrukkelijk besluit in augustus 1981. Beydoun brengt tegen de argumenten van de Commissie in, dat (1) hij niet onder toepassing van het Ambtenarenstatuut valt en derhalve niet door de artikelen 90 en 91 was gebonden, (2) na zijn aanvraag van 16 juli 1980 een langdurige briefwisseling en verscheidene gesprekken met de Commissie werden gevoerd, zodat eerst op zijn aanvraag is beslist met het uitdrukkelijke besluit van 12 augustus 1981.
Het eerste van deze argumenten moet mijns inziens worden verworpen. Beydoun is evenals Razzouk een in het Ambtenarenstatuut bedoelde persoon in de zin van artikel 90, lid 1, in zoverre het om een vordering tot toekenning van overlevingspensioen gaat. Zelfs gesteld dat hij niet zo'n persoon is, baat dit hem niet. In dat geval zou hem de beroepsweg van artikel 173 EEG-Verdrag openstaan, volgens hetwelk een beroep tot nietigverklaring van een besluit binnen de twee maanden moet worden ingesteld. In casu was dat besluit, de handeling waardoor Beydoun werd bezwaard, de in de brief van de Commissie van 12 augustus 1981 vervatte afwijzing van zijn pensioenaanvraag.
Dan kom ik thans toe aan het tweede argument. Artikel 91, lid 2, Ambtenarenstatuut bepaalt, dat slechts beroep kan worden ingesteld bij het Hof, wanneer een klacht is ingediend „in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn”, dat wil zeggen binnen een termijn van drie maanden, ingaande „op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien de klacht betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een ... verzoek” (artikel 90, lid 2). Het is duidelijk dat in casu zowel intern als met Beydouns raadsman Rogalla lang is gediscussieerd over de vraag op welk niveau het inkomen kon worden vastgesteld waarboven geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt op pensioen. Voorts heb ik niet de indruk, dat Beydoun kan beweren dat hij op enigerlei wijze werd uitgenodigd of aangespoord om geen klacht in te dienen binnen de gestelde termijn. Het lijkt mij hier ook niet te gaan om een geval waarin zou kunnen worden gesproken van een volledig hernieuwd onderzoek van het probleem, gelijk in voornoemde zaak Herpels, waardoor een nieuwe termijn had kunnen ingaan. Het onderhavige geval vertoont veeleer gelijkenis met zaak 40/71 (arrest van 17. 2. 1972, Richez-Parize, Jurispr. 1972, blz. 73), waarin het Hof verklaarde, dat de mededeling aan de betrokkene dat zijn vraag in studie was genomen, geen verlenging van de termijn tot gevolg had. Bovendien is volgens 's Hofs arrest van 19 februari 1981 (gevoegde zaken 122 en 123/79, Schiavo, Jurispr. 1981, blz. 473, r.o. 22) de termijn voor het indienen van een klacht van openbare orde en kan hij niet naar believen van partijen worden ingeroepen.
De vaststelling van een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van Beydouns aanvraag had in casu niet tot gevolg, dat een nieuwe termijn begon te lopen.
Verzoeker voert aan, dat zijn aanvraag in werkelijkheid een verzoek in de zin van artikel 25 Ambtenarenstatuut was. Mijns inziens ziet dit artikel alleen op zittende ambtenaren. Beydoun kon om een besluit verzoeken in zoverre hij behoorde tot de ruimere categorie personen, bedoeld in artikel 90, en de daarbij vastgestelde termijnen waren op hem toepasselijk.
Mitsdien meen ik, dat Beydouns beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard.
Razzouks hoofdvordering strekt evenals die van Beydoun, zo niet formeel dan toch in wezen, tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie, waarbij hem een overlevingspensioen is geweigerd.
Hij erkent dat hij zich niet rechtstreeks kan beroepen op artikel 119 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten verplicht tot toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Hij voert evenwel aan, dat dit beginsel bij analogie moet worden toegepast op de ambtenaren van de Gemeenschap; alternatief stelt hij, dat er een hogere regel van gemeenschapsrecht is, volgens welke ambtenaren in gelijke of vergelijkbare situaties gelijk moeten worden behandeld. De bepalingen betreffende overlevingspensioenen in het Ambtenarenstatuut zouden deze beide beginselen schenden.
Er bestaat duidelijk discriminatie op grond van het geslacht tussen ambtenaren en derhalve tussen hun echtgenoten. Mannelijke en vrouwelijke ambtenaren betalen dezelfde pensioenbijdragen op basis van hetzelfde salaris. Een mannelijke ambtenaar weet dat na zijn overlijden zijn overlevende echtgenote, ongeacht haar bestaansmiddelen, een pensioen zal ontvangen, terwijl een vrouwelijke ambtenaar weet dat na haar overlijden haar overlevende echtgenoot slechts een pensioen zal ontvangen, indien hij aan de voorwaarden van artikel 23 voldoet. Deze discriminatie werd nog versterkt in 1972, toen de regels in dier voege werden gewijzigd, dat een weduwe haar overlevingspensioen zelfs kan cumuleren met een eigen salaris ten laste van een gemeenschapsinstelling, hetgeen voordien niet mogelijk was.
Het Hof heeft herhaaldelijk getracht het Ambtenarenstatuut zo uit te leggen, dat het niet tot ongelijkheid tussen ambtenaren leidt (zie onder meer het arrest van 31. 5. 1975, zaak 156/78, Newth, Jurispr. 1979, blz. 1941, en de arresten van 20. 2. 1975, zaken 21/74, Airola, en 37/74, Van den Broeck, Jurispr. 1975, blz. 221 resp. 235).
Mijns inziens kan in casu die weg niet worden bewandeld. In artikel 79 wordt gezegd dat de „weduwe” van een ambtenaar recht heeft op een pensioen, berekend op basis van het pensioen van haar „echtgenoot” („husband”). Indien deze bepaling op zichzelf stond, zouden de termen „weduwe” en „echtgenoot” zonder veel problemen zo kunnen worden uitgelegd, dat zij ook „weduwnaar” en „echtgenote” omvatten, te meer nu in artikel 79 noch elders in hoofdstuk 3 van titel V van het Ambtenarenstatuut sprake is van een pensioenrecht van een weduwnaar na het overlijden van zijn echtgenote die ambtenaar was. Mijns inziens staat daaraan niet het feit in de weg, dat bijvoorbeeld in artikel 80 wordt gesproken van een ambtenaar die overlijdt zonder een „echtgenoot” („spouse”) na te laten.
Artikel 17 in hoofdstuk 4 van bijlage VIII heeft betrekking op het overlijden van een ambtenaar en kent de weduwe overeenkomstig artikel 79 een pensioen toe van 60 %. Artikel 23 is daarentegen specifiek van toepassing op de echtgenoot van een overleden vrouwelijke ambtenaar en kent hem een pensioen toe dat zelfs onder de aldaar vermelde restrictieve voorwaarden op een lager percentage — 50 — is vastgesteld. Bijgevolg kan niet worden gesteld, dat artikel 17 ook geldt voor weduwnaars.
Maar de bijlage is hoe dan ook niet in overeenstemming met artikel 79. Artikel 79 stelt als basisregel, dat een weduwe recht heeft op een pensioen van 60 %. Dit recht geldt „overeenkomstig hoofdstuk 4 van bijlage VIII”. Doel van de bijlage is de vaststelling van nauwkeurige, technische regels voor de uitoefening van het basisrecht. Ten aanzien van de weduwe beantwoordt de bijlage stellig aan dat doel, maar zij gaat verder door in een beperkt aantal gevallen een lager pensioen toe te kennen aan de overlevende echtgenoot, terwijl die op grond van de basisregel niets krijgt, tenzij hij moet worden geacht onder de term „weduwe” te vallen en recht te hebben op een pensioen van 60 %. Nu evenwel niet is gesuggereerd dat artikel 23 van de bijlage nietig zou zijn omdat het verder gaat dan de vaststelling van bepalingen ter uitvoering van artikel 79 (misschien uit vrees dat zulks tot gevolg zou hebben dat de echtgenoot niets krijgt), rijst de vraag of deze discriminatie onwettig is.
Volgens 's Hofs rechtspraak is het beginsel van gelijke behandeling ontegenzeglijk van toepassing op de ambtenaren van de Gemeenschap. Volgens het Hof is het een algemene regel van het communautaire ambtenarenrecht, dat ambtenaren in gelijke of vergelijkbare situaties niet ongelijk mogen worden behandeld, tenzij wordt aangetoond dat de ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld het arrest van 2. 12. 1982, gevoegde zaken 198-202/81, Micheli e. a., Jurispr. 1982, blz. 4145, r.o. 5 en 6). Dienovereenkomstig is een verschil in behandeling op grond van het geslacht alleen verboden (zie het arrest van 7. 7. 1982, zaak 20/71, Sabbatini-Bertoni, Jurispr. 1972, blz. 345, voornoemd arrest-Airola en het arrest van 15. 6. 1978, zaak 149/77, Defrenne, Jurispr. 1978, blz. 1365, r.o. 29).
De Commissie is zich reeds lang bewust van de discriminerende situatie ten aanzien van het overlevingspensioen en haar pogingen om dit te verhelpen gaan op zijn minst terug tot 1974, toen zij bij de Raad een voorstel tot herziening van het Ambtenarenstatuut indiende. Het Parlement is dezelfde opvatting toegedaan, maar in de Raad kon geen overeenstemming worden bereikt, blijkbaar omdat in sommige Lid-Staten verschillende regels gelden.
Volgens de Commissie is deze discriminatie niet onwettig, omdat zij berust op een objectief verschil in positie tussen weduwen en weduwnaars. Ofschoon de maatschappelijke opvattingen ontegenzeglijk zijn geëvolueerd en nog evolueren, beantwoordt het overlevingspensioen — zo wordt gezegd — aan het traditionele gezinsconcept (volgens hetwelk het gezinsinkomen wordt verdiend door de man, zodat bij diens overlijden zijn weduwe financieel in verlegenheid zou kunnen komen) en dient het om ten behoeve van de weduwe en de kinderen van een overleden mannelijke ambtenaar het verlies goed te maken van het onderhoud dat deze hun met zijn inkomen verschafte. Het Ambtenarenstatuut gaat er dus van uit, dat de ambtenaar vóór zijn overlijden in het onderhoud van zijn echtgenote voorzag en dat de weduwe niet over voldoende inkomsten beschikt om haar „overleving” te verzekeren. De overlevende echtgenoot van een overleden vrouwelijke ambtenaar wordt daarentegen vermoed over eigen bestaansmiddelen te beschikken, en kan slechts aanspraak maken op een pensioen, indien hij bewijst dat hij behoeftig is.
Wanneer dit het doel van het Ambtenarenstatuut is, wordt het op grond van de door de Commissie aan artikel 23 van bijlage VIII gegeven uitlegging niet bereikt, gelijk uit Beydouns geval blijkt. Volgens de Commissie heeft de behoeftige weduwnaar van een overleden vrouwelijke ambtenaar geen recht op overlevingspensioen, wanneer de onmogelijkheid voor hem om een winstgevende bezigheid uit te oefenen niet het gevolg is van een gebrek of een ernstige ziekte, maar bijvoorbeeld van de omstandigheid dat hij de normale pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en zich derhalve in een stadium bevindt waarin hij mogelijkerwijs het meest behoefte heeft aan bijstand, niet het minst indien om het even welk inkomen hem ook van overlevingspensioen uitsluit.
Ik ben er niet van overtuigd, dat hetgeen de Commissie aanvoert, ten huidige dage als een toereikende objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling kan worden beschouwd. Heel wat gehuwde vrouwen gaan uit werken en dragen daarmee bij aan het gezinsinkomen. Wanneer zij voltijds bij de Gemeenschappen werken, kan hun bijdrage aanzienlijk zijn in verhouding tot het totale gezinsinkomen. Onder die omstandigheden is er sprake van willekeur, wanneer — zoals in het Ambtenarenstatuut — alleen op grond van het geslacht en zonder inachtneming van de feiten van elk geval ervan wordt uitgegaan, dat de echtgenoot van de ene ambtenaar te zijnen laste is en die van een andere ambtenaar niet. Indien, zoals ik meen, een overlevingspensioen als een uitgestelde beloning van de ambtenaar moet worden beschouwd, is het verschil in behandeling nog minder gerechtvaardigd, omdat zowel de vrouwelijke werknemer als de mannelijke overlevende echtgenoot worden gediscrimineerd. Door de bestaande regeling van de Gemeenschap ten aanzien van haar ambtenaren te handhaven zou mijns inziens de tot dusver verwezenlijkte vooruitgang bij de opheffing van de ongelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers worden miskend.
Ik aanvaard ook niet het argument van de Commissie, dat elke aanpassing aan gewijzigde opvattingen en praktijken een tussenkomst van de wetgever onderstelt. Indien, zoals ik meen, hier sprake is van niet objectief gerechtvaardigde ongelijke behandeling, ligt het op de weg van het Hof, op verzoek van Razzouk het besluit van de Commissie nietig te verklaren.
De Commissie heeft aangevoerd dat artikel 119 EEG-Verdrag — of, zoals ik het versta, een analogisch beginsel ten aanzien van de beloning — niet van toepassing is op het onderhavige geval. Volgens haar heeft het Hof in zijn arrest van 25 mei 1971 (zaak 80/70, Defrenne, Jurispr. 1971, blz. 445, r.o. 7) verklaard, dat voordelen met het karakter van socialezekerheidsuitkeringen (en de Commissie rekent de door de Gemeenschap uitbetaalde overlevingspensioenen tot die categorie) geen „beloning” zijn in de zin van artikel 119. Het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van de sociale zekerheid, dat geleidelijk ten uitvoer moest worden gelegd door de vaststelling van bepalingen op grond van richtlijn nr. 76/207 van de Raad (PB C 39 van 1976, blz. 40), is tot dusver niet uitgebreid tot overlevingspensioenen, die uitdrukkelijk waren uitgesloten van het toepassingsgebied van verordening nr. 79/7 van de Raad. (PB L 6 van 1979, blz. 24) (artikel 3, lid 2). De Commissie leidt hieruit af, dat de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren gelijke tred moet houden met de ingevolge deze richtlijnen gemaakte vorderingen. Nu tot dusver met betrekking tot overlevingspensioenen geen vooruitgang is geboekt (afgezien van een voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling in de beroepsregelingen van de sociale zekerheid, PB C 134 van 1983, blz. 7), zou van een dergelijke toepassing geen sprake kunnen zijn.
In de eerste plaats aanvaard ik niet, dat het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren, dat reeds lang door het Hof is erkend, met betrekking tot overlevingspensioenen terzijde wordt geschoven met een beroep op artikel 119 en de aangevoerde richtlijnen. Ten aanzien van ambtenaren van de Gemeenschap is aan deze regel een ruimere grondslag gegeven.
Maar zelfs indien verzoeker een beroep moet doen op een gelijkaardige regel als die van artikel 119, lijkt het argument van de Commissie mij te ver te gaan. Volgens voornoemd arrest-Defrenne (zaak 80/70) vallen niet binnen het toepassingebied van artikel 119 „stelsels of uitkeringen van sociale zekerheid en met name de ouderdomspensioenen ..., die zonder enig overleg binnen de betrokken onderneming of bedrijstak rechtstreeks bij de wet worden vastgesteld en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën werknemers”. Deze omschrijving kan mijns inziens niet worden toegepast op de uitkeringen en pensioenen die worden uitbetaald onder stelsels die door werkgevers en werknemers buiten een nationale socialezekerheidsregeling om tot stand worden gebracht. Mijns inziens past zij ook niet op de door het Ambtenarenstatuut voorziene uitkeringen. Deze uitkeringen staan weliswaar los van een sociale-zekerheidswetgeving en komen voor de betrokken ambtenaren in de plaats daarvan, maar, ofschoon het op communautaire „wetgeving” — met name een verordening van de Raad — berust, vallen onder het stelsel van het Ambtenarenstatuut alleen personen die door de instellingen zijn tewerkgesteld, zodat het meer gelijkenis vertoont met een stelsel dat van toepassing is op het door een bepaalde werkgever tewerkgestelde personeel, dan met een stelsel dat voor de burgers of werknemers in het algemeen geldt. In wezen maakt het recht van de ambtenaar op bijvoorbeeld ouderdomspensioen deel uit van de (zij het uitgestelde) beloning die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking ontvangt (zie voornoemd arrest-Defrenne, r.o. 7, en de conclusie van advocaatgeneraal Dutheillet de Lamothe, loc. cit., blz. 454, blz. 458). Hetzelfde kan mijns inziens worden gezegd van het overlevingspensioen, ook al wordt het niet rechtstreeks aan de ambtenaar zelf maar aan zijn overlevende echtgenoot uitbetaald. Het gaat nog steeds om een beloning uit hoofde van de dienstbetrekking van de ambtenaar, waarvoor hij gedeeltelijk ook algemene pensioenbijdragen betaalt.
Bijgevolg meen ik dat, zelfs indien een restrictiever uitgangspunt moet worden genomen dan door het Hof is gesteld, Razzouk zich op een gelijkaardig beginsel als dat van artikel 119 kan beroepen. Ik geef er evenwel de voorkeur aan, zijn aanspraak de bredere grondslag te geven als hiervoor bedoeld.
Om voornoemde redenen meen ik dan ook, dat de vordering tot nietigverklaring moet worden toegewezen. Daarentegen acht ik het niet wenselijk, iets te beschikken ten aanzien van de vorderingen tot toekenning van overlevingspensioen en van rente. Het staat aan de gemeenschapsinstellingen, de nodige maatregelen te treffen om de discriminaties uit het Ambtenarenstatuut te verwijderen. Door deze vorderingen toe te wijzen zou op de zaak worden geprejudicieerd. Ter terechtzitting heeft Razzouk het Hof gevraagd, te bepalen dat het arrest binnen de vijf maanden na de uitspraak moet worden uitgevoerd. Mijns inziens is zulks niet wenselijk. Gelijk het Hof in zijn arrest van 12 januari 1984 (zaak 266/82, Turner, Jurispr. 1984, blz. 1) heeft verklaard, zijn de instellingen op grond van het Verdrag gehouden, zich binnen een „redelijke tijd” te conformeren aan een arrest waarbij een maatregel nietig wordt verklaard. Wat „redelijk” is, hangt af van de omstandigheden en het komt mij voor, dat het Hof zich daarover in casu niet vooraf mag uitspreken.
Gesteld dat ik Beydouns beroep ontvankelijk had geacht, zou ik tot dezelfde conclusie, zijn gekomen; het feit dat zijn beroep niet ontvankelijk is, betekent niet dat de Commissie zijn situatie niet op dezelfde grondslag kan regelen als die van Razzouk, mocht deze laatste in het gelijk worden gesteld. Gesteld dat Beydoun geen recht heeft op pensioen omdat de bestaande ongelijkheid wordt gehandhaafd, is mijns inziens de Commissie op grond van het huidige artikel 23 terecht tot de conclusie gekomen dat hij niet aan de vereiste voorwaarden voldeed, omdat hij niet aan een gebrek of een ernstige ziekte leed die het hem onmogelijk maakte een winstgevende bezigheid uit te oefenen; hij genoot immers reeds een ouderdomspensioen en was derhalve blijkbaar in ieder geval niet in staat een winstgevende bezigheid uit te oefenen. Dit is evenwel alleen maar een bevestiging, dat de ongelijkheid niet gerechtvaardigd is. Bijgevolg behoeft niet te worden onderzocht, wat is bedoeld met de zinsnede „behalve indien hij over eigen inkomsten beschikt” — dat wil zeggen, of daarmee om het even welk inkomen, hoe klein ook (maar niet de minimis) is bedoeld, dan wel een inkomen dat toereikend is om een redelijke minimumlevensstandaard te waarborgen.
Wat de overige vorderingen betreft, behoeft op de vordering tot toekenning van een wezenpensioen thans niet te worden ingegaan. Michel ontvangt een pensioen. Mocht aan Razzouk een overlevingspensioen worden toegekend, dan dient mijns inziens het wezenpensioen overeenkomstig artikel 80 Ambtenarenstatuut tot de helft te worden verminderd. De alternatieve vordering tot terugbetaling van mevrouw Razzouks pensioenbijdragen behoeft evenmin te worden onderzocht omdat, naar ik meen, Razzouks hoofdvordering dient te worden toegewezen.
Het is wellicht nuttig, er bij wege van voetnoot nog op te wijzen, dat de conclusie waartoe ik met betrekking tot Razzouks hoofdvordering ben gekomen, in overeenstemming is met de praktijk van verscheidene Lid-Staten en van sommige internationale organisaties en met de uitspraak van de Supreme Court van de Verenigde Staten in de zaak Wengler t. Druggists Mutual Insurance Company (446US 142).
Naar het Hof heeft vernomen, overleden in 1974 twee vrouwelijke ambtenaren die een echtgenoot nalieten en is dit aantal thans toegenomen van twee tót tien per jaar. Dit laatste cijfer wordt beschouwd als het vermoedelijke maximumcijfer voor dergelijke vorderingen. Nu het onderhavige beroep eenvoudig strekt tot nietigverklaring van een specifiek besluit ten aanzien van een welbepaalde persoon en niet tot terzijdestelling van het Ambtenarenstatuut als zodanig, is mijns inziens een commentaar of een beslissing over de gevolgen van de uitspraak voor andere gevallen niet op zijn plaats.
Onder de onderhavige omstandigheden dient de Commissie de op Razzouks beroep gevallen kosten te vergoeden. In Beydouns geval is het probleem niet zo eenvoudig. Ingevolge artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven, onverminderd het bepaalde in artikel 69, paragraaf 3, de door de instellingen gemaakte kosten in de regel te haren laste. Dit geldt evenwel voor de „gedingen, bedoeld in artikel 95, paragraaf 2” van het Reglement voor de procesvoering, dat uitdrukkelijk betrekking heeft op „de beroepen, welke door een ambtenaar of een ander lid van het personeel ener instelling ... aanhangig worden gemaakt”. Beydoun behoort tot geen van beide categorieën, ofschoon zijn vordering op het Ambtenarenstatuut berust. Naar de letter van artikel 95, paragraaf 3, is artikel 70 niet van toepassing, zodat, nu zijn beroep moet worden verworpen, Beydoun normaal alle kosten zou moeten dragen. In verschillende zaken evenwel heeft het Hof artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering toegepast op beroepen die waren ingesteld door personen die ambtenaar noch ander personeelslid waren: zie bijvoorbeeld de arresten van 6 december 1972 (zaak 18/70, X tegen de Raad, Jurispr. 1972, blz. 1205) (weduwe van een overleden ambtenaar), 31 maart 1965 (zaak 23/64, Vandevyvere, Jurispr. 1965, blz. 207) en 26 februari 1981 (zaak 34/80, Authié, Jurispr. 1981, blz. 665) (niet tot een vergelijkend onderzoek toegelaten sollicitanten). Bijgevolg kan worden gesteld, dat artikel 95, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering ruim moet worden uitgelegd, zodat dit betrekking heeft op iedereen die onder het Ambtenarenstatuut valt. In ieder geval meen ik, dat in casu bijzondere redenen voorhanden zijn om de proceskosten te compenseren.
Om voornoemde redenen meen ik, dat Beydouns beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten; in het door Razzouk ingestelde beroep dient het besluit van de Commissie van 3 juli nietig te worden verklaard met verwijzing van de Commissie in de door beide partijen gemaakte kosten, doch moet niet worden beslist op Razzouks overige vorderingen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy