CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 28 OKTOBER 1982
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De voornaamste feiten
De in Italië wonende heer Malfitano heeft in de periode 1955-1956 als mijnwerker in België gewerkt. Hij was daar als zodanig verzekerd tegen ziekte en invaliditeit. Het aantal verzekeringsdagen voor deze periode is door de verwijzende rechter, de Arbeidsrechtbank te Charleroi, gesteld op 233. Dit getal blijkt weliswaar niet geheel onomstreden te zijn, maar niet omstreden is dat het aantal verzekeringsdagen in totaal minder dan één jaar bedraagt. Blijkens het Koninklijk Besluit van 31 december 1963 staat een verzekeringsjaar gelijk met 312 dagen. Na 1956 werkte de heer Malfitano in Duitsland en keerde vervolgens terug naar Italië, alwaar hij volgens de door het INAMI verschafte gegevens per 1 januari 1975 invalide werd verklaard. In 1971 diende de heer Malfitano bij het INAMI een aanvrage om een invaliditeitsuitkering in, welke in 1977 door deze instelling werd geweigerd. Daartoe baseerde het INAMI zich op artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71, met de overweging dat de verzekeringsduur in België korter was dan één jaar en volgens het toepasselijke Belgische recht geen recht op uitkering zou bestaan.
Het tegen deze beslissing ingestelde beroep bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi, resulteerde in de aan U gestelde vraag, welke luidt als volgt:
„Nu de Belgische wetgeving inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit de woonplaats niet als toereikend beschouwt voor de toekenning van uitkeringen of voor de verkrijging van de hoedanigheid van gerechtigde, moet dan artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus worden begrepen dat, indien een tijdvak van verzekering of wonen op het Belgische grondgebied korter is dan een jaar, doch het recht op uitkeringen ontstaat door het vervallen van de verplichte wachttijd, het bevoegde orgaan gehouden is voor dat tijdvak uitkeringen toe te kennen?”
2. Artikel 48, lid 1, van verordening nr.1408/71
De desbetreffende bepaling uit verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
„1.
Indien de totale duur der krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uitkeringen krachtens die wettelijke regeling bestaat, is het orgaan van die Staat, ongeacht het bepaalde in artikel 46, lid 2, niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken uitkeringen toe te kennen.”
De woorden „of van wonen” zijn aan deze bepaling toegevoegd naar aanleiding van de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken tot de Gemeenschap (PB L 73 van 1972, blz. 104). Deze toevoeging vond zijn oorzaak in het feit dat Denemarken en in mindere mate het Verenigd Koninkrijk het criterium „wonen” hanteren. Het begrip „tijdvakken van wonen” is omschreven in artikel 1, letter s bis. Met dit gegeven kan reeds aanstonds worden vastgesteld dat, aangezien de Belgische wetgeving andere criteria dan „tijdvakken van wonen” hanteert, deze voorwaarde in casu niet relevant is en het al of niet vervuld zijn daarvan voor de uitleg van artikel 48, lid 1, in deze zaak geen betekenis heeft.
Bij een oppervlakkige lezing van de betrokken bepaling zou men in de veronderstelling kunnen verkeren dat wanneer de duur der verzekering minder bedraagt dan één jaar er in het geheel geen recht op uitkeringen zou kunnen bestaan. Aangezien artikel 48 zijn oorsprong vindt in administratieve doelmatigheidsoverwegingen, is deze uitleg op zich denkbaar, zoals ook de advocaat-generaal Reischl in zijn conclusie in de zaak-Borella (49/75, Jurispr. 1975, blz. 1461) stelde. Zoals de heer Reischl toen reeds opmerkte, is deze uitleg niettemin apert onjuist. De tekst van artikel 48, lid 1, geeft duidelijk aan dat het slechts gaat om een uitzondering op artikel 46, tweede lid, met andere woorden een uitzondering op de prorateringsregel van verordening nr. 1408/71. Zoals voorts blijkt uit de tweede voorwaarde van artikel 48, lid 1, is deze uitzonderingsbepaling alleen dan van toepassing wanneer er naar nationaal recht geen recht op uitkering bestaat. Bestaat dit recht wel, bijvoorbeeld omdat de periode van minder dan één jaar wel lang genoeg is om een wachtperiode te hebben vervuld, dan is artikel 48, lid 1, niet van toepassing. Ook Uw Hof heeft in rechtsoverweging 5 van het genoemde arrest deze strekking van artikel 48, lid 1, duidelijk erkend. Ook het arrest in de zaak 55/81 (Vermaut, nog niet gepubliceerd) bevestigt deze uitleg van de betrokken bepaling. Gezien deze vaststaande interpretatie dient de vraag van de Arbeidsrechtbank te Charleroi dan ook bevestigend te worden beantwoord. Daarbij zal echter aan het concrete geschilpunt duidelijker aandacht moeten worden besteed dan in het antwoord, dat de Commissie heeft voorgesteld.
3. De relevante bijzonderheden van het onderhavige geval
Uit de vraagstelling van de verwijzende instantie blijkt namelijk dat deze uitgaat van het gegeven dat inderdaad naar Belgisch recht een recht op uitkering is ontstaan doordat de verplichte wachttijd is vervuld. Blijkens haar memorie wordt deze vaststelling door het INAMI echter betwist. Althans betwist het INAMI dat dit recht op uitkering naar Belgisch recht nog zou bestaan, indien betrokkene ten tijde van de realisatie van het risico reeds geruime tijd niet meer in België verzekerd was. Het INAMI voert daartoe een argument aan dat een communautairrechtelijke relevantie heeft. Blijkens blz. 4 en 6 van haar memorie beijvert deze instelling zich om onder meer aan te tonen dat uit de in 1955-1956 van kracht zijnde Belgische wetgeving in een geval als dat van de heer Malfitano thans op grond van de vermelde wet van 1963 geen aanspraken meer zouden kunnen ontstaan. Zij beroept zich voor de relevantie van dit argument op de Franse tekst van artikel 48, lid 1, die stelt dat „... si ... aucun droit n'est acquis ...” en niet „... si ... aucun droit n'a été acquis ...”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het INAMI zijn standpunt nog nader toegelicht, zulks mede naar aanleiding van de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van Malfitano. Volgens het INAMI zou in België op grond van vermelde wet van 9 augustus 1963 voor gevallen als het onderhavige geen recht op uitkering meer bestaan, nu betrokkene op het tijdstip dat hij invalide werd verklaard, in België niet meer verzekerd was. Zoals de vertegenwoordiger van Malfitano ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, is dit standpunt echter niet verenigbaar met de tekst van artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zoals deze in het licht van artikel 51 van het EEG-Verdrag moet worden uitgelegd. Impliciet lijkt mij dit ook te volgen uit rechtsoverwegingen 14 en 15 van Uw arrest in de zaak Vermaut (zaak 55/81), alsmede uit de tekst van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71. Deze tekst legt immers duidelijk verplichtingen tot prorata-uitkeringen vast voor elk der Lid-Staten, aan „de wettelijke regeling, waarvan de werknemer onderworpen is geweest” (onderstreping toegevoegd). De uitzondering, die artikel 48, lid 1, bevat zal dan in gelijke zin moeten worden uitgelegd, waar over „wettelijke regeling” wordt gesproken. Daar het geschil uiteindelijk vooral over dit geschilpunt lijkt te handelen, zal Uw antwoord ook op dit punt voldoende duidelijkheid omtrent de aan artikel 48, lid 1, te geven uitleg dienen te verschaffen.
4. Conclusie
Ik stel U derhalve voor de vraag van de Arbeidsrechtbank te Charleroi te beantwoorden als volgt:
„Artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dient aldus te worden uitgelegd dat indien een tijdvak van verzekering of wonen op het grondgebied van een Lid-Staat korter is dan één jaar, maar naar nationaal recht wel een recht op uitkering over die kortere periode is ontstaan — al was dit in het verleden —, het bevoegde orgaan gehouden is voor dat tijdvak uitkeringen toe te kennen.”
Full & Egal Universal Law Academy