CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 11 NOVEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De vragen die het Tribunale civile e penale te Florence bij beschikking van 25 november 1981, ten Hove ingekomen op 5 maart 1982, heeft gesteld, betreffen wederom de navordering van invoerrechten die niet zijn geheven voor goederen, welke waren aangegeven voor een douaneregeling waaruit in feite wel de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide.
2.
De feiten van het geschil tussen de firma Italgrani en de Italiaanse douane zijn de volgende:
In november 1972 deed Italgrani bij de douane te Livorno aangifte van haar voornemen een partij graan uit een derde land te importeren. Op 8 november 1972 werd deze aangifte ten invoer aanvaard, doch de waar werd eerst later bij gedeelten, gespreid over een zekere periode, uitgeslagen.
Aanvankelijk paste de douane het tarief van de landbouwheffing toe, dat gold op de dag waarop de waar werd uitgeslagen. Bij betalingsbevel van 11 juli 1977 vorderde zij echter van Italgrani betaling van LIT 5901035, vermeerderd met rente, zijnde het verschil tussen het tarief op de dag van aanvaarding van de aangifte ten invoer en het tarief op de dag van uitslag van de waar.
Hiermee handelde de douane in overeenstemming met 's Hofs arrest-Frecassetti van 15 juni 1976 (Jurispr. 1976, blz. 983), waarin was verklaard voor recht, dat de heffingen moeten worden berekend volgens het tarief dat geldt op de datum waarop de aangifte ten invoer door de douane wordt aanvaard.
Niettemin kwam de firma Italgrani in beroep tegen deze navordering, stellende dat 's Hofs rechtspraak geen toepassing kon vinden in gevallen die geheel waren afgedaan.
Het Tribunale te Florence vraagt thans of de handelwijze van de Italiaanse a iministratie wel in overeenstemming is met verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979, waarin de navordering van rechten is geregeld, zulks gelet op het feit dat die navordering vóór de inwerkingtreding van 's Raads verordening op 1 juli 1980, doch meer dan drie jaar de oorspronkelijke beschikking houdende vaststelling van de heffing, heeft plaatsgevonden.
3.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft geen schriftelijke of mondelinge opmerkingen gemaakt en ik kan mijn uiteenzetting kort houden in verband met 's Hofs arrest van 12 november 1981 (Salumi e. a., Jurispr. 1981, blz. 2735), waarin het om drie soortgelijke gevallen ging. Overigens mag worden aangenomen dat het Tribunale te Florence, had het dat arrest gekend, het niet nodig zou hebben gevonden u vragen te stellen.
Daaruit blijkt immers, dat van „navorderingen” in de zin van verordening nr. 1697/79 enkel kan worden gesproken, indien de desbetreffende procedures na 1 juli 1980 zijn ingeleid.
Hieraan doet niet af, dat het aanvankelijk opgeëiste bedrag is berekend hetzij op basis van door de bevoegde autoriteiten zelf verstrekte gegevens, hetzij op basis van bepalingen van algemene strekking, die nadien bij rechterlijke uitspraak ongeldig zijn verklaard (artikel 5, lid 1, van de verordening).
Ook het verbod moratoire interessen te berekenen over de achteraf gevorderde bedragen wanneer het aan een vergissing van de bevoegde instanties te wijten is dat aanvankelijk te weinig is ingevorderd (artikel 7 van de verordening), geldt slechts wanneer de rechten eerst na 1 juli 1980 zijn vastgesteld.
Concluderend geef ik in overweging, te verklaren voor recht, dat wanneer vereffingen van invoerrechten vóór 1 juli 1980 zijn vastgesteld, er geen sprake is van „navordering” in de zin van verordening nr. 1697/79.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy