CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 10 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In 1981 werden in het organisatieschema van de Raad twee nieuwe directeursposten opgenomen. Een daarvan was bestemd voor het nieuw ingestelde ambt van directeur Begroting en statuut bij het directoraat-generaal A.
Deze vacature werd ter kennis gebracht van het personeel van de Raad bij kennisgeving van 17 juni 1981, die vervolgens op 24 juni en 6 juli 1981 — wat de sollicitatievoorwaarden en de termijn voor indiening van de sollicitaties betreft — werd gewijzigd.
Voordat de sollicitatietermijn op 22 juli 1981 verstreek, hadden 17 A 3-ambtena-ren van de Raad, waaronder verzoeker, zich kandidaat gesteld voor de uitgeschreven post. Geen van die sollicitaties werd aanvaard, evenmin als een die nog na het verstrijken van de termijn was ingekomen. Dit werd aan de 17 sollicitanten meegedeeld bij gelijkluidende brieven van 31 juli 1981, waarvan de kernzin luidde: „En effet, pour l'occupation de ce poste, je suis tenu de prendre en considération non seulement les connaissances et expériences professionnelles requises pour ce poste de direction mais aussi le maintien d'un équilibre géographique approprié.” Een Luxemburgse ambtenaar van de Raad, die gesolliciteerd had, ontving eveneens een negatief antwoord van dezelfde datum, waarin het heette:
En effet, le choix du candidat pour ce poste est conditionné, en dehors du respect d'un équilibre géographique approprié, par l'existence de connaissances et expériences professionnelles spécifiques nécessaires pour cette fonction de direction.
Connaissant l'évolution de votre carrière, j'estime que vos connaissances et expériences spécifiques ne correspondent pas aux fonctions du poste de direction mentionné ci-dessus.”
Vervolgens werd bij besluit van de secretaris-generaal van de Raad van 11 september de Luxemburger Kasel in de vacature aangesteld. Deze, die zich — naar in de loop van het geding is gebleken — op 9 juli 1981 kandidaat had gesteld, was sinds 6 januari 1981 als tijdelijk functionaris in de rang A 3 adjunctkabinetschef van de voorzitter van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Op 12 oktober 1981 dienden twaalf A 3-ambtenaren van de Raad een nagenoeg gelijkluidende klacht in tegen dit besluit bij het tot aanstelling bevoegd gezag; de klacht van verzoeker in de onderhavige zaak ging vergezeld van bijzondere bijlagen en toelichtingen. Deze klachten werden afgewezen bij besluiten van 18 december 1981, waarin — na de verzekering dat de klachten zeeť zorgvuldig waren onderzocht — werd verklaard:
Na een diepgaand onderzoek zie ik echter geen mogelijkheid om van mijn eerdere besluit terug te komen. Dit is genomen in het kader van de ruime discretionairé bevoegdheid en de grote beslissingsvrijheid waarover het tot aanstelling bevoegd gezag terzake beschikt. De gevolgde procedure is bij de Raad overigens gebruikelijk voor benoemingen in de rangen A 1 en A 2.ȝ
In een nota van de secretaris-generaal van 15 februari 1981 werd met betrekking tot de laatste zinsnede nog verklaard, dat zij bedoeld was ter toelichting van het ín de eerste zin tot uitdrukking gebrachte besluit „et en conséquence elle ne fait pas partie de cette décision à proprement parler. Vous pouvez donc la considérer comme étant sans objet.” Verder werd gezegd: „Pour l'avenir je puis vous assurer.., que pour la période de mon mandat de secrétaire général, je n'ai aucunement l'intention de dévier des procédures qui sont à suivre dans le cas des nominations des fonctionnaires au grade A 2.”
Daarop heeft een van de afgewezen kandidaten uit het personeel van de Raad, de heer Schloh, op 10 maart 1982 beroep ingesteld bij het Hof, Hij concludeert tot:
—
nietigverklaring van de afwijzing van zijn sollicitatie naar het ambt van directeur Begroting en statuut;
—
nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn klacht van 12 oktober 1981, en
—
nietigverklaring van het besluit van 11 september 1981 houdende benoeming van Kasel in het ambt van directeur Begroting en statuut.
Als middelen voert hij aan, dat de vacature niet ter kennis van het personeel van de andere instellingen is gebracht en dat ook geen verzoeken tot overgang zijn onderzocht, wat in strijd is met artikel 29, lid 1, sub c, juncto artikel 4, lid 3, Ambtenarenstatuut. Vervolgens stelt hij schending van artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut, doordat in het vacante ambt iemand van buiten de Gemeenschappen („personne extérieure aux Communautés”) is aangesteld, die de bijzondere, voor dat ambt vereiste kwalificaties niet bezat. In de derde plaats zou het ambt voorbestemd zijn geweest voor een onderdaan van een bepaalde Lid-Staat, wat ingevolge artikel 27 Ambtenarenstatuut niet toelaatbaar is. Bovendien zou er sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, in zoverre het ambt voor een bepaalde persoon was bestemd nog voor een begin was gemaakt met de aanstellingsprocedure. En tenslotte zou het besluit tot afwijzing van zijn klacht in strijd met artikel 25, lid 2, Ambtenarenstatuut onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Ik wil hieromtrent het volgende opmerken.
I — Het eerste middel
Hiertegen werpt de Raad vooreerst een exceptie van niet-ontvankelijkbeid op. De door verzoeker ingeroepen bepalingen — artikel 29, lid 1, sub c, en artikel 4, lid 3, Ambtenarenstatuut — zouden ten doel hebben, de belangen van de ambtenaren van de andere instellingen te beschermen. De eventuele niet-naleving ervan zou verzoeker dus niet bezwaren. Bijgevolg zou hij geen belang hebben bij toetsing van deze grief, wat met name hieruit zou blijken, dat zelfs wanneer de procedure werd overgedaan en genoemde bepalingen daarbij strikt werden nagekomen, dit verzoeker stellig niet zou baten.
Dít is volgens de rechtspraak in soortgelijke zaken zonder twijfel juist. Ik denk hier bijvoorbeeld aan het arrest van 15 maart 1973 (zaak 37/72, Marcato, Jurispr. 1973, blz. 361), waarin werd ontkend dat de verzoeker zich zou kunnen beroepen op het ontbreken van een leeftijdsgrens in een aankondiging van een vergelijkend onderzoek, en wel omdat de verzoeker geen baat zou vinden bij de gevraagde nietigverklaring van het bestreden besluit. Volgens het arrest van 23 januari 1975 (zaak 29/74, de Dapper, Jurispr. 1975, blz. 35) is het van belang, of de gestelde onrechtmatigheid ook de verzoeker dan wel enkel andere ambtenaren benadeelt. In het arrest van 29 oktober 1975 (gevoegde zaken 81-88/74, Marenco e.a., Jurispr. 1975, blz. 1247) werd beklemtoond, dat de verzoeker persoonlijk belang moet hebben bij de vernietiging van het bestreden besluit. Tenslotte is volgens het arrest van 16 december 1976 (zaak 124/75, Perinciolo, Jurispr. 1976, blz. 1953) van belang, of de verzoeker door een gesteld gebrek nadeel heeft ondervonden en of hij er baat bij heeft dat de procedure, na de vaststelling van de onregelmatigheid ervan, wordt overgedaan.
Ik meen dat van deze beginselen niet moet worden afgeweken. Met name biedt verzoekers opmerking, dat de door hem aangehaalde bepalingen niet alleen de ambtenaren van de andere instellingen beschermen, maar zijn vastgesteld in het algemeen belang, geen aanleiding daartoe. Evenmin immers als in het nationale recht — de Raad gaat hier uitgebreid op in met verwijzingen naar rechtspraak en doctrine — lijkt er in de Gemeenschap aanleiding te bestaan om in rechte optredende ambtenaren de mogelijkheid te bieden, voor een algemene naleving van het recht op te komen, dus als het ware „dans l'intérêt de la loi” te procederen.
De vraag, of het voorschrift van artikel 29, lid 1, dat vóór een vergelijkend onderzoek — waarvan alleen kan worden afgeweken voor aanstellingen in de rangen A 1 en A 2 — verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere gemeenschapsinstellingen moeten worden onderzocht, in feite betekent dat dergelijke vacatures formeel ter kennis van het personeel van de andere instellingen moeten worden gebracht, kan derhalve onbeantwoord blijven. In het midden kan men ook laten, of de Raad niet aan dit vereiste heeft voldaan door — zoals hij het Hof desgevraagd heeft verzekerd — de kennisgeving van vacature (83/81) alsmede alle corrigenda mee te delen aan de hoofden van administratie van de andere instellingen, wat volgens de Raad een verzoek om bekendmaking ervan impliceerde.
Van belang is zeker, dat er niets bekend is van klachten of beroepen van ambtenaren van de andere instellingen tegen de in casu bestreden aanstelling. Daartoe zou het immers stellig zijn gekomen zo er in de andere instellingen serieuze gegadigden geweest waren en dezen van mening waren geweest dat de Raad een ernstige procedurefout had gemaakt.
II — Het tweede middel
Hierin verwijt verzoeker de Raad, op de uitgeschreven post iemand van buiten de Gemeenschappen te hebben benoemd, waarbij volgens de in repliek gegeven toelichtingen „van buiten de Gemeenschappen” aldus moet worden begrepen, dat de betrokkene geen ambtenaar van de Gemeenschappen was en de voor de post :vereiste kwalificaties miste.
In zijn klacht, waarnaar in het beroep uitdrukkelijk wordt verwezen, wordt — als ik het goed begrijp — in dit verband gesteld, dat toepassing van artikel 29, lid 2, ook voor A 2-posten niet zonder meer mogelijk is, maar dat integendeel moet worden aangenomen dat er bijkomende vereisten dienen te gelden met betrekking tot bijzondere kundigheden, ervaring en kwalificaties. Genoemde bepaling zou in zulke gevallen dus slechts dan kunnen worden toegepast, wanneer het niet mogelijk lijkt een post langs de normale weg te bezetten.
In het beroep werd het accent dan duidelijk verlegd naar het gemis aan kwalificaties bij de benoemde kandidaat. Zich op het standpunt stellend dat de Raad geen genoegen had mogen nemen met de kwalificaties die beneden die van zittende A 3-ambtenaren van de Raad lagen, meende verzoeker uit het door de administratie van de Raad op 10 september 1981 bekendgemaakte curriculum vitae van de benoemde kandidaat te kunnen opmaken, dat deze geenszins de bijzondere kennis van het begrotings- en ambtenarenrecht bezat die kennelijk voor de betrokken post vereist was, zowel volgens de functieomschrijving in de kennisgeving van vacature als volgens hetgeen was verklaard in de brief waarmee de sollicitatie van de bij de Raad werkzame Luxemburgse ambtenaar werd afgewezen.
1.
Wat dit betoog betreft, kunnen al aanstonds twee dingen worden vastgesteld:
a)
Ik begrijp niet goed, waarom verzoeker zozeer beklemtoont dat Kasel bij zijh benoeming nog geen gemeenschaps- ambtenaar was. Dit kan immers geen nietigheidsgrond zijn, want geen bepaling schrijft voor dat in zulk geval slechts gemeenschapsambtenaren kunnen solliciteren, terwijl een dergelijke beperking evenmin uit de kennisgeving van vacature kan worden afgeleid.
b)
Evenmin kan mijns inziens worden betwijfeld dat de Raad terecht gebruik heeft gemaakt van de procedure van artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut. Volgens deze bepaling immers kan in twee, niet met elkaar te verwarren gevallen, van een vergelijkend onderzoek worden afgezien, namelijk in de eerste plaats wanneer voor een ambt zeer bijzondere kundigheden zijn vereist die men maar zelden vindt, en in de tweede plaats in het algemeen bij de aanwerving van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2. In dit laatste geval geldt dus niet, zoals verzoeker meent, de beperkende voorwaarde, dat het een post moet betreffen die zeer bijzondere kundigheden vereist. Hier is de buitengewone procedure veeleer gerechtvaardigd omdat het om leidinggevende functies gaat, die bijzondere menselijke kwaliteiten verlangen, of — zoals bij de zogenoemde politieke ambtenaren in de nationale situatie — omdat er een bijzondere vertrouwensrelatie dient te bestaan, die dan ook weer gemakkelijker kan worden beëindigd. Derhalve is verzoekers standpunt, dat artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut slechts mag worden toegepast wanneer het niet mogelijk lijkt, een van de daar genoemde posten volgens de normale procedure te bezetten, duidelijk ongegrond.
2.
Wat de kwalificaties betreft, die — zoals bij de mondelinge behandeling is gebleken — in dit middel duidelijk centraal staan, heeft de vertegenwoordiger van de Raad er terecht op gewezen, dat in beginsel het tot aanstelling bevoegd gezag een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de beoordeling van de individuele bekwaamheden van de kandidaten, en dat het niet de taak van het Hof kan zijn dergelijke beoordelingen te toetsen of zelfs in de plaats van de administratie de kwaliteiten van de verschillende kandidaten tegen elkaar af te wegen. Het enige wat het Hof in dergelijke gevallen kan doen — en dit is vaste rechtspraak —, is vaststellen of er sprake is van een kennelijke vergissing.
In de tweede plaats legt verzoeker wel een verkeerde maatstaf aan, wanneer hij met het oog op de vacant verklaarde post te zeer de klemtoon legt op de daarvoor vereiste technische kennis en desbetreffend stelt, dat die op zijn minst even groot moet zijn als die van andere op het betrokken gebied werkzame ambtenaren. In beginsel is het zo, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ook bij de beoordeling van de in een kennisgeving van vacature vereiste kwalificaties een zekere discretionaire bevoegdheid heeft. Zo gezien valt er in de onderhavige zaak niets tegen in te brengen, dat de Raad — zoals in de loop van het geding werd verklaard — vooral gelet heeft op de bekwaamheid om een dienst te leiden, om contacten te onderhouden en om het werk te coördineren („synthèse”), en slechts subsidiair bijzondere kennis op het gebied van het begrotings- en ambtenarenrecht in aanmerking heeft genomen. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat een gedegen kennis op de genoemde gebieden zonder belang is, want volgens de taakomschrijving in de kennisgeving van vacature moesten „des études spécialisées de haut niveau” op die gebieden worden verricht; maar daarbij had men — anders dan verzoeker denkt — stellig niet alleen maar „super-deskundigen” op het oog, want juist voor de technische details beschikt een ambtenaar in de rang van de vacant verklaarde post over gespecialiseerde medewerkers, en zijn eerste taak is het, hen te instrueren en hun werk te benutten.
3.
Houdt men dit voor ogen, dan kan men verzoekers kritiek op de benoeming van Kasel bezwaarlijk gegrond noemen; in elk geval is bij de beoordeling van zijn bekwaamheden geen kennelijke vergissing gemaakt.
Dat is het geval voor wat de vereiste leidinggevende eigenschappen betreft, die zeker niet alleen op grond van zijn leeftijd in twijfel kunnen worden getrokken.
Dit geldt ook voor de verlangde kennis van de „politique générale des communautés européennes”, die volgens de kennisgeving van vacature eveneens van groot belang was en waarvoor de Raad naar Kasels loopbaan, zowel bij de nationale administratie als bij de Gemeenschappen kon wijzen. Ik refereer hier met name aan de bij Kasels sollicitatie gevoegde „notice biographique”.
Dit geldt tenslotte ook voor de kennis van het begrotings- en ambtenarenrecht. Hier is van belang dat Kasel „diplômé de l'institut d'études politiques de Paris (économie et finances)”, „docteur en droit” en „licencié spécial en droit administratif” is, zodat mag worden aangenomen dat hij een gedegen kennis heeft van het begrotings- en ambtenarenrecht. Wat de voor de functie passende ervaring betreft, is te dezen ook zijn loopbaan tot nu toe van belang en niet in de laatste plaats het feit dat in de loop van het geding onweersproken is vastgesteld, dat Kasel inderdaad de hem door de Raad opgedragen taken tot algemene tevredenheid heeft vervuld.
4.
Ik ben derhalve van mening, dat ook het tweede middel moet falen.
III — Het derde middel
Zoals bekend, gaat het hier om een vermeende schending van artikel 27 Ambtenarenstatuut, dat bepaalt dat geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde Lid-Staat.
In zijn klacht verwees verzoeker te dezen naar een arrest van 4 maart 1964 (zaak 15/63, Lassalle, Jurispr. 1964, blz. 64), waarin het'belang van dit beginsel werd beklemtoond en verder werd overwogen, dat slechts bij gelijkwaardigheid van de kwalificaties van de verschillende kandidaten het nationaliteitscriterium het zwaarst mag wegen om het geografisch evenwicht te herstellen. In het verzoekschrift lijkt dan al enige twijfel tot uitdrukking te komen, of dit laatste aspect — herstel van het geografisch evenwicht — in casu wel van enig belang is; er wordt immers op gewezen, dat de Luxemburgse onderdanen bij andere instellingen van de Gemeenschap (Commissie, Economisch en Sociaal Comité) ook in de hogere rangen voldoende zijn vertegenwoordigd. Daarnaast stelde verzoeker zich in elk geval op het standpunt, dat het in werkelijkheid niet ging om een situatie waarin wegens gelijkwaardige kwalificaties de nationaliteit de doorslag had gegeven, daar immers moest worden aangenomen dat de benoemde kandidaat de bijzondere, voor de vacant verklaarde post vereiste kundigheden miste; hij kon derhalve in het geheel niet worden gerekend tot de groep van de voor benoeming in aanmerking komende kandidaten, en bij de volgens de rechtspraak vereiste afweging van de kwalificaties had hij dus buiten beschouwing moeten blijven. In de repliek wordt verder centraal gesteld, dat artikel 29, lid 1, sub a, — om een zekere voorrang te verzekeren aan kandidaten die reeds bij de aanwervende instelling werken, in casu dus in het belang van de A 3-ambtenaren van de Raad — bepaalt, dat de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling moeten worden onderzocht. In dit stadium van de aanstellingsprocedure had Kasel dus nog in het geheel niet mee kunnen doen, en dus had niet de nationaliteit in de zin van de vorenbedoelde rechtspraak de doorslag kunnen geven, doch zou veeleer moeten worden aangenomen, dat de nationaliteit van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren een — stellig ontoelaatbare — uitslttitingsgrond is geweest, en deze indruk zou nog worden versterkt door het feit dat er geen enkel stuk bestaat betreffende de beoordeling van de voor bevordering in aanmerking komende personen. Dat zijn interpretatie van de feiten juist en zijn verwijt gegrond is, zou volgens verzoeker tenslotte nog blijken uit het besluit van de Raad van september 1980, na het vertrek van de Luxemburgse secretaris-generaal en de benoeming van zijn Deense opvolger, waarin het heet:
„Le Conseil reconnaît que la nomination du nouveau secrétaire général implique un changement dans la structure et un déséquilibre régional supplémentaire dans la répartition des hauts fonctionnaires du secrétariat général qui, en respectant les qualifications, doit être compensé dans la mesure du possible dans le plus proche avenir.”
Als voormalig lid van de Raad moet de huidige secretaris-generaal daarvan op de hoogte zijn geweest en het zou dan ook voor de hand liggen dat hij met het hier bestreden besluit in de eerste plaats dat besluit van de ministerraad heeft willen uitvoeren.
1.
Wat dit middel betreft, kan vooreerst niet worden betwijfeld, dat in verband met de bezetting van de betrokken post terecht het streven naar een geografisch evenwicht een rol heeft gespeeld, dat wil zeggen het streven om voor een passend aantal Luxemburgers bij de Raad te zorgen. Daarbij is van geen belang, welk percentage Luxemburgse ambtenaren er bij de andere gemeenschapsinstellingen aanwezig was. Volgens de tekst en strekking van artikel 27 Ambtenarenstatuut moet namelijk elke gemeenschapsinstelling ervoor zorgen, de ambtenaren uit de onderdanen van de Lid-Staten der Gemeenschappen aan te werven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding. Sinds het vertrek van de Luxemburgse secretaris-generaal in oktober 1980 was dit evenwicht bij de Raad evenwel verstoord, zoals verzoeker zelf in zijn klacht heeft toegegeven, en de vertegenwoordiger van de Raad ten processe desgevraagd nog heeft verduidelijkt.
2.
Voorts geloof ik niet dat de rechtmatigheid van het onderhavige benoemingsbesluit in twijfel kan worden getrokken op grond dat overeenkomstig voornoemde rechtspraak de nationaliteit slechts bij gelijkwaardigheid van verscheidene kandidaten een rol zou kunnen spelen en dat dit niet het geval zou zijn geweest, aangezien de kwalificaties van de benoemde kandidaat niet gelijkwaardig waren aan die van de reeds bij de Raad werkzame kandidaten.
Terecht heeft de Raad gewezen op de vrijheid waarover hij overeenkomstig de relevante rechtspraak bij de beoordeling van de kandidaten voor de vacature beschikte. Het blijkt echter niet, dat bij de algemene afweging van alle voor de aangekondigde post van belang zijnde aspecten — waarvan de kennis van het begro-tings- en ambtenarenrecht er slechts één is — een kennelijke vergissing is gemaakt, het enige wat bij de rechterlijke toetsing van belang zou kunnen zijn.
3.
Wat verder de verschillende, in artikel 29 Ambtenarenstatuut genoemde fasen betreft, die bij de bezetting van een vacature moeten worden doorlopen, lijkt er geen grond te zijn voor twijfel of artikel 29, lid 1, sub a, — onderzoek van de bevorderingsmogelijkheden — wel is nageleefd. In de brieven waarmee de sollicitaties van de ambtenaren van de Raad werden afgewezen, wordt expressis verbis gezegd, dat de secretaris-generaal de kennis en beroepservaring in aanmerking had genomen. Zonder deugdelijk bewijs van het tegendeel, moeten wij dus aannemen, dat dat inderdaad is onderzocht, en met name gelet op de verzekering dat alle vóór die datum ontvangen sollicitaties op 15 juli 1981 in aanwezigheid van de directeur-generaal Administratie en de directeur Personeelszaken zijn onderzocht, kan dit niet eenvoudig in twijfel worden getrokken met de opmerking dat daarvan geen notulen bestaan.
Wanneer verzoeker anderzijds opmerkt, dat in de eerste fase van de aanwervingsprocedure — met het oog op de prioritaire eerbiediging van hun rechten — slechts een vergelijkend onderzoek van de voor hevordenng in aanmerking komende kandidaten heeft plaatsgevonden en dat daarbij de nationaliteit van de benoemde kandidaat niet de doorslag heeft kunnen geven, omdat deze in die fase nog niet mee kon doen, doch dat integendeel de nationaliteit van de voor bevordering in aanmerking komenden een — stellig ontoelaatbare — uitsluitingsgrond vormde, dan is dat, mijns inziens, slechts schijnbaar een goede grondslag voor de grief betreffende schending van artikel 27 Ambtenarenstatuut. Het is stellig juist, dat artikel 29, lid 1, sub a, eerst een onderzoek van de bevorderingsmogelijkheden verlangt. Daaruit volgt evenwel niet, dat de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren een onvoorwaardelijk recht hebben om bij bevordering op de vacante post te worden aangesteld. Reeds in dit verband moet er juist op worden gelet, dat ¡het algemene beginsel van artikel 27, betreffende de zorg voor een geografisch evenwicht niet tekort wordt gedaan. Blijkt dit beginsel in het kader van de bevorderingsprocedure niet bevredigend tot zijn recht te kunnen komen, dan mag het tot aanstelling bevoegd gezag afzien van een aanstelling via bevordering en andere mogelijkheden onderzoeken, zeker wanneer op dat tijdstip al bekend is — en vergeten wij niet, dat Kasel al op 9 juli 1981 had gesolliciteerd — dat aan het beginsel van artikel 27 ook langs andere weg kan worden voldaan. Wanneer de Raad in de onderhavige zaak zo heeft gehandeld, dan heeft hij mijns inziens niet op ontoelaatbare manier een ambt voor onderdanen van een bepaalde Lid-Staat bestemd; hij heeft niets anders gedaan dan bij de globale beoordeling van alle aspecten die voor de benoeming van belang waren — de scherpe scheiding van de verschillende in artikel 29 genoemde fasen is eerder schone theorie —, het beginsel van het geografisch evenwicht binnen de administratie het belang toekennen dat eraan toekomt.
4.
Tenslotte kan ook verzoekers verwijzing naar het besluit van de Raad van september 1980 in dit verband niets opleveren. Dit besluit constateert slechts een feit — namelijk dat na het vertrek van de Luxemburgse secretaris-generaal, de onderdanen van dat land bij de Raad niet meer voldoende in de hogere rangen vertegenwoordigd waren, en verbindt daaraan de conclusie, dat voor compensatie moet worden gezorgd, weliswaar niet onvoorwaardelijk, maar „dans la mesure du possible” en „en respectant la qualification”. Dit betekent niets anders dan wat krachtens artikel 17 Ambtenarenstatuut toch al een dwingend richtsnoer is bij aanstellingen. Er is in alle geval niets wat erop wijst, dat men zou hebben besloten iemand in strijd met het Statuut aan te stellen, en dus valt ook niet te bewijzen, dat de secretaris-generaal van de Raad het Statuut heeft geschonden toen hij bij de eerste de beste gelegenheid rekening trachtte te houden met de in bedoeld besluit van de Raad tot uitdrukking gebrachte wens.
5.
Derhalve kan ook het derde middel verzoekers vordering niet doen slagen.
IV — Het vierde middel
Hierin wordt gesteld dat het bestreden benoemingsbesluit misbruik van bevoegdheid oplevert, doordat de vacant verklaarde post nog voordat de aanstellingsprocedure was ingeleid, voor een bepaalde persoon bestemd zou zijn geweest en de kennisgeving van vacature louter voor de schijn zou zijn geweest.
In zijn klacht heeft verzoeker zich in dit verband vooral beroepen op de reeds vermelde zitting van de Raad van september 1980, waarop een Deen was benoemd tot opvolger van de Luxemburgse secretaris-generaal. Bij die gelegenheid zou het Luxemburgse lid van de Raad compensatie hebben verlangd en de toezegging hebben gekregen dat er een Luxemburger op een A 2-post zou worden benoemd; daarbij zou duidelijk zijn gemaakt, dat men aan iemand van buiten dacht, dus niet aan iemand die al werkzaam was bij de Raad. Men zou dus mogen aannemen dat de Luxemburgse regering het met het tot aanstelling bevoegd gezag eens was geworden over de aanstelling van een bepaalde persoon. Deze interpretatie zou overigens steun vinden in een reeks aanwijzingen, die verzoeker ook in zijn klacht vermeldde. Zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker nog een aantal andere punten aangevoerd, die zijn stelling moeten staven.
Wat deze grief betreft, moet vooreerst — zoals ook de Raad heeft gedaan — erop worden gewezen, dat er bij een benoeming slechts sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid wanneer kennelijk een doel is nagestreefd dat geheel los staat van het belang van de dienst — in casu: de keuze van een voldoende gekwalificeerde kandidaat met inachtneming van het geografisch evenwicht —. Bepaalde vermoedens of een zekere waarschijnlijkheid volstaat daarvoor niet. Integendeel, het moet ten genoege van het Hof worden aangetoond dat het belang van de dienst slechts schijnbaar voorzat.
Na alles wat in casu te dezen is voorgedragen, geloof ik niet dat het door verzoeker gemaakte ernstige verwijt gegrond kan zijn.
1.
Van de vele aangevoerde argumenten kan al aanstonds een hele reeks ter zijde worden geschoven, waaraan ook met de beste wil geen overtuigingskracht kan worden toegekend en die derhalve ook geen bijzondere aandacht verdienen.
Zo bijvoorbeeld de reeds in de klacht aangevoerde omstandigheid, dat de post niet in de normale maandelijkse lijst is bekendgemaakt, dat de kennisgeving tot twee maal toe is gecorrigeerd en dat de sollicitatiertermijn zo kort was, Zo ook het feit, dat de secretaris-generaal van de Raad de vertegenwoordigers van de bij de Raad tewerkgestelde A 3-ambtenaren eerst twee maanden na hun desbetreffend verzoek heeft ontvangen, en wel op de dag waarop de benoeming publiek werd; want het spreekt vanzelf dat de verklaring van de secretaris-generaal bij die gelegenheid, dat hij niets voor de A 3-ambtenaren kon doen, geenszins betekent dat hij voor de bezetting van de post van meet af aan aan een bepaalde kandidaat vastzat.
Hetzelfde geldt voorts voor enkele in de repliek genoemde aanwijzingen. Zo kan in de opmerking ín het verweerschrift, dat de sollicitaties van de A 3-ambtenaren „pour autant que besoin” waren onderzocht, gelet op de verdere inhoud van het verweerschrift moeilijk de erkenning worden gelezen dat „au départ les jeux étaient faits”. Ik doel hier verder op vermelding van het feit, dat zeventien A 3-ambtenaren uit het personeel van de Raad louter op grond van hun nationaliteit zijn afgewezen, waartegen de vertegenwoordiger van de Raad steeds heeft ingebracht, dat ook al is in de brief waarmee zij werden afgewezen, hun bijzondere kennis van het begrotings- en ambtenarenrecht níet in twijfel getrokken, toch ook de bijzondere kundigheden voor een directeurspost een rol hebben gespeeld. En dan denk ik ook nog aan verzoekers eerder besproken stelling, dat de benoemde kandidaat niet de nodige kwalificaties bezat, en aan de bewering dat de vacature niet bij de andere gemeenschapsinstellingen bekend is gemaakt. Voor zover deze bekendmaking wel heeft plaatsgehad, kan overigens ook niet van misbruik worden gesproken op grond dat zij in de zomerpauze viel, want die was toen nog niet begonnen.
Hetzelfde geldt tenslotte ook voor enkele argumenten die enkel ter terechtzitting zijn voorgedragen, namelijk:
—
het feit dat ook een Luxemburgse A 3-ambtenaar van de Raad niet aan bod kwam, wat — en dit heeft men níet kunnen weerleggen — slechts op onvoldoende kwalificaties berustte en geenszins op de omstandigheid dat de Raad het reeds over een kandidaat van buiten eens zou zijn geworden;
—
de bewering dat de kandidaten uit het personeel van de Raad niet zouden zijn beoordeeld, hetgeen — gelet op de stellige verzekering in de brief van 31 juli 1981, en de verklaring in een nota van de secretaris-generaal van 31 januari 1983, dat de sollicitaties waren onderzocht in aanwezigheid van de directeur-generaal Administratie en de directeur Personeelszaken — zeker niet wordt bewezen door het feit dat bijzondere stukken desbetreffend ontbreken;
—
en tenslotte de geruchten — en niet méér dan dat — die reeds vóór Pasen 1981 de ronde deden en volgens welke een niet bij de Raad tewerkgestelde Luxemburger zou worden benoemd, en die voor verzoeker aanleiding waren, op 19 mei 1981 een brief daarover te schrijven aan de directeur-generaal Administratie.
2.
Maar ook andere argumenten, die verzoeker zowel ten processe als daarvoor heeft aangevoerd, kunnen mijns inziens geen grond bieden aan de mening dat er misbruik van bevoegdheid in de door verzoekster gestelde zin is geweest.
Zo wijst hij erop, dat twee andere kandidaten uit het personeel van de Raad dezelfde afwijzende brief hebben ontvangen als hijzelf, hoewel zij nog vóór de verzending ervan tot A 2 waren bevorderd. Dit bewijst volgens míj geenszins, dat de sollicitaties niet correct zijn onderzocht met het oog op de hier besproken A2-post, waarvoor stellig andere eisen golden dan voor de posten waarop de bedoelde bevorderde ambtenaren zijn aangesteld.
Verzoeker beroept zich voorts op de in het begin reeds genoemde nota van de secretaris-generaal van 15 februari 1982, waarin deze verklaart, dat hij „pour l'avenir” geenszins van plan was „de dévier des procédures qui sont à suivre dans le cas des nominations des fonctionnaires au grade A 2.” Deze nota lijkt mij gemakkelijk te verklaren, wanneer men de begrijpelijke opwinding van de ambtenaren van de Raad over een voor hen onbevredigende benoeming in aanmerking neemt; men kan ze evenwel niet in alle ernst beschouwen als een bekentenis, dat er in het verleden en inzonderheid in het onderhavige geval van de correcte aanstellingsprocedure was afgeweken.
Dan haalt verzoeker nogmaals het reeds genoemde besluit van de Raad van september 1980 erbij. Daarvan stelden wij echter al vast dat het, waar het spreekt van de noodzaak om een „déséquilibre régional supplémentaire dans la répartition des hautes fonctionnaires du secrétariat général” te herstellen, slechts uitdrukking geeft aan een wettig doel, dat in overeenstemming is met het Statuut. Er volgt echter geenszins dwingend uit, dat daarbij reeds aan een bepaalde persoon werd gedacht; met name bewijst het niet, dat de Luxemburgse regering en de secretaris-generaal van de Raad het met betrekking tot Kasels benoeming op een akkoordje hadden gegooid.
Tenslotte beroept verzoeker zich nog op enkele publikaties, met name een bericht in het bulletin van Agence Europe van 28 juli 1981, volgens hetwelk Kasel in september directeur bij het secretariaat-generaal van de Raad zou worden, een overeenkomstig artikel in het „Letzeburger Land” van 4 september 1981, en een in het „Tageblatt” van 27 april 1981 verschenen interview met de Luxemburgse permanente vertegenwoordiger, waarin het heet dat men Luxemburg na het vertrek van de Luxemburgse secretaris-generaal een „poste stratégique” bij de Raad had aangeboden, waarop Kasel zou worden geplaatst. Om met de laatste uitlating te beginnen: wij moeten vaststellen dat een en ander enkel in zijn algemene context — het ging om de verdediging van het Luxemburgse personeelsbeleid in de Gemeenschap — juist kan worden beoordeeld. Zo men dit voor ogen houdt, dan blijkt er in feite niets anders te zijn gezegd dan wat reeds — volledig legitiem — tot uitdrukking was gekomen in het besluit van de Raad van september 1980; het is echter geen bewijs, dat de secretaris-generaal van de Raad al voor de uitschrijving van de vacature een toezegging had gedaan ¡n verband met de aanstelling van een bepaalde persoon. Anderzijds moet met betrekking tot de twee eerstgenoemde persberichten worden toegegeven, dat zij op het eerste gezicht verwondering en wellicht zelfs argwaan kunnen wekken, doch na alles wat wij nu weten — het besluit over de benoeming was intern al op 24 juli 1981 genomen — kan niet worden betwijfeld, dat het hier eenvoudig om betreurenswaardige indiscreties gaat. Zeker is evenwel, dat ook deze berichten het gestelde misbruik van bevoegdheid — hierin bestaande, dat Kasels benoeming al voor het begin van de aanstellingsprocedure een uitgemaakte zaak was — niet genoegzaam aantonen.
3.
Derhalve levert ook het vierde middel geen grond op om het beroep in te willigen.
V — Het vijfde middel
Tenslotte moet ik nog ingaan op het verwijt dat de afwijzing van verzoekers klacht niet genoegzaam met redenen is omkleed en dat zij in elk geval op die grond — in het verzoekschrift wordt niet meer gesproken van de in de klacht aangevoerde schending van fundamentele rechten — nietig moet worden verklaard.
Ik kan hier kort zijn.
Krachtens artikel 25 Ambtenarenstatuut moeten bezwarende besluiten met redenen zijn omkleed. In het stelsel van het Ambtenarenstatuut (vergelijk artikel 90, lid 2) zijn dat besluiten waarregen een klacht wordt ingediend, in casu dus de afwijzing van verzoekers sollicitatie en de aanstelling van een andere kandidaat. Daarentegen is een besluit op een klacht, althans wanneer het — zoals hier het geval is — geen nieuwe argumenten bevat, niet meer dan een bevestiging van het eigenlijke bezwarende besluit. Het ligt dus voor de hand, dat artikel 25 in beginsel niet geldt voor besluiten op klachten; in hoeverre de motivering, met name gelet op artikel 91, lid 3, tweede streepje, in fine, moet worden gezien als een soort nobile officium, is een andere vraag, waarop hier niet behoeft worden ingegaan. Anders zou immers elk stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een klacht, dat natuurlijk nooit is gemotiveerd, alleen op die grond al te vernietigen zijn, wat gelet op het stelsel van het Ambtenarenstatuut, niet zinvol lijkt.
Overigens heeft de Raad stellig gelijk met zijn opvatting dat niet kan worden verlangd dat elk argument dat in een klacht is voorgedragen, gedetailleerd wordt weerlegd. Bovendien moet men, nu het in feite slechts de motivering van een benoemingsbesluit betreft — de afwijzing van de andere sollicitaties is daarvan slechts een uitvloeisel —, en gelet op de rechtspraak over de beperkte motiveringsplicht terzake, het met de Raad eens zijn, dat in de onderhavige zaak, waarin moest worden beslist over de sollicitaties voor een A 2-post, volstond om, naast de voornaamste motieven voor de afwijzing, de twee beginselen te noemen die in het besluit op de klacht zijn te vinden.
Derhalve kan het beroep ook niet op grond van artikel 25 Ambtenarenstatuut worden toegewezen.
VI — Kosten
Tenslotte nog een woord over verzoekers conclusie tot verwijzing van de Raad in de kosten van het geding, ook indien zijn beroep zou worden verworpen.
Volgens het Reglement voor de procesvoering zou dit slechts denkbaar zijn indien het Hof zou aannemen dat de Raad — die mijns inziens in het gelijk moet worden gesteld — de verzoeker kosten heeft doen opkomen die nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt (artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, Reglement voor de procesvoering), dus wanneer hij het beroep zou hebben uitgelokt. Dit lijkt in casu niet het geval te zijn en evenmin lijken zich bijzondere redenen voor te doen als bedoeld in artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, die een gehele of gedeeltelijke compensatie van de kosten kunnen rechtvaardigen. Derhalve moet het wel blijven bij toepassing van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk elke partij haar eigen proceskosten draagt.
VII — Op grond van het voorafgaande concludeer ik tot verwerping van het beroep, kosten rechtens overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy