CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 22 FEBRUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Het hoofdgeding dat tot het thans te behandelen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid, betreft de rechtmatigheid van sanitaire keuringsrechten die bij de invoer van pluimvee in Italië zijn geïnd op grond van artikel 32 van de Gecoördineerde wet nr. 1265 van 27 juli 1934 (GURI nr. 168 van 9. 8. 1934).
A.
en O. Leonelli, die in de jaren 1968-1975 bij importen van pluimvee en vers vlees van pluimvee uit Hongarije dergelijke rechten moesten betalen, stelden in 1976 bij het Tribunale te Triest tegen de Italiaanse Administratie der staatsfinanciën een vordering in tot terugbetaling ván die bedragen, zulks op grond dat die rechten heffingen van gelijke werking als douanerechten zouden zijn, waarvan de toepassing onverenigbaar zou zijn met artikel 11, lid 2, van verordening nr. 123/67 van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (PB L 117 van 1967, blz. 2301).
Volgens deze bepaling — in wezen identiek aan artikel 11, lid 2, van de thans geldende nieuwe verordening betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (verordening nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975, PB L 282 van 1975, blz. 77) — zijn.
„behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening of afwijkingen waartoe de Raad op voorspel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag besluit... verboden:
—
de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking,
—
de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking...”
Het Tribunale te Triest wees de vordering toe en veroordeelde de Administratie der staatsfinanciën tot terugbetaling van een bedrag van LIT 23983555. Nadat het vonnis in eerste aanleg door de appèlrechter was bekrachtigd, stelde de Administratie der staatsfinanciën, bij de Corte suprema di cassazione cassatieberoep in, dat tot de onderhavige verwijzing leidde.
In de verwijzingsbeschikking van 15 mei 1981 verklaart de eerste burgerlijke kamer dat in verband met de uitspraak van het Hof van Jusitie in zaak 30/79 (arrest van 22. 1. 1980, Wigei, Jurispr. 1980, blz. 151) de vordering zou moeten worden afgewezen voor wat de rechten betreft die zijn geheven na de inwerkingtreding van richtlijn nr. 71/118 van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55 van 1971, blz. 23). In dat arrest oordeelde het Hof dat bij artikel 15 van voornoemde richtlijn een geoorloofde afwijking van het in artikel 11, lid 2, neergelegde verbod is ingevoerd, zodat niet langer met een beroep op dit verbod de Lid-Staten de bevoegdheid kan worden ontzegd om aan de buitengrenzen van de Gemeenschap rechten wegens sanitaire keuringen bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen te heffen, mits die keuringen niet kennelijk onevenredig zijn aan het beoogde doel of de rechten de keuringskosten niet duidelijk overschrijden.
Artikel 15 van die richtlijn luidt:
„Tot op het tijdstip van de inwerkingstelling van de communautaire bepalingen voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen passen de Lid-Staten op deze invoer bepalingen toe welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke uit deze richtlijn voortvloeien”.
Wegens het verband tussen dat artikel en artikel 16, dat bepaalde termijnen stelt voor de omzetting van de richtlijn in nationaal recht, rijst de vraag of voor de bevoegdheid om af te wijken van het verbod om sanitaire keuringsrechten toe te passen naast de genoemde voorwaarden, niet ook als voorwaarde geldt dat de betrokken Lid-Staat de richtlijn heeft omgezet, wat in de betrokken periode voor Italië niet het geval was.
Volgens de Corte bestaat er voor deze vraag te meer aanleiding, daar het Hof van Justitie in zijn arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453) heeft verklaard dat de Raad in het handelsverkeer met derde landen uitzonderingen op het verbod om sanitaire keuringsrechten te heffen, kan voorzien, mits de rechten in alle Lid-Staten een gelijke uitwerking op het handelsverkeer met derde landen hebben, de werkelijke keuringskosten niet overschrijden, en de uitzonderingen eerst gelden nadat de Lid-Staten de maatregelen hebben genomen die zijn voorzien in de richtlijn waarbij de uitzonderingen worden ingevoerd.
Om deze redenen heeft de eerste burgerlijke kamer van de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Is de bij artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 van de Raad inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee ingevoerde mogelijkheid tot afwijking van het verbod tot toepassing van andere douanerechten dan in het gemeenschappelijk douanetarief zijn voorzien, en van nationale heffingen van gelijke werking (neergelegd in verordening nr. 123/67 van de Raad van 23 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee), en derhalve ook de bevoegdheid van de onderscheiden Lid-Staten zulke rechten te blijven heffen, mede afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokken Lid-Staten reeds de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking hebben gesteld teneinde aan genoemde richtlijn gevolg te geven?”
Hieromtrent wil ik het volgende opmerken:
1.
De verwijzende rechter moet zich uitspreken over de rechtmatigheid van sanitaire keuringsrechten die zijn geheven naar aanleiding van de invoer van levend pluimvee en — zoals ter terechtzitting is gebleken — van vers vlees van pluimvee uit een derde land. Met inachtneming van 's Hofs vaste rechtspraak (arresten van 14. 12. 1971, zaak 43/71, Politi, Jurispr. 1971, blz. 1039; van 7. 3. 1972, zaak 84/71, Marimex, Jurispr. 1972, blz. 89; van 10. 10. 1973, zaak 34/73, Jurispr. 1973, blz. 981; van 9. 7. 1975, zaak 21/75, Schroeder, Jurispr. 1975, blz. 905; van 25. 1. 1977, zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5; en de voornoemde arresten Simmenthal en Wigei) gaat hij er, evenals de rechter in eerste aanleg, terecht vanuit dat de door de Lid-Staten bij invoer uit derde landen eenzijdig geheven sanitaire keuringsrechten, evenals de overeenkomstige heffingen in het intracommunautaire handelsverkeer, in beginsel als heffingen van gelijke werking als douanerechten moeten bworden aangemerkt. Terzake heeft het Hof van Justitie er bij herhaling nadrukkelijk op gewezen dat de in de landbouwmarktordeningen vervatte verboden, die overeenkomen met de in de artikelen 11, lid 2, en 13, lid 1, van verordening nr. 123/67 neergelegde verbodsbepalingen, uitgaan van hetzelfde begrip als de artikelen 9 e.v. EEG-Verdrag en dat er derhalve geen reden bestaat om onderscheid te maken tussen intracommunautaire handel en handel met derde landen.
Afgezien van de gevallen die, zoals de heffingen die deel uitmaken van een nationale belastingregeling, toch buiten het begrip heffing van gelijke werking als een douanerecht vallen, zijn sanitaire keuringsrechten volgens deze rechtspraak in het handelsverkeer met derde landen derhalve slechts geoorloofd, wanneer deze keuringen gemeenschapsrechtelijk zijn geharmoniseerd of wanneer de betrokken landbouwmarktordeningen zelf, zoals in het onderhavige artikel 11, lid 2, voor het handelsverkeer met derde landen het geval is, in de mogelijkheid van een afwijking van het verbod voorzien. Daar de afschaffing van de heffingen van gelijke werking als douanerechten voor wat het handelsverkeer met derde landen betreft een ander doel heeft en op een andere rechtsgrond berust dan het verbod van heffingen van gelijke werking in het intracommunautaire handelsverkeer, heeft het Hof van Justitie in de zaak-Simmenthal een dergelijke in de landbouwmarktordeningen voorziene mogelijkheid tot afwijking uitdrukkelijk geoorloofd verklaard.
In de zaak-Wigei oordeelde het Hof dan ook, dat artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 — dat ook in de onderhavige prejudiciële procedure moet worden uitgelegd — een afwijking vormt van het tot de Lid-Staten gerichte verbod om heffingen van gelijke werking als douanerechten in de zin van artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 toe te passen.
Op grond van deze rechtspraak moet voor wat de werkingssfeer van artikel 15 van de betrokken richtlijn van de Raad betreft, thans eerst worden onderzocht of een Lid-Staat zich, voordat de in de betrokken richtlijn zelf, voor haar uitvoering gestelde termijnen zijn verstreken en voordat de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld, op die uitzonderingsbepaling kan beroepen. Zo ja, dan moet vervolgens worden onderzocht of, anders dan de formulering van artikel 15 doet vermoeden, niet enkel de invoer van vers vlees van pluimvee, maar ook de invoer van levend pluimvee onder de materiële werkingssfeer van die bepaling valt.
2.
Wat de toepasselijkheid van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 betreft, verdedigt A. Leonelli, die in de prejudiciële procedure opmerkingen heeft ingediend, onder verwijzing naar 's Hofs rechtspraak nopens de rechtstreekse werking van richtlijnen, de opvatting dat die mogelijkheid tot afwijking eerst gevolgen sorteert nadat de Lid-Staten een eenvormige toepassing aan de in deze richtlijn vervatte bepalingen hebben gegeven. Harmonisatierichtlijn nr. 71/118, die bij richtlijn nr. 75/431 van de Raad van10 juli 1975 (PB L 192 van 1975, blz. 6) diepgaand is gewijzigd, onder meer voor wat de termijnen voor de uitvoering betreft, is op dit punt niet duidelijk, noch onvoorwaardelijk, doch laat aan de Lid-Staten een zekere beoordelingsvrijheid. De Raad heeft de Lid-Staten de mogelijkheid geboden om van de gestelde termijnen af te wijken teneinde de voorgeschreven aanpassingen te kunnen doorvoeren. In Italië konden die twee richtlijnen dan ook op zijn vroegst effect sorteren op 1 januari 1977, na aanpassing van de nationale rechtsorde aan de bepalingen van die richtlijnen.
Daarentegen komen de Italiaanse regering en de Commissie op grond van de tekst, de betekenis en het doel van de betrokken bepaling, alsmede van 's Hofs rechtspraak terzake, tot de in wezen overeenstemmende conclusie, dat de Lid-Staten reeds vanaf de dag van inwerkingtreding van de richtlijn gerechtigd waren sanitaire keuringsrechten in het handelsverkeer met derde landen te heffen.
a)
Ook volgens mij blijkt reeds uit de tekst van artikel 15 en uit zijn plaats in richtlijn nr. 71/118 dat die bepaling, die een afwijking van het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten behelst, ook geldt zonder dat de Lid-Staten de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen hebben vastgesteld. Terzake wil ik er in de eerste plaats op wijzen, dat de betrokken bepaling deel uitmaakt van een richtlijn die evident en onmiskenbaar ten doel heeft om de in de Lid-Staten bestaande ongelijkheid op het gebied van de gezondheidsvoorschriften inzake vlees van pluimvee op te heffen in het belang van het intracommunautaire handelsverkeer. Artikel 16 maakt voor wat de termijnen voor de inwerkingstelling van de richtlijn door de Lid-Staten betreft enkel een onderscheid voor zover de betrokken bepalingen het intracommunautaire handelsverkeer dan wel het handelsverkeer binnen een Lid-Staat betreffen. Daar staat tegenover dat artikel 15, zoals uit de tekst blijkt, rekening houdt met het feit dat er op het tijdstip van de vaststelling van de richtlijn geen overeenkomstige „communautaire bepalingen voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen” bestonden. Voor die nog niet geharmoniseerde sector werd derhalve bepaald dat de Lid-Staten, teneinde eenheid te brengen in de voorschriften betreffende de sanitaire keuringen in het handelsverkeer met derde landen, op ingevoerde produkten slechts bepalingen mogen toepassen „welke tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke uit deze richtlijn voortvloeien”. Naar het Hof van Justitie in voornoemde zaken-Simmenthal gen Wigei uitdrukkelijk heeft verklaard, geldt deze bepaling niet alleen voor de sanitaire keuringen zelf, doch ook voor de naar aanleiding daarvan geheven rechten.
Uit de tekst van die bepaling blijkt dus reeds, dat de communautaire wetgever van het beginsel uitgaat dat de Lid-Staten, in afwijking van het in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 123/67 neergelegde verbod, bevoegd blijven om in het handelsverkeer met derde landen sanitaire keuringen te verrichten en daarvoor rechten te heffen. Bijgevolg heeft het Hof ook in het arrest-Wigei (r.o. 10) uitdrukkelijk verklaard dat
„Het in artikel 11, lid 2, van de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 vervatte verbod om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen niet (kan) worden ingeroepen om de Lid-Staten te beletten aan de buitengrenzen van de Gemeenschap rechten wegens sanitaire keuringen bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen te heffen.”
Met betrekking tot de hoogte van de rechten heeft het Hof voorts verklaard (r.o. 14) dat uit de bewoorden van artikel 15 blijkt,
„dat die bepaling aan de buitengrenzen strengere keuringen toestaat dan die waarin de richtlijn voor het intracommunautaire handelsverkeer voorziet.”
Daarbij werd er uitdrukkelijk op gewezen dat het gemeenschapsrecht de Lid-Staten niet verplicht derde landen hetzelfde vertrouwen te schenken als, op grond van de betrokken richtlijn, de betrekkingen tussen Lid-Staten dient te kenmerken.
Om een zo uniform mogelijke bescherming aan de buitengrenzen te waarborgen heeft het Hof de beoordelingsvrijheid van de Lid-Staten slechts van een plafond voorzien door te bepalen
„dat sanitaire keuringen aan de buitengrenzen van de Gemeenschap, die kennelijk onevenredig zouden zijn aan het beoogde doel, of rechten die duidelijk de keuringskosten zouden overschrijden, buiten de werkingssfeer zouden vallen van de krachtens artikel 11, lid 2, van voornoemde verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 toegestane afwijking” (r.o. 12).
Tenslotte is voor de door de Lid-Staten bij invoer uit derde landen te verrichten sanitaire keuringen en de daarmee gepaard gaande heffingen in bedoeld artikel 15 een ondergrens gesteld. Het Hof van Justitie heeft in de zaak-Wigei met betrekking tot dit artikel en in de zaak-Simmenthal met betrekking tot een overeenkomstig artikel van richtlijn nr. 64/433 van de Raad van 26 juni, 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012), verklaard, dat deze bepalingen als specifiek voorwerp hebben om
„in afwachting van de tenuitvoerlegging van het communautaire stelsel van sanitaire keuringen bij de invoer van vers vlees uit derde landen, een voorlopige norm vast te stellen voor de van kracht blijvende nationale regelingen inzake sanitaire keuring, ten einde te voorkomen dat die nationale regelingen minder streng of minder bezwaarlijk zouden zijn voor de produkten uit derde landen dan de controleregeling die bij de betrokken richtlijn voor de intracommunautaire handel is ingevoerd.”
Ter verduidelijking wees het Hof erop, dat zulke regelingen bedoeld zijn om vervalsing van de mededinging te voorkomen door ervoor te zorgen dat handelaars die vers vlees van oorsprong uit de Gemeenschap op de markt brengen, niet in een ongunstiger positie komen te verkeren dan hun concurrenten die vlees uit derde landen importeren.
De betrokken bepaling is derhalve een middel om de naleving van het beginsel van de communautaire preferentie te verzekeren, daar voorkomen dient te worden dat de Lid-Staten bij de invoer van produkten uit derde landen, waarvoor in het intracommunautaire handelsverkeer geharm o n iseerde gezondheidsvoorschriften gelden, regelingen zouden toepassen die beneden de in de harmonisatierichtlijn nagestreefde norm liggen, daar deze goederen bij grensoverschrijding binnen de Gemeenschap in beginsel niet opnieuw mogen worden gecontroleerd. Anders dan in het intracommunautaire handelsverkeer, waar het erom gaat de produkten uit andere Lid-Staten niet te benadelen, is deze bepaling bedoeld om te voorkomen dat produkten uit derde landen worden bevoordeeld.
Dit oogmerk van artikel 15 houdt evenwel in, dat enkel de inachtneming van de in deze bepaling genoemde ondergrens, die in het hoofdgeding buiten beschouwing blijft, afhankelijk is van de omzetting van de richtlijn door de Lid-Staten. Voor de bevoegdheid van de Lid-Staten als zodanig om bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen sanitaire keuringsrechten te heffen, is zulk een omzetting evenwel niet vereist. Zij hebben deze bevoegdheid vanaf de inwerkingtreding van de in artikel 15 vervatte mogelijkheid tot afwijking, dat wil zeggen vanaf de dag waarop richtlijn nr. 71/118 aan de betrokken Lid-Staat ter kennis is gebracht.
b)
Anders dan Leonelli meent, kan ook geen andere conclusie worden afgeleid uit het arrest-Simmenthal. Deze zaak, die de heffing van sanitaire keuringsrechten bij de invoer van rundvlees uit Uruguay betrof, werd gekenmerkt door het feit dat er naast het verbod in de marktordening in de sector rundvlees van heffingen van gelijke werking als douanerechten, enerzijds twee richtlijnen van de Raad bestonden die veterinaire keuringen in het intracommunautaire handelsverkeer in rundvlees voorschreven, en anderzijds nog een richtlijn van de Raad die, anders dan in het onderhavige geval, een veterinaire keuring bij de invoer van rundvlees uit derde landen voorzag. Op de vraag van de verwijzende rechter of de bepalingen van laatstgenoemde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de Lid-Staten daarbij werden gemachtigd voor waren uit derde landen sanitaire keuringsrechten in te stellen, en zo ja, vanaf welk tijdstip, heeft het Hof geantwoord, dat de ingevolge een gemeenschapsregeling bij invoer uit derde landen toegepaste veterinaire keuringsrechten geoorloofd zijn, mits daarbij gewaarborgd is dat de geldelijke lasten zich in alle Lid-Staten gelijkelijk doen gevoelen in het betrokken handelsverkeer met derde landen. Daar de betrokken richtlijn de inrichting van een uniforme veterinairrechtelijke keuring voorzag, die evenwel al naar gelang de omstandigheden nader moest worden uitgewerkt door de Raad, de Commissie of de Lid-Staten, verklaarde het Hof logischerwijze dat deze afwijkingen eerst werkten, nadat de Lid-Staten in staat waren gesteld de in de richtlijn voorziene controles overeenkomstig de voorschriften van de richtlijn in te richten.
In het onderhavige geval is de situatie rechtens evenwel anders omdat de sanitaire keuringen en de desbetreffende heffingen in het handelsverkeer met derde landen niet zijn geharmoniseerd en er enkel voor het intracommunautaire goederenverkeer zulk een gemeenschapsregeling bestaat. Zou men hier de in artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 vervatte bevoegdheid van de Lid-Staten om in het handelsverkeer met derde landen rechten te heffen, afhankelijk stellen van de uitvoering van de richtlijn die betrekking heeft op het intracommunautaire handelsverkeer, dan zou dit — zoals Je Italiaanse regering en de Commissie terechc opmerken —, in strijd met het beginsel van de communautaire preferentie, er uiteindelijk toe leiden dat produkten uit derde landen die de gemeenschappelijke markt zijn binnengekomen via een Lid-Staat die nog geen uitvoering heeft gegeven aan de richtlijn, bevoordeeld worden ten opzichte van produkten uit Lid-Staten waar zulks reeds wel het geval is.
3.
Nu dus vaststaat dat de Lid-Staten op grond van artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 bevoegd zijn om sanitaire keuringsrechten te heffen bij de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen, moet tenslotte nog worden onderzocht of deze afwijking van het in artikel 11, lid 2, van de marktordening in de sector slachtpluimvee neergelegde verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten ook geldt voor de invoer van levend pluimvee uit derde landen. De Italiaanse regering is deze mening toegedaan. Zij stelt namelijk dat artikel 15 junctis de marktordening in de sector slachtpluimvee, artikel 11 van richtlijn nr. 71/118 alsmede de laatste overweging van die richtlijn, anders dan de tekst doet vermoeden, ruim moet worden uitgelegd. In die bepaling wordt met name voor wat de veterinaire keuringen betreft geen onderscheid gemaakt tussen levend pluimvee en vers vlees van pluimvee.
Bij de beoordeling van dit argument moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat ingevolge artikel 1 van verordening nr. 123/67 zowel levend pluimvee als vers vlees van pluimvee onder de bij die verordening ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee vallen. Bijgevolg valt de invoer van beide produkten uit derde landen binnen de werkingssfeer van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 123/67, luidens hetwelk de toepassing van heffingen van gelijke werking als douanerechten, behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening of afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag besluit, verboden is. Ik heb reeds aangetoond dat artikel 15 zo'n afwijking „voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen” bevat. Bovendien maakt die bepaling deel uit van een richtlijn die expliciet ten doel heeft, de ongelijkheid op het gebied van de nationale gezondheidsvoorschriften inzake vers vlees van pluimvee op te heffen.
Blijkens zowel de verordeningen nrs. 123/67 en 2777/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, als de harmonisatierichtlijnen nrs. 71/118 en 75/431 heeft de Raad evenwel steeds een duidelijk onderscheid gemaakt tussen levend pluimvee en vlees van pluimvee. Alleen om die reden kan de omstandigheid dat in artikel 15 levend pluimvee niet wordt genoemd, moeilijk door een abuis van de Raad worden verklaard.
Tegen de opvatting van de Italiaanse regering pleit bovendien de door het Hof in een vaste rechtspraak herhaalde, algemene regel dat uitzonderingen op een algemeen beginsel eng moeten worden uitgelegd.
Niet in de laatste plaats staat ook de doelstelling van artikel 15 dat, na de harmonisatie van de nationale sanitaire voorschriften voor vlees van pluimvee in het intracommunautaire handelsverkeer, wil voorkomen dat produkten uit derde landen worden bevoordeeld, in de weg aan een ruime uitlegging of zelfs een analoge toepassing van die bepaling op de invoer van levend pluimvee uit derde landen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat er voor keuringen van levend pluimvee noch in het intracommunautaire handelsverkeer noch in het handelsverkeer met derde landen een harmonisatierichtlijn bestaat.
Uit de arresten van 5 juli 1978 (zaak 137/77, Neumann, en zaak 138/77, Ludwig, Jurispr. 1978, blz. 1623 en 1645), blijkt evenwel dat voor produkten waarvoor noch in het intracommunautaire handelsverkeer, noch in het handelsverkeer met derde landen een harmonisatie is tot stand gebracht, het in de betrokken marktordening vervatte verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten geldt, zodat voor zulke produkten geen sanitaire keuringsrechten mogen worden geheven, tenzij — zoals het Hof in voornoemde zaak-Schroeder heeft duidelijk gemaakt — de rechten worden geheven op grond van een nationale belastingregeling die op gelijke wijze ook voor binnenlandse produkten geldt.
4.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
a)
De bij artikel 15 van richtlijn nr. 71/118 van de Raad van 15 februari 1971 (PB L 55 van 1971, blz. 23) ingevoerde afwijking van het verbod tot toepassing van andere douanerechten dan in het gemeenschappelijk douanetarief zijn voorzien, en van heffingen van gelijke werking, geldt voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen met ingang van het tijdstip waarop de richtlijn aan de Lid-Staten is ter kennis gebracht, en is niet mede afhankelijk van de voorwaarde dat de Lid-Staten reeds de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen hebben vastgesteld teneinde aan genoemde richtlijn gevolg te geven.
b)
Deze afwijking is niet op analoge wijze van toepassing op de invoer van levend pluimvee uit derde landen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy