CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 17 april 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
Bijna vier jaar na de neerlegging van het verzoekschrift en meer dan dertien jaar na de inleiding van de inbreukprocedure door de Commissie komt deze niet-nakomingszaak thans voor het Hof. De Commissie heeft herhaaldelijk verzocht geen rechtsdag te bepalen, daar partijen nog in onderhandeling waren over de bijlegging van het geschil.
2. De gewraakte inbreuken
In haar verzoekschrift verweet de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland, dat zij door de vaststelling en toepassing van bepaalde voorschriften van het Weingesetz van 14 juli 1971 (BGBl. 1971, I, blz. 893) en van de uitvoeringsverordening van 15 juli 1971 (BGBl. 1971, I, blz. 926) de communautaire regeling betreffende de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt heeft geschonden.
Het gaat om de volgende inbreuken:
1)
Schending van het aan de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt ten grondslag liggende beginsel van het vrije goederenverkeer door het verbod om wijn in te voeren die niet overeenkomstig de in de producerende Lid-Staat geldende bepalingen is bereid (paragraaf 18, lid 1, sub 1 a en b, van het Weingesetz).
2)
Schending van artikel 43, lid 4, van verordening nr. 337/79 door het verbod om buitenlandse likeurwijn te versnijden met likeurwijn van oorsprong uit andere landen (paragraaf 23, lid 2, van het Weingesetz).
3)
Schending van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1698/70 door de verwerking van v. q. p. r. d. buiten de bepaalde gebieden of de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gebieden te blijven toestaan (paragraaf 64 van het Weingesetz).
4)
Schending van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 338/79 door de onnauwkeurige begrenzing van de gebieden die geschikt zijn voor de voortbrenging van v. q. p. r. d. (bijlage 4, deel I, van de Weinverordnung).
In repliek verlangde de Commissie niet langer de vaststelling van de sub 1 en 2 genoemde inbreuken, die volgens haar door de wijzigingswet van 27 augustus 1982 (BGBl. 1982, I, blz. 1177) waren opgeheven. Zij bleef evenwel bij haar vordering, dat de Bondsrepubliek Duitsland op deze twee punten in de kosten wordt verwezen. Bij brief van 18 december 1985 gaf de Commissie te kennen, dat zij ook niet langer het bestaan van de inbreuk sub 4 wilde doen vaststellen. Ook op dit punt verzoekt zij echter, de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen. Bijgevolg betreft mijn conclusie slechts de sub 3 genoemde inbreuk.
3. De toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht
's Raads verordening nr. 817/70 (PB 1970, L 99, biz. 20) bevat bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen. De tweede overweging van deze verordening voorziet de ontwikkeling van een op kwaliteitsverbetering gericht beleid:
„Overwegende dat de ontwikkeling van een op kwaliteitsverbetering gericht beleid in de landbouw en meer in het bijzonder in de wijnbouw uiteraard bijdraagt tot verbetering van de marktvoorwaarden en daardoor tot vergroting van de afzetmogelijkheden; dat het aanvaarden van gemeenschappelijke bepalingen in aanvulling op verordening (EEG) nr. 816/70 en betreffende de produktie van en de controle op in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen, binnen het kader van dit beleid valt en kan bijdragen tot het bereiken van de bovengenoemde doelstellingen...”
Het grondbeginsel van dit beleid is de waarborg, dat de afkomst en verwerking van de druiven authentiek zijn. Dit beginsel komt duidelijker tot uitdrukking in de Franse tekst, die spreekt van „vins de qualité produits dans une région déterminée”, terwijl de Duitse tekst spreekt van „Qualitätswcine bestimmter Anbaugebiete” ( 1 ). Volgens de vierde overweging van die verordening kan slechts bij wijze van uitzondering rekening worden gehouden met van ouds bestaande methoden.
„Overwegende dat het, al is het noodzakelijk rekening te houden met de van ouds bestaande produktieomstandigheden, toch ook van belang is een gemeenschappelijke poging te doen tot harmonisatie ten aanzien van de kwaliteitseisen...”
Aangaande de afkomst en verwerking bepaalt artikel 5:
„1)
a)
V. q. p. r. d. kunnen slechts afkomstig zijn van druiven die verkregen zijn van wijnstoksoorten, voorkomend op de in lid 1 van artikel 3 bedoelde lijst en die binnen het bepaalde gebied zijn geoogst.
Bovenstaande bepaling belet niet dat v. q. p. r. d. worden verkregen onder de in artikel 3, lid 3, genoemde voorwaarden, of worden geproduceerd volgens van ouds bestaande methoden.
b)
...
2)
De verwerking van de in lid 1, sub a, bedoelde druiven tot druivemost en van de druivemost tot wijn geschiedt binnen de grenzen van het gebied waar zij zijn geoogst.
Deze verwerking kan evenwel ook buiten dat gebied plaatsvinden wanneer de wetgeving van de producerende Lid-Staat dit toestaat, mits afdoende controlevoorzieningen zijn getroffen.
3)
De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 7 van verordening nr. 24.
Zij omvatten met name:
—
de bepalingen volgens welke de Lid-Staten afwijkingen kunnen toestaan van de regel, dat de verwerking van druiven tot druivemost en van de druivemost tot wijn geschiedt binnen het bepaalde gebied;
—
de lijst van v. q. p. r. d. welke worden geproduceerd volgens de in lid 1 bedoelde van ouds bestaande methoden.”
Deze bepaling stemt in wezen overeen met artikel 6 van verordening nr. 338/79 van de Raad van 5 februari 1979 (PB 1979, L 54, blz. 48), die verordening nr. 817/70 heeft vervangen en aangevuld. ,
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, heeft de tot dan toe gebruikelijke regeling van het Franse en het Italiaanse recht overgenomen. De uitvoeringsbepalingen betreffende de in de tweede alinea bedoelde uitzondering zijn neergelegd in verordening nr. 1698/70 van de Commissie (PB 1971, L 150, blz. 4) inzake enige uitzonderingen met betrekking tot de bereiding van in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen.
Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
„Bij de bereiding van een v. q. p. r. d. mag de verwerking van druiven tot druivemost of van druivemost tot wijn, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 817/70, slechts plaatsvinden indien hiervoor vergunning is verleend.”
Artikel 2, lid 1, luidt als volgt:
„De in artikel 1 bedoelde vergunning tot verwerking mag door de bevoegde autoriteit van de producerende Lid-Staat slechts worden verleend aan de wijnbereiders die druiven of druivemost waaruit een v. q. p. r. d. mag worden bereid verwerken in hun bedrijf, dat in de onmiddellijke nabijheid moet zijn gelegen van het betrokken bepaalde gebied.”
Deze in de onmiddellijke nabijheid gelegen gebieden kunnen zich in andere wijnbouwgebieden of volledig buiten de wijnbouwgebieden bevinden. De noodzaak van de „onmiddellijke nabijheid” wordt in de derde overweging van die verordening gemotiveerd met het risico van fraude bij de verwerking.
4. De bestreden Duitse bepalingen en het onderwerp van het geding
Het Weingesetz bepaalt in paragraaf 5:
„Verarbeitung zu Qualitätswein außerhalb des bestimmten Anbaugebietes
1.
Bei der Herstellung eines Qualitätsweines b. A. kann nach Maßgabe des Artikels 5 Abs. 2 Unterabsatz 2 der Verordnung (EWG) Nr. 817/70 und der zu seiner Durchführung erlassenen Verordnungen des Rates oder der Kommission der Europäischen Gemeinschaften genehmigt werden, daß die Verarbeitung von Weintrauben zu Traubenmost und des Traubenmostes zu Wein auch außerhalb des bestimmten Anbaugebietes vorgenommen wird, in dem die Weintrauben geerntet worden sind. Die Landesregierungen der weinbautreibenden Länder, in deren Gebiet die Verarbeitung vorgenommen werden soll, bestimmen die für die Erteilung der Genehmigung zuständigen Stellen.”
In Nederlandse vertaling:
„Verwerking tot kwaliteitswijn buiten het bepaalde gebied
1.
Bij de bereiding van een v. q. p. r. d. kan met inachtneming van artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 817/70 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen de verwerking van druiven tot druivemost en van druivemost tot wijn ook worden toegestaan buiten het bepaalde gebied waar die druiven zijn geoogst. De regeringen van de Länder op wier grondgebied de verwerking moet geschieden, bepalen welke autoriteiten bevoegd zijn de vergunning te verlenen.”
Deze bepaling lijkt niet in tegenspraak met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1698/70, daar zij volgens haar bewoordingen slechts van toepassing is met inachtneming (nach Maßgabe) van de door de Raad en de Commissie vastgestelde uitvoeringsverordeningen.
In de loop van de schriftelijke behandeling heeft de Commissie echter beklemtoond, dat de praktijk anders was, daar paragraaf 5 van het Weingesetz moet worden gelezen in het licht van de feitelijke situatie die aan paragraaf 64 van diezelfde wet ten grondslag ligt (der dem Paragraphen 64 unterliegende Sachverhalt).
De betrokken paragraaf 64 bepaalt:
„Verarbeitung
Bis zum 31. August 1976 kann eine Genehmigung nach Paragraph 5 bei Qualitätswein (Paragraph 11) auch für eine Verarbeitung innerhalb des deutschen Weinanbaugebietes (Paragraph 10 Abs. 8) erteilt werden, sofern dies traditioneller Praxis im Sinne des Artikels 5 Abs. 1 Buchstabe a zweiter Unterabsatz der Verordnung (EWG) Nr. 817/70 entspricht.
” In Nederlandse vertaling:
„Verwerking
Tot 31 augustus 1976 kan de in paragraaf 5 bedoelde vergunning voor kwaliteitswijn (paragraaf 11) ook worden verleend voor verwerking binnen het Duitse wijnbouwgebied (paragraaf 10, lid 8), voor zover dit een van oudsher bestaande methode betreft, in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 817/70.”
Hier dienen twee opmerkingen te worden gemaakt:
1)
Paragraaf 64 van het Duitse Weingesetz berust kennelijk op verwarring, voor zover hij een verband legt tussen de „verwerking” van de wijn buiten de „bepaalde gebieden”, bedoeld in paragraaf 5 van datzelfde Weingesetz, en het criterium van de „van ouds bestaande methoden” in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, tweede alinea, van verordening nr. 817/70. De betrokken „van ouds bestaande methoden” betreffen immers niet het probleem van de geografische lokalisatie van de verwerking van de druiven tot most of van most tot wijn, maar bepaalde methoden om wijn te verkrijgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Bondsrepubliek overigens verklaard, dat het niet haar bedoeling was, de. bereiding van v. q. p. r. d. te beperken tot de buiten de „bepaalde gebieden” gelegen plaatsen waar dit van ouds geschiedde.
Voorts heeft zij erop gewezen, dat zij — in weerwil van paragraaf 64 — zelfs niet de bedoeling had, die bereiding te beperken tot plaatsen binnen het Duitse wijnbouwgebied.
2)
De Commissie, van haar kant, heeft tijdens de mondelinge behandeling nader verklaard, dat haar verzoekschrift ertoe strekt te doen vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door na de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1698/70 van de Commissie (op 29 augustus 1970) nieuwe vergunningen te blijven verlenen, die niet „in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken bepaalde gebied” gelegen bedrijven de mogelijkheid boden om v. q. p. r. d. te bereiden.
De wettigheid van de vóór die datum verleende vergunningen wordt door de Commissie dus niet betwist.
Uit een en ander volgt, dat het Hof mijns inziens niet te lang behoeft te blijven stilstaan bij de vraag van de „van ouds bestaande methoden”, bij paragraaf 64 van het Weingesetz (die nochtans duidelijk in strijd is met het gemeenschapsrecht) of bij de wijze waarop de Commissie de grief in punt 22 van haar verzoekschrift van 31 maart 1982 heeft geformuleerd (zij verklaarde daar, dat zij wilde doen vaststellen dat de handhaving van de uitzonderingsregeling voor kwaliteitswijnen na 31 augustus 1976 een verdragsschending opleverde).
Nu moet ik nog de reactie van de Bondsrepubliek Duitsland op het aldus gepreciseerde verzoekschrift van de Commissie onderzoeken.
De Bondsrepubliek Duitsland betoogt, dat de toegestane afwijkingen geheel in overeenstemming zijn met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 817/70.
Zij houdt staande, dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1698/70 van de Commissie, bepalende dat dergelijke vergunningen slechts mogen worden verleend aan bedrijven die in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken bepaalde gebied zijn gelegen, ongeldig is, omdat het:
—
de grenzen van de aan de Commissie verleende machtiging miskent;
—
in strijd is met het evenredigheidsbeginsel;
—
in strijd is met bepaalde fundamentele rechten.
Deze drie middelen wil ik één voor één onderzoeken.
5. Het eerste en het tweede middel: overschrijding van de grenzen van de machtiging en schending van het evenredigheidsbeginsel
Naar de mening van de Bondsrepubliek Duitsland verleent artikel 5, lid 2, van verordening nr. 817/70 de Lid-Staten een onbegrensde bevoegdheid om de wijnbereiding buiten de bepaalde gebieden toe te staan. De Commissie heeft krachtens artikel 5, lid 3 (vaststelling van de uitvoeringsbepalingen) enkel tot taak, ervoor te waken dat van die bevoegdheid geen misbruik wordt gemaakt. Door het vaststellen van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1698/70 zou de Commissie die bevoegdheid van de Lid-Staten goeddeels hebben uitgehold en dus de grenzen van haar machtiging hebben overschreden.
Voorts zou het criterium van de „onmiddellijke nabijheid” niet evenredig zijn aan het beoogde doel.
Het risico van fraude ten gevolge van de vervoersafstand, waarop de Commissie zich ter rechtvaardiging van dat criterium beroept, zou evengoed binnen de bepaalde gebieden bestaan.
Naar de mening van de Duitse regering hadden andere, minder ingrijpende maatregelen, zoals een verscherpte bewaking van de betrokken bedrijven en transporten kunnen worden gekozen om het beoogde doel te bereiken.
Wat te denken van dit betoog ?
De afwijking voorzien in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 817/70 (of in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 338/79, dat anders is geformuleerd maar dezelfde inhoud heeft) moet worden gezien in het algemene kader van de betrokken verordening.
Met die verordening heeft de Raad een op kwaliteitsverbetering gericht beleid in de wijnbouw willen ontwikkelen, en daartoe een bijzondere categorie wijnen in het leven geroepen, omschreven als „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen”.
De Raad had desgewenst evengoed een andere definitie kunnen kiezen, zoals „kwaliteitswijnen bereid uit in een bepaald gebied geoogste druiven”.
Hij heeft dit niet gedaan, en de Lid-Staţen moeten dit besluit, aan de totstandkoming waarvan zij hebben deelgenomen, respecteren.
De Raad heeft echter de mogelijkheid voorzien om af te wijken van het beginsel dat de verwerking van druiven tot druivemost en van druivemost tot wijn moet geschieden binnen het bepaalde gebied waar zij zijn geoogst.
Daardoor heeft hij natuurlijk een probleem geschapen, want indien een aanzienlijk deel van de wijnen die de benaming „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen” voeren, in werkelijkheid niet in het betrokken gebied werd voortgebracht, zou de benaming van oorsprong een groot deel van haar inhoud kunnen verliezen en op het publiek niet meer de beoogde uitwerking kunnen hebben.
Gelet op de gekozen definitie en benaming mag de verbruiker immers normaliter verwachten, dat de v. q. p. r. d. daadwerkelijk in het betrokken gebied zijn voortgebracht. De verbruiker zal zelfs, terecht of ten onrechte, geneigd zijn dit begrip te associëren met een bereiding van de wijn volgens methoden die typisch zijn voor de streek of zelfs met het kleine familiebedrijf waar een bepaalde traditie van vader op zoon wordt overgeleverd.
Zo de Raad niettemin de mogelijkheid heeft voorzien om af te wijken van het beginsel dat de wijn wordt bereid in het gebied waar de druiven zijn geoogst, dan is het ongetwijfeld vooral, omdat hij de belangen heeft willen beschermen van bedrijven die buiten die gebieden zijn gelegen, maar die vóór de vaststelling van verordening nr. 817/70 vergunning hadden gekregen om kwaliteitswijnen te bereiden.
De Commissie had er mijns inziens verstandig aan gedaan, in haar verordening nr. 1698/70 houdende uitvoeringsbepalingen van de uitzonderingsregeling een uitdrukkelijke verwijzing naar die bedrijven op te nemen. Laten wij de Commissie in ieder geval akte verlenen, dat zij niet betwist dat die „oude gevallen” aanspraak hebben op de uitzondering.
Om voornoemde redenen zou het daarentegen onaanvaardbaar zijn, dat de Lid-Staten na de vaststelling van 's Raads verordening, zonder enige geografische of kwantitatieve beperking dergelijke van het gemene recht afwijkende vergunningen zouden kunnen blijven verlenen.
Daar de bewoordingen van artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 817/70 de mogelijkheid tot afwijking niet beperken tot bedrijven die zogezegd verworven rechten hebben, kan de mogelijkheid om nieuwe afwijkingen toe te staan, in beginsel niet worden uitgesloten.
Wil men echter de uitholling van het begrip „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwa-liteitswijnen” voorkomen, dan moet deze mogelijkheid wel worden beperkt.
Ik meen dat de Commissie op grond van de bewoordingen van de machtiging in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 817/70 dit mag doen, en niet enkel de draagwijdte van de uitzondering mag „concretiseren”, zoals Duitsland staande houdt. Ik herinner eraan, dat die bepaling luidt als volgt:
„De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 7 van verordening nr. 24.
Zij omvatten met name:
—
de bepalingen volgens welke de Lid-Staten afwijkingen kunnen toestaan van de regel, dat de verwerking van druiven tot druivemost en van de druivemost tot wijn geschiedt binnen het bepaalde gebied;
—
de lijst van v. q. p. r. d. welke worden geproduceerd volgens de in lid 1 bedoelde van ouds bestaande methoden.”
De machtiging is dus zeer ruim, aangezien zij alle uitvoeringsbepalingen van artikel 5 omvat.
De Raad heeft bijzonder de klemtoon willen leggen, niet op de procedurevoorschriften of de controlemaatregelen betreffende bij voorbeeld het vervoer, de registratie of de opslag van de druiven — die de Commissie trouwens ook heeft vastgesteld —, maar op „de bepalingen volgens welke de Lid-Staten afwijkingen van de regel kunnen toestaan”.
Ook moet worden opgemerkt, dat de Commissie volgens bovenstaand tweede gedachtenstreepje bevoegd is om bepalingen vast te stellen inzake het toepassingsgebied van de andere in artikel 5 voorziene afwijking, die in de tweede alinea van lid 1, sub a, is neergelegd. Dit is een bijkomend argument voor de stelling, dat ook de in het eerste gedachtenstreepje bedoelde machtiging betrekking kan hebben op het toepassingsgebied van de clausule waarnaar zij verwijst.
Gezien de bewoordingen van deze machtiging en gelet op het feit dat het beginsel van de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat de Lid-Staten over een discretionaire bevoegdheid kunnen beschikken om zelf de grenzen van een dergelijke uitzondering te bepalen, ben ik dus van mening dat de Commissie bevoegd was deze grenzen vast te leggen.
Het door haar gehanteerde criterium biedt met name de volgende twee voordelen:
—
een wijn die is bereid in de onmiddellijke nabijheid van het bepaalde gebied, kan worden beschouwd als een wijn die „zo goed als” in het betrokken gebied is bereid; de verbruiker zal dus minder reden tot klagen hebben;
—
het gevaar voor fraude betreffende de oorsprong van de druiven (bij voorbeeld door vermenging met andere druiven) is minder groot, daar de afgelegde afstand in de regel, en behoudens uitzonderingen, geringer is dan wanneer de druiven ver van het bepaalde gebied worden verwerkt.
Ik ben dus van mening, dat de Commissie de grenzen van haar machtiging niet heeft overschreden en dat zij een redelijke oplossing heeft gekozen, die evenredig is aan het beoogde doel.
6. Het derde middel: schending van grondrechten
Ten slotte betoogt de Bondsrepubliek Duitsland, dat de betrokken maatregel in strijd is met de grondrechten van de betrokken bedrijven en met name met het recht op eigendom en het recht op vrije beroepskeuze.
Wat het recht op eigendom betreft, volstaat het mijns inziens eraan te herinneren, dat de grief van de Commissie slechts de na 29 augustus 1970 verleende vergunningen betreft, en te verwijzen naar 's Hofs arrest in zaak 44/79 (Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727). Gelijk het Hof in dat arrest heeft overwogen, moet een maatregel als hier in geding worden bezien in de context van de gemeenschappelijke marktordening. Het criterium van de „onmiddellijke nabijheid” maakt deel uit van een op kwaliteitsverbetering gericht beleid dat een integrerend deel is van de gemeenschappelijke ordening. Deze ordening dient de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag. Zo opgevat, is een dergelijke maatregel gerechtvaardigd door de doelstellingen van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en doet hij geen afbreuk aan het wezen van het eigendomsrecht, zoals dit in de communautaire rechtsorde is erkend en gewaarborgd.
Aangaande het recht op vrije beroepskeuze, in casu het recht om v. q. p. r. d. te bereiden buiten het gebied waar de druiven zijn geoogst, moet worden opgemerkt, dat een particulier geen rechten kan ontlenen aan vergunningen die door een Lid-Staat in strijd met het gemeenschapsrecht zijn verleend.
In de tweede plaats wil ik, naast het reeds aangehaalde arrest-Hauer, 's Hofs arrest in zaak 4/73 (Nold, Jurispr. 1974, blz. 491) in herinnering brengen. Daarin heeft het Hof voor recht verklaard, dat met betrekking tot de vrijheid van handel, arbeid en andere professionele werkzaamheden het voorbehoud mag worden gemaakt, dat bepaalde grenzen die hun rechtvaardiging vinden in de doelstellingen van algemeen belang, welke de Gemeenschap nastreeft, moeten worden in acht genomen zolang aan het wezen dier rechten geen afbreuk wordt gedaan.
In casu zullen de wijnverwerkende bedrijven die niet in de onmiddellijke nabijheid van de bepaalde gebieden zijn gelegen, tafelwijn kunnen blijven bereiden en zowel v. q. p. r. d. als tafelwijn kunnen blijven opslaan, bottelen en verkopen.
7. Conclusie
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1)
voor recht te verklaren dat de Bondsrepubliek Duitsland, door in strijd met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1698/70 van de Commissie van 25 augustus 1970 na 29 augustus 1970 vergunningen tot bereiding van v. q. p. r. d. buiten de bepaalde gebieden of de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gebieden te blijven verlenen, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2)
de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten in verband met de vier inbreuken die de Commissie haar in haar verzoekschrift van 31 maart 1982 heeft verweten, aangezien de betrokken Lid-Staat aan de eerste, tweede en vierde inbreuk eerst een einde heeft gemaakt nadat de zaak bij het Hof was aanhangig gemaakt.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) In alke taalversies, behalve in de Duitse en de Deense, wordt dit begrip „wijnen voortgebracht in” gebezigd.
Full & Egal Universal Law Academy