CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
van 7 juli 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige ambtenarenzaak gaat het om de vraag, of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut — een artikel dat al in verscheidene eerdere zaken aan de orde is geweest — op overeenkomstige wijze kan worden toegepast bij de berekening van de pensioenjaren van functionarissen verbonden aan een inrichting van het GCOK, die al vóór de inwerkingtreding van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2615/76 van de Raad van 21 oktober 1976 houdende wijziging van verordening nr. 259/68 inzake de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (PB L 299 van 1976, blz. 1), in dienst van de Gemeenschap waren.
Deze bepaling geeft de ambtenaar die, na eerst elders werkzaam te zijn geweest, in dienst van de Gemeenschappen treedt, het recht de actuariële tegenwaarde van zijn voordien verworven rechten op ouderdomspensioen, dan wel de afkoopsom die hem bij zijn vertrek door een pensioenfonds verschuldigd is, aan de Gemeenschappen te doen betalen. In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom.
De Commissie achtte het juist, deze bepaling op desbetreffend verzoek van de belanghebbenden op overeenkomstige wijze toe te passen, en wel omdat de aan een inrichting verbonden functionarissen die van de overgangsregeling van genoemde verordening gebruik hadden gemaakt, tijdelijke functionarissen waren geworden in de zin van de nieuwe bepaling van artikel 2, sub d) van de Regeling andere personeelsleden (hierna: „de Regeling”), en daarmee ingevolge artikel 39, lid 2, van. de Regeling rechten hadden verworven tegenover het gemeenschappelijk pensioenstelsel. Met het oog op het door artikel 77, eerste alinea, van het Statuut vereiste minimum van tien dienstjaren, bepaalt artikel 2, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 2615/76, dat de voorheen volbrachte diensttijd in aanmerking moet worden genomen. Voor de berekening van de pensioenjaren in de zin van artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut worden echter ingevolge de tweede alinea van voornoemde bepaling „alleen de dienstjaren in aanmerking genomen die de functionaris als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub d), heeft volbracht.”
Daar de betrokken verordening niets zegt over wat er moet gebeuren met de onder de nationale pensioenregelingen verworven rechten, heeft de Commissie de aan een inrichting verbonden functionarissen de keuze gelaten om hetzij gebruik te maken van de door artikel 42 van de Regeling geboden mogelijkheid en de Commissie te verzoeken de bijdragen die voor het ontstaan of het behoud van rechten op een nationaal pensioen noodzakelijk zijn, door te betalen, hetzij te opteren voor de oplossing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. Nadat een mededeling van de strekking reeds in de Personeelskoerier nr. 391 van 14 juni 1978 was gepubliceerd, werden met name de tijdelijke functionarissen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra, die voordien aangesloten waren bij het Italiaanse stelsel voor sociale zekerheid, er op 13 juli 1978 andermaal op geattendeerd dat het ingevolge een akkoord met het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (INPS) thans mogelijk was hun pensioenrechten naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel over te schrijven. Om te voorkomen dat de betrokkenen een beslissing zouden moeten nemen zonder precies te weten wat daarvan de gevolgen zouden zijn, werd hun onder meer in een circulaire van 10 april 1979 meegedeeld, dat zij hun beslissing konden uitstellen totdat hun nauwkeurige inlichtingen waren verstrekt over het aantal pensioenjaren dat voor het gemeenschappelijk pensioenstelsel in aanmerking zou worden genomen.
In de loop van juni en juli 1981 werd de nauwkeurige berekening van de overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut te erkennen pensioenjaren ter kennis gebracht van de zes verzoekers, die bij deze regeling belang hadden. Nadat zij waren uitgenodigd om binnen 30 dagen van hun keuzemogelijkheid gebruik te maken, gaven zij — met een voorbehoud voor wat de berekening van de pensioenjaren betreft — hun voorkeur te kennen voor overschrijving van hun pensioenrechten naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel.
In september en oktober 1981 dienden zij krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de Commissie administratieve klachten in, waarin zij bezwaar maakten tegen het feit dat bij de berekening van hun pensioenrechten niet alle dienstjaren in aanmerking waren genomen die zij als aan een inrichting verbonden functionarissen hadden volbracht. Toen zij binnen de in die bepaling voorziene termijn van vier maanden geen antwoord hadden ontvangen, stelden zij op respectievelijk 5 en 6 april 1982 beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om de vóór hun benoeming tot tijdelijk functionaris volbrachte diensttijd slechts gedeeltelijk in aanmerking te nemen voor het communautaire ouderdomspensioen, en tot vaststelling dat de Commissie gehouden is, de gehele diensttijd bij haar diensten in aanmerking te nemen.
Over deze vorderingen wil ik het volgende opmerken.
I — De ontvankelijkheid van het beroep
De Commissie acht het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Volgens haar vormt de medio 1978 gedane mededeling van het tot aanstelling bevoegd gezag aan verzoekers dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut op overeenkomstige wijze op hun geval zou worden toegepast, reeds een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. De kennisgeving van de definitieve berekening, die verzoekers aanleiding gaf een administratieve klacht in te dienen, zou slechts het logisch gevolg en de toepassing zijn van dat eerdere besluit, dat de statutaire rechten van verzoekers onverlet liet.
Evenals verzoekers kan ik dit betoog niet volgen. De klacht- en beroepswegen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut dienen een rechterlijke toetsing mogelijk te maken van alle handelingen of verzuimen van het tot aanstelling bevoegd gezag, die inbreuk kunnen maken op de statutair geregelde rechtspositie van de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen. Daargelaten op welk tijdstip verzoekers kennis hebben gekregen van het besluit van de Commissie inzake de overeenkomstige toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut op de aan een inrichting verbonden functionarissen, en ongeacht of dat besluit van dien aard was, dat het verzoekers rechtstreeks en individueel raakte, kan welbeschouwd eerst de mededeling betreffende het aantal voor de pensioenberekening in aanmerking komende dienstjaren worden gezien als een besluit dat voor verzoekers rechtstreeks en individueel bezwarend is en niet slechts als een uitvoeringsmaatregel van het eerdere bestuit. Van belang is hier dat, zoals de Commissie zelf erkent, de overeenkomstig artikel 11, lid 2, te verrichten berekening in de praktijk zeer ingewikkeld is, en dat zelfs deskundigen niet zomaar de uitkomst ervan kunnen voorzien. Men kan dan ook moeilijk staande houden dat de betrokkenen reeds in het besluit van de Commissie inzake de overeenkomstige toepassing op verzoek van artikel 11, lid 2, een bezwarende maatregel hadden moeten zien en binnen een vanaf dat tijdstip te berekenen termijn hun klacht hadden moeten indienen. Eerst nadat verzoekers voor de mogelijkheid van artikel 11, lid 2, hadden gekozen en nadat precies was vastgesteld hoeveel dienstjaren in aanmerking zouden worden genomen, konden zij zich een beeld vormen van de nadelige gevolgen die dat voor hen had, en eerst toen konden zij zich bezwaard achten. De klachttermijn van artikel 90, lid 2, kon dan ook eerst ingaan op de dag waarop die berekeningen werden meegedeeld, en daaruit volgt dat de klachten tijdig zijn ingediend en dat het beroep derhalve ontvankelijk is.
Tot besluit merk ik nog op, dat deze conclusie anders dan de Commissie beweert, niet afstuit op's Hofs arrest-Hirschberg ( 2 ) : daar ging het om de ontvankelijkheid van een beroep dat uitsluitend betrekking had op interne dienstverhoudingen en in het bijzonder op aangelegenheden betreffende de inrichting van de administratie en de arbeidstucht, en niet op besluiten die de statutaire rechtspositie van de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschap beïnvloeden. Het behoeft evenwel geen betoog dat de berekening van het aantal pensioenjaren die rechtspositie wel degelijk beïnvloedt.
II — De gegrondheid van het beroep
De kernvraag van dit geding is, of verweerster gehouden is de diensttijd die verzoekers vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 als aan een inrichting verbonden functionarissen hebben volbracht, in aanmerking te nemen bij de berekening van het aantal pensioenjaren.
1.
Hét standpunt van verzoekers komt in wezen hierop neer, dat verweerster het Verdrag en zijn uitvoeringsvoorschriften heeft geschonden door artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, dat betrekking heeft op een andere feitelijke situatie, op overeenkomstige wijze op hen toe te passen. Die bepaling gaat immers uit van de veronderstelling, dat de betrokkene, alvorens in dienst van de Gemeenschap te treden, werkzaam is geweest aan een nationale of internationale organisatie of bij een onderneming, terwijl verzoekers reeds een tijd in dienst van de Commissie waren toen bij verordening nr. 2615/76 de hoedanigheid van aan een inrichting verbonden functionaris werd afgeschaft en vervangen door die van tijdelijk functionaris. Gesteld dat er met betrekking tot het meetellen van de vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 als aan een inrichting verbonden functionaris volbrachte diensttijd inderdaad sprake was van een leemte in het recht, dan had, aldus verzoekers, daarin niet mogen worden voorzien door overeenkomstige toepassing van artikel 11, lid 2, doch door alle tevoren bij de Gemeenschap volbrachte diensttijd als pensioenjaren in aanmerking te nemen.
Dat een dergelijke leemte niet bestaat, blijkt mijns inziens reeds uit de bewoordingen van artikel 2, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2615/76, waar uitdrukkelijk wordt gesteld dat voor de berekening van de pensioenjaren van de aan een inrichting verbonden functionarissen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening in dienst zijn „alleen de dienstjaren in aanmerking worden genomen die de functionaris als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub d), heeft volbracht.” Het is duidelijk dat deze overgangsbepaling de rechtstoestand expliciteert die ook zonder deze bepaling ingevolge de communautaire pensioenregeling bestaan zou hebben. Artikel 2 van de in bijlage VIII bij het Statuut vervatte pensioenregeling bepaalt immers, dat het ouderdomspensioen wordt berekend op basis van het totaal aantal pensioenjaren van de ambtenaar. Krachtens artikel 3, sub c), van deze pensioenregeling komt voor de berekening van bedoelde pensioenjaren mede in aanmerking de diensttijd, vervuld in enige andere hoedanigheid overeenkomstig de Regeling andere personeelsleden, mits is voldaan aan de uitdrukkelijke voorwaarde dat het personeelslid over deze periode de vastgestelde bijdragen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel heeft betaald. Luidens de artikelen 40, tweede alinea, en 41 van de Regeling, waarnaar in voornoemde bepaling wordt verwezen, wordt enkel de diensttijd als tijdelijk functionaris in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal pensioenjaren volgens de bepalingen van bijlage VIII bij het Statuut en is artikel 83 van het Statuut van overeenkomstige toepassing op de financiering van dit stelsel. Dat de aan een inrichting verbonden functionarissen tot de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 geen tijdelijke functionarissen waren, brengt dus meteen mee, dat artikel 3, sub c), van bijlage VIII bij het Statuut niet op hen van toepassing is.
Dit doet met name het grondbeginsel van artikel 83 Ambtenarenstatuut tot zijn recht komen. Dit artikel bepaalt, dat „de uitkeringen krachtens de pensioenregeling ten laste komen van de begroting der Gemeenschappen” en dat „de ambtenaren voor een derde bijdragen in de financiering van de pensioenregeling”, en legt daarmee, aldus het Hof in de zaak-Landra ( 3 ), een nauw verband tussen de verwerving van het ouderdomspensioen en de financiering door de betrokkene van het voor de betaling van dit pensioen gevormde fonds. Het Hof oordeelde in deze zaak, dat bijdragen aan een niet-communautair stelsel, behoudens uitdrukkelijke uitzondering, niet automatisch kunnen leiden tot verwerving van communautaire pensioenrechten.
Niet alleen is voor de aan een inrichting verbonden functionarissen die tot hun aanstelling als tijdelijk functionaris bij de Italiaanse pensioenregeling waren aangesloten, nergens een uitdrukkelijke uitzondering voorzien, doch in de overgangsbepaling van artikel 2, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2615/76 is integendeel duidelijk en uitdrukkelijk voorzien dat alleen de dienstjaren die zij als tijdelijk functionaris hebben volbracht, in aanmerking mogen worden genomen.
Daar deze bepaling dus overeenstemt met het stelsel dat ten grondslag ligt aan de communautaire pensioenregeling, kan ik ook niet meegaan met verzoekers wanneer zij stellen dat de bepaling buiten toepassing dient te blijven wegens onverenigbaarheid met gemeenschapsrecht van hogere rang. Overigens dient het door verzoekers voor het eerst bij repliek aangevoerde middel, ontleend aan de onwettigheid van verordening nr. 2615/76, als een nieuw middel te worden beschouwd, dat te laat is voorgedragen en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Uit de omstandigheid dat het de Commissie op grond van deze uitdrukkelijke regeling verboden is de vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2615/76 voor de verzoekers als aan een inrichting verbonden functionarissen volbrachte dienstjaren, waarvoor aan het Italiaanse sociale-zekerheidsorgaan bijdragen werden betaald, te erkennen als pensioenjaren als bedoeld in artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut, volgt verder dat de overeenkomstige toepassing van artikel 11, lid 2, van de communautaire pensioenregeling op verzoekers niet onjuist kan zijn. Daarbij is inzonderheid van belang, dat vaststaat dat verzoekers met kennis van alle berekeningen konden kiezen tussen toepassing van artikel 42 van de Regeling en overeenkomstige toepassing van artikel 11, lid 2, van de communautaire pensioenregeling, en ook nog toepassing van een combinatie van beide bepalingen, en dat zij, met kennis van alle cijfers en onder afweging van de vooren nadelen, voor de mogelijkheid van artikel 11, lid 2, konden, doch niet moesten, kiezen.
Deze regeling, die een coördinatie van de nationale pensioenstelsels en het gemeenschappelijk stelsel beoogt, wil het mogelijk maken dat, gelijk het Hof in zaak 137/80 ( 4 ) overwoog, de door de gemeenschapsambtenaren in hun eigen staat verworven rechten blijven bestaan en aan het eind van hun loopbaan door het gemeenschappelijk pensioenstelsel in aanmerking worden genomen. In de zaak-Landra ( 5 ) overwoog het Hof, dat het met het oog op dit doel niet gerechtvaardigd zou zijn, deze gunstige regeling wel toe te passen op de in deze bepaling kennelijk bedoelde rechtstreeks van buiten aangeworven ambtenaren, doch niet op hen die reeds voor hun aanstelling bepaalde banden met de Gemeenschappen hadden.
In dit verband kan ik evenmin meegaan met verzoekers wanneer zij menen dat deze uitspraak, waarin het gaat om de coördinatie van twee, in verschillende functies verworven soorten pensioenrechten, niet van toepassing is op hun geval, waarin de continuïteit en de identiteit van de door hen vervulde functie uitgangspunt moet zijn. Daarom zou men ook in hun geval rekening moeten houden met de gedachte die ten grondslag ligt aan de arresten-Deshormes ( 6 ) en Toledano-Laredo ( 7 ).
Evenals in de onderhavige gevallen ging het in die zaken om de vraag, of bij de berekening van het ouderdomspensioen rekening moest worden gehouden met de door de verzoekers oorspronkelijk als hulpfunctionaris in gemeenschapsdienst volbrachte diensttijd. Specifiek voor deze zaken was, dat de betrokkenen, ofschoon zij als hulpfunctionaris als bedoeld in artikel 3 van de Regeling waren aangesteld, vóór hun benoeming tot ambtenaar of tijdelijk functionaris werkzaamheden hadden verricht die beantwoordden aan de ambtsomschrijving in artikel 2, sub a) en b), van de Regeling. Met name het feit dat de verzoekers vaste ambtelijke taken verrichtten waarvoor in het organigram een ambt was voorzien, was voor het Hof aanleiding om hen, ondanks hun overeenkomst als hulpfunctionaris, met het oog op de bepaling van hun pensioenjaren te behandelen als waren zij van meet af aan tijdelijk functionaris geweest. In het onderhavige geval evenwel kan daarvan geen sprake zijn. Voordat zij tijdelijk functionaris werden in de zin van het nieuwe artikel 2, sub d), van de Regeling, hadden verzoekers juist exact die positie welke de Regeling in haar eerdere versie toekende aan personeelsleden wier bezoldiging ten laste van de onderzoeks- en investeringskredieten kwam. Deze categorie personeelsleden kon echter uitdrukkelijk geen enkele aanspraak tegenover het gemeenschappelijk pensioenstelsel doen gelden, en daarom zijn de arresten waaraan de verzoekers refereren in casu niet relevant. Daar verzoekers overeenkomstig het destijds geldende gemeenschapsrecht aangesloten waren bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid en geen bijdragen aan het gemeenschappelijke pensioenstelsel hebben betaald, kan, gelet op het arrest-Landra ( 8 ), niets worden ingebracht tegen een overeenkomstige toepassing van artikel 11, lid 2, van de communautaire pensioenregeling.
Ook de omstandigheid dat, zoals verzoekers aanvoeren, de aan het Italiaanse socialezekerheidsstelsel betaalde bijdragen — uitgedrukt in procenten van het salaris — niet lager, doch voor een deel zelfs hoger waren dan de bijdragen aan het gemeenschappelijk stelsel, kan niet tegen die overeenkomstige toepassing worden aangevoerd. Verzoekers zien hierbij over het hoofd, dat het bij de coördinatie van de nationale pensioenstelsels en het gemeenschappelijk stelsel niet aankomt op de betaalde bijdragen, doch enkel op het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten waarop de betrokkenen volgens de nationale pensioenregeling op het tijdstip van de overdracht aanspraak zou hebben gehad. Zoals onder meer blijkt uit het arrest-Bodson ( 9 ), resulteert de actuariële tegenwaarde van verworven pensioenrechten — het enige punt waarom het in de onderhavige zaak gaat — uit een ingewikkelde, in de nationale context uit te voeren berekening. Om recht te doen aan het nauwe onderlinge verband tussen het verwerven van het recht op gemeenschapspensioen en de financiering van het voor de uitbetaling daarvan gevormde fonds, moet de uitkomst van die berekening dan weer tot pensioenjaren worden herleid, hetgeen natuurlijk wegens de uiteenlopende omstandigheden die bij die berekening een rol spelen, tot een voor iedere betrokkene verschillend resultaat kan leiden.
Met betrekking tot de berekening van de pensioenjaren betogen verzoekers subsidiair nog, dat het aantal in aanmerking te nemen dienstjaren in de zin van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, aanmerkelijk is verminderd doordat het is berekend overeenkomstig de algemene uitvoeringsbepalingen bij artikel 11, lid 2, inzonderheid artikel 3, op de grondslag van hun jaarlijks basissalaris in Belgische frank en met toepassing van een aanpassingscoëfficiënt van 157,8, hetgeen onwettig zou zijn.
Met de Commissie merk ik op, dat deze grief, die tegen de berekeningswijze van de pensioenjaren is gericht en niet tegen de overeenkomstige ¡toepassing van artikel 11, lid 2, niet voorkomt in de overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut ingediende administratieve klachten noch in de beroepschriften. Dit argument is dus als een nieuw, en te laat voorgedragen middel te beschouwen dat derhalve ingevolge artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten overvloede zij overigens gezegd, dat ik het middel ongegrond vind. Daartoe verwijs ik met name naar het arrest-Benassi ( 10 ), waarin het eveneens ging om de definitie van het basissalaris in het kader van de toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut.
2.
Voorts betogen verzoekers dat het bestreden besluit indruist tegen het verbod van ongelijke behandeling van functionarissen die bij een zelfde instelling dezelfde werkzaamheden verrichten als de van meet af aan in vaste dienst benoemde ambtenaren.
Daarop kan in het kort worden geantwoord dat het Europese ambtenarenrecht, rekening houdende met de diversiteit van de taken, voor elke categorie personeelsleden een afzonderlijk statuut voorziet. Deze differentiatie, die haar objectieve rechtvaardiging ontleent aan de opgedragen werkzaamheden, is volgens vaste rechtspraak van het Hof niet in strijd met het discriminatieverbod. Er bestaan derhalve geen principiële bezwaren tegen het feit dat de rechtspositie van de aan een inrichting verbonden en uit de onderzoeks- en investeringskredieten bezoldigde functionarissen, gelet op de aard van hun werkzaamheden, verschilt van die van de ambtenaren of van de andere personeelsleden van de Gemeenschappen. Wanneer de Raad krachtens zijn discretionaire bevoegdheid, de positie van de aan een inrichting verbonden functionarissen heeft verbeterd, onder meer door de communautaire pensioenregeling op hen toepasselijk te verklaren, kan met een beroep op het discriminatieverbod daaraan geen recht op retroactieve verbetering van hun situatie worden ontleend. Daarbij komt nog dat het, zoals verweerster terecht betoogt, onverenigbaar zou zijn met het grondbeginsel van het gemeenschappelijk pensioenstelsel — met name het enge verband tussen het betalen van bijdragen en het recht op een pensioen — om de dienstjaren waarvoor aan de Italiaanse sociale-zekerheidsorganen bijdragen zijn betaald, automatisch in aanmerking te nemen als pensioenjaren in de zin van artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut, zonder rekening te houden met de actuariële tegenwaarde.
3.
Ook het derde middel van de verzoekers, inhoudende dat de toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut enerzijds ongeldig is wegens misbruik van bevoegdheid, daar deze bepaling betrekking heeft op een materieel en formeel verschillende casuspositie, en anderzijds onrechtvaardig doordat zij aan het dienstverband bij de Gemeenschap dezelfde waarde toekent als aan een dienstverband elders, is derhalve niet gegrond.
III —
Om bovengenoemde redenen geef ik het Hof in overweging, de tegen de Commissie ingestelde beroepen te verwerpen en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elke partij in de eigen kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest van 14 juli 1976, zaak 129/75, Hirschberg, Jurispr 1976, blz. 1259.
( 3 ) Arrest van 1 april 1971, zaak 54/70, Landra, Jurispr. 1971, blz. 311.
( 4 ) Arrest van 20 oktober 1981, zaak 137/80, Commissie t. Koninkrijk België, Junspr. 1981, blz. 2393.
( 5 ) Arrest van 1 april 1971, zaak 54/70, Landra, Jurispr. 1971, blz. 311.
( 6 ) Arrest van 1 februari 1979, zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189.
( 7 ) Arrest van 23 februari 1983, gevoegde zaken 225 en 241/81, Toledano Laredo, Jurispr. 1983, blz. 347.
( 8 ) Arrest van 1 april 1971, zaak 54/70, Landra, Jurispr. 1971, blz. 311.
( 9 ) Arrest van 18 maart 1982, zaak 212/81, Bodson, Jurispr. 1982, blz. 1019.
( 10 ) Arrest van 19 november 1981, zaak 194/80, Benassi, Jurispr. 1981, blz. 2815.
Full & Egal Universal Law Academy