CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 10 MAART 1983 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De onderhavige zaak betreft een verzoek om uitlegging van een aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2), met het oog op de Italiaanse wettelijke regeling die een sociaal pensioen toekent aan onderdanen die de 65-jarige leeftijd hebben bereikt en in behoeftige financiële omstandigheden verkeren.
2.
De feiten kunnen worden samengevat als volgt:
Piscitello, verzoekster in het hoofdgeding, is Italiaans onderdaan. Op haar verzoek aan het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale te Enna (hierna: INPS) van 30 december 1972 werd haar per 1 januari 1973 het sociaal pensioen voor behoeftige bejaarden toegekend als voorzien in artikel 26 van wet nr. 153 van 30 april 1969. Bij besluit van 26 juni 1976 evenwel trok het INPS dat pensioen per 1 augustus 1975 in, stellende dat Piscitello aan één van de in voornoemde wet 1 gestelde voorwaarden niet meer voldeed, nu zij geen woonplaats meer op het nationaal grondgebied had. Op 25 augustus 1975 was Piscitello bij haar dochter in Luik (België) gaan wonen. Nadat de administratieve procedure voor het provinciaal en vervolgens voor het regionaal comité van het INPS niets had opgeleverd, wendde Piscitello zich tot de Pretore te Enna, met het verzoek om nietigverklaring van het besluit tot intrekking en om herstel van het pensioen per 1 augustus 1975. In haar beroep, ingesteld op 2 februari 1978, voerde zij aan, dat de overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap geen gevolgen heeft voor het recht op pensioen.
De Pretore te Enna verklaarde het besluit van het INPS in overeenstemming met de Italiaanse wettelijke regeling en met het gemeenschapsrecht, en wees het beroep af. Van deze uitspraak, gedaan op 10 juni 1978, ging Piscitello in hoger beroep. Het Tribunale te Enna oordeelde evenwel, dat Piscitello zich niet kon beroepen op verordening nr. 1408/71, daar deze niet van toepassing was op prestaties die een zuivere bijstandsuitkering vormen. Op dit punt heeft verzoekster thans beroep tot cassatie aangetekend, waarbij zij staande houdt dat het sociaal pensioen op grond van zijn verplicht karakter binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, en dat het vereiste inzake de woonplaats op Italiaans grondgebied in strijd is met artikel 10 van die verordening.
Bij beschikking van 14 januari 1982 heeft de Corte di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht, zich uit te spreken over de vraag of „ingevolge de in artikel 10 van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 voorziene ‚opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats’, de bepaling in artikel 26 van wet nr. 153 van 30 april 1969, waarbij de toekenning en het genot van sociaal pensioen afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de Italiaanse onderdaan op het nationale grondgebied woont, moet worden geacht te zijn opgeheven, en bijgevolg bedoeld pensioen al dan niet kan worden geschorst of ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere Lid-Staat overbrengt, een en ander in aanmerking genomen dat het sociaal pensioen een bijstandsuitkering vormt (zie beslissing van de Corte costituzionale nr. 157 van 15 december 1980) en de kenmerken vertoont van een uitkering bij ouderdom, alsmede gelet op artikel 4, lid 1, van gemeenschapsverordening nr. 1408/71, bepalende dat deze verordening ‚van toepassing is op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid : ... uitkeringen bij ouderdom’?”
De beantwoording van de door de Corte di cassazione gestelde vraag werpt een drietal problemen op. De eerste twee zijn, om zo te zeggen, van preliminaire aard, waarbij het erom gaat of verordening nr. 1408/71 radone materias van toepassing is op een uitkering als het Italiaanse sociaal pensioen, en ratione personae op degene'die zich in de situatie van Piscitello bevindt. Het derde houdt in, of het pensioen — nog steeds volgens de onderhavige verordening — kan worden „geëxporteerd” indien de rechthebbende zijn woonplaats overbrengt naar een andere Lid-Staat dan die waartoe het orgaan behoort dat het pensioen uitkeert.
3.
Ik zou echter om te beginnen een en ander willen opmerken over het onderhavige pensioen. Het werd ingesteld bij artikel 26 van wet nr. 153 van 30 april 1969. Deze bepaling is op meerdere punten gewijzigd bij artikel 3 van wetsbesluit nr. 30 van 2 maart í 974, dat, met latere wijzigingen, is omgezet in de meermaals aangevulde wet nr. 114 van 16 april 1974.
Het pensioen wordt toegekend aan alle Italiaanse onderdanen die op het nationaal grondgebied wonen en niet beschikken over eigen inkomsten dan wel inkomsten van de niet wettig gescheiden echtgenoot, waarover inkomstenbelasting voor natuurlijke personen boven een bepaald jaarlijks bedrag wordt geheven. Dat bedrag houdt gelijke tred met de verhogingen in het kader van de automatische aanpassing van het minimumpensioen (artikel 7 van wet nr. 160 van 3. 6. 1975). Bij de berekening van de inkomsten van de aanvrager wordt geen rekening gehouden met kinderbijslag noch met de huurwaarde eigen woning. Het pensioen wordt daarentegen niet toegekend aan degenen die een vaste rente of geldelijke uitkering uit hoofde van de sociale verzekering of de bijstand ontvangen van de staat, van lagere overheidsinstellingen dan wel uit het buitenland (waartoe ook het oorlogspensioen behoort, doch niet de lijfrente van oud-strijders van de eerste wereldoorlog en daarvóór), voor een hoger bedrag dan bovenbedoeld plafond. Indien de jaarlijkse inkomsten evenwel lager zijn dan het. jaarlijks bedrag van het sociaal pensioen, wordt een dienovereenkomstig verlaagd sociaal pensioen toegekend.
Het onderzoek, door het INPS, van de financiële omstandigheden van de aanvrager is geheel objectief. De behoefte aan sociaal pensioen wordt vastgesteld zonder rekening te houden met vrijwillige of onvrijwillige, al dan niet voorziene factoren die deze omstandigheden wellicht hebben bepaald, en zonder dat correcties worden aangebracht die de wet niet vermeldt, zoals de financiële draagkracht van personen die krachtens artikel 433 cod. civ. als eerste onderhoudsplichtig zijn.
Het sociaal pensioen wordt, onder gelijke voorwaarden als de overige pensioenuitkeringen, betaald uit het „sociaal fonds”, een autonome dienst binnen het INPS, ingesteld bij wet nr. 903 van 21 juli 1965. Sinds 1 januari 1976 wordt dit fonds geheel door de staat gefinancierd.
Het pensioen is niet vatbaar voor overdracht, sekwestratie of verpanding. Het is gebonden aan de persoon en kan niet op nabestaanden overgaan. Het bedrag ervan wordt volgens een vaste formule berekend en is lager dan het minimumloon krachtens het algemeen stelsel. Volgens artikel 2 bis van wet nr. 485 van 2 augustus 1972 hebben de ontvangers van het pensioen recht op medische bijstand. Tenslotte wil ik er nog op wijzen, dat het sociaal pensioen voor wat betreft de administratieve en gerechtelijke procedures door dezelfde voorschriften wordt beheerst als geschillen met betrekking tot het algemeen pensioenstelsel.
4.
Zoals gezegd dient thans in de eerste plaats te worden vastgesteld, of de onderhavige uitkering ratione materine door verordening nr. 1408/71 wordt beheerst.
De materiële werkingssfeer van de verordening is geregeld in artikel 4, bepalende dat zij van toepassing is op alle wettelijke regelingen van de sociale zekerheid, waartoe vanzelfsprekend die inzake uitkeringen bij ouderdom behoren. Zij is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie- of bijdragebetaling berusten, doch geldt niet voor de sociale en medische bijstand.
De verordening geeft evenwel geen omschrijving van de begrippen sociale zekerheid en bijstand. Naarmate overigens de sociale zekerheid zich is gaan uitstrekken tot groepen zelfstandigen, de uitkeringen worden gefinancierd uit de belastingheffingen en de rechthebbenden volkomen subjectieve rechten worden toegekend, krijgen de oude begrippen een vagere betekenis. Hieromtrent heeft het Hof, bij de kwalificatie van een aantal prestaties die niet op premie- of bijdragebetaling berusten, overwogen dat „het weliswaar met het oog op de toepassing der verordening wenselijk kan zijn een duidelijk onderscheid te maken tussen de wettelijke regelingen die respectievelijk onder de sociale zekerheid en de bijstand vallen, maar dat de mogelijkheid niet mag worden uitgesloten dat bepaalde besluiten — wegens de kring van personen waarop zij van toepassing zijn, hun doelstellingen en wijze van toepassing — gelijktijdig verwant zijn met elk van beide genoemde categorieën, en zich derhalve niet in een algemene indeling laten vatten”. Ik wijs hier op het arrest van 22 juni 1972, zaak 1/72, Frilli, Jurispr. 1972, blz. 457, r.o. 13; gelijkluidende formuleringen zijn vervat in de arresten van 28 mei 1974 (zaak 187/73, Callemeyn, Jurispr. 1974, blz. 561), van 9 oktober 1974 (zaak 24/74, Biason, Jurispr. 1974, blz. 1006) en van 13 november 1974 (zaak 39/74, Costa, Jurispr. 1974, blz. 1260).
Deze overwegingen hebben het Hof evenwel niet belet, een duidelijk onderscheid te maken. Het heeft meerdere malen overwogen, dat onder de sociale zekerheid de regelingen vallen die afzien van een individuele beoordeling, die kenmerkend is voor de bijstand, en de rechthebbenden een wettelijk omschreven positie toekennen, die een aanspraak geeft die in rechte kan worden geldend gemaakt (zie voornoemde arresten in de zaken 1/72 (r.o. 14), 187/73 en 39/74, alsmede het arrest van 17 juni 1975, zaak 7/75, Echtelieden F., Jurispr. 1975, blz. 679).
Onder verwijzing naar dit criterium heeft het Hof de standpunten waarbij, ter onderscheiding van sociale zekerheid en bijstand, naar de strekking van de betrokken regelingen en hun kwalificatie naar intern recht werd verwezen, van de hand gewezen. Het heeft aldus een zeer ruim begrip sociale zekerheid ontwikkeld, dat zowel de voorziening in de primaire behoeften van de betrokkene als de verzekering van een bepaalde levensstandaard omvat.
5.
De regering van de Italiaanse Republiek en het INPS houden staande, dat het sociaal pensioen niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt. Het zou daarvan moeten worden uitgesloten, nu de Corte costituzionale (zie de in de vraag van de Corte di cassazione genoemde uitspraak nr. 157 van 15 december 1980) en talrijke gewone rechters dit pensioen eenstemmig als een bijstandsuitkering hebben aangemerkt.
In dit verband wil ik herinneren aan de opmerking van advocaat-generaal Reischl in zijn conclusie in zaak 24/74, dat het in procedures voor het Hof geen zin heeft, argumenten aan te voeren die zijn ontleend aan de rechtspraak, de literatuur of de wettelijke regeling van een Lid-Staat. Zoals het Hof zelf heeft verklaard, dienen op het gemeenschapsrecht gebaseerde criteria te worden gehanteerd als de constitutieve elementen van een prestatie, inzonderheid het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden voor haar toekenning (arrest van 6 juli 1978, zaak 9/78, Gillard, Jurispr. 1978, blz. 1661). Immers alleen op deze grondslag kan de werkingssfeer van de communautaire verordeningen uniform worden afgebakend.
Zoals gezegd, kent de Italiaanse wettelijke regeling de ontvangers van het sociaal pensioen een wettelijk beschermd recht toe. Behalve dit — mijns inziens beslissend — gegeven is er nog een ander, dat wellicht minder relevant is maar nog steeds op de lijn ligt van de uitspraak in de zaak-Gillard. Ik doel hier op de omstandigheid, dat de beroepsmogelijkheden geen bijzonderheden vertonen vergeleken met die voor de andere pensioenuitkeringen, en dat de betrokkenen recht hebben op medische bijstand.
6.
Maar dit is niet alles. Behalve het uit de rechtspraak van het Hof af te leiden uitleggingscriterium, volgens hetwelk een uitkering onder de sociale zekerheid valt indien zij de ontvanger een nauwkeurig omschreven rechtspositie verleent, kan aan de bewoordingen van verordening nr. 1408/71 een niet te onderschatten gegeven worden ontleend.
Volgens artikel 4, lid 2, van de verordening is deze uitdrukkelijk van toepassing op „stelsels.van sociale zekerheid welke ... niet op premie- of bijdragebetaling berusten”. Nu derhalve kan worden uitgesloten, dat voor het onderscheid tussen sociale zekerheid en bijstand beslissend is, of een stelsel op premie- of bijdragebetaling berust, kan de stelling van het INPS en van de Italiaanse regering, dat de verordening alleen geldt voor prestaties die op een verzekeringsgrondslag berusten, definitief ongegrond worden verklaard. Immers, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, is voor de stelsels die niet op premie- of bijdragebetaling berusten juist kenmerkend, dat zij uitgaan van de behoefte van de betrokkene en geen vereisten stellen met betrekking tot tijdvakken van beroepsbezigheid, van aansluiting of van verzekering. Dit betekent natuurlijk niet, dat de uitsluiting krachtens artikel 4, lid 4, geen betekenis meer heeft. Daartoe zij er slechts op gewezen, dat deze betrekking heeft op stelsels waarbij de toekenning van een uitkering ter vrije beoordeling van de administratie staat.
Het onderhavige pensioen valt derhalve binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. De omstandigheid dat het niet voorkomt in de Italiaanse verklaring ex artikel 5 van de verordening, doet daaraan niet af. Het Hof heeft immers meerdere malen overwogen, dat ook wanneer een uitkering niet in de verklaring van een Lid-Staat is opgenomen, zij toch binnen de werkingssfeer van de communautaire bepalingen valt (arrest van 27 januari 1981, zaak 70/80, Vigier, Jurispr. 1981, blz. 229).
Met betrekking tot het eerste aspect van de onderhavige zaak concludeer ik bijgevolg, dat een geldelijke uitkering, krachtens een nationaal stelsel dat niet op premie- of bijdragebetaling berust toegekend aan personen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt ten einde hun een minimuminkomen te verzekeren, een sociale zekerheidsuitkering vormt en, zoals de verwijzende rechter staande houdt, gelijk is te stellen met een uitkering bij ouderdom als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71.
7.
Het tweede aspect, dat niet door de verwijzende rechter ter sprake is gebracht maar door partijen, ter terechtzitting, heeft betrekking op de toepasselijkheid van de communautaire regeling ratione personae op degenen die zich in een situatie als die van Piscitello bevinden.
Ik herinner eraan, dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is op „werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten ... zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen” (artikel 2, lid 1). Partijen zijn het erover eens, dat het begrip „werknemer” in casu irrelevant is, alleen al óp grond dat Piscitello het INPS verzoekt om een uitkering (het sociaal pensioen) waarvoor de betrokkene geen beroepswerkzaamheden behoeft te verrichten of te hebben verricht. Veeleer dient hier het begrip „gezinsleden” in de beschouwing te worden betrokken. Verzoekster in het hoofdgeding heeft immers jarenlang bij haar dochter — woonachtig en loontrekkende in België — gewoond.
Luidens artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 „wordt onder ‚gezinslid’ verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend ... als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid; indien deze wetgevingen echter uitsluitend als gezinslid of huisgenoot beschouwen degene die bij de werknemer inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan, wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van bedoelde werknemer wordt onderhouden”.
Voor de uitlegging van deze bepaling moet in de eerste plaats worden vastgesteld, of de betekenis van het begrip „gezinsleden” moet worden vastgesteld aan de hand van de nationale wet die enkel een bepaalde uitkering regelt dan wel met inachtneming van de gehele wettelijke regeling op het gebied van de sociale zekerheid van een bepaald land. De tweede opvatting is mijns inziens de juiste. Niet alleen omdat in casu de bepalingen inzake het sociaal pensioen bedoeld begrip niet omschrijven, maar ook en vooral omdat het absurd zou zijn, ruimte te bieden aan even zoveel begrippen „gezinsleden” — die alle van belang zijn voor de werkingssfeer van de communautaire regeling — als er in een bepaalde rechtsorde voorziene uitkeringen zijn. Mitsdien moet de betekenis van het onderhavige begrip worden gezocht in het Italiaanse sociale zekerheidsstelsel in zijn geheel bezien.
Daartoe moet mijns inziens de voorkeur worden gegeven aan het begrip „gezinsleden” geldend voor de toekenning van de uitkering die met dat begrip en nauwere samenhang vertoont dan iedere andere. Ik verwijs hier naar de gezinstoelagen, die in Italië zijn geregeld in wet nr. 114 van 16 april 1974. Luidens deze wet omvat het begrip „gezinsleden” ook de ouders, voor zover zij worden onderhouden door degene die de toelage ontvangt. Bovendien dienen zij geen inkomsten te genieten die hoger zijn dan het laagst mogelijke bedrag van het minimumpensioen. Voorts moet de moeder ouder zijn dan 55 jaar dan wel blijvend arbeidsongeschikt zijn verklaard.
Op bet eerste gezicht lijken de onderhavige feiten erop te wijzen, dat Piscitello aan de vereisten voldoet. Indien dat het geval is (maar het ligt niet op mijn weg, zulks te onderzoeken), kan artikel 2, lid 1, worden geacht van toepassing te zijn op een persoon die zich in een positie als de hare bevindt.
8.
Ik kom thans toe aan het specifieke probleem waarnaar in de prejudiciële vraag van de Corte di cassazione rechtstreeks wordt verwezen. Zoals gezegd, gaat het om de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 betreffende de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid, nationale uitkeringen van gelijke aard als het Italiaanse sociaal pensioen te „exporteren”. Ik herinner eraan, dat luidens genoemde bepaling "de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen ... verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.
Indien derhalve mijn betoog sub 4, 5 en 6 inzake de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 juist is, met andere woorden, indien het Italiaanse sociaal pensioen moet worden beschouwd als een met het ouderdomspensioen gelijk te stellen uitkering die niet op premie- of bijdragebetaling berust, dient zonder meer te worden aangenomen, dat in casu de bepalingen inzake de woonplaats niet van toepassing zijn. Er rijst niettemin een probleem. Het Hof heeft zich uitgesproken over de strekking van een analoge bepaling (artikel 10 van verordening nr. 3/58, dat nagenoeg overeenstemt met artikel 10 van verordening nr. 1408/71) in het arrest-Biason van 9 oktober 1974, waarin het de overbrenging van een aanvullende uitkering op een invaliditeitspensioen toelaatbaar verklaarde. Het sociaal pensioen vormt geenszins een aanvulling op een andere sociale zekerheidsuitkering; zoals gezegd, kan het juist niet worden toegekend aan de rechthebben op uitkeringen waarvan het bedrag dat van het sociaal pensioen te boven gaat. Volgt hieruit, dat mijn betoog onjuist is in die zin, dat alleen aanvullende uitkeringen kunnen worden „geëxporteerd”?
Uit het arrest van het Hof kan die opvatting niet worden afgeleid. Zij wordt evenwel verdedigd door de Italiaanse en de Britse regering, en hoewel de eerste haar niet motiveerd, voert de tweede tot staving ervan aan, dat indien uitkeringen als het Italiaanse pensioen konden worden geëxporteerd, zulks op nationaal niveau tot verwarring zou leiden. De staat beschikt immers niet over een communautair instrument om te kunnen nagaan, of iemand recht heeft op uitkeringen in een andere Lid-Staat, en om de kosten over de betrokken diensten te verdelen.
Dit betoog kan mij niet overtuigen, en niet alleen omdat een argument nog niet wordt weerlegd door aanvoering van het ongemak dat eraan is verbonden. Dat ongemak kan stellig niet worden ontkend en het is evenmin van geringe betekenis. Het gebrek aan harmonisatie van de procedures ter vaststelling van iemands inkomsten alsmede het gebrek aan samenwerking tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten op het onderhavige punt, hebben hinderlijke en vaak ernstige gevolgen. Deze kunnen evenwel worden verzacht door passende nationale maatregelen. En juist voor de toekenning van het Italiaanse sociaal pensioen is een dergelijke maatregel getroffen. De aanvrager is namelijk gehouden, mededeling te doen van wijzigingen in zijn omstandigheden die gevolgen kunnen hebben voor zijn recht op uitkering of voor het bedrag daarvan; aan deze verplichting zijn sancties in de vorm van geldboetes verbonden. Zo bepaalt artikel 26 van wet nr. 153 van 30 april 1969, dat een ieder die opzettelijk handelingen verricht om voor zichzelf of voor anderen pensioenuitkeringen te verkrijgen waarop hij geen recht heeft, een bedrag moet betalen gelijk aan het dubbele van het ten onrechte ontvangen bedrag; de opbrengst komt toe aan het sociaal fonds.
Daarnaast evenwel — en dit is een doorslaggevend argument — kunnen tegen de enge uitlegging die de Britse en de Italiaanse regering voorstaan, de algemene beginselen van de communautaire rechtsorde op het gebied van het vrije verkeer van personen worden aangevoerd. Immers, luidens artikel 51 EEGVerdrag stelt de Raad „de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen ... b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de Lid-Staten verblijven, zullen worden betaald.”
Niet kan worden ontkend, dat indien men alleen aanvullende uitkeringen vatbaar acht voor „export”, zulks de betaling van sociale zekerheidsuitkeringen op het gehele communautaire grondgebied, ongeacht de woonplaats van de rechthebbende, belemmert; indirekt wordt zelfs het vrije verkeer van personen belemmerd, wanneer de migrerende werknemer de Lid-Staat waarin hij zich heeft gevestigd en werk heeft gevonden moet verlaten, omdat hij het wenselijk of noodzakelijk acht, zijn gezin de handhaving van een sociale zekerheidsuitkering te verzekeren (zie, voor een soortgelijk geval, de overwegingen van het Hof in het arrest van 16 december 1976, zaak 63/76, Inzirillo, Jurispr. 1976, blz. 2057, r.o. 15-17).
Zonder de argumenten van de Britse regering te onderschatten, komt het mij tenslotte voor, dat mijn gevolgtrekkingen inzake de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de woonplaats juist moeten worden geacht. Ofschoon zij geen aanvulling vormt op andere prestaties, is een nationale uitkering gelijk het Italiaanse sociaal pensioen vatbaar voor overbrenging naar alle hoeken van de gemeenschappelijke markt.
9.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de vragen door de Italiaanse Corte di cassazione bij beschikking van 14 januari 1982 gesteld in het geding tussen Piscitello en het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale, te beantwoorden als volgt:
a)
artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 moet aldus worden uitgelegd, dat het „sociaal pensioen” door de wettelijke regeling van een Lid-Staat als wettelijk beschermd recht toegekend aan bejaarden in behoeftige financiële omstandigheden, voor wat betreft de toepasselijkheid van de communautaire bepalingen inzake sociale zekerheid ratione personae, moet worden beschouwd als een „uitkering bij ouderdom”;
b)
artikel 10, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat de rechthebbende op een pensioen als bedoeld sub a) zijn recht op dat pensioen behoudt indien hij zijn woonplaats naar een andere Lid-Staat overbrengt, zelfs indien het pensioen volgens de nationale wettelijke regeling van de Lid-Staat waartoe de uitkerende instelling behoort, alleen wordt toegekend aan degenen die op het nationale grondgebied wonen.
( *1 ) Vertaald uitliet Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy