CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 30 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak zijn soortgelijke problemen gerezen als ik had te bespreken in de zaak 131/82, met dien verstande dat het thans om de post van raadadviseur (A2) op het DG XVII (Energie) gaat.
Ik zal een overzicht van de feiten geven. Sedert september 1977 was op bedoelde post werkzaam J. C. Renaud, verzoeker. Ook hij moest op 4 mei 1981 van de Voorzitter der Commissie vernemen dat men voornemens was hem krachtens artikel 50 van het Statuut van zijn ambt te ontheffen. In zijn antwoord de dato 19 mei 1981 verzocht hij met name op een andere post in dezelfde rang te worden tewerkgesteld. In een tweede brief de dato 24 juni 1981 bevestigde de Voorzitter dat men artikel 50 op hem wilde toepassen; bij de brief was een lijst van vacatures in de rang A 2 gevoegd, en de Voorzitter gaf hem de verzekering dat de Commissie de mogelijkheid om aan zijn verzoek te voldoen, zou onderzoeken. Bij besluit van 8 juli 1981 werd hij per 1 november 1981 van zijn ambt ontheven. In een brief van 9 september 1981, die in een nota van 5 oktober 1981 werd bekrachtigd, solliciteerde Renaud naar de bij mededeling COM/1226/81 vacant verklaarde post van directeur van het directoraat D op het directoraat-generaal Externe betrekkingen. Maar nog voordat er een besluit over de vervulling van bedoelde post was genomen, diende hij op 12 oktober 1981 bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in, waarin hij nietigverklaring van zijn ontheffing verlangde. Toen hij hierop binnen de voorgeschreven termijn geen antwoord ontving (bij brief van 3 juni 1981 werd op zijn verzoek met zoveel woorden afwijzend beschikt) en hij op 1 november 1981 niet op een post van gelijke rang was tewerkgesteld, wendde hij zich op 11 mei 1982 tot het Hof van Justitie, primair nietigverklaring vorderende van het besluit van 8 juli 1981 en van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht, en subsidiair: a) nietigverklaring verlangend van het besluit hem niet op een andere post in de zelfde rang te werk te stellen, en met name hem niet te benoemen tot direkteur van het directoraat D van het DGI Externe betrekkingen; b) nietigverklaring van de besluiten waarbij de Commissie, na zijn ontheffing, twee andere posten in zijn rang, onder meer de hiervoor sub a) bedoelde post, had bezet; c) nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht.
Er zij nog aan herinnerd dat bij besluit van 6 april 1982 een ander bij wege van bevordering op de door Renaud geambieerde post werd benoemd. Toen hij hiervan uit een nota van 28 april 1982 vernam, wendde Renaud zich tot de Commissie met een nieuwe, door hem als „accessoir”(subsidiair) aangemerkte klacht. Vervolgens vulde hij zijn bij het Hof ingediende vordering in die zin aan, dat hij de op zijn klacht van 12 oktober 1981 gegeven afwijzende beschikkingen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van voormelde klacht van 28 april 1982 wenste te zien nietigverklaard.
2.
Ik zal eerst de primaire vorderingen bespreken. De bezwaren door Renaud tegen zijn ontheffing ontwikkeld, zijn dezelfde als die waarvan Angelini zich in de zaak 131/82 bediende. Ik verwijs dus naar hetgeen ik in die zaak heb betoogd en ik wijs erop dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden welke twijfel kunnen doen rijzen aan de rechtmatigheid van het jegens verzoeker genomen besluit.
Ook op het DG XVII werd een alleszins redelijk lijkende reorganisatie doorgevoerd, en naar ons werd verzekerd, is het screening-rapport-Ortoli, betreffende de gang van zaken in die dienst en de werkzaamheden in de sector Energie, daarbij inaanmerking genomen. Ik zou er thans niet uitvoerig bij willen stilstaan. Er zij slechts aan herinnerd dat op het directoraat A (dat een deel van het personeel dat onder Renaud's leiding had gestaan, heeft overgenomen) alle „horizontale” activiteiten werden ondergebracht; dat Renauds taken in de sector Internationale vraagstukken rationeel over verschillende directoraten zijn verdeeld, dat zijn post, na de ontheffing, werd overgebracht naar een ander directoraat-generaal, dat aan het DG Energie een eigen ambtenaar — met post en al — afstond, die aldaar zou worden belast met het directoraat D, waarvan de taakstelling ook al was gewijzigd.
Ook in dit geding doet niet terzake dat tot bedoelde reorganisatie strikt genomen is besloten op een door de Commissie op 15 juli 1981 — een week vóór de ontheffing — gehouden vergadering. Daarentegen zou het wel van belang kunnen zijn, indien die maatregel zou zijn genomen voordat het tot opheffing van verzoekers post is gekomen; het bewijs daarvan is evenwel niet geleverd. Wel weten wij dat tot opheffing van enige posten van raadadviseur in beginsel reeds was besloten, welk voornemen blijkens een uittreksel uit de notulen, door de Commissie werd bevestigd op een vergadering, gehouden op 8 juli 1981, ofwel op de dag van verzoekers ontheffing.
Het te dezen aangeboden bewijs behoeft niet te worden onderzocht, omdat het niet kan afdoen aan de reden die mijns inziens tot afwijzing van het primair verzoek zal moeten leiden.
3.
Dan zijn er de subsidiaire vorderingen. Renaud beklaagt er zich allereerst over dat hij niet op een andere post in zijn rang is tewerkgesteld, en richt tot de Commissie het verwijt dat zij naar de mogelijkheden daartoe niet ambtshalve een onderzoek heeft ingesteld. Bij toepassing van artikel 50 van het Statuut is de Commissie zijns inziens gehouden alle mogelijkheden om de ontheven ambtenaar op een andere post tewerk te stellen, te onderzoeken.
Dit gaat niet op. In zijn brief van 24 juni 1981 heeft de Voorzitter der Commissie met zoveel woorden verklaard dat er op sollicitaties van Renaud naar vacante posten, zo goed als op die van ieder ander, acht zou worden geslagen „selon les procédures en vigueur”, met andere woorden niet ambtshalve, maar nadat verzoeker in formele zin zou hebben doen blijken voor de betrokken post in aanmerking te willen komen. Tegen zulk een gedragslijn kan mijns inziens niet worden ingebracht dat er niet vooral naar het in dienst houden van een zittende ambtenaar is gestreefd. Het lijkt ook niet teveel gevraagd wanneer men van betrokkene een gewone sollicitatiebrief verlangt.
De enig overblijvende kwestie is nu of het een onrechtmatige daad oplevert dat posten waarnaar Renaud regulier gesolliciteerd had, hem niet zijn gegund. Vooropgesteld zij dat het daarbij alleen kan gaan om de post van hoofd van het directoraat D van DG Externe betrekkingen. In zijn klacht van 12 oktober 1981 komt hij er evenwel tegen op dat directoraat A van DG XVII hem niet werd toevertrouwd, maar zulk een beklag kan stellig niet voor een formele sollicitatie in de plaats treden. Volgens de mededeling van vacature COM/1232/82, had er vóór 11 september 1981 moeten zijn gesolliciteerd (vgl. bijlage bij de conclusie van antwoord).
Welnu, om voor een benoeming op die post in aanmerking te komeh, Voldeed verzoeker stellig aan de eisen. Het is door het raadgevend comité voor benoemingen in de rangen A 2 en A 3, in hun advies van 13 oktober 1981 ook erkend: „M. Renaud possédait les qualifications requises dans l'avis de vacance d'emploi et... rien permettait de conclure qu'il ne serait pas apte à occuper l'emploi en cause”, maar uit de drie kandidaten die volgens het comité „devraient être pris particulièrement en considération” werd Renaud niet gekozen; na „examen comparatif des mérites des candidats” en de aard van de post in aanmerking genomen, werd de heer Beseler langs de weg van bevordering aangewezen de post te bezetten.
4.
Zoals Angelini in zaak 131/82, betoogt ook Renaud dat die keus niet met redenen omkleed was, en ook in dit geval meen ik dat die motiveringskracht geen grond tot nietigverklaring oplevert. Bij een ander aspect van de zaak zou ik echter terdege willen stilstaan. Renaud was, zo vernemen wij, ongetwijfeld geschikt de vacant verklaarde post te bezetten; mag nu worden gezegd dat, gezien artikel 50 van het Statuut, een van zijn ambt ontheven ambtenaar in geval van zodanige geschiktheid moet voorgaan boven kandidaten van lagere rang?
Dit is kennelijk de mening van Renaud. Hij beroept zich op twee beginselen: het stabiliteitsbeginsel dat, zij het in afgezwakte vorm, ook zou gelden voor ambtenaren in de rang A 2, en het billijkheidsbeginsel, volgens hetwelk een ambtenaar die ingeval van een voor hem nadelige beslissing de dienst heeft te verlaten, meer in bescherming zou móeten worden genomen dan een personeelslid wiens loopbaan door zulk een besluit alleen maar zou worden vertraagd. De Commissie betoogt dat er in artikel 50 geen spoor van zulk een recht op voorrang te vinden is. In situaties als de onderhavige, gaat haars inziens het dienstbelang voor, en dat vraagt om benoeming van de meest geschikte kandidaat.
Van deze beide redeneringen acht ik de tweede gegrond. In artikel 50 wordt alleen maar gezegd dat een van zijn ambt ontheven ambtenaar die niet wordt tewerkgesteld in een tot zijn rang behorend ander ambt dat met zijn rang overeenkomt, een vergoeding geniet die overeenkomstig bijlage IV wordt berekend en op een dergelijke bepaling, waarin de financiële belangen van een buiten zijn schuld ontheven ambtenaar centraal staan, kan een recht om bij voorrang (wederom) te worden tewerkgesteld, niet worden gebaseerd. Het kan ook niet uit de door verzoeker ingeroepen beginselen worden afgeleid. Blijkens artikel 50 en de desbetreffende jurisprudentie, is de positie van ambtenaren in de rang A 1 en A 2 niet „stabiel”, en de billijkheid is een zo algemeen criterium, dat er de door verzoeker bedoelde consequenties niet uit kunnen worden afgeleid. Hoogstens zou het aanleiding kunnen geven voorrang toe te kennen aan een ontheven ambtenaar die, vergeleken met de andere kandidaten, als gelijkwaardig is te beschouwen. Blijft de vraag of de Commissie, toen zij haar keus op Beseier bepaalde, onrechtmatig heeft gehandeld.
Waar volgens uw jurisprudentie alleen duidelijke beoordelingsfouten een besluit nietig kunnen maken, kan de vraag slechts in ontkennende zin worden beantwoord.
Ik herinner in dit verband aan de werkzaamheden, die volgens mededeling COM/1226/81 (bijlage 2 verweerschrift) aan de vacante post waren verbonden en aan hetgeen de Commissie heeft opgemerkt met betrekking tot de wetenschappelijke publikaties van de gekozen kandidaat en zijn grote specifieke ervaring in jarenlange diensttijd opgedaan op het DG Externe betrekkingen. Men legge daarnaast verzoekers kwalificaties zoals ze zijn vermeld in het advies van het raadgevend comité de dato 13 oktober 1981 (voor indiensttreding bij de Commissie opgedane langdurige ervaring „des problèmes du commerce extérieur”; de opdracht als raadadviseur van het DG Energie studie te maken van de problematiek „des réélations extérieures dans Ie domaine énergétique”); dat de Commissie Beseier de meest geschikte kandidaat achtte, lijkt ten volle gerechtvaardigd.
Op grond van één en ander zullen mijns inziens ook de subsidiaire vorderingen moeten worden afgewezen.
5.
Ik geef het Hof derhalve dan ook in overweging het beroep van J. C. Renaud de dato 11 mei 1982 af te wijzen, en, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering de kosten te compenseren.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy