CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 16 DECEMBER 1982 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In deze zaak verzoekt J. G. Monroe, Social Security Commissioner te Londen, het Hoľ van Justitie om cen prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van de artikelen 18, lid 1, en 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregclingcn op loontrekkenclen en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB I. 149 van 1972, blz. 2).
Blijkens de verwijzingsbeschikking en de opmerkingen van de — volgens de wettelijke regeling van liet Verenigd Koninkrijk benoemde — Insurance Officer, is verzoeker in 1931 in Italië geboren en bezit hij de Italiaanse nationaliteit. Hij was van 1952 tot 1958 in Italië verzekerd, werkte 11 maanden in Duitsland en was van 11 oktober 1960 tot 12 augustus 1973 in het Verenigd Koninkrijk verzekerd. Hij keerde terug naar Italië en was daar verzekerd vanaf februari 1974. Hij werd in Italië ziek en vroeg op 30 november 1974 in Italië een invaliditeitspensioen aan. Dit werd hem met terugwerkende kracht tot 1 december 1974 toegekend, op de grondslag van gedeeltelijke invaliditeit. Daar hij zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Italië verzekerd was geweest, werd van zijn verzoek aan de Italiaanse autoriteiten mededeling gedaan aan het Department of Health and Social Security te Londen (hierna: DHSS), dat het beschouwde als een verzoek om een Britse uitkering. De Commissioner verklaarde dat zulks in overeenstemming was met de arresten van het Hof in de zaken 108/75 (Balsamo, Jurispr. 1976, blz. 375) en 41/77 (Warry, Jurispr. 1977, blz. 2085).
De Insurance Officer was van oordeel, dat Coppola niet voldeed aan de medische voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen in het Verenigd Koninkrijk; hij had niet. aangetoonc, wegens een specifieke ziekte of lichamelijke of geestelijke invaliditeit niet in staat te zijn, de werkzaamheden te verrichten die redelijkerwijze van hem konden worden verwacht. Coppola kwam tegen deze beslissing in beroep bij de plaatselijke rechter, die in Italië opgevraagde medische rapporten in zijn onderzoek betrok doch de beslissing van de Insurance Officer bevestigde. Coppola kwam daarvan in hoger beroep bij de Social Security Commissioner.
Deze laatste heeft nog een beslissing genomen over de vraag, of Coppola voldoet aan de medische voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen. Hij is van mening dat Coppola's verzoek aan het DHSS moet worden (en is) behandeld als een verzoek om een ziektec.q. invaliditeitsuitkering. Op grond van het dossier is hij voorts van mening dat Coppola, althans voor de tijdvakken van 30 maart tot 15 mei 1975 en van 22 tot 26 juni 1976, waarin hij in het ziekenhuis lag of herstellende was, had voldaan aan de medische voorwaarden voor toekenning van een Britse ziekteuitkering. De Social Security Commissioner is evenwel van oordeel dat Coppola krachtens de enkele wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk niet in aanmerking komt voor een ziekteuitkering voor enig tijdvak gelegen na de datum van zijn aanvraag, nu hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden inzake bijdragebetaling. Het betreft hier twee voorwaarden. In de eerste plaats moet betrokkene een bepaald bedrag aan bijdragen hebben betaald: dit heeft Coppola gedaan; voorts moeten door of voor de aanvrager voldoende bijdragen zijn betaald over een aan het verzoek om uitkeringen voorafgaande periode, destijds aangeduid als „contribution year”. In verzoekers geval liep het „contribution year” van 4 juni 1973 tot 2 juni 1974, in welk tijdvak door of voor Coppola slechts tien bijdragen zijn betaald. Dit was minder dan het minimum aantal bijdragen voor het verkrijgen van een ziekteuitkering, zelfs tegen verlaagd tarief. De Social Security Commissioner is derhalve van oordeel dat verzoekers aanvraag moet worden afgewezen, tenzij de door of voor hem in Italië betaalde bijdragen in aanmerking kunnen worden genomen om te bepalen of hij voldoet aan de voorwaarden inzake bijdragebetaling in het Verenigd Koninkrijk.
Coppola betoogt dat zijn verzoek om een invaliditeitspensioen in het Verenigd Koninkrijk moet worden toegewezen, aangezien artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 het DHSS verplichtte, rekening te houden met voor of door hem in Italië betaalde bijdragen. Artikel 18, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2864/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 306 van 1972, blz. 1), luidt als volgt:
„Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.”
Daartegen heeft de Insurance Officer aangevoerd, dat het DHSS in casu geen „bevoegd orgaan” is in de zin van artikel 18, lid 1. Voor de toepassing van titel III, hoofdstuk 1, van verordening nr. 1408/71, waartoe artikel 18 behoort, is volgens de Insurance Officer alleen het orgaan waarbij de werknemer op het tijdstip van het verzoek is verzekerd, te beschouwen als het orgaan dat bevoegd is ter zake van de gevraagde uitkering.
De eerste drie vragen van de Social Security Commissioner zijn gesteld met het oog op dit verschil in opvattingen over de betekenis van het begrip „bevoegd orgaan” in artikel 18 en de toepassing ervan in het onderhavige geval. De vragen zijn in extenso opgenomen in het rapport ter terechtzitting, zodat ik ze niet behoef te herhalen. Het Hof wordt hoofdzakelijk verzocht, de toepassing van het in dat artikel vervatte begrip „bevoegd orgaan” toe te lichten.
Voor de uitlegging van artikel 18 moet allereerst worden gelet op artikel 1, sub o, van de verordening, bepalende — voor zover hier van belang — dat onder „bevoegd orgaan” wordt verstaan :
(i)
het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, of
(ii)
het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of één of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de Lid-Staat, waarop zich dit orgaan bevindt;
Voorts is artikel 13 van belang, dat algemene regels bevat voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving, en onder meer bepaalt: „De werknemer op wie deze verordening van toepassing is, is slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat onderworpen.”
Kennelijk wordt derhalve een werknemer voor de behandeling van een verzoek om een uitkering geacht bij één orgaan verzekerd te zijn, te weten het orgaan waarbij hij was aangesloten op het tijdstip van de aanvraag om een uitkering, het orgaan derhalve van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaam was en aan de wetgeving waarvan hij was onderworpen op het tijdstip van de aanvraag, of, wanneer zijn tewerkstelling is geëindigd, van de Lid-Staat waarin hij laatstelijk werkzaam was en aan de wetgeving waarvan hij laatstelijke onderworpen was. Bestaat er een orgaan waarbij hij aldus verzekerd is op het tijdstip van de aanvraag, zodat artikel 1, sub o, (i), van toepassing is, dan behoeft niet te worden gekeken naar artikel 1, sub o, (ii), dat in ieder geval alleen van toepassing is wanneer de betrokkene of zijn familie enkel niet voor een uitkering in aanmerking komen op grond dat zij niet in de betrokken Lid-Staat wonen.
Iedere andere oplossing zou onverenigbaar zijn met artikel 13 van de verordening, dat ten doel heeft elke overbodige opeenstapeling of vermenging van lasten en aansprakelijkheden te vermijden, welke uit de gelijktijdige of afwisselende toepassing van meerdere wettelijke regelingen zou voortvloeien (zaak 50/75, Massonet, Jurispr. 1975, blz. 1473, r.o. 15). Er zou ook strijd ontstaan met verordening nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 (PB L 74 van 1972, biz. 1), waarvan artikel 17 bepaalt dat aan „het bevoegde orgaan” een verklaring moet worden overgelegd, en artikel 93, lid 1, dat het bedrag van bepaalde verstrekkingen „door het bevoegde orgaan (wordt vergoed) aan het orgaan dat genoemde verstrekkingen heeft verleend.”
Of iemand aldus verzekerd is voor de in verordening nr. 1408/71 bedoelde uitkeringen, is hoofdzakelijk een vraag van nationaal recht; om uit te maken evenwel of is voldaan aan de voorwaarden voor uitkering, moeten de bepalingen van die verordening in aanmerking worden genomen, te weten artikel 18 voor ziekteuitkeringen en de artikelen 38 en 40 voor invaliditeitsuitkeringen.
In casu blijkt uit de door de Social Security Commissioner vastgestelde feiten, dat verzoeker op 30 november 1974 verzekerd was in Italië, in welke Lid-Staat hij (laatstelijk) werkzaam was, en niet bij het DHSS; mitsdien kan het DHSS niet als bevoegd orgaan in de zin van artikel 1, sub o, (i) worden beschouwd. Nu de bepalingen van de Britse wettelijke regeling volgens welke een werknemer niet in aanmerking komt voor uitkeringen bij verblijf buiten het Verenigd Koninkrijk door de artikelen 10 en 19 van verordening nr. 1408/71 buiten werking worden gesteld, en de uitkeringen verzoeker in ieder geval niet worden geweigerd, op grond dat hij niet in het Verenigd Koninkrijk verblijft, is het DHSS evenmin een orgaan in de zin van artikel 1, sub o, (ii), van de verordening.
Mitsdien kunnen mijns inziens de eerste drie vragen in grote lijnen worden beantwoord in de door de Commissie voorgestane zin, te weten:
„Wanneer een werknemer die in een bepaalde Lid-Staat om een ziekteuitkering verzoekt, in die Lid-Staat werkzaam is, dient het bevoegde organ van de Lid-Staat waarbij hij is verzekerd op het tijdstip van de aanvraag van een uitkering, voor zover nodig rekening te houden met eerder in een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken: artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is niet gericht tot die andere Lid-Staat.”
In verband met de vierde vraag wijst de Commissioner erop, dat zelfs wanneer Coppola niet voldoet aan de voor het verkrijgen van een Britse ziekteuitkering geldende voorwaarden inzake bijdragebetaling, doch wel gedurende 168 dagen, in een tijdvak van onderbreking van zijn tewerkstelling, heeft voldaan aan de medische voorwaarden voor toekenning van een ziekteuitkering, hij toch tot op zekere hoogte aanspraak kan maken op een Britse invaliditeitsuitkering krachtens artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1408/71. Laatstgenoemd artikel, aldus de Commissioner, heeft betrekking op het geval van de werknemer die onderworpen is aan de wetgeving van een bepaalde Lid-Staat (bijvoorbeeld Italië), doch een invaliditeitsuitkering aanvraagt in een andere Lid-Staat (bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk), die aan toekenning daarvan de voorwaarde verbindt dat de betrokkene voorheen recht heeft gehad op een ziekteuitkering (zaak 41/77, Warry, jurispr. 1977, blz. 2085). In dit geval zal de verschuldigde uitkering ingevolge artikel 46, lid 3, lager zijn dan wanneer Coppola had voldaan aan de voorwaarden inzake bijdragebetaling voor een Britse ziekteuitkering (rekening houdende met de in Italië betaalde bijdragen).
Met de vierde vraag wenst de Social Security Commissioner te vernemen, of degene die in een Lid-Staat recht heeft op een invaliditeitsuitkering zonder een beroep te doen op de artikelen 45 en 46 inzake samentelling en proratisatie, doch alleen op grond dat hij aanspraak kan maken op ziekteuitkering krachtens artikel 18 (al dan niet met een beroep op artikel 40, lid 3) van genoemde verordening, moet dulden dat zijn uitkering krachtens artikel 46, lid 3, van die verordening wordt gecorrigeerd, of dat genoemd artikel 46, lid 3, ongeldig is voor zover het anders zou leiden tot correctie van die uitkering. Om de hiervoor reeds genoemde redenen ben ik van mening, dat in casu beslist geen aanspraak op ziekteuitkeringen in het Verenigd Koninkrijk kan worden gemaakt op grond van artikel 18, en dat dit artikel in ieder geval niet van toepassing is op invaliditeitsuitkeringen. Daarop kan alleen aanspraak worden gemaakt met een beroep op artikel 40, lid 3.
Mijns inziens moet de vierde vraag bevestigend worden beantwoord. Aangezien de invaliditeitsuitkering in het door de Commissioner gestelde geval alleen op grond van het gemeenschapsrecht verschuldigd zou zijn, is het in het arrest-Petroni (zaak 24/75, Jurispr. 1975, blz. 1149) ontwikkelde beginsel, dat iedere beperking van cumulatie van uitkeringen, welke leidt tot verlaging van de rechten die de betrokkenen reeds in een Lid-Staat hebben door de enkele toepassing van de nationale wetgeving, verboden is, niet van toepassing.
Ik concludeer mitsdien, dat de door de Social Security Commissioner gestelde vragen moeten worden beantwoord als volgt:
1.
Wanneer degene die in een bepaalde Lid-Staat om een ziekteuiikering verzoekt, in die Lid-Staat werkzaam is, dient het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waarbij hij is verzekerd op het tijdstip van de aanvraag van een uitkering, voor zover nodig rekening te houden met de eerder in een an dere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken: verordening nr. 1 -V C c - 71 is niet gericht tot die andere Lid-Staat.
2.
Een invaliditeitsuitkering die — zonder een beroep te doen op de artikelen 45 en 46 van verordening nr. 1408/71 inzake samentelling en proratsatte — is verkregen in aansluiting op de toekenning van een ziekteurtkering krachtens artikel 40, lid 3, van die verordening, kankrachtens artikel l'). lid 3, van die verordening rechtsgeldig worden veiiaagd.
( 1 ) Vmaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy