CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZČS
van19 januari 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De Commissie heeft bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming ingesteld tegen het Koninkrijk België, inzake het vereiste dat de aanvrager van een toelating tot het verhandelen van fyţofarma-ceutische produkten en bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik, in België moet zijn gevestigd.
I —
1.
Aanleiding tot dit beroep is een klacht die de regering van de Bondsrepubliek Duitsland in 1979 bij de Commissie heeft ingediend. Ter terechtzitting vernamen wij dat het betrokken produkt een lotion is om paarden en pony's te beschermen tegen irritaties en tegen steken van vliegen en andere insekten. Volgens de Duitse fabrikant heeft dit produkt, dat in de Gemeenschap vrij algemeen wordt gebruikt en sinds dertien jaar in de handel is, nooit enig ongeval veroorzaakt.
In een eerste brief van 5 november 1979 wees de Commissie de Belgische regering op de problemen die het in de Belgische regeling gestelde vereiste oproept in verband met de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag. In haar antwoord van 31 december daaropvolgende beriep de Belgische regering zich ter rechtvaardiging van dat vereiste op de bescherming van de volksgezondheid, wegens de gevaren die het gebruik van de betrokken produkten kan opleveren.
Op 27 maart 1981 werd de precontentieuze procedure van artikel 169 EEG-Verdrag formeel ingeleid. In haar schriftelijke aanmaning betoogde de Commissie dat de Belgische regeling artikel 30 EEG-Verdrag schendt, doordat zij de verkoop van ingevoerde produkten moeilijker maakt dan die van binnenlandse, en niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 van het Verdrag. In haar opmerkingen van 21 mei 1981 erkende de Belgische regering, dat haar wettelijke regeling „zeker de indruk kan wekken dat zij de verkoop van ingevoerde produkten moeilijker maakt dan die van binnenlandse produkten”. Die regeling was evenwel gerechtvaardigd, zo stelde de Belgische regering, omdat het gevaarlijke karakter van die produkten een uiterst strenge regeling, inzonderheid van het toezicht, noodzakelijk maakte. Met het oog op de bescherming van de gebruikers was het alleszins passend en niet overdreven dat er iemand werd aangewezen die binnenlands aansprakelijk was voor de kwaliteit van elk produkt.
Niettemin bracht de Commissie op 23 oktober 1981 een met redenen omkleed advies uit, dat op 30 oktober daaropvolgende ter kennis van de Belgische autoriteiten werd gebracht, en waarin zij de Belgische regering uitnodigde binnen twee maanden het nodige te ondernemen om de gestelde niet-nakoming te beëindigen. De Belgische regering heeft dit advies niet opgevolgd; in haar brief van 18 februari 1982 beklemtoonde zij integendeel dat het bestreden vereiste onontbeerlijk was ter bescherming van de volksgezondheid.
In die omstandigheden stelde de Commissie bij op 17 mei 1982 neergelegd verzoekschrift beroep in bij het Hof.
2.
De regel die uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt onwettig wordt genoemd, is vervat in het Koninklijk Besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten, dat in hoofdzaak de volgende punten behelst:
—
fytofarmaceutische produkten en bestrijdingsmiddelen mogen niet zonder voorafgaande toelating op de markt worden gebracht;
—
om de veiligheid en juiste voorlichting te verzekeren van ieder die deze produkten moet hanteren, wordt de verpakking en de etikettering aan strenge regels onderworpen;
—
de verkoop, en soms ook het gebruik, van de in de bijlage bij het Koninklijk Besluit vermelde produkten, die als de gevaarlijkste worden beschouwd, is voorbehouden aan deskundige personen, en onderworpen aan bijzondere bepalingen.
Artikel 12 van het Koninklijk Besluit bepaalt het volgende:
„De aanvraag tot erkenning, of tot toelating, en de aanvraag tot vernieuwing of tot aanvulling daarvan worden ingediend op een formulier naar het model bepaald in bijlage 1, van dit besluit. De aanvraag wordt in drie exemplaren aan de bevoegde minister gericht door de persoon die in België gevestigd is en verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het fytofarmaceutisch produkt of van het bestrijdingsmiddel voor niet-landbouwkundig gebruik, ongeacht of hij fabrikant, invoerder, eigenaar of concessiehouder is.”
Volgens de Belgische regering wordt ingevolge artikel 12 het officieel getuigschrift houdende toelating of erkenning van het betrokken produkt, afgegeven aan degene die op de hoogte is van de precieze samenstelling en van alle fysische, chemische en biologische eigenschappen ervan. Het vereiste, dat hij in België is gevestigd, vindt zijn rechtvaardiging in de mogelijkheid de houder van dat getuigschrift aan te spreken voor alle gevolgen — met name voor de volksgezondheid — van het in de handel brengen van dat produkt.
Artikel 12 is van toepassing op de twee groepen produkten omschreven in artikel 1 van het Koninklijk Besluit: fytofarmaceutische produkten en bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik. De eerste groep omvat de bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, ten aanzien waarvan de minister van Landbouw bevoegd is. De tweede groep produkten moet door de minister van Volksgezondheid worden toegelaten. De hoedanigheid van de aanvrager heeft geen belang, als hij maar in België is gevestigd. Dat blijkt al uit de laatste woorden van artikel 12, tweede alinea. Voorts heeft de Belgische regering in de loop van het geding verduidelijkt, dat die aanvrager ook een plaatselijk vertegenwoordiger van de importerende firma, een grossier, of zelfs een kleinhandelaar mag zijn.
De Belgische regering heeft op een van de vragen van het Hof geantwoord, dat ook in haar regeling voor farmaceutische produkten en voor springstoffen een vestiging in België is vereist. Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat zij niet zal nalaten daaruit de nodige conclusies te trekken.
Tenslotte wijs ik erop, dat reeds vroeger in verband met regelingen als de Belgische, procedures wegens niet-nakoming zijn gevoerd, en dat er thans nog hangende zijn of zeer binnenkort zullen worden ingeleid. Zo heeft de Commissie zich tot de Bondsrepubliek Duitsland gericht, wier wet op de plantenbescherming „Pflanzenschutzgesetz”) met name in artikel 12 bepaalde dat op de verpakkingen van de produkten de namen moesten voorkomen van de producent, de invoerder of de verdeler, „gevestigd op het grondgebied waar de wet van toepassing is”. Na deze tussenkomst van de Commissie heeft Duitsland die woorden vervangen door „gevestigd in een Lid-Staat van de EEG”, zodat de Commissie de zaak als afgedaan kon beschouwen. Ook tegen de Franse Republiek is de Commissie een procedure begonnen, die op de dag van de pleidooien in de fase van het met redenen omklede advies verkeerde. Zij is gericht tegen een besluit van de minister van Landbouw van 7 oktober 1974, betreffende de goedkeuringsprocedure voor de produkten genoemd in artikel 1 van de wet van 11 november 1943 tot regeling van het toezicht op de produkten ter bestrijding van parasieten. Dit besluit bepaalt immers dat „de aanvraag tot goedkeuring voor elke specialiteit aan de minister van Landbouw moet worden gericht door de in Frankrijk verblijvende houder van het merk”.
Tenslotte kwam de Commissie, door een mededeling van de Belgische regering in de onderhavige zaak, achter het bestaan van een vergelijkbare situatie in Italië, tegen welk land zij spoedig de procedure van artikel 169 wil inleiden.
3.
Op dit ogenblik is de gemeenschapsregeling voor bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten beperkt tot een harmonisatierichtlijn van de Raad betreffende de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, PB L 196 van 1967, blz. 1).
Toch rrioet ook melding worden gemaakt van het op 4 augustus 1976 door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel voor een richtlijn betreffende het in het verkeer brengen van tot (sic) de EEG goedgekeurde bestrijdingsmiddelen (PB C 212 van 1976, blz. 3). Volgens artikel 5, lid 2, van dit voorstel moet iedere aanvrager van EEG-goedkeuring van een bestrijdingsmiddel in de Gemeenschap zijn gevestigd. Een aantal Lid-Staten, waaronder België, waren echter tegen deze communautaire oplossing van het vestigingsprobleem gekant en gaven de voorkeur aan een nationale oplossing zoals de litigieuze. Op dit ogenblik is onmogelijk te voorzien wanneer de Raad tot een definitieve beslissing omtrent dit voorstel zal komen.
II —
Beide parijen zijn het erover eens, dat het geschil niet zo veel praktisch belang heeft.
Enerzijds erkent de Commissie zelf, dat in veruit de meeste gevallen aan het vereiste van de huidige regeling is voldaan, daar de betrokken firma's in het kader van hun verkoopstrategie meestal reeds een vertegenwoordiger ter plaatse hebben. Toch kan dit vereiste een hinderpaal zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen die hun produkten naar België willen uitvoeren. Mijns inziens verdient laatstgenoemde overweging onze bijzondere aandacht. Voor kleine ondernemingen immers zijn de bijzondere eisen van nationale regelingen en praktijken bezwarender en juist ten aanzien van deze werken zij eerder discriminerend.
Anderzijds zijn partijen het erover eens, dat de betrokken produkten gevaarlijk kunnen zijn, en dat de verkoop ervan aan een voorafgaande toelating kan worden onderworpen. Zo vernamen wij ter terechtzitting dat op het etiket van de op het eerste gezicht onschadelijke „vliegen-lotion”, die tot deze procedure heeft geleid, de volgende tekst is aangebracht: „Vergiftig voor bijen en vissen. Alleen voor dieren bestemd. Buiten het bereik van kinderen houden. Niet laten innemen. Niet in de nabijheid van veevoeder klaarmaken. Brandbaar”.
Het geschil betreft dus alleen het feit, dat de toelating moet worden gevraagd door een in België gevestigd persoon, ongeacht zijn hoedanigheid (fabrikant, importeur, concessionaris, grossier, kleinhandelaar).
Volgens de Commissie zijn door dit vereiste ingevoerde produkten moeilijker te verkopen dan binnenlandse. Bijgevolg is het een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking en valt het als zodanig onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag, waarvan het niet krachtens artikel 36 van het Verdrag kan worden vrijgesteld.
2.
Om te beginnen is artikel 30 EEG-Verdrag in casu inderdaad van toepassing. Weliswaar bestaan er inzake de verkoop van fytofarmaceutische produkten en bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik, geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde communautaire voorschriften. Bijgevolg staat het aan de Lid-Staten om „te beslissen over de mate waarin zij de bescherming [van de gezondheid en het leven van personen] willen waarborgen” (arrest van 20 mei 1976, zaak 104/75, De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613, r.o. 15; arrest van 17 december 1981, zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3277, r.o. 12). Daarbij moeten zij echter rekening houden „met het feit dat hun optreden zelf beperkingen vindt in het Verdrag”, inzonderheid in de artikelen 30 en volgende (arrest van 17 december 1981, r.o. 12).
Vervolgens moet worden nagegaan of de bestreden maatregel werkelijk strijdig is met artikel 30. Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft verklaard (laatstelijk in het arrest van 9 juni 1982, zaak 95/81, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1982, r.o. 24), is het daarvoor in beginsel voldoende dat de betrokken maatregel „al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel de handel tussen Lid-Staten kan belemmeren”.
Ik wil er voorts nog op wijzen, dat, indien de bestreden regeling bij de inwerkingtreding van het Verdrag zou hebben bestaan, België verplicht zou zijn geweest ze te wijzigen ingevolge artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 70/50/EEG van de Commissie van 22 december 1969, gebaseerd op de bepalingen van artikel 33, lid 7, houdende opheffing van de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, niet bedoeld in andere krachtens het EEG-Verdrag vastgestelde bepalingen. Zij zou immers in strijd zijn geweest met artikel 2, lid 3, sub g, van die richtlijn, dat betrekking heeft op de maatregelen die „de toelating van ingevoerde produkten tot de nationale markt afhankelijk stellen van de voorwaarde om op het grondgebied van de invoerende Lid-Staat een aansprakelijke persoon of een vertegenwoordiger te hebben”. Daarom alleen reeds kan moeilijk worden volgehouden dat de bestreden maatregel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht omdat hij dagtekent van na de inwerkingtreding van het Verdrag. Het lijkt mij juist erger om, zoals België in casu heeft gedaan, een met het gemeenschapsrecht strijdige maatregel te nemen na en niet vóór de inwerkingtreding van het Verdrag.
Afgezien van deze overweging, kan men de bestreden maattegel als een invoerbelemmering beschouwen wegens de bijzondere lasten die hij de aanvrager van een toelating oplegt. Zoals de Commissie na de uiteenzetting van de Belgische regering opmerkte, lijken dit ernstige verplichtingen, aangezien de aanvrager onder meer moet nagaan of de produkten overeenstemmen met de beschrijving in het toelatingsdossier en hij bij een ongeval burgerlijk aansprakelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk is.
Tenslotte erkent de Belgische regering zelf, dat artikel 12 van het Koninklijk Besluit strijdig is met artikel 30, waarbij zij enkel wijst op de bescheiden invloed van haar regeling op het handelsverkeer en ook opmerkt dat de meeste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen het vrije verkeer van goederen indirect beperken.
III —
Waar het in de onderhavige zaak om draait, is dus artikel 36. Volgens de Belgische regering is de vestiging in België van de aanvrager van een toelating noodzakelijk voor de bescherming, van de volksgezondheid. Dit nu is één van de in artikel 36, eerste volzin, genoemde gronden die invoerbeperkingen kunnen rechtvaardigen, en neemt „onder de in artikel 36 beschermde goederen of belangen” zelfs „de eerste plaats” in (voornoemd arrest van 20 mei 1976, r.o. 15).
1.
Alvorens de desbetreffende argumenten van partijen te onderzoeken, acht ik het nuttig eraan te herinneren dat „artikel 36 volgens vaste rechtspraak eng moet worden uitgelegd” (voornoemd arrest van 9 juni 1982, r.o. 27). Luidens dat artikel zijn invoerbeperkingen bovendien eerst wettig wanneer zij „gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van ... de gezondheid en het leven van personen ...”. Het woord „gerechtvaardigd” betekent dat die maatregelen noodzakelijk moeten zijn voor de bescherming van de gezondheid (arrest van 8 november 1979, zaak 251/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3369, r.o. 21), en dat er ook geen middelen bestaan die het handelsverkeer minder belemmeren (laatstelijk in het arrest van 10 november 1982, zaak 261/81, Rau, Jurispr. 1982. r.o. 12: „Heeft een Lid-Staat de keuze tussen verschillende middelen waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt, dan moet hij het middel kiezen dat het vrije handelsverkeer het minst belemmert”). Anders gezegd, „de door de Lid-Staten op grond van artikel 36 genomen maatregelen moeten voldoen aan het evenredigheidsbeginsel”. Dit wordt ook door de Belgische regering erkend.
Er zij tenslotte aan herinnerd, dat in het kader van het onderzoek van artikel 36 de regering die zich op een aldaar genoemde uitzondering beroept, moet aantonen dat haar nationale regeling haar rechtvaardiging vindt in die uitzondering (voornoemd arrest van 8 november 1979, r.o. 24).
2.
Om te beginnen wijst de Belgische regering met nadruk op de gevaren van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten. Worden deze produkten onvoorzichtig gehanteerd, dan kunnen de gevolgen voor de volksgezondheid ernstig, en soms dramatisch zijn. Die gevaren zijn des te groter omdat het gebruik van die produkten de laatste jaren sterk is toegenomen. Daarbij komt nog, dat zij niet alleen worden gebruikt door vaklieden, maar ook door doe-het-zel-vers die er niet zo best mee weten om te springen. Tenslotte is het mogelijk dat de schadelijke gevolgen van die produkten eerst na langere tijd aan het licht treden.
De Commissie ontkent niet, dat het noodzakelijk en gewettigd is, in de betrokken sector een stelsel van toezicht, verificatie en controle in te voeren, en in het belang van de volksgezondheid de nodige beschermingsmaatregelen te nemen. Zij wijst er evenwel op, dat de Lid-Staten wel eens geneigd zijn in het potentieel gevaarlijke karakter van een produkt een voorwendsel te zoeken om hun markt tegen de invoer van identieke produkten uit andere Lid-Staten te beschermen. Zij geeft het voorbeeld van een Lid-Staat die, met een beroep op de gevaren van bromfietsen, had gepoogd te rechtvaardigen dat de aanvrager van een toelating om die produkten op de markt te brengen, op zijn grondgebied moest zijn gevestigd, zodat hij eventueel strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd.
Zij wil met haar beroep alleen opkomen tegen de idee dat de mogelijke gevaren van sommige produkten het vereiste rechtvaardigen, dat de aanvrager van een erkenning of toelating in België moet zijn gevestigd.
Uiteindelijk gaat het dus enkel om de vraag, of de door de Belgische regeling vereiste vestiging in België noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid, en of deze op een andere manier niet even goed, maar met minder hinder voor het handelsverkeer kan worden beschermd.
3.
De Belgische regering betoogt in de eerste plaats, dat de vestiging in België van de houder van de toelating de meeste waarborgen biedt, enerzijds wat het voorkomen van ongevallen, en anderzijds wat de beperking van hun gevolgen betreft.
De in België gevestigde houder van een toelating is, beter dan een houder in het buitenland, in staat om, na afgifte van de oorspronkelijke toelating, de administratie te helpen bij het onderzoek of de verkochte produkten werkelijk aan de in de regeling vervatte normen beantwoorden. Voor de daartoe strekkende controles, bijvoorbeeld op de samenstelling en etikettering van de partijen, is het volstrekt noodzakelijk dat snel een beroep kan worden gedaan op de houder van de toelating. Daar die controles dienen om ongevallen te voorkomen, is de vestiging van die houder in België noodzakelijk.
Die redenering gaat volgens mij te ver. Al kan het feit dat de houder van de toelating in België is gevestigd, de door de Belgische regering bedoelde controles vergemakkelijken, toch lijkt het mij twijfelachtig of het een onontbeerlijke voorwaarde is om ongevallen wegens verkeerd gebruik van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische produkten te voorkomen. Voor zover conformiteitscontroles na verkoop noodzakelijk zijn, moet de administratie zelf in de eerste plaats de verantwoordelijkheid daarvoor op zich nemen. Het komt mij met name voor, dat haar laboratoria de conformiteit van de onderzochte partijen met de in het toelatingsdossier beschreven samenstelling van het produkt kunnen nagaan, zonder daarvoor een beroep te moeten doen op iemand die met de verkoop is belast. Voor het overige zie ik niet in, waarom niet om het even welk persoon die verantwoordelijk is voor de verkoop, de gewenste inlichtingen zou kunnen verstrekken. Met andere woorden, het in de Belgische regeling gestelde vereiste lijkt mij in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De Belgische regering wijst er voorts op, hoe belangrijk het bij een ongeval is, dat de houder van de toelating in België woont. De gebruiker of zijn huisarts moet dan beslist contact met hem kunnen opnemen, daar hij de nauwkeurige samenstelling en de toxicologische eigenschappen van het produkt kent. Dit gaat natuurlijk gemakkelijker wanneer de betrokken persoon in België is gevestigd en zijn naam en adres op elke verpakking voorkomt, dan wanneer hij elders in de Gemeenschap, ver van de plaats van het ongeval, woont.
Daarop antwoordt de Commissie terecht, dat aangezien de Belgische regering zelf heeft verklaard dat de houder van de toelating niet noodzakelijk een gediplomeerd bioloog, scheikundige of landbouwingenieur behoeft te zijn, een ander systeem efficiënter lijkt: de autoriteiten die van de samenstelling en de toxische eigenschappen van de toegelaten produkten op de hoogte zijn, kunnen ze meedelen aan een gespecialiseerde hulpdienst, het Anti-vergifcentrum.
4.
Het hoofdargument van de Belgische regering is, dat de bescherming van de gezondheid de vestiging van de houder in België vereist, aangezien hij — ook strafrechtelijk — verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het produkt. Strafsancties kunnen slechts doeltreffend zijn, wanneer degene die ermee wordt bedreigd, gevestigd is in het land dat ze heeft vastgesteld. De Belgische regering dient dus drie dingen aan te tonen:
1.
de bescherming van de volksgezondheid kan niet zonder strafbedreigingen;
2.
om doeltreffend te zijn moeten die strafbedreigingen tegen een in België gevestigd persoon zijn gericht;
3.
voor die doeltreffendheid is tevens vereist dat de strafbedreigingen enkel gericht zijn tegen de houder van de erkenning of de toelating.
Ter bescherming van de volksgezondheid moeten volgens verweerder de regels inzake verkoop van de betrokken produkten strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Afgezien van hun repressief karakter, werken die sancties ook dissuasief tegenover personen die niet-conforme produkten op de markt zouden trachten te brengen. Voorts moeten zij om doeltreffend te zijn, in België gevestigde personen raken. Zoals de zaken er thans voor staan, zijn immers de juridische technieken in de internationale samenwerking op het gebied van het strafrecht (uitlevering, aangifte van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van strafvonnissen) nog weinig doeltreffend. Dit is volstrekt het geval met gevangenisstraffen en ook met geldboetes wanneer de veroordeelde geen vermogenswaarden in België heeft.
Deze eerste twee onderdelen van het betoog worden door de Commissie niet ernstig betwist. Zij betwijfelt wel of strafmaatregelen in de praktijk de resultaten kunnen afwerpen die de Belgische regering er in casu van verwacht, doch betwist niet formeel de noodzaak ervan, evenmin trouwens als de betrekkelijke ondoelmatigheid van strafvonnissen tegen personen die in het buitenland zijn gevestigd.
Ook al ga ik terzake akkoord met de eensgezinde analyse van partijen, mijns inziens maken strafsancties — in feite meestal boetes — op overtreders veel minder indruk dan administratieve sancties zoals het tijdelijk of definitief verbod om als zelfstandige werkzaam te zijn in de betrokken sector.
In de discussie zoals die hier is gevoerd, is de kernvraag evenwel, of het nodig is dat strafsancties, om doeltreffend te zijn, direct aan de houder van de toelating worden opgelegd.
De Belgische regering vindt het logisch dat de aanvrager van de toelating zelf aansprakelijk wordt gesteld voor de juistheid van het toelatingsdossier, voor de conformiteit van het op de markt gebrachte produkt met de opgegeven samenstelling en voor de nakoming van de bepalingen inzake verpakking en etikettering. Zou de verantwoordelijkheid rusten op degenen die het produkt op de binnenlandse markt verkopen, dan zou dit een versnippering van de verantwoordelijkheid meebrengen, die de regeling verzwakt: de verschillende betrokkenen zouden dan stellig elke verantwoordelijkheid op elkaar trachten af te schuiven. Voorts zouden zij van alle bijzonderheden van het toelatingsdossier even goed op de hoogte moeten zijn als de houder van de toelating. Om die verplichting te doen nakomen is een minstens even stringente regeling nodig als de huidige. Tenslotte zouden de controles veel aan doeltreffendheid inboeten, daar het redelijkerwijze niet doenbaar is ze bij alle potentiële kopers van de produkten te verrichten.
Dit betoog is volgens mij niet tegen alle kritiek bestand.
De gevaarlijkste produkten (vermeld in de lijsten A, B en C in bijlage bij het litigieuze Koninklijk Besluit) mogen immers „enkel door personen die daartoe door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend, en ‚erkende verkopers’ worden genoemd, worden ingevoerd, verworven of gehouden met het oog op de verkoop, te koop geboden, verkocht of kosteloos afgeleverd”. Bijgevolg zouden die personen volgens mij even goed als de houders van de erkenning, voor de strafrechtelijke gevolgen van de verkoop van niet-conforme produkten kunnen instaan. Voorts mag worden aangenomen dat de intrekking van hun erkenning hen meer zal afschrikken dan een boete.
Hetzelfde geldt voor produkten die ook door andere dan erkende verkopers mogen worden verkocht. Ik zie niet in hoe de Belgische strafmaatregelen aan doeltreffendheid zouden kunnen verliezen, daar niets belet de importeur of de verkoper, en eventueel zelfs beide, strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen, aangezien zowel de een als de ander per definitie in België is gevestigd.
Bijgevolg acht ik het vereiste, dat de aanvrager van de erkenning of toelating om fytofarmaceutische produkten of bestrijdingsmiddelen te verhandelen, in België moet zijn gevestigd, een belemmering van de invoer in dat land, die geen rechtvaardiging vindt in de bescherming van de volkgsgezondheid als bedoeld in de eerste zin van artikel 36 EEG-Verdrag.
5.
Subsidiair kunnen wij nog kort ingaan op de vraag of de bestreden maatregel in strijd is met de vereisten van artikel 36, tweede zin. Daar wordt immers bepaald, dat maatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van een in de eerste zin van dat artikel genoemde grond, geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen Lid-Staten mogen vormen.
Nu wil ik wel aannemen dat de bestreden voorwaarde werkelijk de bescherming van de volksgezondheid beoogt en niet die van de binnenlandse produktie. Ik ga uit van de goede trouw van de Belgische regering, die onweersproken heeft verklaard dat meer dan 95 % van die in België verhandelde produkten worden ingevoerd.
Daarentegen ben ik niet overtuigd dat de verplichte vestiging in België geen discriminatie oplevert. Weliswaar geldt die voorwaarde voor eenieder die een toelating aanvraagt, ongeacht of hij Belg dan wel buitenlander is. Maar waar de Belgische producenten er automatisch aan voldoen, kan zij voor de producenten uit andere Lid-Staten problemen opleveren, zoals blijkt uit de klacht die de aanleiding is geweest voor het onderhavige beroep. Bij nader toezien betreft het dus niet een zonder onderscheid op nationale en vreemde produkten toepasselijke maatregel.
Derhalve geef ik het Hof in overweging vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door te bepalen dat de erkenning en toelating van fytofarmaceutische produkten en bestrijdingsmiddelen slechts door een in België gevestigd persoon kunnen worden aangevraagd, een krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen, met verwijzing van het Koninkrijk België in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy