CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 9 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in de onderhavige zaak kocht in 1973 overeenkomstig verordening nr. 1259/72 van de Commissie betreffende het ter beschikking stellen van boter tegen verlaagde prijs aan bepaalde verwerkende industrieën in de Gemeenschap (PB L 139 van 1972, blz. 18), bij het Duitse interventiebureau goedkope boter voor verwerking tot boterconcentraat. Daartoe werd de boter naar België geëxporteerd en bij die uitvoer werd een verlaagd monetair compenserend bedrag (mcb) toegekend overeenkomstig artikel 20 van voornoemde verordening, dat luidt:
„de compenserende bedragen die worden toegepast op boter, boterconcentraat en boterconcentraat met toegevoegde suiker zijn voor het gedeelte boter gelijk aan de compenserende bedragen die zijn vastgesteld krachtens verordening (EEG) nr. 974/71, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,3”.
Toen het boterconcentraat klaar was, werd het weer in Duitsland ingevoerd; bij deze gelegenheid kwam het tot heffing van een mcb, ook ditmaal met toepassing van het verlaagde tarief overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1259/72.
Nadat was vastgesteld dat de Duitse firma die de waar had gekocht, een deel ervan niet tijdig en overeenkomstig de voorgeschreven bestemming had gebruikt, werd van verzoekster het verschil tussen het verlaagde en het normale mcb nagevorderd. Dit leidde tot een rechtszaak voor het Finanzgericht Düsseldorf en vervolgens tot de prejudiciële procedure 217/78, waarin het Hof bij arrest van 28 juni 1979 uitspraak deed (Corman t. Hauptzollamt Aachen-Süd, Jurispr. 1979, blz. 2287).
Het Hof verklaarde voor recht:
„De definitieve toepassing van de verlaagde compenserende bedragen bedoeld in artikel 20 van verordening (EEG) nr. 1259/72 van de Commissie van 16 juni 1972 en in artikel 20 van verordening (EEG) nr. 232/75 van de Commissie van 30 januari 1975, onderstelt dat de betrokken waar, met name gelet op de bestemming ervan, de verminderde waarde heeft die er ingevolge deze verordeningen aan wordt toegekend. Voor zover de importeur niet binnen de termijn genoemd in artikel 6 van deze verordeningen het bewijs heeft geleverd, dat de waar de bestemming heeft gekregen die voorwaarde is voor de verlaging van de compenserende bedragen, vindt de navordering van deze bedragen haar rechtsgrondslag in de algemene regels van het bij verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 ingevoerde stelsel van de monetair compenserende bedragen.”
Daarop besliste het Finanzgericht Düsseldorf in mei 1980, dat de naheffing van een mcb bij de invoer van het boterconcentraat in de Bondsrepubliek Duitsland terecht had plaatsgevonden.
Zowel daarvoor (februari 1978) als daarna (mei 1981) verlangde verzoekster, dat haar alsnog het verschil zou worden betaald tussen het bij de uitvoer naar België toegekende verlaagde mcb en het normale mcb dat op het tijdstip van de
uitvoer had gegolden. Toen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas dit afwees op grond dat de betrokken verzoeken te laat waren ingediend, kwam het tot een nieuwe procedure, nu voor het Finanzgericht Hamburg.
De kennisnemende rechter is van mening, dat verzoeksters vordering niet behoeft af te stuiten op de omstandigheid dat zij haar verzoek om uitbetaling van het verschil zo laat heeft ingediend. Hij twijfelt echter of hij wel kan instemmen met de praktijk van de Duitse douane om bij de uitvoer van boter voor verwerking ook mcb's na te betalen wanneer de goedkope boter niet tijdig en overeenkomstig haar bestemming is gebruikt. Daarvoor zou volgens het Finanzgericht kunnen pleiten, dat volgens bovengenoemde prejudiciële beslissing de boter bij niet tijdige en met de voorschriften conforme verwerking moet worden geacht haar normale marktwaarde te hebben, en omdat het moeilijk te rechtvaardigen is wanneer de invoer en de uitvoer van eenzelfde onderneming verschillend worden behandeld, zou dan niet het verlaagde mcb moeten worden toegepast, maar de algemene regels van verordening nr. 974/71. Een probleem is echter, aldus het Finanzgericht, dat de toekenning van het normale mcb in een dergelijk geval niet uitdrukkelijk is voorzien, en verder zou — waar verordening nr. 1259/72 een andere gebruik van de goedkope boter heeft willen uitsluiten — de toekenning van het normale mcb in strijd kunnen zijn met het doel van de verordening, terwijl men bovendien zou moeten vrezen dat het nabetalen van mcb's misbruik in de hand kan werken.
Derhalve heeft het bij beschikking van 31 maart 1982 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEGVerdrag de navolgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„Moet verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende het stelsel van de monetair compenserende bedragen, gelet op verordening (EEG) nr. 1259/72, aldus worden uitgelegd, dat volgens de algemene regels voor de toepassing van het stelsel der monetair compenserende bedragen het verschil tussen het verlaagde en het normale monetair compenserende bedrag alsnog moet worden toegekend, wanneer bij de uitvoer van opslagboter verlaagde monetair compenserende bedragen zijn toegekend ingevolge artikel 20 van verordening (EEG) nr. 1259/72, doch het uit die boter vervaardigde boterconcentraat niet binnen de in verordening (EEG) nr. 1259/72 gestelde termijn voor het aldaar genoemde doel is gebruikt, en daarom na de wederinvoer naheffing heeft plaatsgevonden van het verschil tussen het verlaagde en het normale monetair compenserende bedrag, of is er geen plaats voor toekenning achteraf van het verschil met het normale monetair compenserende bedrag?”
Verzoekster in het hoofdgeding en het Hauptzollamt zijn van mening dat het eerste deel van de vraag bevestigend moet worden beantwoord, terwijl de Commissie de tegenovergestelde opvatting is toegedaan.
Mijn standpunt in deze is als volgt:
1.
Van groot, zo niet doorslaggevend belang zijn bepaalde overwegingen van het arrest van 28 juni 1979 (zaak 217/78, Corman t. Hauptzollamt Aachen-Süd, Jurispr. 1979, biz. 2287), zeker wanneer men — niettegenstaande het feit dat Duits de procestaai was — naar de Franse tekst ziet die, de onmiddellijke neerslag vormt van de beraadslaging.
a)
Dit arrest bevat vooreerst de principiële vaststelling, dat de toepassing van verlaagde mcb's overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1259/72 niet behoort tot de maatregelen ter bevordering van de toewijzing en afzet van opslagboter, maar valt onder de algemene regels van verordening nr. 974/71 (r.o. 11)..
Zo gezien is inderdaad verzoeksters opmerking gegrond, dat genoemd artikel 20 in feite niet behoort tot de door verordening nr. 1259/72 geregelde materie, en dat bij de uitlegging ervan dus ook niet te rade mag worden gegaan met de doelstelling van die verordening; daarop zou trouwens ook de omstandigheid wijzen, dat pas aan het einde van de considerans van de verordening van de monetaire compensatie wordt gesproken, en dit zonder enig verband te leggen met het doel van de verordening en uitsluitend met vermelding van het beginsel, dat rekening moet worden gehouden met de waarde van de betrokken produkten. Van belang lijkt dan ook het volgende, waarop in de onderhavige procedure de aandacht is gevestigd: omdat de monetaire compensatie objectief en neutraal slechts voor opheffing van prijsverschillen moet zorgen, dienen overeenkomstig het in artikel 1 van verordening nr. 974/71 neergelegde beginsel de mcb's bij de heffing en bij de toekenning uniform te worden toegepast en dienen dus naar de letter van artikel 20 van verordening nr. 1259/72 beide gevallen op dezelfde manier te worden behandeld.
b)
Voorts wordt er in het genoemde arrest niet alleen op gewezen, dat de vaststelling van mcb's is gebaseerd op de prijs van de betrokken produkten, wat in de considerans van verordening nr. 1259/72 tot uitdrukking komt in de overweging, dat het met het oog op de krachtens verordening nr. 974/71 vastgestelde compenserende bedragen aanbeveling verdient rekening te houden met de waarde van de betrokken produkten (r.o. 12). Maar in aansluiting hierop wordt ook heel in het algemeen verklaard dat, wanneer de produkten voor een ander doel zijn gebruikt of niet binnen de in artikel 6 van verordening nr. 1259/72 genoemde termijn overeenkomstig hun bestemming zijn gebruikt — hetgeen voorwaarde is voor de verlaging van de mcb's —, de waar niet de contractuele waarde kan hebben die eraan is toegekend op grond van de in verordening nr. 1259/72 genoemde minimum verkoopprijs, maar dat zij dan dient te worden beschouwd als tegen de normale marktprijs afgezette boter. Bijgevolg moeten dan overeenkomstig het grondbeginsel van de monetaire compensatie — de handelswaarde is de maatstaf — de mcb's worden toegepast die gelden voor boter die tegen een dergelijke normale prijs wordt verhandeld, en dient men de aanvankelijk toegepaste verlaagde mcb's te „redresser” (rechtzetten, verbeteren), wat in de Duitse tekst van het arrest, met het oog op de concrete casuspositie, te beperkend met „nachfordern” (navorderen) is vertaald.
Dit arrest, dat op het einde van de veertiende rechtsoverweging heel in het algemeen constateert dat een dergelijke „rechtzetting” — in het Duits wederom te beperkend met „Nachforderung” vertaald — haar rechtsgrondslag vindt in de algemene regels voor de monetaire compensatie, pleit in feite dan ook voor de door verzoekster in het hoofdgeding en het Hauptzollamt verdedigde stelling, zeker wanneer men in aanmerking neemt, dat de Commissie zich reeds in die procedure op het standpunt had gesteld, dat wanneer aanvankelijk artikel 20 van verordening nr. 1259/72 is toegepast, het met de naheffing van mcb's heel anders ligt dan met de nabetaling ervan.
2.
Zo gezien gaat het in casu dus om dr vraag, of de algemene overwegingen van voornoemd arrest na hetgeen in de onderhavige zaak is aangevoerd, niet moeten worden gecorrigeerd, iets wat eigenlijk alleen het voltallige Hof zou kunnen doen, ook al gaat het bij de overwegingen van het arrest in zaak 217/78, voor zover zij buiten de problematiek van het eraan ten grondslag liggende hoofdgeding treden, slechts om obiter dicta.
Voor een dergelijke correctie zie ik evenwel geen aanleiding, en dat om verscheidene redenen.
a)
Men schijnt het erover eens te zijn dat, gelijk le Commissie heeft voorgedragen, onder bepaalde omstandigheden zwaardere lasten voor de kopers kunnen ontstaan wanneer in prijs verlaagde boter in een land met een harde munt wordt gekocht en het met de bestemming strijdige gebruik plaatsvindt in een land met een zwakke munt, af wanneer de in een land met een harde munt gekochte boter een eerste verwerking ondergaat in een land met een zwakke munt, vervolgens weer wordt ingevoerd in een land met een harde munt en daar in strijd met haar bestemming wordt gebruikt. Anders dan de Commissie acht ik dit om verscheidene redenen onaanvaardbaar.
i)
Het gaat stellig niet aan om, zoals de Commissie doet, eenvoudig te zeggen dat wanneer de boter in strijd met haar bestemming wordt gebruikt — de Commissie spreekt hier van „fraude” —, men geen rechtmatig belang heeft bij het voorkomen van zwaardere lasten. Wie dat zegt, verliest uit het oog, dat de eerste koper van de boter niet per se dezelfde persoon moet zijn als degene die ze in strijd met haar bestemming gebruikt, en dat derhalve de zwaardere belasting op het gebied van de mcb's alleszins de verkeerde kan treffen.
ii)
Het is voorts weliswaar juist, dat volgens het stelsel van verordening nr. 1259/72 er geen bepaalde grenzen zijn gesteld aan achteraf ontstane lasten bij gebruik in strijd met de bestemming; de waarborgregeling is immers zo, dat niet enkel het verschil tussen de minimum verkoopprijs en de marktprijs, maar ook een extra bedrag daarbij in aanmerking kan komen, en bovendien is de daadwerkelijk geboden en betaalde prijs dikwijls hoger dan de minimum verkoopprijs. Wanneer evenwel — zoals de Commissie zelf heeft verkaard — de eigenlijke controle- en strafbepalingen van verordening nr. 1259/72 voldoende zijn om het doel ervan te kunnen verwezenlijken, dan valt moeilijk in te zien waarom extra sancties op het gebied van de monetaire compensatie gerechtvaardigd zouden zijn voor het geval de boter in strijd met haar bestemming wordt gebruikt.
iii)
Tegen de veronderstelling dat dit inderdaad de bedoeling was, kan niet in de laatste plaats worden aangevoerd dat in het kader van artikel 20 een regeling ontbreekt als wel in artikel 18 is opgenomen (in aanmerking nemen van overmacht wanneer de sanctie bestaat in de verbeurte van de waarborg). Daarenboven zouden de door de Commissie voor juist bevonden consequenties discriminerend zijn, omdat dergelijke bijkomende sancties zich slechts bij grensoverschrijding zouden voordoen — wanneer de boter vóór het niet-conforme gebruik uit een land met een sterke munt werd uitgevoerd —, terwijl bij niet-conform gebruik in de staat waar de boter — zonder grensoverschrijding — is gekocht, de verbeurte van de waarborg de enige sanctie blijft. Dit lijkt niet erg juist.
b)
Anderzijds is het in de loop van het geding ook duidelijk geworden dat de toekenning achteraf van mcb's — waarom het in het hoofdgeding gaat — niet bijvoorbeeld het risico meebrengt dat het doel van verordening nr. 1259/72 wordt gefrustreerd. Verzoekster heeft met verscheidene voorbeelden aangetoond dat de verbeurte van de waarborg, tenminste wanneer achteraf ook mcb's zijn geheven, voldoende is om ook indien achteraf,mcb's worden toegekend, ongerechtvaardigde winsten onmogelijk te maken, en ook de Commissie heeft toegegeven dat toekenning achteraf van mcb's in normale omstandigheden geenszins een koerswinst oplevert.
Wanneer de Commissie daarnaast echter meent dat dit onder bepaalde omstandigheden anders kan zijn — bijvoorbeeld wanneer het bij de overgang van het ene bedrijfsjaar naar het andere tot prijsstijgingen op de botermarkt komt; wanneer de waarborgsteller en degene die de grensoverschrijdende transactie verricht naar aanleiding waarvan mcb's worden geheven of toegekend, niet dezelfde zijn; of wanneer in een land waarvan de munt is gedevalueerd, de prijzen stijgen doordat de groene koers aan de gewone koers wordt aangepast —, dan kan tegen deze mening alsook tegen haar conclusie dat haar standpunt zich met dergelijke overwegingen laat rechtvaardigen, nog het volgende worden ingebracht:
i)
Het is — als ik het goed begrijp — toch juist de in de loop der tijd gegroeide soepelheid van de waarborgregeling, die in de eerstgenoemde hypothese een oplossing moet bieden; zou dit evenwel niet op een geheel bevredigende manier mogelijk zijn, dan ligt het meer voor de hand, de waarborgregeling aan te passen dan zich neer te leggen bij de nadelen die kennelijk aan de — volgens de Commissie juiste — uitlegging van artikel 20 van verordening nr. 1259/72 verbonden zijn.
ii)
Wat de als tweede genoemde hypothese betreft, zal de eerste koper van de in prijs verlaagde boter, die de waarborg moet stellen, dit toch wel via een desbetreffend beding afwentelen op latere kopers, dus ook op intermediaire gebruikers die de boter voor een eerste verwerking uitvoeren. Het is dan ook weinig waarschijnlijk, dat een dergelijke intermediaire verkrijger uit een land met een zwakke munt, ingeval later wordt vastgesteld dat de boter in strijd met haar bestemming is gebruikt, zonder de waarborg te verbeuren enkel het verschil tussen het verlaagde en het volle mcb krijgt uitbetaald en zo een onverdiend voordeel verwerft.
iii)
Bij de derde hypothese tenslotte moet niet alleen worden bedacht dat het in de praktijk blijkbaar nog nooit is voorgekomen, dat mcb's werden nagevorderd wanneer de boter naar een land met een zwakke munt is uitgevoerd en nadien in strijd met haar bestemming is gebruikt; in feite bestaat, zoals ons werd meegedeeld, de door de Commissie gewraakte praktijk slechts in de Bondsrepubliek Duitsland, na tijdelijke uitvoer naar een land met een zwakke munt, waarbij bovendien de voorwaarde geldt dat eerst naheffingsbeschikkingen onaantastbaar moeten zijn geworden. De Commissie geeft zelf toe, dat het bij de door haar bedoelde gevallen om zeldzame uitzonderingen gaat, waar speculaties op koerswinsten eerder het gevolg van een toevallige ontwikkeling zijn. Zou echter een bijzondere remedie daartegen — welke de Commissie absoluut gewenst acht — in het kader van de mcb-regeling niet mogelijk zijn, dan lijken mij de door de Commissie in sporadische uitzonderingsgevallen gevreesde koerswinsten eerder aanvaardbaar dan de andere, hiervoor genoemde nadelen die aan haar visie op de uitlegging van artikel 20 van verordening nr. 1259/72 verbonden zijn.
3.
Mitsdien concludeer ik, overeenkomstig het voorstel van verzoekster in het hoofdgeding en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, dat de vraag van het Finanzgericht Hamburg worde beantwoord als volgt:
„Verordening nr. 974/71 moet, gelet op verordening nr. 1259/78, aldus worden uitgelegd, dat wanneer bij uitvoer van opslagboter verlaagde monetair compenserende bedragen zijn toegekend overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1259/72, doch het uit de boter vervaardigde boterconcentraat niet overeenkomstig verordening nr. 1259/72 is gebruikt en deswege na de wederinvoer naheffing heeft plaatsgevonden van het verschil tussen het verlaagde en het normale monetair compenserende bedrag, alsnog ook het verschil tussen het verlaagde en het normale monetair compenserende bedrag bij uitvoer moet worden toegekend”.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy